Vgl. de rechtsoverwegingen 3.4.2 en 3.5.1 van het overzichtsarrest.
HR, 24-02-2023, nr. 21/04212
21/04212
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-02-2023
- Zaaknummer
21/04212
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:291, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑02‑2023; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑02‑2023
- Vindplaatsen
V-N 2023/11.19 met annotatie van Redactie
NTFR 2023/375 met annotatie van mr. T.J. Droog
NLF 2023/0518 met annotatie van Wendy Nent
FED 2023/55 met annotatie van M.H.W.N. Lammers
JB 2023/68
Sdu Nieuws Belastingzaken 2023/183
Viditax (FutD) 2023022402
FutD 2023-0526
Uitspraak 24‑02‑2023
Inhoudsindicatie
BPM; verzoek om vergoeding immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn; bijzondere omstandigheid die afwijzing rechtvaardigt?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/04212
Datum 24 februari 2023
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 10 september 2021, nrs. SGR 20/2409 V, SGR 20/02410 V en SGR 20/2411 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 8 juli 2020. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.A. Cardol, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Ter zake van de registratie van drie personenauto’s in het Nederlandse kentekenregister in 2017 heeft belanghebbende op aangifte bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan. De tegen elk van die voldoeningen ingediende bezwaarschriften zijn op 15 respectievelijk 22 mei 2017 door de Inspecteur ontvangen. De Inspecteur heeft bij uitspraken van 23 maart 2018 die bezwaren ongegrond verklaard.
2.1.2
Belanghebbende heeft op 25 april 2018 tegen de hiervoor bedoelde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De Rechtbank heeft de beroepen, met toepassing van artikel 8:54 Awb, bij uitspraak van 8 juli 2020 ongegrond verklaard.
2.2.1
Belanghebbende heeft tegen de hiervoor bedoelde uitspraak van de Rechtbank verzet gedaan. Daarbij heeft zij de Rechtbank verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting.
2.2.2
De Rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard en daarbij het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.9.1 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (hierna: het overzichtsarrest), heeft de Rechtbank overwogen dat hier bijzondere omstandigheden aan de orde zijn die aan toekenning van de gevraagde vergoeding in de weg staan. Die bijzondere omstandigheden heeft de Rechtbank als volgt onderbouwd.Op 15 en 22 mei 2017 heeft de gemachtigde van belanghebbende ook nog bezwaarschriften namens belanghebbende ingediend tegen op aangifte voldane bedragen aan bpm ter zake van de registratie van andere personenauto’s dan die in de onderhavige zaken aan de orde zijn. Het geschil en de standpunten van partijen in die zaken zijn identiek aan die in de onderhavige zaken. De Rechtbank heeft op 8 januari 2021 in die andere zaken vijf uitspraken op verzet gedaan, en daarbij in elk van die zaken het verzet ongegrond verklaard. Bij die vijf uitspraken heeft de Rechtbank belanghebbende vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en de daardoor bij belanghebbende ontstane spanning en frustratie een schadevergoeding van € 2.000 toegekend.Met die uitspraken op verzet is een einde gekomen aan de spanning en frustratie in een in de kern genomen identiek geschil als de onderhavige geschillen, aldus de Rechtbank. Volgens de Rechtbank blijft belanghebbende ook in de voorliggende zaken haar argumenten vinden in het Unierecht, de bewijslastverdeling en het al dan niet geschonden zijn van de hoorplicht, welke argumenten al zijn beoordeeld in de hiervoor bedoelde uitspraken van 8 januari 2021. Naar het oordeel van de Rechtbank is er daarom in de onderhavige zaken geen grond meer om vanwege de overschrijding van de redelijke termijn een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende toe te kennen. Niet aannemelijk is dat belanghebbende na de hiervoor genoemde uitspraken van 8 januari 2021 door de lengte van de nu nog voorliggende procedures zodanige spanning en frustratie heeft ondervonden dat deze grond opleveren voor een financiële genoegdoening. De vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden, moet in dit geval als een voldoende genoegdoening worden aangemerkt, aldus de Rechtbank.
2.3
Middel II is onder meer gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven beslissing van de Rechtbank en voert in dat kader aan dat de Rechtbank niet heeft kunnen en mogen oordelen dat vanwege de eerder op 8 januari 2021 gedane uitspraken de spanning en frustratie voor belanghebbende in de onderhavige zaken was beëindigd en dat dit als bijzondere omstandigheid moet gelden.
2.4.1
Voor de fase van bezwaar en beroep bij de rechtbank geldt een redelijke termijn van twee jaar. In deze termijn is tevens de duur van een eventuele verzetprocedure begrepen, indien de rechtbank uitspraak doet na vereenvoudigde behandeling op de voet van artikel 8:54 Awb en tegen die uitspraak verzet wordt gedaan als bedoeld in artikel 8:55 Awb. Bij bijzondere omstandigheden is verlenging van deze termijn op haar plaats.1.
2.4.2
Indien de hiervoor in 2.4.1 bedoelde redelijke termijn is overschreden, wordt, behoudens bijzondere omstandigheden, verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De omstandigheid dat het beroep of het verzet ongegrond is, staat aan toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn niet in de weg. Evenmin bestaat grond om een verzoek om vergoeding van immateriële schade af te wijzen vanwege de omstandigheid dat belanghebbende een zeer geringe kans op succes in de desbetreffende procedure heeft.2.
