HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102 m.nt. M.J. Borgers.
HR, 03-02-2026, nr. 23/02689
ECLI:NL:HR:2026:156
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-02-2026
- Zaaknummer
23/02689
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:156, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑02‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1187
ECLI:NL:PHR:2025:1187, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:156
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑04‑2024
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Belediging van treinconducteur, art. 266.1 jo. 267.1.2 Sr. Dubbel verstek. Ontvankelijkheid hoger beroep, gebrekkige volmacht (art. 450.3 Sv). Kon hof (enkelvoudige kamer) de verdachte n-o verklaren in zijn h.b. op de grond dat volmacht van advocaat aan griffiemedewerker Rb niet voldoet aan eisen van art. 450.3 Sv, nu daarin niet is vermeld dat verdachte instemt met het door griffiemedewerker dadelijk in ontvangst nemen van oproeping voor tz. in h.b.? In HR:2009:BJ7810 heeft HR eisen geformuleerd waaraan schriftelijke volmacht van advocaat aan griffiemedewerker om h.b. in te stellen moet voldoen. Zo moet die volmacht inhouden: a. verklaring van advocaat dat hij door verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot instellen van h.b. (art. 450.1.a Sv); b. verklaring van advocaat dat verdachte instemt met het door medewerker op griffie dadelijk in ontvangst nemen van oproeping voor tz. in h.b. (art. 450.3 Sv); en c. adres dat door verdachte is opgegeven voor toezending van afschrift van dagvaarding in h.b. (art. 450.3 Sv). Deze eisen moeten worden bezien tegen achtergrond van aanscherping van wettelijke regeling voor instellen van h.b. Die aanscherping heeft tot doel problemen m.b.t. betekening van dagvaardingen en oproepingen om in h.b. terecht te staan, te voorkomen althans te verminderen. Daarbij is van belang dat mogelijkheid van (met instemming van verdachte) dadelijk in ontvangst nemen van oproeping voor tz. in h.b. door griffiemedewerker in het licht van regeling van art. 432.1.a jo. 6:1:16.1 Sv bijdraagt aan voortvarende tul van rechterlijke uitspraken, nu deze uitreiking geldt als uitreiking in persoon aan verdachte (art. 450.5 Sv). Gelet op deze ratio van eisen waaraan volmacht moet voldoen die door advocaat is verstrekt, is in zaken waarin ttz. in h.b. noch verdachte noch door hem gemachtigde raadsman is verschenen, in de regel het h.b. dat advocaat door middel van schriftelijke volmacht aan griffiemedewerker heeft ingesteld, n-o als die volmacht niet aan al die voorwaarden voldoet. In het licht van diezelfde ratio heeft HR in eerdere rechtspraak geoordeeld dat onvoldoende grond bestaat voor niet-ontvankelijkverklaring van h.b. op de grond dat volmacht niet voldoet aan de onder a genoemde voorwaarde als ttz. in h.b. wel verdachte of gemachtigde raadsman is verschenen en deze daar (zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd) heeft verklaard dat aan verlening van (onvolkomen) volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om (op geldige manier) h.b. te doen instellen, zodat dat verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR:2012:BV6999), en ook niet op de grond dat volmacht niet voldoet aan de onder b en c vermelde voorwaarden als verdachte of gemachtigde raadsman ttz. in h.b. is verschenen, omdat belang dat met die voorwaarden is gediend, in zo’n geval niet is geschaad, zodat verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR:2013:BY8357). Onderzoek is ttz. in h.b. van 17-1-2023 aangevangen. Op die tz. heeft hof blijkens daarvan opgemaakt p-v niet ontvankelijkheid van h.b. beoordeeld. Hof heeft op nadere tz. van 30-6-2023 (vanwege wijziging in samenstelling) onderzoek opnieuw aangevangen. Voor deze tz., waarop niet verdachte of gemachtigd raadsman is verschenen, was oproeping aan verdachte in persoon uitgereikt. Hof heeft op deze zitting het h.b. van verdachte n-o verklaard. Daartoe heeft hof overwogen dat schriftelijke volmacht die is opgenomen in e-mailbericht van advocaat, niet voldoet aan de in art. 450.3 Sv gestelde eisen, omdat hierin niet is vermeld dat verdachte instemt met het door griffiemedewerker dadelijk in ontvangst nemen van oproeping voor tz. in h.b. Hoewel in zo’n geval, zoals volgt uit wat hiervoor is vooropgesteld, in de regel geldt dat beroep n-o wordt verklaard, bestaat daarvoor in dit geval, waarin oproeping van verdachte voor nadere tz. in h.b. in persoon aan verdachte is uitgereikt, onvoldoende grond. Belang dat met hiervoor genoemde eis is gediend, is hier vanwege die manier van uitreiken immers niet geschaad. ‘s Hofs oordeel dat ontbreken van genoemde instemming moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van h.b., getuigt daarom van onjuiste rechtsopvatting. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02689
Datum 3 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 juni 2023, nummer 20-002190-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat G. Spong bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep.
2.2.1
De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van 26 januari 2022 voor belediging van een treinconducteur bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien dagen.
2.2.2
Op 27 september 2022 heeft de griffier van de rechtbank Oost-Brabant een akte instellen hoger beroep opgemaakt. Aan deze akte is gehecht een e-mailbericht van de [advocaat] gericht aan de strafadministratie van de rechtbank, van 23 september 2022. Dit e-mailbericht houdt onder meer in:
“Ik verzoek u nu namens cliënt om tegen dit vonnis hoger beroep in te stellen. Cliënt heeft mij hiertoe gemachtigd en ik machtig op mijn beurt medewerkers van de rechtbank Den Bosch om dit hoger beroep daadwerkelijk in te stellen. De oproep voor de behandeling in hoger beroep kan worden verstuurd aan cliënts BRP-adres aan het [a-straat 1] te [plaats] , zijn daklozenpostadres bij de Gemeente. Gaarne ontvang ik van u een akte instellen rechtsmiddel.
Groet, [advocaat]
[handtekening].”
2.2.3
De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep voor de terechtzitting van het hof van 17 januari 2023 is op 8 december 2022 uitgereikt aan een ander dan de verdachte op het adres waar de verdachte is ingeschreven in de basisregistratie personen, die heeft beloofd de dagvaarding onmiddellijk aan de verdachte te geven. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt onder meer in:
“De verdachte genaamd:
(...)
is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.
De raadsman van verdachte mr. [advocaat] , advocaat te [plaats] , is evenmin ter terechtzitting verschenen.
(...)
De voorzitter deelt mede dat op voorhand is bepaald dat de zaak niet inhoudelijk zal worden behandeld, maar dat deze zitting het karakter zal hebben van een rolzitting, waarop slechts de grieven tegen het vonnis worden geïnventariseerd.
De voorzitter deelt mede dat de verdachte bij schriftuur houdende grieven van 17 januari 2023 te kennen heeft gegeven dat het hoger beroep zich richt tegen de strafmaat.
De voorzitter deelt mede dat de inhoudelijke behandeling, zonder de verdere uitwerking van het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg, zal worden gepland bij de enkelvoudige strafkamer van het hof.”
2.2.4
De oproeping van de verdachte in hoger beroep voor de nadere terechtzitting van het hof van 30 juni 2023 is op 12 mei 2023 in persoon uitgereikt aan de verdachte op zijn toenmalige detentieadres. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt onder meer in:
“De verdachte genaamd:
(...)
is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.
Het onderzoek ter terechtzitting dat op 17 januari 2023 is geschorst, wordt opnieuw aangevangen omdat het hof nu anders is samengesteld dan destijds.
De voorzitter deelt mede:
In de mail van mr. [advocaat] van 30 juni 2023 geeft hij aan dat hij en zijn cliënt niet ter terechtzitting van heden zullen verschijnen en dat zijn cliënt hem niet heeft gemachtigd om het hoger beroep in te trekken. In het kader van de rolzitting, toen verstek is verleend, heeft de raadsman voorgesteld dat in deze zaak een zitting wordt gepland, zodat zijn cliënt eventueel grieven kan uiten. In de mail van mr. [advocaat] van 23 september 2022 lees ik het volgende: Ik verzoek u namens cliënt om tegen dit vonnis hoger beroep in te stellen. Cliënt heeft mij hiertoe gemachtigd en ik machtig op mijn beurt medewerkers van de rechtbank Den Bosch om dit hoger beroep daadwerkelijk in te stellen. De oproep voor de behandeling in hoger beroep kan worden verstuurd aan cliënts BRP-adres aan het [a-straat 1] te [plaats] , zijn daklozenpostadres bij de Gemeente. Gaarne ontvang ik van u een akte instellen rechtsmiddel.”
2.2.5
Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen:
“Het hof stelt vast dat voormelde schriftelijke bijzondere volmacht niet voldoet aan de daaraan in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. In de mail die als machtiging is opgevat is immers niet vermeld dat verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker van de griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. Het hof is van oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.”
