Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/2.3.3
2.3.3 Omslag in de rechtspraak: toekomstige roerende zaken
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS474377:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1198 lid 1 BW (oud).
HR 25 januari 1929, NJ 1929/616, m.nt. P. Scholten (Bierbrouwerij) en HR 21 juni 1929, NJ 1929/1096 (Hakkers/Van Tilburg). Zie over deze ontwikkeling onder anderen Van Mierlo 1988, p. 5-9; en Van Hoof 2015, p. 253-255.
HR 22 mei 1953, NJ 1954/189, m.nt. J. Drion (Sio).
Vgl. Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986/183, die in het arrest een uitdrukkelijke erkenning lezen.
Vgl. J. Drion in zijn NJ-noot bij het arrest; zie ook TM, Parl Gesch. Boek 3, p. 402, voetnoot 2; Asser/Beekhuis 2-I 1957, p. 177-181; Asser/Van Oven 2-III 1967, p. 110-111; en Veenhoven 1955, p. 49 en 53. Anders Jarolímek 1956, p. 91.
24. De vraag naar de levering van toekomstige roerende zaken, won aan relevantie door de erkenning van de zekerheidsoverdracht van roerende zaken. Volgens het oude Burgerlijk Wetboek kon zekerheid op roerende zaken slechts worden gevestigd in de vorm van een vuistpandrecht. Voor de totstandkoming van dit pandrecht was vereist dat de goederen uit de macht van de zekerheidsgever werden gebracht.1 Zaken die essentieel waren in de exploitatie van een onderneming, zoals voorraden, inventaris of machines, konden hierdoor feitelijk niet worden ingezet als onderpand voor verleend krediet. Er bestond, met andere woorden, een maatschappelijke behoefte aan een mogelijkheid om zekerheid te verlenen op roerende zaken, zonder dat de zekerheidsgever de zaken uit zijn macht diende te brengen. Met zijn arresten van 1929 erkende de Hoge Raad een dergelijke figuur, namelijk in de vorm van een overdracht tot zekerheid door middel van een levering constituto possessorio.2 Een haast vanzelfsprekende vervolgvraag op deze erkenning betrof die naar de mogelijkheid om tevens zekerheid te vestigen op de roerende zaken die in de toekomst zouden worden verkregen door de zekerheidsgever, zoals de zaken die werden verkregen ter aanvulling van de voorraad of ter vervanging van de inventaris of machines, zonder dat hiervoor een nieuwe handeling nodig was nadat de zaken waren verkregen.
25. In 1953 oordeelde de Hoge Raad in het Sio-arrest over de geldigheid van een zekerheidsoverdracht van toekomstige zaken.3 Het betrof een dubbele zekerheidsoverdracht van een machine. Deze machine was eerst bij voorbaat c.p. geleverd aan de ene crediteur en later – na verkrijging – per c.p. geleverd aan een andere crediteur.
Peuschgens en vijf anderen hadden in 1946 een bedrag van ƒ 25.000 geleend van De Jong ter financiering van hun onderneming in de fabricage van speelgoed. Tot zekerheid van terugbetaling van deze lening werd bij akte aan De Jong fiduciair overgedragen (i) alle machines en voorraden die zich in het bedrijf bevonden, alsmede (ii) machines, werktuigen en voorraden die tijdens het bestaan van de lening ter vervanging of op welke wijze dan ook in het bedrijf zouden komen. Peuschgens draagt vervolgens in 1947 en 1949 goederen uit het bedrijf over aan Sio tot zekerheid van een schuld van ƒ 15.000. In 1949 gaat Sio over tot executie van de goederen waarvan een deel eerst na de overdracht aan De Jong in het bedrijf was gekomen. Sio en De Jong strijden om de verdeling van de opbrengst. De rechtbank en het hof stelden De Jong in het gelijk en erkenden daarmee kennelijk de geldigheid van de levering bij voorbaat. Het hof had aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat Peuschgens zich niet alleen tegenover De Jong bij voorbaat had verbonden zijn toekomstige machines voor De Jong te gaan houden, maar dat Peuschgens zich tevens aan deze afspraak had gehouden. Het oordeel van het hof bleef in cassatie in stand. Volgens de Hoge Raad had het hof niet geoordeeld, anders dan het cassatiemiddel had voorgesteld, dat “de Jong het bezit van de bewuste machines verkreeg enkel door de vermelde afspraak en de ontvangst van de machines in het bedrijf, doch aan dat oordeel kennelijk mede ten grondslag heeft gelegd dat Peuschgens de machines na de ontvangst voor de Jong als eigenaar is gaan houden; dat tot dit laatste niet vereist was dat Peuschgens zulks na de ontvangst nog eens uitdrukkelijk aan de Jong te kennen gaf”.
De crediteur aan wie de machine het eerst (bij voorbaat) was geleverd trok aan het langste eind. Niettemin bevat het Sio-arrest geen duidelijke erkenning van de levering bij voorbaat van toekomstige roerende zaken.4 Het arrest liet vooral onduidelijkheid bestaan over de werking van een bij voorbaat verrichte levering constituto possessorio. De overwegingen van de Hoge Raad suggereerden dat voor een uiteindelijke overdracht van de goederen tevens was vereist dat de vervreemder de zaken na verkrijging werkelijk voor de verkrijger was gaan houden.5 Een werkelijke levering bij voorbaat van toekomstige goederen – die automatisch leidt tot een overdracht zodra de goederen worden verkregen – erkende de Hoge Raad niet uitdrukkelijk, aangezien in dat geval de wil van de vervreemder bij de ontvangst van de zaken irrelevant had moeten zijn. De Hoge Raad leek echter de constructie voor te staan dat de levering van de roerende zaken door de vervreemder plaatsvindt zodra hij deze zaken zelf verkrijgt en dat uit een eerdere afspraak om deze zaken voor verkrijger te gaan houden niet meer dan een vermoeden voortvloeit dat deze wil is blijven voortbestaan bij de vervreemder tot de uiteindelijke overdracht van de zaken. Praktisch beschouwd leidde in deze constructie een geanticipeerd constitutum possessorium steeds tot een overdracht zodra het goed door de vervreemder werd verkregen en hij daarbij geen blijk gaf van een ontbrekende wil om voor de verkrijger te gaan houden.
Wat er ook zij van de precieze strekking van het arrest, het Sio-arrest vormt een belangrijke omslag in de rechtspraak over de levering van toekomstige goederen. De principiële afwijzende houding van de Hoge Raad leek plaats te maken voor een voorzichtige en praktische erkenning. Deze ontwikkeling werd voortgezet door Meijers in zijn ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek.