V-N 2023/52.4
Prejudiciële vragen aan Hoge Raad over arbeidsrelatie Uber-chauffeurs
Hof Amsterdam 03-10-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2220, m.nt. Redactie Vakstudie Nieuws
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
3 oktober 2023
- Magistraten
Boot, Akkaya, Van de Poel
- Zaaknummer
200.300.335/01
- Noot
Redactie Vakstudie Nieuws
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS858010:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:GHAMS:2026:163, Uitspraak, Hof Amsterdam, 27‑01‑2026
ECLI:NL:GHAMS:2024:601, Uitspraak, Hof Amsterdam, 13‑02‑2024
ECLI:NL:GHAMS:2023:2220, Uitspraak, Hof Amsterdam, 03‑10‑2023
ECLI:NL:GHAMS:2022:2080, Uitspraak, Hof Amsterdam, 19‑07‑2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:855, Uitspraak, Hof Amsterdam, 22‑03‑2022
- Wetingang
art. 7:610 BW
Essentie
Hof Amsterdam stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad in de zaak Uber over het begrip ‘ondernemerschap’ in het Deliveroo-arrest en of art. 3 Wet AVV een voldoende juridische grondslag biedt voor het instellen van de vordering door de FNV.
Samenvatting
Uber bv exploiteert een app, waarmee taxiritten worden geboekt. Chauffeurs melden zich aan voor de app en worden onderverdeeld in drie categorieën:
- 1.
als ze geen chauffeurskaart of ondernemersvergunning hebben, kunnen ze (nog) niet actief worden op het Uber-platform;
- 2.
chauffeursmet een chauffeurskaart, maar geen ondernemersvergunning, kunnen gaan rijden als “Fleet partner” onder de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.