Rb. Amsterdam, 18-11-2021, nr. 13.751499-21
ECLI:NL:RBAMS:2021:6617
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
18-11-2021
- Zaaknummer
13.751499-21
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2021:6617, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 18‑11‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2021:3680, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 14‑07‑2021; (Tussenuitspraak)
Prejudiciële vraag aan: ECLI:EU:C:2021:876
- Vindplaatsen
SEW 2021, afl. 10, p. 487
Uitspraak 18‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Verzoek van de Belgische rechterlijke autoriteit om toestemming te verlenen voor verdere overlevering als bedoeld in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c, Overleveringswet. Vervolg op ECLI:NL:RBAMS:2021:3680. De voorhanden zijnde stukken, inclusief het verhoor in België, bevatten de gegevens zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ en zijn toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen op het verzoek om verdere overlevering. De rechtbank ziet geen aanleiding om aanvullende gegevens over het standpunt van de overgeleverde persoon aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit te vragen. Tevens is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming voor de overgeleverde persoon. Aan toestemming tot verdere overlevering staan geen weigeringsgronden in de weg. De rechtbank verleent de in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c, OLW bedoelde toestemming.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.751499-21
RK-nummer: 21/2634
Datum uitspraak: 18 november 2021
BESLISSING
op het verzoek om toestemming te verlenen voor verdere overlevering als bedoeld in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c, Overleveringswet (hierna: OLW). Dit verzoek is ingediend door de Eerste Substituut-Procureur des Konings van het Parket van Brussel (België) op 3 mei 2021 en betreft de verdere overlevering van:
[overgeleverde persoon]
geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ,
laatst bekende adres in [land] : [adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd in [land] ,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.
1. Procesgang
Op de zitting van de raadkamer van 12 mei 2021 is de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van de raadkamer van 19 mei 2021. Op de zitting van de raadkamer van 19 mei 2021 is, in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal, de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 27 mei 2021 teneinde het verzoek in een meervoudige samenstelling te behandelen.
De behandeling van het verzoek is hervat op de meervoudige raadkamerzitting van 27 mei 2021, in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern.
Op 10 juni 2021 is een tussenbeslissing door de rechtbank gewezen waarin het onderzoek is heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, omdat de rechtbank meer tijd nodig had om zich te beraden op de beslissing.
Op 14 juli 2021 heeft de rechtbank in openbare raadkamer het onderzoek ter zitting gesloten en direct daarna uitspraak gedaan.
Bij tussenbeslissing van 14 juli 20211.heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd aangehouden voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie).
Het Hof van Justitie heeft op 26 oktober 2021 uitspraak gedaan2..
Op de openbare meervoudige raadkamer van 4 november 2021 is de behandeling van het verzoek hervat, in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern.
2. Prejudiciële procedure
Bij voornoemde tussenbeslissing heeft de rechtbank, kort gezegd, aangenomen dat de procedure waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist over een verzoek tot verdere overlevering - als bedoeld in artikel 28, derde lid, Kaderbesluit 202/584/JBZ (hierna: het Kaderbesluit) - moet voldoen aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming en dat dit meebrengt dat de overgeleverde persoon moet worden gehoord op het verzoek tot verdere overlevering. Aan het Hof van Justitie is vervolgens de vraag voorgelegd waar dit recht zou moeten worden uitgeoefend - tegenover een rechterlijke autoriteit in de uitvaardigende of in de uitvoerende lidstaat - en, indien de overgeleverde persoon in de lidstaat die hem eerder heeft overgeleverd moet worden gehoord, op welke wijze die lidstaat hem daartoe in staat moet stellen.
Het Hof van Justitie heeft, zakelijk weergegeven, het volgende geoordeeld.
Uit het feit dat het Kaderbesluit de overgeleverde persoon niet uitdrukkelijk het recht toekent om te worden gehoord in het kader van een verzoek tot verdere overlevering of aanvullende toestemming kan in geen geval worden afgeleid dat dit grondrecht in dergelijke omstandigheden aan die persoon zou worden onthouden.
Het is aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit om te beoordelen of wordt ingestemd met verdere overlevering en daaruit volgt dat de overgeleverde persoon door de uitvoerende rechterlijke autoriteit moet worden gehoord.
Dit betekent niet dat de overgeleverde persoon het recht heeft om persoonlijk voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit te verschijnen, maar wel dat hij feitelijk de mogelijkheid moet hebben gehad om voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek om toestemming voor verdere overlevering kenbaar te maken.
Gelet op het aan het Kaderbesluit ten grondslag liggende vereiste van voortvarendheid, kan het recht om door de uitvoerende rechterlijke autoriteit te worden gehoord concreet worden uitgeoefend in de uitvaardigende lidstaat, waarin de overgeleverde persoon zich bevindt, zonder dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit rechtstreeks deelneemt. De overgeleverde persoon kan zijn standpunt kenbaar maken aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. Indien dit standpunt in een proces-verbaal is opgenomen en vervolgens door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit wordt meegedeeld, moet het, gelet op het beginsel van wederzijds vertrouwen, in beginsel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit worden geacht door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit met inachtneming van de vereisten van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te zijn verkregen.
Mocht de uitvoerende rechterlijke autoriteit vervolgens van oordeel zijn dat zij niet over voldoende gegevens beschikt om met volledige kennis van zaken - en met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de betrokkene - een beslissing te kunnen nemen over het desbetreffende verzoek tot toestemming, moet zij, naar analogie, artikel 15, tweede lid, van het Kaderbesluit toepassen en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit dringend verzoeken om aanvullende gegevens over het standpunt van de overgeleverde persoon. Hierbij dienen de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit erop toe te zien dat een dergelijk verzoek om aanvullende gegevens en de uitvoering ervan geen afbreuk doen aan de doelstelling van het Kaderbesluit om de overleveringsprocedures te vergemakkelijken en te bespoedigen, en, meer in het bijzonder, dat de beslissing over het verzoek tot toestemming door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan worden genomen binnen de in artikel 28, derde lid, onder c), van het Kaderbesluit vastgestelde termijn van dertig dagen.
3. Verhoor overgeleverde persoon in België
De overgeleverde persoon is op 21 april 2021 door de onderzoeksrechter bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel gehoord in aanwezigheid van een toegevoegd advocaat. Het verhoor zag op het door het Amtsgericht Bonn uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) dat de Belgische autoriteiten hebben ontvangen, nadat de overgeleverde persoon door Nederland aan België is overgeleverd.
De overgeleverde persoon is voorafgaand aan het verhoor op de hoogte gebracht van zijn rechten en heeft desgevraagd verklaard dat hij akkoord is met de rechtsbijstand van de hem toegevoegde advocaat. Voorafgaand aan het verhoor heeft hij met deze advocaat kunnen overleggen.
De overgeleverde persoon heeft zakelijk weergegeven verklaard dat hij akkoord is met de uitlevering (de rechtbank begrijpt: overlevering) aan Duitsland en dat hij geen afstand doet van de bescherming van het specialiteitsbeginsel.
Zijn advocaat heeft desgevraagd verklaard dat hij geen opmerkingen heeft.
4. Beoordeling verzoek
4.1
Inleiding
De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of zij op basis van de voorhanden zijnde stukken over voldoende gegevens beschikt om met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen over het verzoek tot toestemming voor verdere overlevering.
Naar het oordeel van de rechtbank kan deze vraag bevestigend worden beantwoord. De voorhanden zijnde stukken, inclusief het verhoor in België, bevatten de gegevens zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Kaderbesluit en zijn toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aanvullende gegevens over het standpunt van de overgeleverde persoon aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit te vragen. Tevens is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de hierboven onder 3. geschetste gang van zaken tijdens het verhoor en de inhoud daarvan, voldaan aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming voor de overgeleverde persoon.
De rechtbank zal derhalve overgaan tot de beoordeling van het verzoek om toestemming te verlenen voor verdere overlevering als bedoeld in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c, OLW.