2.4.3
De omstandigheid dat de Rechtbank in de hiervoor in 2.2.2 bedoelde andere zaken, waarin dezelfde rechtsvragen aan de orde waren als in de onderhavige zaken, al op 8 januari 2021 uitspraak op verzet heeft gedaan, rechtvaardigt niet het oordeel van de Rechtbank dat in elk geval sinds 8 januari 2021 voor de onderhavige procedure een einde was gekomen aan de spanning en frustratie van belanghebbende. Kennelijk is de Rechtbank tot dit oordeel gekomen omdat er volgens haar in de onderhavige procedure geen kans op succes meer bestond voor belanghebbende. De Rechtbank heeft hiermee hetgeen hiervoor in de slotzin van 2.4.2 is overwogen, miskend. De omstandigheid dat de Rechtbank in de onderhavige zaken niet op 8 januari 2021 – tegelijk met de hiervoor in 2.2.2 bedoelde andere zaken – uitspraak heeft gedaan, maar pas op 10 september 2021, brengt immers voor belanghebbende mee dat hij tot 10 september 2021 nog in onzekerheid kon verkeren over de afloop van de onderhavige zaken, hoe gering de kans op succes voor haar wellicht ook mocht zijn. De omstandigheid dat de Rechtbank in de hiervoor in 2.2.2 bedoelde andere zaken op 8 januari 2021 uitspraak op verzet heeft gedaan, kan dan ook niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in de eerste volzin van 2.4.2. Daarom moet worden verondersteld dat aan de spanning en frustratie van belanghebbende in deze zaken geen einde was gekomen, nog daargelaten de omstandigheid dat in deze procedure de redelijke termijn op 8 januari 2021 al was overschreden. Middel II slaagt in zoverre.
2.4.4
Verder ligt in het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van de Rechtbank kennelijk het oordeel besloten dat alle hiervoor in 2.2.2 vermelde zaken, dus ook de onderhavige, voorafgaand aan de vijf uitspraken van 8 januari 2021 gezamenlijk zijn behandeld als bedoeld in rechtsoverweging 3.10.2 van het overzichtsarrest. Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, alleen al vanwege de omstandigheid dat de uitspraak op verzet in de onderhavige zaken (op 10 september 2021) niet gelijktijdig is gedaan met de uitspraken in de vijf andere zaken (op 8 januari 2021).Ook in zoverre slaagt de klacht tegen het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende voor deze procedure geen aanspraak kan maken op vergoeding van immateriële schade.
2.5
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de Rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.6.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen, kan de uitspraak van de Rechtbank op het verzet niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.6.2
Zowel de Inspecteur als de Rechtbank heeft de onderhavige zaken van belanghebbende tijdens de bezwaarfase respectievelijk de beroepsfase gezamenlijk behandeld. Die zaken hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Belanghebbende heeft het eerste bezwaarschrift op 15 mei 2017 ingediend en de Rechtbank heeft op 10 september 2021 uitspraak op verzet gedaan.Anders dan de Rechtbank in rechtsoverweging 12 van de uitspraak op verzet heeft overwogen, mogen de uitbraak van het coronavirus in 2020 en de daarmee verband houdende coronamaatregelen niet in algemene zin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die een verlenging rechtvaardigt van de termijn voor berechting die in de regel als redelijk is aan te merken. De uitbraak van het coronavirus vormt alleen een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld, indien partijen waren uitgenodigd voor een zitting in de periode waarin de gerechtsgebouwen in verband met de uitbraak van dit virus waren gesloten (de periode 17 maart 2020 tot en met 10 mei 2020) en de zitting daarom opnieuw moest worden gepland.3.Uit de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende is uitgenodigd voor een zitting in de hiervoor bedoelde periode van sluiting van de gerechtsgebouwen.De Inspecteur heeft in de verzetprocedure betoogd dat in dit geval de redelijke termijn niet wordt verlengd met de duur van de verzetprocedure. De Inspecteur heeft daartoe aangevoerd dat belanghebbende het verzoek om schadevergoeding al had kunnen doen tijdens de beroepsprocedure voordat de Rechtbank met toepassing van artikel 8:54 Awb uitspraak deed. Daaraan verbindt de Inspecteur de conclusie dat belanghebbende het verzet alleen heeft gedaan om de duur van de berechting te verlengen met als oogmerk een hogere vergoeding van immateriële schade te krijgen. Dit betoog van de Inspecteur faalt. De omstandigheid dat belanghebbende het verzoek al eerder had kunnen doen, rechtvaardigt niet de conclusie die de Inspecteur daaraan wil verbinden.
2.6.3
Van de hiervoor in 2.6.2 berekende totale overschrijding van 28 maanden worden 4 maanden aan de Inspecteur toegerekend en 24 maanden aan de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). De Inspecteur moet daarom 4/28e deel van € 2.500, derhalve € 357,14, betalen en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) 24/28e deel van € 2.500, derhalve € 2.142,86.
2.6.4
De Inspecteur heeft in de verzetprocedure verder aangevoerd dat belanghebbende onredelijk gebruik van procesrecht moet worden verweten en dat belanghebbende daarom, ook bij toewijzing van het verzoek om schadevergoeding geen aanspraak kan maken op een vergoeding van proceskosten voor het verzet. Ook in dit verband heeft de Inspecteur aangevoerd dat belanghebbende dat verzoek al had kunnen doen tijdens de beroepsprocedure voordat de Rechtbank met toepassing van artikel 8:54 Awb uitspraak deed. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende door het verzoek pas in de verzetprocedure te doen, onnodig kosten gemaakt en is het daarom onredelijk om haar een vergoeding voor die kosten toe te kennen.Ook dit betoog, waaraan de Rechtbank als gevolg van haar afwijzing van het verzoek om schadevergoeding niet is toegekomen, wordt verworpen. Een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn kan in elke fase van de procedure worden gedaan, dus ook in verzet.4.Indien de rechter het verzet op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekent, is er aanleiding een veroordeling uit te spreken in de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van de belanghebbende.5.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris en de Minister van Justitie en Veiligheid zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, en de Inspecteur en de Minister van Justitie en Veiligheid in de kosten in verband met de behandeling van het verzet. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand gaat de Hoge Raad uit van de waarde per punt die is neergelegd in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet, maar uitsluitend voor zover deze betreft de beslissing op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade,
- veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 357,14,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 2.142,86,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden de helft van het griffierecht van € 541, derhalve € 270,50, dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden de helft van het griffierecht van € 541, derhalve € 270,50, dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 1.674, derhalve € 837, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 1.674, derhalve € 837, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het verzet, vastgesteld op de helft van € 419, derhalve € 209,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het verzet, vastgesteld op de helft van € 419, derhalve € 209,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 24‑02‑2023
Vgl. de rechtsoverwegingen 3.9.1, 3.9.2 en 3.9.4 van het overzichtsarrest.
Vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, rechtsoverwegingen 3.4.1 en 3.4.2.
Zie HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:352, rechtsoverweging 2.3.2.
Vgl. rechtsoverweging 3.14.1 van het overzichtsarrest.
Beroepschrift 24‑02‑2023
CASSATIEBEROEP
[X] B.V.
Geachte Edelachtbare,
Hierbij herstel ik de verzuimen zoals vastgesteld bij brieven van 19 oktober 2021 door Uw intens criminele Raad.
De rechtbank heeft het beroep — op onjuiste gronden — ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft in verzet geklaagd over het feit dat de rechtbank oordeelt dat de hoorplicht is geschonden, maar niet overgaat tot terugverwijzing.
Die klacht is onbehandeld gebleven in verzet. De rechtbank heeft uitlegging gegeven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, met misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht.
Middel I.
Als eerste middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, doordat de rechtbank in verzet heeft verzuimd de klacht van belanghebbende, dat nu de schending van de hoorplicht is vastgesteld, de rechtbank over had moeten gaan tot terugverwijzing, onbehandeld heeft gelaten.
Toelichting.
Middel I klaagt terecht over het onbehandeld laten van de klacht van belanghebbende dat de rechtbank de zaak terug had moeten verwijzen, teneinde opnieuw de mogelijkheid te krijgen de rechten van verdediging, waaronder het recht om gehoord te worden, daadwerkelijk te benutten.
Middel I is kennelijk gegrond, nu vaststaat dat belanghebbende daarover geklaagd heeft.
Middel II.
Als tweede middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht, meer bepaald artikel 267, letter a VWEU, juncto artikel 267, tweede alinea VWEU, artikel 47, eerste alinea Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met artikel 19, lid 1 tweede alinea Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 47, tweede alinea Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat de rechtbank uitlegging heeft gegeven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, waartoe hij kennelijk niet bevoegd is en blijk heeft gegeven van een kennelijke schending van artikel 47, eerste alinea Handvest van de grondrechten, door zelfstandig een oplossing te geven van een vraag van Unierecht, terwijl hij niet buiten elke mogelijke twijfel verheven wist dat de gegeven oplossing even evident was voor het Hof en een schending van artikel 47, tweede alinea Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat de rechtbank niet de gevolgen heeft gegeven die hij moest geven aan de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zoals uitgelegd — volgens vaste rechtspraak van het Hof — in o.m. zijn arrest van 26 november 2013, Gascogne, EU:C:2013:770.
Toelichting.
De rechtbank krijgt een vraag voorgelegd van Unierecht, meer bepaald de draagwijdte en de betekenis van artikel 47, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, nu in een kwestie waarin de belasting wordt betwist van uit andere lidstaten afkomstige, gebruikte voertuigen die niet binnen een redelijke termijn is afgerond, en lost die zelfstandig op, nalatend zich volgens de wettelijke verplichting van artikel 267, tweede alinea VWEU tot het Hof te richten om te bevragen of in een geval als in casu, waarin eerder uitspraak is gedaan door de rechtbank in procedures van belanghebbende, met toepassing van voorrang van nationaal recht op het recht van de Unie, en een vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn van berechting heeft plaatsgevonden, daarmee vast staat dat in andere, gelijksoortige procedures van belanghebbende, waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden niet hoeft te worden toegekomen aan een schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, omdat volgens de rechtbank met het gegeven eerdere oordeel de ‘spanning en frustratie’ is beëindigd.
De rechtbank zoekt voor zijn oordeel aansluiting bij de uitlegging van het recht van de Unie door de Hoge Raad der Nederlanden van 21 maart 2014, welke uitlegging onregelmatig en onrechtmatig tot stand is gekomen en waarmee de rechtbank een interne rechtsorde handhaaft die niet strookt met het recht van de Unie.
Spanning en frustratie is een verzinsel van de Hoge Raad der Nederlanden en is geen uit het betreffende recht voortkomende vereiste of terminologie en blijkt ook niet uit de tekst, context en uitlegging van het Hof inzake artikel 47, tweede alinea Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Artikel 47, tweede alinea Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt geschonden wanneer de redelijke procestermijn, vastgesteld naar nationale procedurele remedy, in casu 2 jaar in lidstaat Nederland, niet wordt eerbiedigt.
In dat geval staat vast dat de voor het de rechtbank en heffende autoriteit gevoerde procedure schending van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest oplevert, doordat het in strijd heeft gehandeld met de vereisten rond de inachtneming van de redelijke procestermijn, hetgeen een voldoende gekwalificeerde schending vormt van een rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen (arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C-352/98 P, Jurispr. blz. 1-5291, punt 42).
Aldus heeft de rechtbank op alle punten het recht kennelijk miskend. Bij het niet in acht nemen van de redelijke procestermijn is artikel 47, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden en moet er aldus een passende vergoeding worden toegekend door de bevoegde rechtbank, in casu de rechtbank den Haag.
De rechtbank heeft het recht ernstig miskend door uitlegging te geven over het recht van de Unie, met misbruik van recht, misbruik van bevoegdheid, nu het Hof exclusief bevoegd is uitlegging te geven over de Verdragen, zoals volgt uit artikel 267, letter a VWEU.
De rechtbank heeft het recht miskend.
De bewijslast.
Mevrouw Ebbeling verwijst naar rechtspraak van de Hoge Raad, daarmee een interne rechtsorde handhavend, die niet strookt met bepalingen van het recht van de Unie. Vooropgesteld zij dat de Hoge Raad niet de hoogste rechter is, gelukkig maar, en dus om die reden reeds de stellingen van Ebbeling elke feitelijke grondslag missen.
Aanvaarding van de rechtspraak van de Hoge Raad impliceert aanvaarding van het risico van een interne rechtsorde die niet strookt met bepalingen van het recht van de Unie en is strikt verboden (o.m. Hof van Justitie, Aquino, 15 maart 2017, EU:C:2017:209, r.o. 33);
- 33.
Deze in artikel 267, derde alinea, VWEU neergelegde verwijzingsplicht heeft overigens met name tot doel te voorkomen dat zich in een lidstaat nationale rechtspraak ontwikkelt die niet met de regels van het Unierecht strookt (zie in die zin arrest van 15 september 2005, Intermodal Transports, C-495/03, EU:C:2005:552, punt 29).
Mevrouw Ebbeling verdient langdurige, eenzame opsluiting, nu zij de fundamenten van onze rechtsstaat tot op het bot schendt in haar niet aflatende drang de heffende autoriteit te faciliteren.
Reeds om die reden falen haar stellingen, die overladen zijn met vooringenomenheid en kennelijke partijdigheid, zoals uiteengezet door het Hof, vast te stellen aan de hand van objectieve criteria, uitgelegd in zijn arrest van 19 november 2019, A.K., EU:C:2019:982.
Uit de redactionele tekst van artikel 110 VWEU volgt reeds dat de lidstaten op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen heffen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.
Overigens betreft het ook een kennelijk onjuiste uitlegging van het arrest van 12 mei 2017 van mevrouw Ebbeling, nu de Hoge Raad dat niet heeft uitgelegd.
Nu kennelijk vast staat dat het gegeven oordeel van Ebbeling op kennelijk partijdige en kennelijk afhankelijke gronden tot stand is gekomen, kan het gegeven oordeel reeds om die reden geen standhouden.
Voor toepassing van artikel 8:54 Awb is sowieso geen enkele ruimte, nu apert geen sprake is van kennelijkheid.
De Hoge Raad is kennelijk niet bevoegd om uitlegging te geven over bepalingen van het recht van de Unie.
Idem voor ex-rental, idem voor de hoogte van het griffierecht.
Ook kan belanghebbende nog nieuwe gronden indienen, lopende de procedure, als gevolg van nieuwe op de zaak toepasselijke jurisprudentie, zoals Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 5 maart 2020 (Inspecteur moet kentekengegevens inbrengen, of 2% belastingvermindering), en Hoge Raad 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:821),
Daarbij moet rekening gehouden worden met alle op het geding van toepassing zijnde standpunten van partijen.
Zo is volgens de Hoge Raad van belang of al eerder stukken zijn gewisseld tussen partijen over de bestreden standpunten, e.a…
Middel III.
Als derde en meest verstrekkende middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 267, letter a VWEU, in samenhang met artikel 267, tweede en derde alinea VWEU, artikel 110 VWEU, artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 4, lid 3 VEU, artikel 19, lid 1 VEU en artikel 2 VEU, doordat de Hoge Raad der Nederlanden op 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847) door het ontbreken van een prejudiciële verwijzing, in dat arrest gekozen voor een zelfstandige oplossing op basis van een uitlegging van de draagwijdte en de betekenis van artikel 110 VWEU, die strijdig is met de tekst en vaste en overvloedige rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 110 VWEU, namelijk dat artikel 110 VWEU zich richt tot de lidstaten en rechten schept voor rechtsonderhorigen, waaruit volgt dat lidstaten er voor moeten waken dat met de heffing van belasting BPM niet wordt getreden buiten de in artikel 110 VWEU neergelegde begrenzing van heffingsbevoegdheid en belanghebbenden niet (stelselmatig) hoeven aan te tonen dat buiten die bevoegdheid is getreden, anders dan te stellen dat de fiscale werking tot een (potenitele) schending kan leiden, die strijdig is met de oplossing die in het door de Hoge Raad der Nederlanden uitgesproken arrest van 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847 is gekozen, hetgeen impliceert dat niet kan worden uitgesloten dat op het moment van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden redelijkerwijze ruimte was voor twijfel over deze uitlegging.
Bijgevolg moet, zonder dat de overige argumenten van belanghebbende in het kader van de onderhavige grief heeft aangevoerd hoeven te worden onderzocht, worden vastgesteld dat de Hoge Raad der Nederlanden, als rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, het Hof op grond van artikel 267, derde alinea, VWEU had moeten verzoeken om een beslissing teneinde het gevaar voor een onjuiste uitlegging van het Unierecht af te wenden (zie in die zin arrest van 9 september 2015, Ferreira da Silva e Brito e.a., C-160/14, EU:C:2015:565, punt 44).
Aangezien de Hoge Raad der Nederlanden heeft nagelaten zich volgens de procedure van artikel 267, derde alinea, VWEU, tot het Hof te wenden om vast te stellen of, bij de berekening van de afschrijving van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte kampeerauto, zoals in casu, andere modaliteiten mogen worden gehanteerd dan bij soortgelijke binnenlandse kampeerauto's, zoals volgt uit hert arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847 aan de bepalingen van het Unierecht heeft gegeven niet zo evident was dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel bestond, slaagt middel I.
Opgemerkt nog zij, dat door dergelijk misbruik van recht en bevoegdheid de exclusief bevoegde rechter, de Unierechter, buiten de deur wordt gehouden en er een interne rechtsorde kan ontstaan, zoals in casu, die niet strookt met het recht van de Unie, hetgeen ten zeerste verboden is!!
Uw Raad is een gekende criminele organisatie die genoegzaam heeft aangetoond volstrekte anarchie te etaleren jegens het recht van de Unie en volstrekt respectloos acteert jegens de bevoegde rechter, de Unierechter, door structureel zelfstandig, met misbruik van bevoegdheid, oplossingen te geven van door het recht van de Unie beheerste geschillen, zoals in casu.
De straf vanuit Luxemburg zal enorm zijn, Uw Raad zal worden neergezet na de massale inbreukprocedures als een kennelijk partijdige en afhankelijke club die heult met de wetgever en de heffende autoriteit en daadwerkelijke rechtsbescherming, in samenwerking met de lagere rechters, verneukt, willens en wetens!
Ebbeling, gemeen eng wicht, neemt de met misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen overwegingen over, verzuimd overeenkomstig artikel 267, tweede alinea VWEU tore te komen aan haar verwijzingsverplichting nu haar een vraag van Unierecht wordt voorgelegd (Hof van Justitie, Hans Akerberg Fransson, 26 februari 2013, EU:C:2013:105, r.o. 30 en 47).
Zo ontstaat dus een interne rechtsorde, waar alle fundamenten van het recht naar de gallemiezen worden geholpen en burgers structureel ontdaan worden van hun Unierechtelijke aanspraken door de nationale rechtspraak.
Toelichting.
De rechtbank den Haag, ook een bolwerk van mensen die er niet onpartijdig en onafhankelijk in staan, zoals de hele rechtspraak in Nederland, zoals een vies mormel als TanSommerville van het gerechtshof in den Haag, die van onbevoegd en onrechtmatig handelen haar handelsmerk heeft gemaakt, sluit aan bij rechtspraak van de hoogste nationale rechter, hoewel onjuist, is dat nog enigszins te begrijpen.
Types als Ebbeling, niet voor het eerste leugentje gebarsten, bezit nu eenmaal geringe verstandelijke vermogens en heeft geleerd dat de Hoge Raad der Nederlanden een fatsoenlijke club is die je als onderdeel van de rechtspraak in Nederland blind kunt vertrouwen.
Niets blijkt minder waar te zijn natuurlijk, door mij genoegzaam aangetoond. De Hoge Raad der Nederlanden is natuurlijk een enorme boevenbende die alleen oog heeft voor de staatskas en verder helemaal nada niks en een broertje door heeft aan het Hof in Luxemburg, behalve dan wanneer het wat extra kan opleveren voor de staatskas (b.v. Jumbocarry Trading).
In normaal Nederlands wordt dart geduid als ‘kontje verkocht’, kenmerkend voor de raadsheren bij de Hoge Raad der Nederlanden.
De rechtbank heeft dus — in navolging van de schending van de Hoge Raad der Nederlanden — boeventuig — geoordeeld dat een belastingplichtige — in weerwil met de tekst en uitlegging van het Hof inzake artikel 110 VWEU — bewijslast draagt inzake de waardedaling van uit andere lidstaten afkomstige, gebruikte personenauto's.
Door de handelswijze van de rechtbank moet worden vastgesteld dat — zoals in casu — niet gewaarborgd wordt dat de volle werking van het recht van de Unie zijn beslag krijgt.
Ik verwijs uw bedenkelijke gajesclub naar uitlegging van het Hof in zijn arrest van 17 april 2018, Dos Santos, EU:C:2018:275 em aldaar aangehaalde rechtspraak;
- 12.
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat artikel 110 VWEU tot doel heeft, het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten onder normale mededingingsvoorwaarden te verzekeren. Dit artikel strekt ertoe, elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van producten uit andere lidstaten (arrest van 9 juni 2016, Budisan, C-586/14, EU:C:2016:421, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- 13.
Daartoe verbiedt artikel 110, eerste alinea, VWEU elke lidstaat om op producten van de overige lidstaten hogere binnenlandse belastingen te heffen dan die welke op gelijksoortige nationale producten worden geheven (arrest van 9 juni 2016, Budisan, C-586/14, EU:C:2016:421, punt 20).
- 14.
