Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/3.3.1
3.1 De enquêteprocedure vanuit werknemersperspectief
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS387679:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 2 juli 1928, Stb. 216. Zie ook Boukema, Inleiding, p. 1.
Rapport-Verdam p. 66.
SER-advies inzake het enquêterecht, uitgave van de Sociaal-Economische Raad, 1967, nr. 5 (‘SER-advies Enquêterecht’), p. 8.
SER-advies inzake Wijziging van het enquêterecht, uitgave van de Sociaal-Economische Raad, 1988, nr. 14 (‘SER-advies Wijziging enquêterecht’).
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nrs. 1-2.
SER-advies Wijziging enquêterecht, p. 71.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 3, p. 5.
De vraag naar toekenning van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad werd weer actueel na het verschijnen van het rapport van Cools e.a. 2009, waarin de onderzoekers constateerden dat de vakorganisaties weinig gebruik maakten van dit recht. Dit heeft de wetgever niet tot andere gedachten gebracht. Zie hierover in kritische zin o.a.: Willems 2010b, Bartman en Holtzer 2010.
Vrijwel hetzelfde geldt voor de tweede pijler onder het medezeggenschapsrecht in Nederland: het enquêterecht. Het recht van enquête is door de wetgever, in navolging van de adviezen van de commissie-Verdam en de SER, aan de vakorganisaties toegekend als een erkenning van de plaats die de werknemers in het maatschappelijk bestel innamen.1 Omdat in de onderneming de factor arbeid als een integraal onderdeel moest worden beschouwd, was het redelijk dat werknemersvertegenwoordigers zouden kunnen opkomen tegen onjuist beleid op sociaal of economisch gebied. Toekenning van het enquêterecht aan de ondernemingsraad achtte de commissie-Verdam niet wenselijk. De ondernemingsraad werd beschouwd als een college van overleg, waarvan de ondernemer voorzitter was; daarmee leek niet in overeenstemming dat de raad een procedure tegen die ondernemer zou voeren. Voorts wees de commissie op een praktisch bezwaar, inhoudende dat de ondernemingsraad geen rechtspersoonlijkheid bezat. Om die reden vond ze de oplossing in toekenning van het enquêterecht aan de vakcentrales, die gemakkelijker afstand zouden kunnen nemen van incidentele moeilijkheden in een onderneming.2 De wetgever heeft deze bevoegdheid uitgebreid naar de bij de onderneming betrokken vakorganisaties.3
Bij de introductie van dit recht bestond aandacht voor internationale concernverhoudingen. De SER4 nam als uitgangspunt dat de Ondernemingskamer niet kon ingaan op verzoeken om een enquête in te stellen aangaande het beleid van een in het buitenland gevestigde vennootschap. Buitenlandse ondernemingen waren nu eenmaal niet aan de Nederlandse wetgeving onderworpen en zouden dus ook niet kunnen worden verplicht om door de werknemers verlangde informatie te verstrekken. Anderzijds was het duidelijk dat in Nederland wel een enquête zou kunnen worden gevraagd naar het beleid van een Nederlandse onderneming bij een dochteronderneming in het buitenland. Zo zou een enquête ingesteld kunnen worden naar de houding die een Nederlandse onderneming heeft ingenomen in een arbeidsconflict waarin een dochteronderneming in het buitenland verwikkeld was geraakt.
In de jaren tachtig kwam dit thema weer aan de orde bij de herziening van het enquêterecht. De SER adviseerde onder meer over het toepassingsbereik van het recht van enquête, de enquêtebevoegdheid van de ondernemingsraad en de samenloop van het enquêterecht en artikel 26 WOR.5
Dit SER-advies heeft geleid tot een uitbreiding van het toepassingsbereik van het enquêterecht naar verenigingen en stichtingen met een ondernemingsraad. Toekenning van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad werd (wederom) zowel door de SER als door de wetgever6 afgewezen. Wel overwoog de SER of het wenselijk was om in de wet de positie van de ondernemingsraad te versterken, bijvoorbeeld door een uitbreiding van de hoorplicht van de raad tot andere enquêtegerechtigden, toekenning van het recht om door de onderzoeker te worden gehoord of om inzage te krijgen in het enquêteverslag en de toekenning van het recht om, ingeval uit het enquêteverslag van wanbeleid blijkt, te worden gehoord door degenen die om voorzieningen willen verzoeken. 7 Die gedachten hebben echter niet tot concrete adviezen van de SER geleid. In de parlementaire geschiedenis is wel geopperd dat de Ondernemingskamer de mogelijkheid zou hebben om de ondernemingsraad te horen over het verzoek en eventueel over de te treffen voorzieningen. Eveneens zouden onderzoekers in het kader van hun taak de ondernemingsraad kunnen horen en zou de raad op de voet van artikel 31 WOR informatie over het onderzoek en ook het onderzoeksrapport (moeten) kunnen verkrijgen.8 Een wettelijke regeling op dit punt werd niet nodig geacht.
In de discussie over de samenloop tussen de enquêteprocedure en de beroepsprocedure is een duidelijk onderscheid gemaakt naar de aard van die rechtsgangen. De beroepsprocedure op de voet van artikel 26 WOR richt zich specifiek op de met name genoemde besluiten van artikel 25 WOR. De enquêteprocedure geldt echter voor het beleid van de vennootschap als geheel. De SER wees bovendien op de verschillende rollen die de ondernemingsraad en de vakorganisaties in de behartiging van werknemersbelangen vervullen. Ook de wetgever zag onvoldoende aanleiding voor maatregelen om eventuele samenloop te voorkomen. Voorafgaand aan de wijziging van het enquêterecht in 2013 werd de mogelijkheid van toekenning van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad (nogmaals) overwogen, maar uiteindelijk verworpen.9