Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.1.15
2.1.15 De hulpzaak en de “hoofdzaak”
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644794:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
BGH 20 november 2008 – IX ZR 180/07, Rn 22: “Richtig nimmt das Berufungsgericht an, dass ein Mieter die Küche in aller Regel beim Auszug wieder mitnehmen will, er also gerade keine Zweckbestimmung trifft, dass die Einbauküche Zubehör werden soll.” De bewijslast ligt bij degene die beweert dat een zaak geen hulpzaak is, in casu was dit de huurder. Zie: BGH 20 november 2008 – IX ZR 180/07, Rn 28.
Staudinger/Stieper (2021) BGB §97, Rn 15.
De schijnbestanddelen die in het kader van de uitoefening van een recht zijn gebouwd, kunnen wél hulpzaken zijn, aangezien ten aanzien van die categorie schijnbestanddelen geen sprake hoeft te zijn van een tijdelijke verbinding.
MüKoBGB/Stresemann BGB §97 Rn 6-7; Wolf (1979), p. 26 e.v.; §98 BGB bepaalt dat bedrijfsinventaris hulpzaken zijn.
Staudinger/Stieper (2021) BGB §97 Rn 24.
RG, 26 januari 1901, RGZ, 47, 197, 199; Schlimpert (2015), p. 82.
Staudinger/Stieper (2021) BGB §97 Rn 14.
Staudinger/Stieper (2021) BGB §97 Rn 28.
De hulpzaak dient het economische doel van een andere zaak, de Hauptsache. Deze hoofdzaak kan zowel een roerende als een onroerende zaak zijn. Een zaak kan geen hulpzaak zijn als ze alleen voorziet in een persoonlijke behoefte van de bezitter van een andere zaak, maar niet het economische doel van die zaak dient. Een inbouwkeuken die de huurder na afloop van de huurperiode meeneemt, is geen hulpzaak.1
Een verpakkingsmachine is een hulpzaak van een bakkerij, mits zij in een ondergeschikte relatie staat tot het gebouw (de bakkerij).2 Het economische doel van de hoofdzaak hoeft niet commercieel te zijn. Van belang is slechts dat de hulpzaak ten bate van de hoofdzaak kan worden gebruikt. Een alarminstallatie is zodoende een hulpzaak van een huis en een navigatiesysteem die van een auto. Het “nut” van een hulpzaak kan ook op cultureel gebied liggen. Een orgel of een klok dient het doel van een kerkgebouw en is derhalve een hulpzaak daarvan.3 Een voorraad kolen is een hulpzaak van een fabriek. Dat zaken, zoals kolen, een beperkte levenstijd hebben, is niet van belang voor het antwoord op de vraag of een zaak een hulpzaak is. Er moet sprake zijn van een duurzame ondergeschiktheid van de hulpzaak aan de hoofdzaak, aldus §97 lid 2 BGB. Vandaar dat reserveonderdelen van een zaak wel hulpzaken zijn, maar een voorraad uit het magazijn of de waren die in de winkel liggen voor de verkoop niet.4 Van een duurzame ondergeschiktheid is dan geen sprake. Om deze reden kunnen schijnbestanddelen die tijdelijk verbonden zijn met een andere zaak daarvan geen hulpzaken zijn.5 In het geval de eigenaar van een landbouwbedrijf een tractor moet huren, omdat de zijne gerepareerd wordt, is de gehuurde tractor geen hulpzaak van het bedrijf.
Hoewel een machine van een fabriek (die geen bestanddeel daarvan is) of de inventaris van een bedrijf hulpzaken kunnen zijn van het gebouw of de grond,6 kan een bedrijf of onderneming zelf geen hulpzaken hebben. Een onderneming is immers geen zaak:
“Beim Grundstückszubehör stehe nicht der gewerbliche Betrieb als wirtschaftliche Einheit, sondern das Grundstück als Hauptsache im Mittelpunkt. Inventar eines gewerblichen Betriebs könne dann zugleich Grundstückszubehör sein, wenn der wirtschaftliche Zweck des Grundstücks auf den Betrieb des Gewerbes ausgerichtet sei.”7
De verkeersopvattingen bepalen wanneer een zaak een hulpzaak is, waarbij de eisen van het rechtsverkeer van belang zijn om deze verkeersopvattingen in te kleuren. Dit rechtsverkeer eist bijvoorbeeld dat de uiterlijke toestand bepaalt of sprake is van een economische eenheid tussen twee of meer zaken.8 Wanneer bij de overdracht van een stuk grond een zaak, die zich op het stuk grond bevindt, niet mede wordt overgedragen, is deze zaak geen hulpzaak.9
Aangezien de verkeersopvatting in de loop der jaren kan veranderen, kan een zaak eerst wel en later niet langer als een hulpzaak worden gezien. Zo werden in het verleden vrachtwagens van een transportbedrijf als hulpzaken van een bedrijf, lees de bedrijfsgrond, gezien.10 Tegenwoordig worden alleen voertuigen als hulpzaken gezien, als het economische zwaartepunt van een bedrijf op de grond ligt en deze voertuigen op deze grond actief zijn. Vervoermiddelen van een transportbedrijf, die nooit op de bedrijfsgrond aanwezig zijn, worden thans niet meer beschouwd als hulpzaken van de grond.11 In de rechtspraak heeft het BGH beslist dat de verkeersopvatting van het ogenblik waarop een oordeel moet worden gevormd beslissend is. Een ex nunc interpretatie dus: “Die Fortdauer des Bestehens oder Nichtbestehens einer Verkehrsanschauung wird nicht vermutet.”12
Ook bij de beëindiging van de “hulpzaakverhouding” speelt de verkeersopvatting een rol. Deze dient objectief vastgesteld te kunnen worden. Het is niet voldoende dat partijen door wilsovereenstemming afspreken dat een zaak geen hulpzaak meer is.13 Een zaak houdt op hulpzaak te zijn van een andere (hoofd)zaak, als de zaak niet meer in een ruimtelijke verhouding staat tot de hoofdzaak of als de zaak ophoudt het economische doel van de hoofdzaak te dienen. Als de inventaris van een hotel (hulpzaken) na faillissement afzonderlijk wordt verkocht en verwijderd dan is deze geen hulpzaak meer.14 Als een fabriek definitief wordt gesloten, dan verliezen de hulpzaken eveneens hun “hulpzaakeigenschap”, aangezien ze niet langer bestemd zijn om het economische doel van de hoofdzaak te dienen.15