Volgens vaste rechtspraak kan een belastingstelsel van een lidstaat slechts verenigbaar met artikel 110 VWEU worden geacht, indien vaststaat dat het zodanig is ingericht dat het in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde producten zwaarder worden belast dan binnenlandse producten en dat het bijgevolg in geen geval discriminerende gevolgen heeft (arresten van 19 maart 2009, Commissie/Finland, C-10/08, niet gepubliceerd, EU:C:2009:171, punt 24, en 19 december 2013, X, C-437/12, EU:C:2013:857, punt 28).
- 15.
Het Hof heeft bovendien met betrekking tot de belasting over ingevoerde tweedehands wagens reeds geoordeeld dat artikel 110 VWEU de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen beoogt te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen producten die zich reeds op de binnenlandse markt bevinden, en ingevoerde producten (arresten van 17 juli 2008, Krawczyriski, C-426/07, EU:C:2008:434, punt 31, en 3 juni 2010, Kalinchev, C-2/09, niet gepubliceerd, EU:C:2010:312, punt 31).
Aldus staat vast dat een lidstaat dient te waarborgen dat het een binnenlands belastingstelsel hanteert, dat zodanig is ingericht dat het in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde producten zwaarder worden belast dan binnenlandse producten en dat het bijgevolg in geen geval discriminerende gevolgen heeft.
In lidstaat Nederland is dat niet het geval, mede gezien het feit dat Uw bedenkelijke club al sinds jaar en dag intervenieert in het nationaal heffingssysteem van BPM, recentelijk nog op 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:821…
De rechtbank, zowel Ebbeling als Dirks, allebei zeer bedenkelijke, aangetoond partijdige dienders, die hun kontje hebben verkocht aan de wetgever en de heffende autoriteit, hebben het recht zeer ernstig miskend!
De rechtbank heeft zich ook vergrepen aan de uitlegging van de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, onder verwijzing naar kennelijk met misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen rechtspraak van de criminelen van de Korte Voorhout, de Hoge Raad der Nederlanden en afgezien van zijn verwijzingsplicht, waartoe hij dus kennelijk verplicht was!!
Vergelijk in identieke zin, Hof van Justitie, van 26 februari 2013, Hans Akerberg Fransson, EU:C:2013:105, r.o. 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak;
- 47.
Voorts heeft een nationale rechter bij wie een geschil over het Unierecht aanhangig is, indien de betekenis of de draagwijdte van dat recht onduidelijk is, krachtens artikel 267 VWEU de mogelijkheid of in voorkomend geval de verplichting om zich tot het Hof te wenden met vragen over de uitlegging van de betrokken bepaling van Unierecht (zie in die zin arrest van 6 oktober 1982, Cilfit e.a., 283/81, Jurispr. blz. 3415).
Nederland is een apenland, of zoals Geert Wilders terecht zegt, verworden tot een bananenrepubliek!! Ik denk dat het in een bananenrepubliek nog netter aan toe gaat dan in lidstaat Nederland!!
Nu middel I kennelijk slaagt, slaagt het cassatieberoep, het beroep en moet de zaak terug naar de Inspecteur of de rechtbank ter verdere, inhoudelijke behandeling.
Middel IV.
Als vierde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 267, letter a VWEU, in samenhang met artikel 267, tweede en derde alinea VWEU, artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 4, lid 3 VEU, artikel 19, lid 1 VEU en artikel 2 VEU, doordat de Hoge Raad der Nederlanden op 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:296) door het ontbreken van een prejudiciële verwijzing, in dat arrest gekozen voor een zelfstandige oplossing op basis van een uitlegging van de draagwijdte en de betekenis van artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die strijdig is met vaste en overvloedige rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zoals in zijn arresten van 18 december 2008, Soprope, C-349/07, EU:C:2008:746, maar ook de arresten van 3 juli 2014, Kamino/Datema, EU:C:2014:2041, die strijdig is met de oplossing die in het door de Hoge Raad der Nederlanden uitgesproken arrest van 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:296 is gekozen, hetgeen impliceert dat niet kan worden uitgesloten dat op het moment van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden redelijkerwijze ruimte was voor twijfel over deze uitlegging.
Toelichting.
De eerbiediging van de rechten van de verdediging vormt een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen.
Dit beginsel vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Zij dienen daartoe over een toereikende termijn te beschikken (zie met name reeds aangehaalde arresten Commissie/Lisrestal e.a., punt 21, en Mediocurso/Commissie, punt 36).
Deze verplichting rust op de administratieve overheden van de lidstaten wanneer zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen, ook al voorziet de toepasselijke communautaire wetgeving niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit.
De eerbiediging van de rechten van de verdediging impliceert bijgevolg dat de administratie met de nodige aandacht kennis neemt van de opmerkingen van de betrokken persoon of onderneming. Slechts dan kan de houder van deze rechten worden geacht de gelegenheid te hebben gekregen om zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft met misbruik van bevoegdheid uitlegging gegeven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, teneinde te kunnen ontkomen aan zijn wettelijke verwijzingsplicht.
Vgl. in gelijke zin mr. baron Koenraad Lenaerts en mr. Piet van Nuffel, Europees recht, blz. 119, par. 85 e.v.;
- 85.
Exclusieve bevoegdheden zijn bevoegdheden die door eenvoudige overdracht aan de Gemeenschap definitief en onomkeerbaar verloren zijn gegaan voorde lidstaten. Een gemeenschapsbevoegdheid is exclusief wanneer uit de tekst of de context van de betrokken Verdragsbepalingen volgt dat elk optreden van de lidstaten ermee in strijd zou zijn.
- 89.
Wanneer een bevoegdheid van de Gemeenschap exclusief is, houdt dit in dat elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag.