2.3.1
In zijn arrest van 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810 heeft de Hoge Raad eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen moet voldoen. Zo moet die volmacht inhouden:a. de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (artikel 450 lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv));b. de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker op de griffie dadelijk in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (artikel 450 lid 3 Sv);c. het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep (artikel 450 lid 3 Sv).
2.3.2
Deze eisen moeten worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping heeft tot doel problemen met betrekking tot de betekening van dagvaardingen en oproepingen om in hoger beroep terecht te staan, te voorkomen althans te verminderen. Daarbij is van belang dat de mogelijkheid van het, met instemming van de verdachte, dadelijk in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep door de griffiemedewerker in het licht van de regeling van artikel 432 lid 1, aanhef en onder a, Sv in samenhang met artikel 6:1:16 lid 1 Sv bijdraagt aan een voortvarende tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken, nu deze uitreiking geldt als een uitreiking in persoon aan de verdachte (artikel 450 lid 5 Sv).
2.3.3
Gelet op deze ratio van de eisen waaraan een volmacht moet voldoen die door een advocaat is verstrekt, is in zaken waarin op de terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem op grond van artikel 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen, in de regel het hoger beroep dat een advocaat door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker heeft ingesteld, niet-ontvankelijk als die volmacht niet aan al die voorwaarden voldoet.
2.3.4
In het licht van diezelfde ratio is door de Hoge Raad in eerdere rechtspraak geoordeeld dat onvoldoende grond bestaat voor de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de onder a genoemde voorwaarde als op de terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een gemachtigde raadsman is verschenen en deze daar – zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd – heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op een geldige manier) hoger beroep te doen instellen, zodat dat verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999), en ook niet op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de onder b en c vermelde voorwaarden als de verdachte of een gemachtigde raadsman op de terechtzitting in hoger beroep is verschenen, omdat het belang dat met die voorwaarden is gediend, in zo’n geval niet is geschaad, zodat het verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8357).
2.4.1
In deze zaak is het onderzoek op de terechtzitting op 17 januari 2023 aangevangen. Op die terechtzitting heeft het hof blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal niet de ontvankelijkheid van het hoger beroep beoordeeld. Het hof heeft op de nadere terechtzitting van 30 juni 2023, vanwege een wijziging in de samenstelling, het onderzoek opnieuw aangevangen. Voor deze terechtzitting, waarop niet de verdachte of een gemachtigd raadsman is verschenen, was de oproeping aan de verdachte in persoon uitgereikt. Het hof heeft op deze zitting het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het hof overwogen dat de schriftelijke volmacht die is opgenomen in het onder 2.2.2 weergegeven e-mailbericht van de [advocaat] , niet voldoet aan de in artikel 450 lid 3 Sv gestelde eisen, omdat hierin niet is vermeld dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker dadelijk in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep.
2.4.2
Hoewel in zo’n geval, zoals volgt uit wat onder 2.3.3 is vooropgesteld, in de regel geldt dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, bestaat daarvoor in dit geval, waarin de oproeping van de verdachte voor de nadere terechtzitting in hoger beroep in persoon aan de verdachte is uitgereikt, onvoldoende grond. Het belang dat met de hiervoor genoemde eis is gediend, is hier vanwege die manier van uitreiken immers niet geschaad. Het oordeel van het hof dat het ontbreken van de genoemde instemming moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.
Conclusie 04‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Ontvankelijkheid hoger beroep. In volmacht van advocaat aan griffiemedewerker tot instellen hoger beroep ontbreekt verklaring dat verdachte instemt met door griffiemedewerker aanstonds in ontvangst nemen van oproeping terechtzitting in hoger beroep (art. 450 lid 3 Sv). Volgens AG kan aan dit verzuim niet worden voorbijgezien o.g.v. een e-mail van raadsman die tijdens het hoger beroep is verstuurd, met verzoek inhoudelijke behandeling te plannen.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02689
Zitting 4 november 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 30 juni 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002190-22) bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep. In eerste aanleg is de verdachte door de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 dagen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat G. Spong heeft een middel van cassatie voorgesteld.
