Inhoudsopgave
Asser/Van Olffen 7-VII 2022/8:8 Onderscheid personenvennootschap en vereniging.
Asser/Van Olffen 7-VII 2022/8
8 Onderscheid personenvennootschap en vereniging.
Documentgegevens:
prof. mr. M. van Olffen, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
prof. mr. M. van Olffen
- JCDI
JCDI:ADS636960:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
- Wetingang
art. 2:26 BW; art. 7A:1662 BW
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vennootschappen zijn evenals verenigingen samenwerkingsvormen. Typologisch onderscheiden de vennootschappen zich van verenigingen. De vereniging mag geen winst onder haar leden verdelen. De vennootschappen zijn typologisch uiteindelijk gericht op het behalen van winst, van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van de vennoten of aandeelhouders. Voorts moet bij vennootschappen, anders dan bij verenigingen, door de samenwerkende partijen iets worden ingebracht om met behulp daarvan voordeel te behalen; de vennootschap steunt op inbreng door ieder van de vennoten. Door deze beide kenmerken onderscheiden de vennootschappen zich ook van ledenorganisaties (clubs) zonder rechtspersoonlijkheid.
Met het onderscheid tussen vennootschap en vereniging is vaak geworsteld. Zie o.a. Molengraaff, ‘Diesrede 1903’, RM 1903, p. 191 e.v.; Buddingh de Voogt, Classificatie van de verenigingen (diss. Leiden) 1926; Polak, ‘Feestuitgaven’, WPNR 1926/2947, p. 16; Akkerman, RM 1927, p. 349 e.v. en RMThemis 1930, p. 473 e.v., 1931, p. 60 e.v. en 175 e.v. In 1838 was de zaak nog tamelijk duidelijk. Titel IX BW behandelde de maatschap en deze samenwerkingsvorm was bedoeld voor die samenwerking, welke stoffelijk voordeel beoogde. Daartegenover stond het zedelijk lichaam, in titel X BW behandeld, en bestemd voor samenwerking met ideëel doel. Aan die zedelijke lichamen kende de wet zonder reserve rechtspersoonlijkheid toe. Een eerste bron van verwarring is echter geworden de Wet tot regeling en beperking der uitoefening van het recht van vereniging en vergadering van 1855. Hierbij immers werd het systeem van titel X BW doorbroken en de rechtspersoonlijkheid van verenigingen van koninklijke goedkeuring afhankelijk gemaakt, ten gevolge waarvan zich de nieuwe figuur ging voordoen van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid. Titel X BW werd daarbij ongewijzigd gelaten. De verschillende artikelen, bijvoorbeeld art. 1692 en 1698 BW (oud), werden onbegrijpelijk of, beter gezegd, zij golden voortaan uitsluitend – zonder dat dit ergens was uitgedrukt – voor vereniging-rechtspersonen. De wet van 1855 zelf was trouwens ook niet gelukkig, in het bijzonder niet art. 14 dat de paragraaf betreffende de rechtspersoonlijkheid van verenigingen niet van toepassing verklaarde op o.a. de maatschappen en vennootschappen. Door dit artikel kon immers de mening ontstaan dat de burgerlijke maatschap, de daarvan afgeleide vormen enerzijds en de vereniging anderzijds in wezen één zijn.
Ook sproot verwarring voort uit de omstandigheid dat de wetgever niet voldoende scherpe criteria aangaf omtrent het mogelijk na te streven doel van de vereniging. Zoals gezegd, heeft de wetgever van 1838 slechts gedacht aan de verenigingen met een ideëel doel; zie Asser/Rensen 2-III 2017/9 zulks ter onderscheiding van de maatschap en haar derivaten die gericht zijn op met elkaar te delen stoffelijk voordeel. In 1874 werd aan de Amerongse Coöperatieve Credietvereniging de erkenning volgens de wet van 1855 geweigerd, omdat een aantal statutaire bepalingen van deze vereniging zich niet zouden verdragen met het door haar na te streven ideële doel. Dit voorval was aanleiding tot het creëren van een eigen wettelijk regime voor de vereniging op coöperatieve grondslag: de Wet van 1876 tot regeling van de coöperatieve vereniging, in 1925 vervangen door de Wet op de Coöperatieve Verenigingen. Omdat de coöperatie de behartiging van de stoffelijke belangen van de leden – mede – ten doel heeft, is de vraag gerezen of zij, ook wettelijk, niet veeleer als vennootschap zou moeten worden ‘georganiseerd’ en gerangschikt zoals ook in buitenlandse rechtsstelsels wel het geval is. Zie Asser/Rensen 2-III 2017/213.