4.2
Grondslag en inhoud van het verzoek
In het verzoek wordt melding gemaakt van een op 17 november 2020 door het Amtsgericht Bonn (Duitsland) uitgevaardigd EAB. Aan dit EAB ligt een Haftbefehl ten grondslag dat op 26 oktober 2020 is uitgevaardigd door het Amtsgericht Bonn (zaaknummer: 50 Gs 1747/20)
De Belgische autoriteiten hebben dit EAB ontvangen nadat de rechtbank op 26 januari 2021 de overlevering van de overgeleverde persoon aan België heeft toegestaan.
De verdere overlevering strekt tot een door de justitiële autoriteiten van Duitsland ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbaar gestelde feiten die op 1 februari 2020 in Bonn zouden zijn gepleegd. Het betreft daarom feiten die de overgeleverde persoon voor het tijdstip van zijn overlevering aan België zou hebben begaan.
Ingevolge artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c, OLW wordt overlevering niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet ter beschikking zal worden gesteld aan de autoriteiten van een andere lidstaat van de Europese Unie, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan, tenzij daartoe voorafgaand toestemming wordt gevraagd aan de rechtbank en deze is verkregen. Ingevolge het derde lid van dit artikel geeft de rechtbank de in het tweede lid, onder c, bedoelde toestemming ten aanzien van feiten waarvoor krachtens deze wet overlevering had kunnen worden toegestaan.
4.3
Strafbaarheid
De Duitse justitiële autoriteit heeft in het EAB een feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW aangekruist.
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet daarom achterwege blijven, nu de justitiële autoriteit van Duitsland de strafbare feiten heeft aangeduid als feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten:
Georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
4.4
Artikel 6 OLW
De overgeleverde persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn verdere overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de verdere overlevering kan worden toegestaan in Duitsland tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
Op 10 mei 2021 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (hierna: IRC) aan de Duitse justitiële autoriteit een e-mail verzonden met de volgende inhoud:
“With regard to the European Arrest Warrant (EAW), issued on 17 November 2020 (50 Gs 1902/20 (669 AR 36/20 – 659 Js 8/20)) against mr. [overgeleverde persoon] (born on [geboortedag] 1999), who was surrendered to the Belgian authorities on 3 February 2021, I have the following request.
Mr. [overgeleverde persoon] has the Dutch nationality. As a consequence, pursuant to Article 5, paragraph 3 of the Framework Decision on the European Arrest Warrant, and Article 6, paragraph 1 of the Dutch Surrender of Persons Act, the surrender may only be authorized after it can be guaranteed that, in case the wanted person is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence in Germany after the surrender, he will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands. (…)”
The Senior Prosecutor te Bonn heeft op 10 mei 2021 de volgende garantie gegeven:
“I hereby declare the guarantee of return.”
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie, in samenhang bezien met het hiervoor vermelde verzoek van het IRC, voldoende.
4.5
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank staan er aan toestemming tot verdere overlevering geen weigeringsgronden in de weg.
De rechtbank zal derhalve de in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c, OLW bedoelde toestemming verlenen.
5. Toekomstige behandeling en afdoening verzoeken tot verdere overlevering exartikel 14 OLW
De rechtbank zal toekomstige verzoeken om toestemming voor verdere overlevering schriftelijk gaan afdoen.
Na ontvangst van het verzoek zal door de rechtbank worden beoordeeld of de stukken, waaronder het proces-verbaal van verhoor van de overgeleverde persoon in de uitvaardigende lidstaat, toereikend zijn om op het verzoek te beslissen. De rechtbank zal in dit verband mede toetsen of zij over voldoende gegevens beschikt om met volledige kennis van zaken - en met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen over het desbetreffende verzoek tot toestemming.
Indien het verzoek en/of het verhoor in de uitvaardigende lidstaat onvoldoende informatie bevat, zal de rechtbank ingevolge artikel 15, tweede lid, van het Kaderbesluit de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verzoeken om aanvullende gegevens, alvorens een beslissing te nemen.
Bevatten het verzoek en het verhoor de benodigde informatie dan zal de rechtbank het verzoek beoordelen en haar beslissing schriftelijk meedelen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit.
6. Slotsom
Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank ten aanzien van het onderhavige verzoek tot de volgende beslissing.
7. Beslissing
De rechtbank:
verleent ingevolge artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c, OLW toestemming voor de verdere overlevering van [overgeleverde persoon] aan het Amtsgericht Bonn (Duitsland).
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. H.P. Kijlstra en M.E.M. James-Pater, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en uitgesproken in openbare raadkamer van 18 november 2021.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑11‑2021
Gevoegde zaken C-428/21 PPU (HM) en C-429/21 PPU (TZ), ECLI:EU:C:2021:876
Uitspraak 14‑07‑2021
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.751499-21
RK-nummer: 21/2634
Datum uitspraak: 14 juli 2021
TUSSEN
BESLISSING
op het verzoek om toestemming te verlenen voor verdere overlevering als bedoeld in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c, OLW. Dit verzoek is ingediend door de Eerste Substituut- Procureur des Konings van het Parket van Brussel (België) op 3 mei 2021 en betreft de verdere overlevering van:
[Betrokkene]
geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ,
bekend adres: [adres]
thans gedetineerd in België
hierna te noemen de overgeleverde persoon.
1. Procesgang
Op de zitting van de raadkamer van 12 mei 2021 is de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 19 mei 2021. Op de zitting van de raadkamer van 19 mei 2021 is, in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal, de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 27 mei 2021 teneinde het verzoek in een meervoudige samenstelling te behandelen.
De behandeling van het verzoek is hervat op de meervoudige raadkamer zitting van 27 mei 2021, in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern.
Op 10 juni 2021 is een tussenbeslissing door de rechtbank gewezen waarin het onderzoek is heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, omdat de rechtbank meer tijd nodig had om zich te beraden op de beslissing.
Op 14 juli 2021 heeft de rechtbank in openbare raadkamer het onderzoek ter zitting gesloten en direct daarna uitspraak gedaan.
2. Beoordeling van het verzoek; verdedigingsrechten van de overgeleverde persoon
Toepasselijk Unierecht
I. Kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: Kaderbesluit) van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, PbEG 2002, L 190/1, zoals gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ, PbEU 2009, L 81/24.
Artikel 11, tweede lid, en artikel 14 van het Kaderbesluit zijn opgenomen in Hoofdstuk II (“Overleveringsprocedure”) en luiden als volgt:
Artikel 11
Rechten van de gezochte persoon
(…)
2. Een gezochte persoon die ter fine van tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt aangehouden, heeft recht op bijstand van een raadsman en van een tolk, overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat.
Artikel 14
Horen van de gezochte persoon
Indien de aangehouden persoon niet instemt met zijn overlevering als bedoeld in artikel 13, heeft hij het recht overeenkomstig het nationale recht van de uitvoerende staat door de uitvoerende rechterlijke autoriteit te worden gehoord.
Artikel 28 van het Kaderbesluit is opgenomen in Hoofstuk 3 (“Gevolgen van de overlevering”) en luidt, voor zover van belang, als volgt:
Artikel 28
Verdere overlevering of uitlevering
(…)
2. Een persoon die op grond van een Europees aanhoudingsbevel aan de uitvaardigende lidstaat is overgeleverd kan hoe dan ook, zonder toestemming van de uitvoerende lidstaat, in de volgende gevallen aan een andere lidstaat dan de uitvoerende staat worden overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens enig vóór de overlevering gepleegd feit:
(…)
3. De uitvoerende rechterlijke autoriteit stemt overeenkomstig de volgende regels toe in de overlevering aan een andere lidstaat:
a) het verzoek tot toestemming wordt ingediend overeenkomstig artikel 9, vergezeld van de gegevens bedoeld in artikel 8, lid 1, en van een vertaling als bedoeld in artikel 8, lid 2;
b) de toestemming wordt gegeven indien het strafbaar feit waarvoor zij verzocht wordt op zichzelf de verplichting tot overlevering overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit meebrengt;
c) de beslissing wordt uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek genomen;
d) de toestemming wordt geweigerd op de in artikel 3 genoemde gronden en kan in de overige gevallen alleen op de in artikel 4 genoemde gronden worden geweigerd.
Voor de in artikel 5 bedoelde situaties moet de uitvaardigende lidstaat de daarin bedoelde garanties geven.
Toepasselijk nationaal recht
II. De Wet van 29 april 2004 tot implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (Overleveringswet), Stb. 2004, 195, zoals laatstelijk gewijzigd bij wet van 17 maart 2021, Stb. 2021, 155 (hierna: OLW) zet de bepalingen van het Kaderbesluit om.
Artikel 1, aanhef en onder g, OLW luidt als volgt:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
(…)
g. rechtbank: de rechtbank Amsterdam;
(…).
Artikel 14
(…)
2. Overlevering wordt voorts niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van een andere lidstaat van de Europese Unie, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan, tenzij:
(…)
c. daartoe voorafgaand toestemming wordt gevraagd aan de rechtbank en deze is verkregen.
3. De officier van justitie vordert uiterlijk op de derde dag na ontvangst van een verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit om de in het eerste lid onder f, of het tweede lid, onder c, bedoelde toestemming, schriftelijk dat de rechtbank het verzoek in behandeling zal nemen. De officier van justitie legt daartoe het verzoek met bijbehorende vertaling aan de rechtbank over. De rechtbank geeft de in het eerste lid, onder f, of het tweede lid, onder c, bedoelde toestemming ten aanzien van feiten waarvoor krachtens deze wet overlevering had kunnen worden toegestaan. De beslissing op een vordering wordt in elk geval binnen zevenentwintig dagen na de ontvangst ervan genomen. De officier van justitie brengt de beslissing van de rechtbank onverwijld ter kennis van de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Artikel 25, eerste en derde lid, OLW is opgenomen in Hoofdstuk II, Afdeling 2 (“Procedure voor overlevering”), § C (“Beslissing over de overlevering”), zet artikel 11, tweede lid, en artikel 14 Kaderbesluit om en luidt als volgt:
Artikel 25
1. Het verhoor van de opgeëiste persoon geschiedt in het openbaar, tenzij deze een behandeling van de zaak met gesloten deuren verlangt of de rechtbank om gewichtige, in het proces-verbaal der zitting te vermelden redenen sluiting der deuren beveelt.
(…)
3. Bij zijn verhoor kan de opgeëiste persoon zich door zijn raadsman doen bijstaan.
(…)
Prejudiciële vragen
2.1
De betrokkene is onderdaan van Nederland. Op 26 januari 2021 heeft de rechtbank Amsterdam zijn vervolgingsoverlevering aan België toegestaan wegens, kort gezegd, “georganiseerde of gewapende diefstal”. De betrokkene is vervolgens – op een de rechtbank onbekende datum – daadwerkelijk overgeleverd aan België en bevindt zich daar sindsdien in detentie.
2.2
Op 3 mei 2021 heeft een Belgische rechterlijke autoriteit verzocht om toestemming voor verdere overlevering, als bedoeld in artikel 28, derde lid, Kaderbesluit, aan Duitsland ter fine van vervolging wegens andere feiten die “georganiseerde of gewapende diefstal” opleveren en die zouden zijn gepleegd in 2020. Bij het verzoek zijn gevoegd de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Kaderbesluit en een vertaling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, Kaderbesluit.
2.3
Op 1 april 2021 is in werking getreden de wet van 3 maart 2021 tot herimplementatie van onderdelen van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (wijziging van de Overleveringswet).1.
2.4
Vóór die datum berustte de bevoegdheid om te beslissen over een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 28, derde lid, Kaderbesluit bij de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam (artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c en derde lid (oud), OLW). Deze autoriteit kan echter niet worden aangemerkt als een “uitvoerende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, tweede lid, Kaderbesluit, omdat zij in het kader van de uitoefening van haar beslissingsmacht individuele instructies kan ontvangen van de Minister van Justitie en Veiligheid. Naar aanleiding van het arrest Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte)2.draagt de thans geldende OLW de bevoegdheid op aan de rechtbank Amsterdam (artikel 14, tweede lid, aanhef en onder c, en derde lid (nieuw), OLW).
2.5
Afgezien van voorschriften over de te verstrekken gegevens, de vertaling en de beslistermijn, geeft artikel 28 Kaderbesluit noch enige andere bepaling van dat Kaderbesluit voorschriften over de procedure die de uitvoerende rechterlijke autoriteit moet volgen bij het nemen van een beslissing op het verzoek.3.
2.6
Hetzelfde geldt voor de bepalingen van de OLW. De bepalingen over de behandeling van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) door de rechtbank Amsterdam verzekeren het recht van de opgeëiste persoon om ter zitting te worden gehoord en aldaar te worden bijgestaan door een raadsman voordat de rechtbank een beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB neemt, maar deze bepalingen, opgenomen in afdeling 2 (“Procedure van overlevering”) van Hoofdstuk II van de OLW (“Overlevering door Nederland”), zijn niet van overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 14, tweede en derde lid (nieuw), OLW, opgenomen in afdeling 1 (“Voorwaarden voor overlevering”) van Hoofdstuk II van de OLW.
2.7
Een beslissing waarbij de uitvoerende rechterlijke autoriteit de toestemming als bedoeld in artikel 28, derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ verleent, kan de vrijheid van de overgeleverde persoon aantasten. Deze toestemming maakt immers de verdere overlevering aan een derde lidstaat mogelijk, in welke lidstaat de betrokkene zijn vrijheid kan worden benomen op grond van de nationale rechterlijke beslissing die ten grondslag ligt aan het EAB dat door die lidstaat is uitgevaardigd.
2.8
Nu aan het Kaderbesluit het beginsel ten grondslag ligt dat voor beslissingen betreffende EAB’s “alle waarborgen gelden die eigen zijn aan dit soort beslissingen, waaronder de waarborgen die voortvloeien uit de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen” en nu dit impliceert dat de beslissingen worden genomen “door een rechterlijke autoriteit die voldoet aan de eisen die inherent zijn aan effectieve rechterlijke bescherming”,4.neemt de rechtbank aan dat ook de procedure waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist over een verzoek als bedoeld in artikel 28, derde lid, Kaderbesluit moet voldoen aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming.
2.9
Het recht om gehoord te worden maakt deel uit van de rechten van de verdediging, die inherent zijn aan het recht op een effectieve rechterlijke bescherming.5.
2.10
Het onderhavige verzoek is het eerste verzoek waarop de rechtbank onder de thans geldende OLW moet beslissen.
2.11
Zoals vermeld, bevindt de betrokkene zich nu in België in detentie. Hij is niet opgeroepen voor en was niet aanwezig bij de behandeling van het verzoek door de rechtbank Amsterdam. Hetzelfde geldt voor de advocaat die de betrokkene in de eerdere overleveringsprocedure heeft bijgestaan. Namens de betrokkene is geen andere advocaat verschenen.
2.12
Tegen deze achtergrond rijst de vraag in welke lidstaat en op welke wijze de overgeleverde persoon zijn recht om te worden gehoord met betrekking tot een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 28, derde lid, Kaderbesluit moet kunnen uitoefenen.
2.13
Een mogelijke uitleg zou kunnen zijn dat het volstaat dat de overgeleverde persoon in België – de lidstaat waaraan Nederland de betrokkene eerder heeft overgeleverd – zijn recht om te worden gehoord kan uitoefenen en zijn eventuele bezwaren tegen verdere overlevering naar voren kan brengen in de procedure waarin een Belgische rechterlijke autoriteit beslist over de tenuitvoerlegging van het Duitse EAB. Bij deze uitleg zijn de verdedigingsrechten gewaarborgd in de overleveringsprocedure in België, waarin de betrokkene het recht heeft om te worden gehoord door de Belgische rechterlijke autoriteit en daarbij te worden bijgestaan door een advocaat.
2.14
Tegen deze uitleg zou men kunnen inbrengen dat de beslissing van de Belgische rechterlijke autoriteit niet doorslaggevend is voor de verdere overlevering aan Duitsland. Voor verdere overlevering voor een strafbaar feit dat vóór de eerdere overlevering is gepleegd is immers “een gelijkluidende beslissing van twee lidstaten vereist”.6.Buiten de in artikel 28, tweede lid, Kaderbesluit bedoelde gevallen, die zich hier niet voordoen, mag België de betrokkene niet verder overleveren zonder toestemming van de rechtbank Amsterdam.
Daarbij komt dat het nationale toetsingskader van de Belgische rechterlijke autoriteit voor de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Duitse EAB niet noodzakelijkerwijs gelijk is aan het nationale toetsingskader dat de rechtbank Amsterdam moet toepassen bij het verlenen van toestemming voor verdere overlevering aan Duitsland. Zo kunnen de lidstaten afzien van de omzetting van de in artikel 4 Kaderbesluit opgenomen weigeringsgronden7.en hebben zij, wanneer zij ervoor kiezen een of meer van die weigeringsgronden om te zetten, daarbij een “ruime beoordelingsmarge”.8.
2.15
Als de overgeleverde persoon daarentegen zijn recht om te worden gehoord moet kunnen uitoefenen in de lidstaat die hem eerder heeft overgeleverd – in dit geval dus Nederland –, dan doen zich problemen van praktische aard voor. De betrokkene bevindt zich immers niet in die lidstaat. Het Kaderbesluit noch enige andere Unierechtelijke regeling biedt een wettelijke grondslag voor het horen van de betrokkene per videoconferentie of per telefoonconferentie. De ervaring van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam – die vóór 1 april 2021 bevoegd was om de beslissing op het verzoek te nemen – heeft geleerd dat de advocaat die een opgeëiste persoon in de overleveringsprocedure heeft bijgestaan zich na de daadwerkelijke overlevering doorgaans niet meer beschouwt als de al dan niet gemachtigde raadsman van die persoon. Het oproepen van die advocaat voor de behandeling van het verzoek is dan ook weinig zinvol. Het ambtshalve toevoegen van een advocaat om de afwezige overgeleverde persoon te vertegenwoordigen, is problematisch vanuit het oogpunt van de mogelijkheden van overleg tussen die advocaat en de betrokkene, die zich in het buitenland in detentie bevindt. In deze omstandigheden zou de uitleg dat de betrokkene zijn verdedigingsrechten moet kunnen uitoefenen in de lidstaat die hem eerder heeft overgeleverd kunnen leiden tot complicaties en vertragingen, terwijl de regels van artikel 28 Kaderbesluit niet zo mogen worden uitgelegd, dat “zij leiden tot een uitholling van het door het kaderbesluit nagestreefde doel, dat erin bestaat de overleveringen tussen de rechterlijke autoriteiten van de lidstaten te vergemakkelijken en te bespoedigen, gelet op het wederzijdse vertrouwen dat er tussen hen moet bestaan”.9.Daarbij komt dat de beslissing op het verzoek om toestemming tot verdere overlevering ingevolge artikel 28, derde lid, Kaderbesluit binnen 30 dagen na ontvangst van dat verzoek moet worden genomen.
2.16
De hiervoor onder 12 opgeworpen vraag is niet “clair” of “éclairé”.
2.17
De rechtbank zal daarom de volgende vragen aan het Hof van Justitie voorleggen:
I. Moet artikel 28, derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, gelezen in het licht van het recht op effectieve rechterlijke bescherming, zo worden uitgelegd dat:
- een persoon die is overgeleverd aan de uitvaardigende lidstaat en tegen wie een derde lidstaat nadien een EAB heeft uitgevaardigd wegens vóór die overlevering gepleegde feiten, zijn recht om te worden gehoord met betrekking tot het verzoek om toestemming voor verdere overlevering, als bedoeld in artikel 28, derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, moet kunnen uitoefenen in de uitvaardigende lidstaat bij een rechterlijke autoriteit van die lidstaat tijdens de procedure over de tenuitvoerlegging van het door de derde lidstaat uitgevaardigde EAB; of
- die persoon zijn recht om te worden gehoord moet kunnen uitoefenen in de lidstaat die hem eerder heeft overgeleverd bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit tijdens de procedure over het verlenen van toestemming voor verdere overlevering?