2. Het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de beslissing van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat de schriftelijke volmacht om hoger beroep in te stellen die de raadsman van de verdachte heeft verleend aan een griffiemedewerker, niet de verklaring van de advocaat bevat dat de verdachte instemt met het aanstonds in ontvangst nemen door de griffiemedewerker van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep. In de toelichting op het cassatiemiddel wordt aangevoerd dat die instemming besloten ligt in de mededelingen van de raadsman dat de verdachte een zitting wenst om grieven te uiten, waarbij wordt gedoeld op een e-mail van 17 januari 2023 die de raadsman voorafgaand aan de rolzitting in hoger beroep heeft gestuurd aan het hof. Voor ik toekom aan de bespreking van deze klacht zal ik eerst het procesverloop en het juridisch kader weergeven.
Procesverloop
2.2
Het hoger beroep tegen de uitspraak van de politierechter is volgens de daarvan opgemaakte akte ingesteld op 27 september 2022 door een griffiemedewerker van de rechtbank, die daartoe gevolmachtigd was door de raadsman van de verdachte. De e-mail van de raadsman waarin die volmacht is opgenomen, houdt het volgende in.
“Ik verzoek u nu namens cliënt om tegen dit vonnis hoger beroep in te stellen. Cliënt heeft mij hiertoe gemachtigd en ik machtig op mijn beurt medewerkers van de rechtbank Den Bosch om dit hoger beroep daadwerkelijk in te stellen. De oproep voor de behandeling in hoger beroep kan worden verstuurd aan cliënts BRP-adres aan het [a-straat 1] te [geboortedatum] , zijn daklozenpostadres bij de Gemeente. Gaarne ontvang ik van u een akte instellen rechtsmiddel.”
2.3
In hoger beroep is de zaak eerst behandeld op een zogenoemde rolzitting op 17 januari 2023 waarbij het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is aangehouden. De verdachte en de raadsman zijn op die zitting niet verschenen. De voorzitter van het hof heeft volgens het proces-verbaal van de terechtzitting wel melding gemaakt van een “schriftuur houdende grieven van 17 januari 2023”. Het betreft klaarblijkelijk de e-mail van de raadsman van die datum, waaraan in de cassatieschriftuur wordt gerefereerd, en die het volgende inhoudt:
“In opgemelde zaak kan ik u het volgende melden.
Het contact met cliënt is vaak moeizaam en in deze zaak niet erg constructief. Ik begrijp cliënt aldus dat hij vindt dat hij de straf te hoog vindt. Ikzelf constateer dat de opgelegde straf inderdaad behoorlijk stevig is voor het bewezen verklaarde feit. Voor wat betreft de bewezenverklaring heb ik geen opmerkingen en ook geen onderzoekswensen. Ikzelf vraag mij af hoe zinnig het is om het hoger beroep door te zetten, maar zonder duidelijke machtiging van cliënt staat het mij niet vrij om het hoger beroep in te trekken.
Ik verzoek u dan ook om gewoon een inhoudelijke behandeling te plannen, zodat cliënt de kans krijgt om zijn grieven tegen het politierechtervonnis nader toe te lichten.”
2.4
Op 30 juni 2023 heeft opnieuw een terechtzitting in hoger beroep plaatsgevonden. Ook daar zijn de verdachte en de raadsman niet verschenen. De enkelvoudige kamer van het hof heeft op die zitting de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde gesteld en vervolgens mondeling uitspraak gedaan. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt het volgende in.
“De voorzitter deelt mede:
In de mail van mr. [advocaat] van 30 juni 2023 geeft hij aan dat hij en zijn cliënt niet ter terechtzitting van heden zullen verschijnen en dat zijn cliënt hem niet heeft gemachtigd om het hoger beroep in te trekken. In het kader van de rolzitting, toen verstek is verleend, heeft de raadsman voorgesteld dat in deze zaak een zitting wordt gepland, zodat zijn cliënt eventueel grieven kan uiten.
In de mail van mr. [advocaat] van 23 september 2022 lees ik het volgende:
Ik verzoek u namens cliënt om tegen dit vonnis hoger beroep in te stellen. Cliënt heeft mij hiertoe gemachtigd en ik machtig op mijn beurt medewerkers van de rechtbank Den Bosch om dit hoger beroep daadwerkelijk in te stellen. De oproep voor de behandeling in hoger beroep kan worden verstuurd aan cliënts BRP-adres aan het [a-straat 1] te [geboortedatum] , zijn daklozenpostadres bij de Gemeente. Gaarne ontvang ik van u een akte instellen rechtsmiddel.
(…)
AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST
(…)
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal
heeft gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, nu de
volmacht tot het instellen van het hoger beroep niet voldoet aan hetgeen bepaald in artikel 450,
derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De raadsman heeft vóór de zitting laten weten dat hij niet komt en dat hij niet gemachtigd is het
appel in te trekken.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof stelt vast dat voormelde schriftelijke bijzondere volmacht niet voldoet aan de daaraan in
artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. In de mail die als
machtiging is opgevat is immers niet vermeld dat verdachte daarbij instemt met het door deze
medewerker van de griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de
verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. Het hof is van oordeel dat de
verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.”
