Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/4.5.1.3
4.5.1.3 Conclusie rechtsvergelijking
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS619755:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
BGH, 2 december 2005, V ZR 35/05.
De voorzieningenrechter te Middelburg oordeelde recentelijk hierover: 'De artikelen 5:57 en 5:58 BW bieden daarvoor naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grondslag. Het riool is immers niet gelijk te stellen met een openbare weg of openbaar vaarwater in de zin van artikel 5:57 BW. Verder geldt artikel 5:58 BW slechts voor de noodwaterleiding en niet ook voor andersoortige leidingen ' Zie Rb Middelburg, 5 februari 2009, UN BI 8726. Volgens Roggenkamp 1999 (p. 285) zou artikel 5:58 BW ook van toepassing zijn op energieleidingen, hetgeen zou overeenkomen met vaste jurisprudentie ten tijde van het voormalige BW. Zij verwijst onder meer naar de uitspraken van de Rb Assen, 19 augustus 1968, NJ 1969, 214 en 6 mei 1969, NJ 1969, 457.
Mahne 2009, p. 212.
Sagaert 2004, p. 1398.
Globaal genomen is niet te stellen dat met betrekking tot de eigendom of onroerende status van netten het ene (beschreven) rechtssysteem beter is dan het andere. Wanneer in abstracte naar de diverse rechtssystemen wordt gekeken, lijkt te volgen dat ten aanzien van de eigendomsvraag het antwoord nagenoeg steeds hetzelfde is. In de beschreven rechtssystemen is de verticale natrekking in beginsel het algemene uitgangspunt; voor netten die in andermans grond zijn aangelegd geldt onverwijld een uitzonderingssituatie en is (of: blijft) de aanlegger eigenaar van het net. Enerzijds omdat hierdoor de eenheid van (de eigendom van) het net wordt gewaarborgd, anderzijds omdat de leidingen als hulpzaak van een onderneming of installatie waaraan ze zijn verbonden of waartoe te behoren, worden beschouwd. Dit uitgangspunt (te weten: de eigendom van een net wordt niet 'verbrokkeld' door toepassing van de verticale natrekking) is al lange(re) tijd leidend in het Belgische, Duitse en Zwitserse recht. In het Nederlandse recht is doorbreking van de verticale natrekking bij netten pas door introductie van de eigendomsregeling het leidende principe geworden.
Wanneer de verschillende rechtssystemen geabstraheerd worden van de dogmatiek, kan nog een andere conclusie worden getrokken en dat is dat in de beschreven rechtssystemen de algemene lijn kan worden geformuleerd dat de eigendom van een leiding volgt uit de vraag of men in andermans grond een net mag aanleggen. In het Belgische recht moet sprake zijn van een gevestigd persoonlijk of zakelijk recht of van afstand van natrekking (door de grondeigenaar), dan wel van een openbare erfdienstbaarheid (artikelen 649 en 650 BBW). In het Zwitserse recht wordt een Dienstbarkeit gevestigd (artikel 676 ZGB) en in het Duitse recht dienen eveneens zakelijke rechten te worden gevestigd (artikelen 1018 of 1090 BGB), dan wel gelden gedoogplichten. In ieder geval moet men in zekere zin toestemming hebben van de eigenaar van de grond om het net te mogen aanleggen. In die optiek sluit de Nederlandse regeling dan ook aan op de systematiek zoals gehanteerd in de beschreven rechtssystemen en is het resultaat nagenoeg dus hetzelfde. Men moet overeenkomen, dan wel toestemming hebben, dan wel bevoegd zijn om als eigenaar van het aangelegde net te worden beschouwd.
Met betrekking tot de onroerende status van netten zijn de verschillen groot. In België, Zwitserland en Nederland zijn netten onroerende zaken en in Duitsland zijn het roerende zaken. Ook de wijze waarop de (on)roerende status wordt vastgesteld is divers. In het Belgische en Nederlandse systeem is de duurzame verbinding met de grond doorslaggevend, terwijl in het Zwitserse en Duitse recht gekeken wordt naar de kwalificatie van het net (als hulpzaak). Wordt in het Zwitserse recht het net als een bijzondere (onroerende) hulpzaak beschouwd, in het Duitse recht wordt het net als zelfstandige (roerende) hulpzaak gekwalificeerd dat bovendien door een 'simpele' wilsovereenstemming kan worden omgezet in een 'wezenlijk (onroerend) bestanddeel' van de grond (en vica versa1).
Een andere conclusie die uit de rechtsvergelijking kan worden getrokken is dat in de beschreven rechtssystemen een algemene bepaling inzake noodleidingen is opgenomen in het burenrecht. Conform het Belgische recht (artikel 682(1) BBW) kan een recht van uitweg voor leidingen worden gevorderd indien een perceel is ingesloten en geen directe verbinding heeft met de openbare weg. Op basis van genoemd artikel kan een eigenaar van een ingesloten erf vorderen dat leidingen onder de naburige percelen worden aangelegd. De eigendom van deze noodleiding komt toe aan de eigenaar van het ingesloten erf. In het Zwitserse recht regelt artikel 691 ZGB dat een grondeigenaar in een bijzondere noodsituatie en tegen vooraf toegezegde schadeloosstelling leidingen op of onder zijn grond heeft te gedogen. Analoog aan artikel 676 ZGB zal de eigendom van de noodleiding toekomen aan de gerechtigde tot de noodleiding. Volgens Duitse rechtspraak biedt artikel 917 BGB de basis om een noodleiding op of onder een buurperceel te vorderen. Op deelstaatniveau is het mogelijk dat wat betreft het burenrecht aanvullende of zelfstandige regels worden gesteld die betrekking hebben op (bijvoorbeeld) het recht van noodleiding. In de deelstaat Baden-Württemberg is een aparte wettelijke regeling inzake de noodleiding ingevoerd. Deze regeling houdt niet alleen in dat een naburig perceel een noodleiding zou moeten gedogen; het geeft tevens regels met betrekking tot het dulden van onderhoud en andere gebruikshandelingen met betrekking tot de noodleiding. De noodleiding zal als een hulpzaak worden beschouwd waarvan de eigendom in ieder geval niet toekomt aan de eigenaar van de grond. Een algemene bepaling inzake noodleidingen is niet terug te vinden in het Nederlandse (buren)recht. Weliswaar is in artikel 5:58 BW de (vordering tot) noodwaterleiding geregeld; deze regeling geldt volgens de parlementaire geschiedenis alleen voor (nood)waterleidingen. Voor andersoortige leidingen dient een oplossing te worden gezocht in de Bwp, Tw of in de vestiging van beperkte rechten.2 Vraag is echter, mede gelet op de regelingen in de beschreven rechtssystemen, of de uitleg dan wel toepassing van artikel 5:58 BW in de tegenwoordige tijd beperkt moet blijven tot noodwaterleidingen.3
Tot slot kan geconcludeerd worden dat een expliciete wettelijke regeling wenselijk kan zijn om de eigendom van netten eenduidig te regelen. Uit de Zwitserse literatuur lijkt te volgen dat de regelingen inzake het Durchleitungsrecht (artikel 676 ZGB) en Leitungsbaurecht (artikel 691 ZGB) afdoende zijn om de eigendom van netten in andermans grond vast te stellen. In het Nederlandse recht is door middel van introductie van de nieuwe regeling ook duidelijk bepaald wie eigenaar van een net in andermans grond is. Volgens Mahne dient in het Duitse zakenrecht de eenduidige ordening van de eigendom van de grond en van roerende zaken leidend te zijn. Om die reden pleit zij er dan ook voor om een speciale regeling voor de eigendom van netten in te voeren:4
`Uni dieser Gefahr zo begegnen, bieten sich zwei Mbglichkeiten:
1. Die Schaffung einer spezialgesetzlichen Regelung Rk das Eigentum an Versorgungsleitungen durch den Gesetzgeber, oder
2. eine besser an die sachenrechtlichen Verhgtnisse angepasste vertragliche Gestaltung der NutzungsverhWtnisse.'
In het Belgische recht ontbreekt eveneens een algemene eigendomsregeling voor netten. In beginsel lijkt de eigendomsvraag ook niet tot veel discussies. Immers door het vestigen van een zakelijk of persoonlijk recht, dan wel een openbare erfdienstbaarheid, ontstaat een accessoir opstalrecht waardoor de aanlegger eigenaar is van het net. Sagaert pleit evenwel voor meer duidelijkheid als het gaat om zaken als aanleg, verlegging, vergoeding voor de grondeigenaar e.d. door in het Belgische BW een bijzondere bepaling onder te brengen, omdat:5
‘het Belgische recht geen adequaat wettelijk kader biedt voor een geïntegreerd zakenrechtelijk statuut van nutsleidingen. Doorgaans wordt aanvaard dat die nutsleidingen toebehoren aan de energieverdeler die ze heeft aangelegd, maar de grondslag biedt aanleiding tot onzekerheid (...) De fragmentering van de wetgeving in verband met nutsleidingen vormt de achilleshiel van de regeling. (...) Op diverse vlakken (vergoeding van de grondeigenaar, aanleg, verleggingsrecht, enz) is gebleken dat de sectorale wetgevingen niet op elkaar zijn afgestemd.'