Na de totstandkoming in 1876 van de Wet betreffende Coöperatieve Verenigingen verruimde zich de departementale praktijk ten aanzien van hetgeen als doel van de ‘gewone’ vereniging-rechtspersoon aanvaardbaar was. Voortaan werden ook verenigingen erkend die de behartiging van de stoffelijke belangen van de leden ten doel hadden, mits het doel maar niet was: het behalen van winst ter verdeling onder de leden.
Het op 26 juli 1976 in werking getreden Boek 2 BW geeft een systematisch opgezette regeling van het rechtspersonenrecht. Bij de voorbereiding van deze regeling is ook de vraag aan de orde gekomen in hoeverre de vereniging materieel zou moeten worden afgebakend van de vennootschap. Zie over een te maken onderscheid naar materiële kenmerken: Meijers, De algemene begrippen van het burgerlijk recht 1948, p. 261 e.v.; en het oorspronkelijk ontwerp-Meijers voor een Nieuw BW, Algemene toelichting ad titel 2 Boek 2 betreffende de vereniging, Toelichting p. 131. Aanvankelijk, in het ontwerp-Meijers, poogde men de afbakening te verwezenlijken door de dwingende bepaling: dat de samenwerking binnen een vereniging door de mogelijkheid van toe- en uittreding van leden niet aan het bestaan van bepaalde personen is gebonden. Zie ook: Buddingh de Voogt, Classificatie van verenigingen (diss. Leiden) 1926, p. 21 e.v. Onder invloed van de tegen deze afbakening gerezen kritiek (zie o.a. de preadviezen van Van der Grinten en Scholten voor de Broederschap Candidaat-Notarissen 1956), zijn deze bepalingen bij de behandeling van het ontwerp in de Staten-Generaal verdwenen. In de plaats hiervan kwam er in art. 2.2.1.1 Vaststellingswet van 1960 het materieel criterium dat de samenwerking van de leden er een moet zijn ‘anders dan in een vennootschap’. Hiermee bedoelde men het mogelijke doel of werkterrein van de vereniging te onderscheiden van dat van de vennootschap. Tegen dit criterium waren nogal wat bezwaren aan te voeren. Zie o.a. Scholten, WPNR 1965/4847. Het gaat in ieder geval niet op voor de coöperatie; deze is evenals de vennootschap specifiek gericht op de behartiging van de stoffelijke belangen van de leden en draagt in zoverre een vennootschappelijk karakter. Het criterium leidt voorts tot een cirkelredenering die weinig oplost. En zoals wij zagen, kon onder de heersende departementale praktijk ook een gewone vereniging dienstbaar zijn aan de stoffelijke belangen van de leden, mits zij niet strekte tot het maken van winst ter verdeling onder de leden.
In het ontwerp-Invoeringswet Boek 2 BW betreffende rechtspersonen dat heeft geleid tot de tekst van het tot 1 januari 1989 geldende art. 2:26 BW werd het criterium ‘anders dan in een vennootschap’ dan ook vervangen door een criterium dat aansloot bij de gegroeide departementale praktijk. Art. 2:26 lid 2 BW bepaalde tot 1 januari 1989 dat een vereniging die niet is een coöperatieve vereniging of een onderlinge waarborgmaatschappij, niet ten doel mag hebben het maken van winst ter verdeling onder de leden. Aldus werd een zekere afbakening verkregen, zij het dat deze niet volledig sluitend is. Zo komen in de praktijk naamloze en besloten vennootschappen voor die niet zijn gericht op het behalen van geldelijk voordeel teneinde dit onder de vennoten of aandeelhouders te verdelen. Zie Van der Grinten, Honée & Hendriks-Jansen, Van der Heijden Handboek NV/BV 1992/50; zie echter met betrekking tot de vraag: maatschap of vereniging: HR 4 november 1942, NJ 1942/773. De vereniging werd door het nieuwe criterium wél als samenwerkingsvorm typologisch onderscheiden van de vennootschappen; grensoverschrijdingen blijven echter tot op zekere hoogte mogelijk. Wel wordt voorkomen dat vennootschappelijke samenwerking in het algemeen zou kunnen worden georganiseerd in de rechtsvorm van de vereniging: aldus de memorie van toelichting ad art. 2.2.1.1 ontwerp-Invoeringswet Boek 2 BW. Sinds 1 januari 1989 is ten gevolge van de Wet van 16 juni 1988, Stb. 305, betreffende de invoering structuurregeling grote coöperaties en grote onderlinge waarborgmaatschappijen, de betreffende passage van art. 2:26 BW als volgt komen te luiden: ‘een vereniging mag geen winst onder haar leden verdelen’. Deze tekst was ontleend aan het ontwerp-Invoeringswet Boeken 3-6 NBW, zesde gedeelte, betreffende aanpassing Boek 1 en 2 BW (17 725). De tekst maakt duidelijk dat het in dit verband veeleer gaat om een verbod van een feitelijke werkzaamheid ongeacht het doel. En voorts dat niet het maken, maar het verdelen van winst wordt uitgesloten.
9 Rechtspersonen met volledige of beperkte rechtsbevoegdheid.
De huidige wetgeving onderscheidt tussen verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en verenigingen met beperkte rechtsbevoegdheid die geen registergoederen kunnen verkrijgen en geen erfgenamen kunnen zijn; zie art. 2:26 BW en art. 2:30 BW. Een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid ontstaat slechts wanneer de statuten zijn opgenomen in een notariële akte; deze eis is als het ware in de plaats getreden van het onder de oude wetgeving bestaande preventieve toezicht. Aldus is er ook een duidelijk formeel kenmerk waaraan men de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid kan herkennen. Anders ligt dit bij de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid waar een formeel kenmerk ontbreekt. Deze rechtsfiguur is bedoeld om de vereniging (ledenorganisatie) zonder rechtspersoonlijkheid zo veel mogelijk terug te dringen, zulks in het belang van derden die zich bij het bestaan van verenigingen-rechtspersonen zij het met beperkte rechtsbevoegdheid, niet alleen kunnen verhalen op de bestuurders en subsidiair degenen die handelden (zie art. 2:30 lid 2 BW), maar ook op het vermogen van de vereniging zelf. Zie memorie van antwoord ad titel 2.2, en eindverslag ad vraagpunt 15 op het ontwerp-Invoeringswet Boek 2 NBW. Blijkens de definitie van art. 2:26 BW is vereist dat partijen een rechtspersoon tot stand hebben willen brengen met leden en gericht op een bepaald doel. Nodig is een zeker minimum aan organisatie, zij het dat de regeling hiervan niet schriftelijk of in statuten behoeft te zijn vastgelegd. Deze organisatie moet als zelfstandig subject aan het rechtsverkeer gaan deelnemen, en rechten en verplichtingen gaan dragen. Dit laatste kan worden afgeleid uit de wijze waarop de in het leven geroepen organisatie zich in het rechtsverkeer gedraagt: bijvoorbeeld of zij zelfstandig gelden inzamelt of een eigen bank- of girorekening voert. Zie de memorie van antwoord ad titel 2.2 algemeen, ontwerp-Invoeringswet Boek 2 NBW. Ook voor verenigingen-rechtspersonen met beperkte rechtsbevoegdheid geldt krachtens art. 2:26 BW het materiële kenmerk dat zij geen winst onder haar leden mag verdelen. Maar omdat, zoals gezegd, een formeel kenmerk – een bepaalde vorm voor het verlijden van de statuten en de hiermee gegeven aanleiding tot bezinning op het materiële kenmerk van de rechtspersoon – ontbreekt, zal juist hier in de praktijk aan het licht komen dat de materiële afbakening ten opzichte van vennootschappen moeilijkheden kan opleveren. In ieder geval is de afbakening geen sluitende, juist een die bepaalde grensoverschrijdingen toelaat. A fortiori geldt dit ten aanzien van het onderscheid tussen ledenorganisaties zonder rechtspersoonlijkheid en maatschappen. Ik spreek over ‘ledenorganisatie’ omdat in de opzet van Boek 2 BW slechts van een ‘vereniging’ wordt gesproken indien is voldaan aan de vereisten van art. 2:26 lid 1 en 2 BW: een vereniging wordt opgericht bij een meerzijdige rechtshandeling, waarbij de partijen een rechtspersoon tot stand brengen met leden en gericht op een bepaald doel, anders dan een dat is omschreven in art. 2:53 lid 1 of lid 2 BW (voor resp. de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij). Deze vereniging mag, zoals gezegd, geen winst onder haar leden verdelen; art. 2:26 lid 3 BW.
Ook onder vigeur van het huidige verenigingsrecht is de figuur van de ledenorganisatie zonder rechtspersoonlijkheid nog bestaanbaar, zij het dat deze in haar mogelijke bestaan danig is teruggedrongen door de zojuist aangeduide figuur van de vereniging-rechtspersoon met beperkte rechtsbevoegdheid. De Hoge Raad heeft onder het oude recht met zoveel woorden uitgesproken dat voor de oprichting van een vereniging (ook zonder rechtspersoonlijkheid) in ieder geval vereist is het overeenkomen van een, zij het summiere, regeling, waaruit blijkt van het in het leven roepen van een georganiseerd lichaam: zie HR 6 februari 1935, NJ 1935/1513 e.v.; HR 4 november 1942, NJ 1942/773. Onder huidig recht zal een ledenorganisatie zonder rechtspersoonlijkheid mijns inziens nog aanwezig kunnen zijn, indien partijen een zeker minimum aan organisatie in het leven hebben geroepen zonder dat deze een schriftelijke neerslag behoeft te hebben gevonden, terwijl zij niet hebben beoogd dat deze organisatie als zelfstandig subject aan het rechtsverkeer gaat deelnemen en zulks in werkelijkheid ook niet het geval is.
Voordat het huidige rechtspersonenrecht in onze wetgeving werd ingevoerd, was de discussie rondom het onderscheid tussen verenigingen en vennootschappen vooral van belang voor wat betreft de afbakening tussen de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid en de maatschap: juist omdat bij deze beide rechtsfiguren een formeel kenmerk ontbreekt. Zie bijvoorbeeld: Hamaker, Verspreide geschriften IV (1912), p. 261 e.v., 287 e.v., 302 e.v. en 360 e.v.; Binger, WPNR 1897/1429-1430; en Jolles, diss. 1932, p. 94. Bij de vereniging met rechtspersoonlijkheid werd – zoals hierboven vermeld – door de praktijk van het departementale toezicht in ieder geval een zekere afbakening ten opzichte van de vennootschappen bereikt.
Onder huidig recht is de zogenaamde formele vereniging, waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte, als vereniging rechtsgeldig, ook al heeft zij ten doel het maken van winst ter verdeling onder de leden terwijl zij geen coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij is. Indien de vereniging het in art. 2:26 lid 3 BW vervatte verbod overtreedt, kan de rechter haar slechts ontbinden ingevolge art. 2:21 lid 3 BW; hij kan eerst de mogelijkheid bieden tot omzetting overeenkomstig art. 2:18 BW jo. art. 2:72 BW en art. 2:183 BW. Ook onder het huidig recht levert vooral het onderscheid tussen de informele maatschap enerzijds en de zogenaamde informele vereniging (te weten de vereniging-rechtspersoon met beperkte rechtsbevoegdheid) en de ledenorganisatie zonder rechtspersoonlijkheid anderzijds moeilijkheden op. De vraag dringt zich op of iedere niet-formele organisatie die zich ten doel stelt het maken van winst ter verdeling onder de leden, als maatschap moet worden gekwalificeerd. Meijers stelt in de toelichting op zijn oorspronkelijk ontwerp voor een NBW, p. 132, dat wezenlijk is voor een vennootschap dat de vennoot gerechtigd is tot een evenredig deel van het gemeenschappelijk kapitaal dat hij bij zijn uittreden moet ontvangen. Ik twijfel aan de juistheid en het onderscheidend vermogen van deze stellingname die geen steun vindt in de wet. Ook bij een vereniging kan een zekere gerechtigdheid van het lid op een deel van haar vermogen bestaan en statutair zijn verankerd; ingevolge art. 2:23b lid 1 BW draagt de vereffenaar het eventueel aanwezige batige saldo over aan hen die krachtens de statuten daartoe zijn gerechtigd, of anders aan de leden (of aandeelhouders). En is er bij een maatschap wel steeds gerechtigdheid van iedere vennoot tot een evenredig deel van het gemeenschappelijk kapitaal? Ik zou veeleer willen aannemen dat de niet-formele organisatie die ten doel heeft het maken van winst ter verdeling onder de leden, én die steunt op inbreng door ieder van de leden (zie over dit kenmerk hierna), als maatschap moet worden aangemerkt. Vgl. in deze zin Meijers in zijn noot onder HR 6 februari 1935, NJ 1935/1513. Indien men dit aanneemt, wordt niet alleen een zekere afbakening verkregen tussen de vennootschap en de zogenaamde informele vereniging-rechtspersoon met beperkte rechtsbevoegdheid, maar ook tussen de vennootschap en de ledenorganisatie zonder rechtspersoonlijkheid.
Wij zagen dat bij een dergelijke ledenorganisatie – het woord zegt het reeds – een zeker minimum aan organisatie aanwezig moet zijn: de samenwerking moet als een zekere eenheid zijn georganiseerd. Door deze eis wordt echter niet voldoende onderscheid verkregen met de maatschap. Ook de maatschap kan als zelfstandige eenheid worden georganiseerd. In de praktijk ontmoet men herhaaldelijk maatschapsovereenkomsten, waarbij vrij nauwkeurig een organisatie wordt opgebouwd: een vennoot wordt aangewezen voor het beheer, punten worden genoemd waaromtrent de gezamenlijke vennoten zullen moeten beslissen, bepalingen gemaakt omtrent rekening en verantwoording op gezette tijden, enzovoorts. Men vergelijke ook de casus van het hierboven reeds genoemde arrest van de HR 6 februari 1935, NJ 1935/1513. Hier was een gemeenschappelijk vermogen ontstaan, afgescheiden van het privévermogen van de deelgerechtigden. Een door de vennoten aangestelde, buiten hen staande ‘lasthebber’ voerde het beheer. Toetreding en uittreding van de vennoten door overdracht van aandeelbewijzen was mogelijk. Dit alles was – de Hoge Raad zegt het uitdrukkelijk – geenszins in strijd met het karakter van een maatschap. Zie voor dit arrest ook: Van Veen, in: GS Personenassociaties, nr. 4.2.1.
Het praktisch belang van het onderscheid tussen de maatschap enerzijds en de zogenaamde informele vereniging en de ledenorganisatie zonder rechtspersoonlijkheid anderzijds, is gelegen in de al dan niet toepasselijkheid van art. 7A:1655 BW e.v. en van sommige fiscaalrechtelijke regels. De zogenaamde informele vereniging-rechtspersoon met beperkte rechtsbevoegdheid wordt beheerst door regels vervat in Boek 2 BW. De inhoud van de rechtsregels die op de ledenorganisatie zonder rechtspersoonlijkheid moeten worden toegepast, is hoogst onzeker. Bij het onderscheid dat moet worden gemaakt tussen een dergelijke ledenorganisatie en de maatschap, bedenke men dat het in het bijzonder van belang kan zijn of art. 7A:1681 BW – het gebonden zijn van de andere vennoten aan de handelende vennoot – van toepassing is en of de maatschap de uitvoering kan vorderen van een bevoegdelijk in haar naam aangegane overeenkomst; zie ten aanzien van het onderscheid maatschap-vereniging zonder rechtspersoonlijkheid onder het oude recht: Jolles, diss. 1932, p. 93. Dit belang is veel minder groot bij het onderscheid tussen de maatschap en een vereniging-rechtspersoon met beperkte rechtsbevoegdheid; art. 2:30 lid 2 BW bepaalt immers dat de bestuurders en subsidiair degenen die handelden, naast de vereniging hoofdelijk aansprakelijk zijn, terwijl de vereniging als rechtspersoon zelf nakoming kan vorderen.
10 Vereiste van inbreng.
Bij vennootschappen moet door de samenwerkende partijen iets worden ingebracht om met behulp daarvan voordeel te behalen; de vennootschap steunt op inbreng van iedere vennoot c.q. aandeelhouders. Bij de nv en bv moet geld of goed met geldswaarde worden ingebracht (art. 2:80b BW en art. 2:191e BW); bij de maatschap, vof en c.v. kan de inbreng bestaan in geld, goederen of genot van goederen en arbeid (art. 7A:1655 BW en art. 7A:1662 lid 1 BW). Jolles, diss. 1932, p. 25 e.v., in het bijzonder p. 56, betoogt dat het vereiste van inbreng geen onderscheidend criterium kan zijn omdat overal waar samenwerking plaatsvindt, ook van inbreng gesproken kan worden: samenwerken wil zeggen inbrengen. Naar mijn oordeel is ‘samenwerking tot een gemeenschappelijk doel’ een ruimer begrip dan ‘inbreng om met behulp hiervan gemeenschappelijk voordeel te behalen’. De inbreng is hier middel om daaruit (gemeenschappelijk) voordeel te doen ontstaan; vgl. Van der Heijden, in: Gedenkboek BW 1838-1938, p. 535. In deze zin HR 8 juli 1985, NJ 1986/385: de maatschap wordt aangegaan om door middel van de inbreng te handelen en aldus voordeel te behalen. Iedere vennoot is tot inbreng, tot het geven van een positieve bijdrage ter bereiking van het vennootschappelijk doel gehouden. Dit is meer dan waartoe ieder lid van een vereniging per se is gehouden: het lidmaatschap kan vrij passief van inhoud zijn. In zoverre is de inbreng bij de maatschap essentieel, en bij de vereniging niet. Zie Van der Velden, De vereniging-rechtspersoon en haar leden (VDHI nr. 2) 1969, p. 12. Weliswaar kent een vereniging vaak de verplichting om contributie te betalen. Maar er is toch wel verschil tussen het voldoen van de contributie nodig om de vereniging lopende te houden, en het geven van een inbreng die wezenlijk is met het oog op de vennootschappelijke samenwerking. Zie over het een en ander Scholten, WPNR 1965/4847.
11 Gebreken in formaliteiten voor ontstaan van samenwerkingsvorm.
Bij dit alles moet in het oog worden gehouden dat de samenwerkingsvorm praktisch nooit rechtens nietig zal zijn, indien niet wordt voldaan aan één van de hierboven besproken kenmerken. In Boek 2 BW wordt in art. 21 de ontbinding door de rechter geregeld indien de rechtspersoon niet onder de wettelijke omschrijving van zijn soort valt of indien hij de in Boek 2 BW voor zijn rechtsvorm gestelde verboden overtreedt. In art. 2:18 BW jo. art. 2:71 BW, art. 2:72 BW, art. 2:181 BW, art. 2:183 BW wordt de omzetting geregeld. Zoals gezegd, is een zogenaamde formele vereniging die in wezen vennootschap is, geldig als vereniging tot op het moment van haar ontbinding c.q. omzetting.
Hoe zit het nu met de informele organisatie die overeenkomstig art. 2:26 lid 1 en 2 BW als vereniging is opgericht en als vereniging wordt aangeduid, terwijl zij in wezen vennootschap is? In het systeem van Boek 2 BW zou passen dat ook deze vereniging-rechtspersoon (met beperkte rechtsbevoegdheid) als zodanig geldig is tot op het moment van haar ontbinding c.q. omzetting. Met Van der Grinten ben ik echter van oordeel dat het niet aanvaardbaar is dat partijen – zonder aan enige formaliteit te voldoen – met het gebruik van het woord vereniging of rechtspersoon zouden kunnen bereiken, dat hun overeenkomst van vennootschap een vereniging is. Volgens Van der Grinten zijn niet de woorden die partijen bezigen, doch is de aard van hun verhouding beslissend voor de kwalificatie. Zie Asser/Kroeze 2-I 2021/144. In deze opvatting is de als informele vereniging opgerichte ledenorganisatie die ten doel heeft het maken van winst ter verdeling onder de leden en die steunt op inbreng door ieder van de leden, een maatschap waarop art. 7A:1655 e.v. BW van toepassing zijn; als vereniging is deze ledenorganisatie ongeldig. Kan de als informele vereniging opgerichte ledenorganisatie niet als maatschap worden aangemerkt maar overtreedt zij wel het in art. 2:26 lid 3 BW opgesloten verbod tot winstverdeling onder haar leden, dan zal zij door de rechter op grond van art. 2:21 lid 3 BW kunnen worden ontbonden.
De ledenorganisatie die niet is ontstaan door een meerzijdige rechtshandeling als bedoeld in art. 2:26 lid 1 BW, en derhalve niet kan worden aangemerkt als een vereniging-rechtspersoon, is eveneens onderworpen aan de rechtsregels geldend voor de maatschap indien zij ten doel heeft het maken van winst ter verdeling onder de leden en steunt op inbreng door ieder van de leden. Omgekeerd zal de rechtsfiguur die door partijen is bedoeld als maatschap maar als zodanig ongeldig is omdat de inbreng van ieder van de vennoten ontbreekt of omdat de overeenkomst niet is gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten (vgl. art. 7A:1672 lid 1 BW), kunnen worden gered door haar te kwalificeren als vereniging-rechtspersoon met beperkte rechtsbevoegdheid of als ledenorganisatie zonder rechtspersoonlijkheid. Zie in dit verband onder het oude recht HR 4 november 1942, NJ 1942/773. Ook kan onder omstandigheden de overeenkomst die als vennootschapsovereenkomst nietig is, worden gekwalificeerd als een samenwerkingsovereenkomst sui generis; hierna nr. [71].
Dat een en ander van groot belang is wordt duidelijk, indien men de moeilijkheden onder ogen ziet die rijzen in het geval een samenwerkingsvorm werkelijk nietig is. Zie daarover: Duynstee, WPNR 1941/3752-3757. Op deze moeilijkheden zal ik hier niet uitvoerig ingaan. Volstaan zij met de opmerking dat de overeenkomsten met derden die te goeder trouw zijn afgegaan op de uiterlijke schijn dat de vennootschap rechtsgeldig bestaat terwijl deze in werkelijkheid ongeldig blijkt, zo veel mogelijk dienen te worden afgewikkeld alsof de vennootschap wel geldig ware geweest. Zie ook Duynstee 1942, p. 14 e.v. Vgl. over de schijnvennootschap ook: hierna nr. [42].