Juridisch kader
2.5
De relevante wettelijke bepalingen in deze zaak luiden als volgt:
- art. 408a Sv:
“Indien het hoger beroep is ingesteld door de verdachte in persoon of door een gemachtigde ingevolge artikel 450, eerste en tweede lid, kan aanstonds een oproeping van de verdachte worden betekend om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen, ten einde terecht te staan ter zake van een of meer van de feiten hem in eerste aanleg telastegelegd.”
- art. 449 Sv:
“1. Voor zover de wet niet anders bepaalt, wordt hoger beroep of beroep in cassatie ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven.
2. In gevallen waarin de verdachte ter uitvoering van een niet onherroepelijk vonnis of arrest is aangehouden, kan hoger beroep of beroep in cassatie door hem ook geschieden bij aangetekende brief, gericht tot dezelfde griffie. Als dag van het beroep geldt in dit geval de dag van ontvangst van de brief ter griffie.
3. (…)”
- art. 450 Sv:
“1. Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:
a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;
b. een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.
2. Indien de overeenkomstig het eerste lid gemachtigde hoger beroep tegen de einduitspraak instelt, brengt de machtiging tevens mede dat de gemachtigde de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep in ontvangst neemt.
3. Aan een schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel wordt slechts gevolg gegeven indien de verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. De verdachte geeft een adres op voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding.
4. (…)
5. De uitreiking van de oproeping aan de gemachtigde geldt als een uitreiking in persoon aan de verdachte. Een afschrift van de dagvaarding wordt aan het door of namens de verdachte daartoe opgegeven adres toegezonden.
6. Indien de in het eerste lid bedoelde gemachtigde weigert de oproeping in ontvangst te nemen, wordt deze niettemin geacht op het tijdstip van aanbieding te zijn uitgereikt. Van de weigering wordt aantekening gemaakt in de akte van uitreiking.
7. (…).”
2.6
In zijn uitspraak van 22 december 20091.heeft de Hoge Raad met een beroep op de wetsgeschiedenis aanvaard dat niet alleen de verdachte zelf, maar ook een door de verdachte gevolmachtigd advocaat schriftelijk een griffiemedewerker van de rechtbank kan machtigen om hoger beroep in te stellen (de dubbele volmacht). De Hoge Raad overwoog onder meer het volgende:
“3.6. Met het oog op de door de wetgever, vooral ter voorkoming van betekeningsproblemen, aangescherpte regeling van het aanwenden van in het bijzonder hoger beroep voorziet art. 450, vierde lid [AG TS: thans lid 5] in verbinding met het derde lid, Sv in de uitreiking van de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep aan de gemachtigde. Gelet op die uit de memorie van toelichting blijkende bedoeling zal de schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens de verdachte hoger beroep in te stellen, moeten voldoen aan de in art. 450, derde lid, Sv nader geformuleerde eisen. Dat betekent dat de schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen moet inhouden:
(i) de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv);
(ii) de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 450, derde lid, Sv);
(iii) het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (art. 450, derde lid, Sv).
3.7.
Art. 450, derde lid, Sv houdt in dat slechts dan gevolg behoeft te worden gegeven aan een schriftelijke volmacht die aan een griffiemedewerker is verleend met het oog op het instellen van hoger beroep indien de volmacht voldoet aan de wettelijke eisen. Daaruit moet worden afgeleid dat de wetgever niet heeft willen weten van een volmacht die aan die eisen niet beantwoordt. Er moet van worden uitgegaan dat de wetgever ook niet heeft willen weten van de mogelijkheid tot herstel van verzuimen na het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep dan wel tot verlenging van die termijn teneinde gelegenheid te bieden tot herstel van een of meer verzuimen. Dat zou ook niet passen bij de door de wetgever nagestreefde uitreiking van oproepingen op basis van art. 408a Sv. Het gaat hier, in ieder geval wat betreft een advocaat, ook niet om onredelijke eisen.
(…)
3.8.
De Hoge Raad tekent bij het vorenoverwogene aan dat een strikte wetstoepassing niet in de rede ligt in het – zich hier niet voordoende - geval dat de volmacht aan de griffiemedewerker door de verdachte zelf is verstrekt en hem in redelijkheid geen verwijt kan worden gemaakt van het verzuim, bijvoorbeeld als dat is begaan ten gevolge van gebreken in de – in de memorie van toelichting in het vooruitzicht gestelde – "informatievoorziening aan de verdachte over de wijze van instellen van rechtsmiddelen".
Verder verdient opmerking dat het de in beroep oordelende rechter is die beslist over de ontvankelijkheid van het beroep en dus over de vraag of het rechtsmiddel tijdig en op de juiste wijze is ingesteld. In art. 450, derde lid, Sv moge bepaald zijn dat aan een schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel slechts gevolg wordt gegeven indien die volmacht aan de daar genoemde vereisten voldoet, dat neemt niet weg dat de griffier ook in geval van onvolkomenheden in die volmacht de stukken van het geding zal dienen te verzenden naar de in beroep oordelende rechter en dat de verdachte zal dienen te worden gedagvaard voor de daarna te bepalen terechtzitting.”
2.7
Hoewel de Hoge Raad in dit arrest dus overwoog dat voor herstel van verzuimen in volmachten geen ruimte is, heeft de Hoge Raad in latere rechtspraak wel aanvaard dat gebreken in de volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker onder omstandigheden voor gedekt kunnen worden gehouden. In het arrest van 2 juli 2013, heeft de Hoge Raad zijn rechtspraak op dit punt als volgt samengevat:2.
“2.3. In voormeld arrest [AG TS: Het onder 2.6 weergegeven arrest van 22 december 2009] zijn eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen dient te voldoen. Zo moet die volmacht inhouden:
(i) de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv);
(ii) de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 450, derde lid, Sv);
(iii) het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (art. 450, derde lid, Sv).
Die eisen dienen te worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping had tot doel problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaardingen te voorkomen althans te verminderen. Gelet op deze ratio van de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen, is in zaken waarin ter terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen, daarom in de regel het door een advocaat door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker ingestelde beroep niet-ontvankelijk indien die volmacht niet aan alle voormelde voorwaarden voldoet.
Gelet op diezelfde ratio bestaat evenwel onvoldoende grond voor de niet-ontvankelijkverklaring van het appel op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de hiervoor onder (i) genoemde voorwaarde ingeval ter terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar - zonodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd - heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen, zodat dat verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 20 maart 2012, LJN BV6999, NJ 2012/426), en evenmin op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de onder (ii) en (iii) vermelde voorwaarden ingeval de verdachte dan wel een op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, aangezien het belang dat met die voorwaarden is gediend, in zo een geval niet is geschaad, zodat het verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 22 januari 2013, LJN BY8357, NJ 2013/75).”
De bespreking van het cassatiemiddel
2.8
Op grond van art. 408a Sv in samenhang met art. 450 lid 2 Sv kan aan degene die door de verdachte is gemachtigd tot het instellen van hoger beroep, en daarvoor op de griffie van de rechtbank verschijnt, direct een oproeping voor een terechtzitting in hoger beroep worden uitgereikt. Zo’n uitreiking geldt op grond van art. 450 lid 5 Sv als een uitreiking in persoon aan de verdachte. Deze regeling heeft tot doel om problemen bij de betekening van dagvaarding in hoger beroep te voorkomen en sneller te komen tot executeerbare einduitspraken in hoger beroep.3.Op grond van art. 450 lid 3 Sv geldt een aanvullende eis als de schriftelijke bijzondere volmacht is gericht aan een griffiemedewerker. In dat geval moet de verdachte ermee instemmen dat de griffiemedewerker – als gemachtigde die ter griffie hoger beroep instelt – de oproeping voor de zitting in hoger beroep in ontvangst neemt. Ook moet de verdachte een adres opgeven waar een afschrift van de oproeping naartoe kan worden gestuurd. De wetgever wilde hiermee ondervangen, dat de verdachte door niet in persoon ter griffie te verschijnen zich onttrekt aan de uitreiking van een oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep ex art. 408a Sv.4.
2.9
Die aanvullende voorwaarden uit lid 3 van art. 450 Sv, gelden volgens de hiervoor weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad ook als niet de verdachte zelf, maar een daartoe gemachtigde advocaat een schriftelijke volmacht verleent aan een griffiemedewerker. Die advocaat moet in de schriftelijke volmacht dus onder meer verklaren dat de verdachte instemt met het aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep door de griffiemedewerker. Als de volmacht die verklaring niet bevat, kan dit verzuim volgens het arrest van 2 juli 2013 voor gedekt worden gehouden als de verdachte of een gemachtigd raadsman op de zitting in hoger beroep verschijnt. In dat geval bestaat er volgens de Hoge Raad gelet op de ratio van de eisen – het voorkomen of verminderen van problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaardingen – onvoldoende grond voor de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Als de verdachte verschijnt blijft immers de nietigverklaring van dagvaarding wegens gebreken in de betekening achterwege, en dat geldt in beginsel ook als een gemachtigd raadsman verschijnt (tenzij de raadsman klaagt over het betekeningsgebrek).5.Daarnaast vangt de termijn van veertien dagen voor het instellen van cassatie in die gevallen aan na de einduitspraak van het hof,6.en is dus afgebakend wanneer de uitspraak van het hof onherroepelijk wordt.
2.10
Het cassatiemiddel bestrijdt niet dat in onderhavige zaak de volmacht van de raadsman niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen omdat de volmacht niet de instemming van de verdachte als bedoeld in art. 450 lid 3 Sv bevat. Aangevoerd wordt echter dat die instemming “besloten ligt” in het voorstel van de raadsman in zijn e-mail van 17 januari 2023 om een inhoudelijke zitting te plannen zodat zijn cliënt grieven kan uiten, nu volgens de steller van het cassatiemiddel die zitting niet kan plaatsvinden zonder die instemming.
2.11
Het middel lijkt hier te refereren aan de jurisprudentie waarin aan een verklaring van de verdachte of gemachtigd raadsman ter zitting in hoger beroep of aan het indienen van een schriftuur in cassatie wordt ontleend dat aan de onvolkomen volmacht de wens van de verdachte ten grondslag heeft gelegen op rechtsgeldige wijze het betreffende rechtsmiddel te doen aanwenden. Daargelaten dat ook in die gevallen een enkele e-mail van de raadsman naar huidige rechtspraak niet (zonder meer) volstaat, ziet deze rechtspraak hoofdzakelijk op gevallen waarin gebreken kleven aan de (dubbele) volmacht zelf, waarbij de vraag rijst of de verdachte wel daadwerkelijk in beroep wilde komen. In het onderhavige geval schort het niet aan de dubbele volmacht, maar ontbreekt de verklaring van de raadsman dat de verdachte ermee instemt dat de griffiemedewerker aanstonds de oproeping voor de zitting in het hoger beroep in ontvangst neemt. Deze instemming moet naar haar aard gelijktijdig worden gegeven met de volmacht tot het instellen van hoger beroep, omdat op dat moment – bij het instellen van hoger beroep – de uitreiking op grond van art. 408a Sv moet kunnen plaatsvinden. Die uitreiking kan niet meer plaatsvinden als de stukken eenmaal zijn doorgezonden naar het hof. De instemming kan daarom ook niet pas achteraf worden gegeven door - of worden afgeleid uit - een mededeling van de raadsman tijdens het hoger beroep.
2.12
Evenmin biedt de e-mail van de raadsman grond om het verzuim voor gedekt te houden. Daarvoor verlangt de rechtspraak van de Hoge Raad, zoals hiervoor aan de orde kwam, dat de verdachte of een gemachtigd raadsman ter zitting verschijnt, omdat dan aan het doel van de aanstondse uitreiking ex art. 408a Sv geen afbreuk wordt gedaan. Met de e-mail van de raadsman wordt dat doel niet bereikt. Die e-mail verhelpt immers niet eventuele problemen bij de uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep en heeft evenmin invloed op de termijn waarbinnen de uitspraak van het hof uitvoerbaar wordt.
2.13
Concluderend meen ik dat aan het gebrek in de volmacht dus niet kan worden voorbijgezien enkel op grond van de e-mail van de raadsman van 17 januari 2023. Dit verzuim had wel voor gedekt kunnen worden gehouden als de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep was verschenen, maar uit de e-mail van de raadsman van 30 juni 2023 die de voorzitter van het hof op de terechtzitting aan de orde heeft gesteld blijkt dat hij daarvan kennelijk heeft afgezien.
3. Slotsom
3.1
Het cassatiemiddel faalt en kan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat meer dan twee jaren verstrijken tussen het instellen van het cassatieberoep op 12 juli 2023 en de uitspraak van de Hoge Raad. Nu mijns inziens de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep door het hof in cassatie stand houdt, is er geen ruimte voor compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.7.Ook verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑11‑2025
HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:114.
Vgl. Kamerstukken II, 1995/96, 24510, nr. 3, p. 1 en 5.
Vgl. Kamerstukken II, 2005/06, 30320, nr. 3, p. 28. Zo’n griffiemedewerker die gemachtigd is tot het instellen van hoger beroep geldt als een in art. 450 lid 1 aanhef en onder b Sv bedoelde vertegenwoordiger van de verdachte die ter griffie verschijnt, en aan wie op grond van art. 450 lid 2 Sv van rechtswege de oproeping als bedoeld in art. 408a Sv uitgereikt zou kunnen worden (vgl. HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:165). Toch heeft de wetgever in het geval dat die ‘vertegenwoordiger’ een griffiemedewerker is, de aanvullende voorwaarden gesteld dat de verdachte instemt met die uitreiking en hij een adres opgeeft waar een afschrift van de dagvaarding kan worden heengezonden. Kennelijk vond de wetgever zonder die aanvullende voorwaarden onvoldoende verzekerd dat in dat geval, waarin de ‘vertegenwoordiger’ niet in rechtstreeks contact staat met de verdachte en de verdachte mogelijk ook geen adres opgeeft, de verdachte op de hoogte komt (of kan worden gebracht) van de uitreiking ex art. 408a Sv van de oproeping in hoger beroep. Dat is problematisch, onder meer met het oog op het aanwezigheidsrecht van de verdachte.
Vgl. HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4064, NJ 2011/395 m.nt. T.M. Schalken.
Bij verschijning van de verdachte volgt dit uit art. 432 lid 1 aanhef en onder b Sv. Voor de gemachtigd raadsman volgt dit uit lang bestaande rechtspraak van de Hoge Raad, vgl. HR 23 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4727, rov. 4.5, NJ 2002/77 m.nt. J.M. Reijntjes. Overigens kan dit anders worden als de verdachte en/of de gemachtigd raadsman niet verschijnen op een nadere terechtzitting, vgl. bijv. HR 3 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1363, NJ 2023/341 m.nt. N. Jörg.
Vgl. HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:42.
Beroepschrift 18‑04‑2024
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
griffienummer: 23/02689
SCHRIFTUUR: houdende middelen van cassatie in de zaak van [verdachte], verzoeker tot cassatie van een hem betreffend arrest van het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch uitgesproken op 30 juni 2023.
Middel
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.
Toelichting
1.
Blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep heeft de voorzitter van het hof, zakelijk weergegeven, het navolgende meegedeeld:
‘In de mail van mr. [advocaat] van 30 juni 2023 geeft hij aan dat hij en zijn cliënt niet ter terechtzitting van heden zullen verschijnen en dat zijn cliënt hem niet heeft gemachtigd om het hoger beroep in te trekken. In het kader van de rolzitting, toen verstek is verleend, heeft de raadsman voorgesteld dat in deze zaak een zitting wordt gepland, zodat zijn cliënt eventueel grieven kan uiten. In de mail van mr. [advocaat] van 23 september 2022 lees ik het volgende: Ik verzoek u namens cliënt om tegen dit vonnis hoger beroep in te stellen. Cliënt heeft mij hiertoe gemachtigd en ik machtig op mijn beurt medewerkers van de rechtbank Den Bosch om dit hoger beroep daadwerkelijk in te stellen. De oproep voor de behandeling in hoger beroep kan worden verstuurd aan clients BRP-adres aan het stadsplateau 1 BD te Utrecht, zijn daklozenpostadres bij de Gemeente.
Gaarne ontvang ik van u een akte instellen rechtsmiddel’
2.
In de aantekening van het mondeling arrest is, zakelijk weergegeven, opgenomen:
‘Het hof stelt vast dat voormelde schriftelijke bijzondere volmacht niet voldoet aan de daaraan in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. In de mail die als machtiging is opgevat is immers niet vermeld dat verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker van de griffie van het gerécht waar het rechtsmiddel wórdt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. Het hof is van óórdeel dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.’
3.
Gelet op de toegenomen deformalisering van de eisen die voor het aanwenden van rechtsmiddelen geldt, moet aangenomen worden dat de instemming als bedoeld in art. 450 derde lid Sv besloten ligt in de mededelingen van de raadsman. Daarin wordt immers tot uitdrukking gebracht dat verzoeker een zitting wenst om eventueel grieven te kunnen uiten. Nu dit eerst mogelijk is met de hier bedoelde instemming, moet deze geacht worden besloten te liggen in de zittingswens van verzoeker.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr G. Spong, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam, aan de Keizersgracht 278, die bij dezen verklaart tot ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker in cassatie.
Amsterdam, 18 april 2024
mr G. Spong