Biases in de boardroom en de raadkamer
Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/4.3.2.3:4.3.2.3 De gevolgen van een indruk
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/4.3.2.3
4.3.2.3 De gevolgen van een indruk
Documentgegevens:
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111497:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Anderson, Krull en Weiner 1996; Dijksterhuis 2011, p. 86.
Uleman, Blader en Todorov 2005, p. 388; Fazio & Zanna 1981; Tory Higgins 1989, p. 82; Newman en Uleman 1989, p. 166.
Wimer & Kelley 1982, p. 1142-1162.
Newman en Uleman 1989, p. 170.
Ingelse 2010, par. 1.2.
HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, NJ 1997, 360 m.nt. Maeijer (Staleman/Van de Ven). Zie meer uitgebreid par. 2.2.1 en par. 6.4.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nu de verschillende fenomenen van indrukken en de werking daarvan aan bod zijn gekomen, vervolg ik wederom met een uiteenzetting van het probleem dat deze indrukken creëren. Het gevaar van deze indrukken bestaat eruit dat deze indrukken vervolgens onbewust het gedrag van de rechter beïnvloeden.1 Deze beïnvloeding kan zowel positief als negatief uitpakken. Als de rechter een negatieve eerste indruk heeft van een partij, bijvoorbeeld omdat de partij verveeld of agressief overkomt, kan deze ervaring door het onbewuste bij een volgende gedraging van de partij van invloed zijn.2 Met name volwassenen zijn geneigd aannames over personen op te slaan en vast te houden. Ze geloven in de constantheid van karakter.3 Het onbewuste slaat bovendien makkelijker een negatief beeld van iemand op dan een positief beeld. De rol van het onbewuste is dus veelal overwegend negatief te waarderen. Is eenmaal een negatieve indruk gemaakt, dan is het lastig deze negatieve indruk om te vormen naar een tweede positieve indruk.4 Deze indrukken zijn dan ook gevaarlijk voor de objectiviteit van de rechter. De procespartij heeft immers geen zicht op deze eerste indruk van de rechter van procespartijen. Verwoede pogingen een slechte eerste indruk te voorkomen, kunnen juist een averechts effect hebben. De procespartij staat dus vrij machteloos. De rechter kan de neiging hebben na een eenmaal ingenomen standpunt (bewust of onbewust) vooral aandacht te schenken aan feiten, bewijs of verklaringen die het ingenomen standpunt bevestigen. Dit fenomeen staat bekend als confirmation bias. Op confirmation bias kom ik meer uitgebreid terug in par. 5.5.1. In de woorden van Ingelse bestaat een ‘bandbreedte’5 waarbinnen rechters ten aanzien van hetzelfde feitencomplex tot een ander oordeel kunnen komen. Deze bandbreedte vloeit automatisch voort uit de werking van het onbewuste. De rechter maakt keuzes, doet waarnemingen en stelt vragen of weigert deze. Deze keuzes maakt de rechter bijvoorbeeld bij de open normen in onze wetgeving, zoals of sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt (art. 2:9 BW). Dit is een open norm. De rechter staan echter wel degelijk handvatten ter beschikking voor de invulling van de norm. Duidelijk is dat de rechter moet oordelen of sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt aan de hand van alle omstandigheden van het geval.6 Bovendien is in verdere jurisprudentie de norm meer uitgekristalliseerd. Toch staat de invulling van de norm niet vast, juist door de beoordeling ‘aan de hand van alle omstandigheden van het geval’. Welke omstandigheid relevant is, of het verwijt vervolgens ‘voldoende ernstig’ is en of het ‘persoonlijk’ is, wordt overgelaten aan de rechter.
Ook zorgt de invloed van de persoonlijke gesteldheid van de rechter op zijn gedrag en oordeel ervoor dat partijen machteloos staan. Partijen hebben vrijwel geen invloed op deze persoonlijke gesteldheid en bovendien is deze gesteldheid van de rechter ontoegankelijk voor partijen. De rechter zou idealiter elke partij en elke zaak neutraal moeten benaderen. Een neutrale benadering blijkt door de invloed van de persoonlijke gesteldheid onmogelijk. Deze onmogelijkheid vergroot de kans op ontransparante oordelen, een meer partijdige rechter en rechtsonzekerheid. Achterliggende redenen voor een oordeel blijven verborgen. De manier waarop de invloed van de indruk van een rechter op het rechterlijk oordeel kan worden beperkt, komt aan bod in par. 4.4.