NJB 2026/360:Ontvankelijkheid door verdachte ingestelde hoger beroep gelet op de aan de schriftelijke bijzondere volmacht gestelde eisen in art. 450 lid 3 Sv: herhaling en toepassing HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810 waarin drie eisen zijn geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen moet voldoen. In zaken waarin op de terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem op grond van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen, is het hoger beroep dat een advocaat door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker heeft ingesteld, in de regel niet-ontvankelijk als die volmacht niet aan alle drie de voorwaarden voldoet. In casu is niet voldaan aan het vereiste van art. 450 lid 1 aanhef en onder a Sv, namelijk dat er een verklaring van de advocaat is dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep. Hoewel het in casu om een geval gaat waarvoor in de regel geldt dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, bestaat daarvoor in dit geval, waarin de oproeping van de verdachte voor de nadere terechtzitting in hoger beroep in persoon aan de verdachte is uitgereikt, onvoldoende grond. Het belang dat met de hiervoor genoemde eis is gediend, is hier vanwege die manier van uitreiken immers niet geschaad. Het oordeel van het hof dat het ontbreken van de genoemde instemming moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting.