Inhoudsopgave
Asser/Van Olffen 7-VII 2022/5:5 Personenvennootschappen als contractuele samenwerkingsvormen.
Asser/Van Olffen 7-VII 2022/5
5 Personenvennootschappen als contractuele samenwerkingsvormen.
Documentgegevens:
prof. mr. M. van Olffen, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
prof. mr. M. van Olffen
- JCDI
JCDI:ADS636840:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
- Wetingang
art. 7A:1655 BW; art. 15, 16 WvK
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Van alle bijzondere overeenkomsten in Boek 7 BW behandeld, geeft ongetwijfeld de maatschap het meest aanleiding tot hoofdbreken. Voornamelijk vindt dit zijn oorzaak hierin dat de maatschap een vorm van samenwerking is en als zodanig wezenlijk verschilt van de overige in het BW behandelde bijzondere overeenkomsten. De maatschap heeft een bepaalde interne structuur; er zijn rechtsbetrekkingen tussen de vennoten onderling en er kunnen rechtsbetrekkingen ontstaan tussen de vennoten en derden. Dit kan leiden tot bijzondere complicaties.
Tot 1976 stond in art. 1690 BW (oud) dat de wet behalve de eigenlijke maatschap ook verenigingen van personen als zedelijke lichamen erkende. Art. 1690-1702 BW (oud) zijn echter bij de invoering van het nieuwe Boek 2 BW betreffende rechtspersonen medio 1976, komen te vervallen. Vgl. over de verhouding tussen maatschap en zedelijk lichaam: o.a. Van der Heijden, in: Gedenkboek BW 1838-1938, p. 529 e.v.; en Van Brakel 1950, p. 208 e.v. De maatschap dient onder het huidig recht te worden afgebakend enerzijds ten opzichte van andere bijzondere overeenkomsten die eveneens een samenwerkingskarakter kunnen vertonen, en anderzijds van de vereniging en ledenorganisatie zonder rechtspersoonlijkheid. Zie hierna nr. [8] e.v. en het volgend hoofdstuk.
De maatschap geregeld in het BW, ook wel genoemd de burgerlijke maatschap, is de grondfiguur voor de vennootschap onder firma (vof) en de commanditaire vennootschap (c.v.) die in het Wetboek van Koophandel zijn geregeld. Blijkens art. 1 en 15 WvK worden de vof en c.v. geregeerd door de tussen partijen gesloten overeenkomsten, door de bepalingen van het burgerlijk recht (in het bijzonder die betreffende de maatschap: art. 7A:1655 e.v. BW), althans voor zover daarvan in het Wetboek van Koophandel niet bijzonderlijk is afgeweken, en door de bepalingen van het Wetboek van Koophandel (in het bijzonder art. 16 e.v. WvK).
In dit verband past een opmerking over de terminologie. Tussen de termen ‘maatschap’ en ‘vennootschap’ zie ik geen verschil. Volgens Houwing, ‘Antwoord rechtsvraag II’, WPNR 1961/4662, gebruikt de wet sinds de wetswijziging van 2 juni 1934 (vgl. Stb. 1934, 347) de term ‘vennootschap’ slechts voor de gekwalificeerde maatschappen van het Wetboek van Koophandel. Vgl. echter naar aanleiding van het begrip ‘andere vennootschappen’ in art. 46 Registratiewet 1917: HR 4 maart 1970, NJ 1970/228, waarover Van Oven, WPNR 1971/5132. Vgl. ook A-G Van Soest in zijn conclusie voor HR 10 februari 1978, NJ 1978/527. In het oudvaderlands recht kwam het onderscheid niet voor; Hugo de Groot sprak, zoals wij zagen, van ‘maetschap ofte vennootschap’.
In de hiernavolgende uiteenzettingen worden de maatschap en vennootschap onder firma zo veel mogelijk in samenhang met elkaar behandeld; aan de commanditaire vennootschap wordt een apart hoofdstuk 10 gewijd. In verband hiermee wordt de term vennootschap gebruikt wanneer de beschouwingen zowel de maatschap als de vof en soms de c.v. betreffen. Ook de c.v. is te beschouwen als vennootschap; nr. [348]. Indien een verhandeling alleen betrekking heeft op de maatschap of vof, wordt zulks door de te gebruiken terminologie uitdrukkelijk aangegeven. De termen ‘maten’ en ‘vennoten’ gebruik ik afwisselend, ook wanneer het alleen de maatschap betreft.