De Hoge Raad is met uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie op het exclusieve domein van de Unierechter getreden en heeft aldus met misbruik van bevoegdheid, kennelijk onrechtmatig, zelfstandig het geschil opgelost, terwijl niet kan worden uitgesloten dat op het moment van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden redelijkerwijze ruimte was voor twijfel over deze uitlegging.
De rechten van verdediging, zoals vervat in artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vereisen immers dat belanghebbende alle middelen kan benutten, dus ook vooraf horen, te meer daar dat ook is vastgelegd in nationale bepalingen, meer bepaald artikel 4:8 Awb, en dus Unierechtelijke rechten nadeliger zouden worden behandeld dat nationaalrechtelijke aanspraken!!! De Hoge Raad is bewezen een club van enorme criminelen!!
Middel II is ook kennelijk gegrond.
Middel V.
Als vijfde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 8:54 Awb, doordat geen sprake is van kennelijkheid, vereist voor toepassing van artikel 8:54 Awb, nog daargelaten dat dit artikel bij ruimere subjectieve interpretatie niet strookt met de vereiste van artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met artikel 19, lid 1 VEU.
Toelichting.
Artikel 8:54 Awb kan geduid worden als een omzetting, interpretatie van het Unierechtelijk begrip dat het duidelijk moet zijn dat uitgesloten is dat de grieven kunnen bijdragen tot de oplossing van het geschil.
Nu die oplossing zeer snel gegeven kan zijn, moet strikte toepassing worden gegeven aan de vereiste kennelijkheid. Het moet buiten elke twijfel verheven zijn dat er gronden of grieven in het beroepschrift worden opgeworpen die bij daadwewrkelijke, effectieve behandeling, tot de oplossing van het geschil kunnen leiden.
Aldus moet artikel 8:54 Awb met zeer grote terughoudendheid worden toegepast in zeer uitzonderlijke gevallen dat het uitgesloten is dat er een mogelijkheid zich kan voordoen dat de opgeworpen grieven tot enige gegrondheid kunnen leiden.
Feit is dat het beroep gegrond is gegaan, omdat de hoorplicht is geschonden volgens de rechtbank, die — wederom naar het oordeel van de rechtbank — zonder belanghebbende daarover te horen en zonder toe te komen aan de hoofdregel tot terugverwijzing, waartoe belanghebbende gehoord moet worden in een mondelinge behandeling, en om die reden reeds had artikel 8:54 Awb achterwege moeten blijven.
Ook had belanghebbende zich in dergelijke gevallen mondeling moeten kunnen uitlaten over de hoogte van de proceskosten en andere nevenvorderingen en zou hij de mogelijkheid hebben — in het kader van een effectief eerlijk proces — zoals vereist in artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, als onderdeel van de rechten van verdediging — op een volledige feitelijke herkansing.
Ook had de kennelijkheid, voor zover die er zou zijn, in het begin van de procedure uitgesproken moeten worden, niet na verwijzing door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die de vermeende kennelijkheid blijkbaar niet tot de zijne had gemaakt.
Middel VI.
Als zesde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 267, letter a VWEU, in samenhang met artikel 267, tweede en derde alinea VWEU, artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 4, lid 3 VEU, artikel 19, lid 1 VEU en artikel 2 VEU, doordat de Hoge Raad der Nederlanden op 19 februari 2016,, ECLI:NL:HR:2016:252, door het ontbreken van een prejudiciële verwijzing, in dat arrest gekozen voor een zelfstandige oplossing op basis van een uitlegging van de draagwijdte en de betekenis van artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die strijdig is met vaste en overvloedige rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, meer bepaald artikel 47, tweede alinea Handvest, namelijk dat sprake moet zijn van daadwerkelijke rechtsbescherming en daadwerkelijke benutting van het recht op advisering, vertegenwoordiging en verdediging, zoals o.m. uitgelegd door het Hof in zijn arrest van 28 juli 2016, Telenet NV/UVP, EU:C:2016:611, dat het recht van de zich verzet tegen een nationale regeling met forfaitaire tarieven die, wegens te lage maximumbedragen, niet waarborgen dat minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten van de in het gelijk gestelde partij door de verliezende partij wordt gedragen.
Nu verweerder veroordeeld wordt tot de kosten van het geding wegens schending van artikel 47, tweede alinea Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, tot een bedrag van € 525,00 voor door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand, hetgeen zonder enige twijfel de kosten niet dekt, kan niet worden uitgesloten dat op het moment van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden redelijkerwijze ruimte was voor twijfel over deze uitlegging.
Middel IV slaagt glansrijk.
Middel VII.
Als zevende middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/ of verzuim van vormen, meer het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, nu belanghebbende voor het indienen van het verzetschrift en het bijwonen van een zitting ieder een half punt krijgt toegewezen, tegen een tarief van € 247,00 per half punt en een factor licht, bepaald artikel 267, letter a VWEU, in samenhang met artikel 267, tweede en derde alinea VWEU, artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 4, lid 3 VEU, artikel 19, lid 1 VEU en artikel 2 VEU, doordat de Hoge Raad der Nederlanden op 19 februari 2016,, ECLI:NL:HR:2016:252, door het ontbreken van een prejudiciële verwijzing, in dat arrest gekozen voor een zelfstandige oplossing op basis van een uitlegging van de draagwijdte en de betekenis van artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die strijdig is met vaste en overvloedige rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, meer bepaald artikel 47, tweede alinea Handvest, namelijk dat sprake moet zijn van daadwerkelijke rechtsbescherming en daadwerkelijke benutting van het recht op advisering, vertegenwoordiging en verdediging, zoals o.m. uitgelegd door het Hof in zijn arrest van 28 juli 2016, Telenet NV/UVP, EU:C:2016:611, dat het recht van de zich verzet tegen een nationale regeling met forfaitaire tarieven die, wegens te lage maximumbedragen, niet waarborgen dat minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten van de in het gelijk gestelde partij door de verliezende partij wordt gedragen.