II. Indien een overgeleverde persoon zijn recht om te worden gehoord met betrekking tot de beslissing op een verzoek om toestemming voor verdere overlevering, als bedoeld in artikel 28, derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, moet kunnen uitoefenen in de lidstaat die hem eerder heeft overgeleverd, op welke wijze moet die lidstaat hem daartoe dan in staat stellen?
Verzoek om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure
2.18.
De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie deze prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure zoals bedoeld in artikel 267, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering.
2.19.
De prejudiciële vragen hebben betrekking op een gebied als bedoeld in titel V van het derde deel van het VWEU. De opgeëiste persoon bevindt zich thans in detentie in België in afwachting van de beslissing van de rechtbank over het verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 28, derde lid, Kaderbesluit en van de beslissing van een Belgische uitvoerende rechterlijke autoriteit over de tenuitvoerlegging van het Duitse EAB. De rechtbank kan die beslissing niet nemen, zolang niet duidelijk is in welke lidstaat en op welke wijze de betrokkene zijn recht om te worden gehoord kan uitoefenen met betrekking tot het verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 28, derde lid, Kaderbesluit. Zolang geen beslissing op het verzoek wordt genomen, kan België de betrokkene niet aan Duitsland verder overleveren. Het spoedige antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragen zal dan ook rechtstreeks en doorslaggevend van invloed zijn op de duur van de detentie van de betrokkene in België.
3. Slotsom
Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd;
VERZOEKT het Hof van Justitie van de Europese Unie een antwoord te geven op de volgende vragen:
I. Moet artikel 28, derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, gelezen in het licht van het recht op effectieve rechterlijke bescherming, zo worden uitgelegd dat:
- een persoon die is overgeleverd aan de uitvaardigende lidstaat en tegen wie een derde lidstaat nadien een EAB heeft uitgevaardigd wegens vóór die overlevering gepleegde feiten, zijn recht om te worden gehoord met betrekking tot het verzoek om toestemming voor verdere overlevering, als bedoeld in artikel 28, derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, moet kunnen uitoefenen in de uitvaardigende lidstaat bij een rechterlijke autoriteit van die lidstaat tijdens de procedure over de tenuitvoerlegging van het door de derde lidstaat uitgevaardigde EAB; of
- die persoon zijn recht om te worden gehoord moet kunnen uitoefenen in de lidstaat die hem eerder heeft overgeleverd bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit tijdens de procedure over het verlenen van toestemming voor verdere overlevering?
II. Indien een overgeleverde persoon zijn recht om te worden gehoord met betrekking tot de beslissing op een verzoek om toestemming voor verdere overlevering, als bedoeld in artikel 28, derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, moet kunnen uitoefenen in de lidstaat die hem eerder heeft overgeleverd, op welke wijze moet die lidstaat hem daartoe dan in staat stellen?
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. N.M. van Waterschoot en C. Huizing-Bruil, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en uitgesproken in raadkamer van 14 juli 2021.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑07‑2021
Stb. 2021, 125.
HvJ EU 24 november 2020, C-510/19, ECLI:EUC:2020:953 (Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte)).
Vgl. de conclusie van advocaat-generaal M. Campos Sánchez-Bordona van 25 juni 2020, C-510/19, ECLI:EU:C:2020:494 (Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte)), punt 86 (ten aanzien van een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 27, derde lid, aanhef en onder g, en vierde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ).
HvJ EU 24 november 2020, C-510/19, ECLI:EU:C:2020:953 (Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte)), punt 49.
Vgl. de conclusie van advocaat-generaal M. Campos Sánchez-Bordona van 25 juni 2020, C-510/19, ECLI:EU:C:2020:494 (Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte)), punt 87 (ten aanzien van een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 27, derde lid, aanhef en onder g, en vierde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ).
HvJ EU 28 juni 2012, C-192/12 PPU, ECLI :EU:C:2012:404 (West), punt 59.
HvJ EG 6 oktober 2009, C-123/08, ECLI:EU:C:2009:616 (Wolzenburg), punt 58.
HvJ EU 28 juni 2012, C-192/12 PPU, ECLI :EU:C:2012:404 (West), punt 77.