Nu verweerder veroordeeld wordt tot de kosten van het geding wegens schending van artikel 47, tweede alinea Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, tot een bedrag van € 247,00 voor door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand, hetgeen zonder enige twijfel de kosten niet dekt, kan niet worden uitgesloten dat op het moment van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden redelijkerwijze ruimte was voor twijfel over deze uitlegging.
Middel V slaagt glansrijk.
Middel VIII.
Als achtste middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 267, letter a VWEU, in samenhang met artikel 267, tweede en derde alinea VWEU, artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 4, lid 3 VEU, artikel 19, lid 1 VEU en artikel 2 VEU, doordat de Hoge Raad der Nederlanden op 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, door het ontbreken van een prejudiciële verwijzing, in dat arrest gekozen voor een zelfstandige oplossing op basis van een uitlegging van de draagwijdte en de betekenis van artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die strijdig is met vaste en overvloedige rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zoals in zijn arresten van 26 november 2013, Gascogne, EU:C:2013:770, r.o. 90, die strijdig is met de oplossing die in het door de Hoge Raad der Nederlanden uitgesproken arrest in 2019 is gekozen, hetgeen impliceert dat niet kan worden uitgesloten dat op het moment van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden redelijkerwijze ruimte was voor twijfel over deze uitlegging.
Toelichting.
Schending door een (rechterlijke) instantie van een lidstaat, moet van haar verplichting krachtens artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie om de aan haar voorgelegde zaken binnen een redelijke termijn te berechten, moet haar bestraffing vinden in het kader van een beroep tot schadevergoeding dat bij een nationaal rechtsprekende instantie aanhangig wordt gemaakt, aangezien een dergelijk beroep een effectief rechtsmiddel vormt.
In geval van een beroep tot schadevergoeding wegens schending door een (onderdeel van) een lidstaat van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat is ingesteld omdat de lidstaat de vereisten inzake de inachtneming van de redelijke procestermijn niet in acht heeft genomen, staat het aan de nationale rechter, die onafhankelijk wordt geacht, maar dat doorgaans niet doet blijken, maar dat terzijde, om de in de rechtsorden van de lidstaten toepasselijke algemene beginselen voor op vergelijkbare schendingen gebaseerde beroepen in acht te nemen.
Met name moet de nationale rechter in die context nagaan of kan worden vastgesteld of zich niet alleen materiële schade heeft voorgedaan, maar ook immateriële schade die een partij mogelijk als gevolg van de termijnoverschrijding heeft geleden en die in voorkomend geval passend moet worden hersteld.
Het staat dus aan de nationale rechter om zich over dergelijke schadevorderingen uit te spreken, zulks in een andere formatie dan die welke kennis heeft genomen van het geschil dat heeft geleid tot de procedure waarvan de duur wordt bekritiseerd, onder toepassing van de door het Hof geformuleerde criteria voor de beoordeling of de lidstaat het beginsel van de redelijke termijn in acht heeft genomen.
Middel III slaagt ook glansrijk!
De Hoge Raad geeft uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, zonder het Hof te consulteren.
Het is vaste rechtspraak van het Hof dat de rechterlijke instantie waarvan de beslissingen naar nationale bepalingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, door het Hof geen vraag voor te leggen, een risico van uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie gecreëerd, wat onverenigbaar is met de verplichting tot prejudiciële verwijzing die krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU op hem rust als rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft in zijn uitspraken van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, met kennelijk misbruik van bevoegdheid en met kennelijk misbruik van recht, met schending van de wettelijke verwijzingsplicht, zelfstandig het geschil opgelost en geoordeeld dat de heffing van griffierecht in lidstaat Nederland niet in strijd is met het recht van de Unie.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft in elk geval, door het Hof geen vraag voor te leggen, een risico van uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie gecreëerd, wat onverenigbaar is met de verplichting tot prejudiciële verwijzing die krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU op hem rust als rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep.
De Hoge Raad kwalificeert zichzelf als een ongekende boevenbende, een gekende criminele organisatie die zich als een stelletje hoeren gedraagt en burgers van hun Unierechtelijke aanspraken ontdoet met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid!
Conclusie.
De Hoge Raad geeft uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, zonder het Hof te consulteren.
Het is vaste rechtspraak van het Hof dat de rechterlijke instantie waarvan de beslissingen naar nationale bepalingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, door het Hof geen vraag voor te leggen, een risico van uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie gecreëerd, wat onverenigbaar is met de verplichting tot prejudiciële verwijzing die krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU op hem rust als rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft in elk geval, door het Hof geen vraag voor te leggen, een risico van uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie gecreëerd, wat onverenigbaar is met de verplichting tot prejudiciële verwijzing die krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU op hem rust als rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep.
De Hoge Raad kwalificeert zichzelf als een ongekende boevenbende, een gekende criminele organisatie die zich als een stelletje hoeren gedraagt en burgers van hun Unierechtelijke aanspraken ontdoet met misbruik van recht en misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht!
Met behoud van rechten en weren,