Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/4.4.3.1
4.4.3.1 Verklaringen?
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS466777:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 4 juli 2001,JOR 2001, 149 (HBG, m.nt. Brink: verzoekschrift 28 juni 2001, elektronische kennisgeving daarvan op 27 juni 2001); OK 16 oktober 2001,JOR 2001, 251 (RNA, m.nt. Blanco Fernández: verzoekschrift 8 oktober 2001).
OK 25 april 2002,ARO 2002, 54 (Kai San Holding).
OK 20 december 2002,ARO 2003, 6 (BRI Groep).
Zie ook: OK 19 december 2001,JOR 2002, 9 (AND International Publishers; verzoekschrift 14 december 2001); OK 31 juli 2002,ARO 2002, 128 (Polyplus Holding: verzoekschrift 19 juli 2002); OK 24 oktober 2002,ARO 2002, 172 (Tjip; verzoekschrift 17 oktober 2002); OK 31 oktober 2002,ARO 2003, 1 (ZSD Trading and Real Estate; verzoekschrift 23 oktober 2002).
Zie bijvoorbeeld: p-v 27 januari 2000 resp. OK 15 februari 2000, beide in JOR 2000, 74 (Skygate Holding); p-v 23 maart 2000 resp. OK 27 april 2000, rekestnr. 128/2000 OK (Leather Design Van der Eerden); OK 15 mei 2001,JOR 2001, 145 resp. OK 26 juni 2001,JOR 2001, 185 (De Jong’s Timmerfabriek Bergambacht: de OK komt in de beschikking van 26 juni 2001, r.o. 3.1, op basis van hetzelfde feitencomplex ‘ook ten gronde tot het, reeds in haar beschikking van 15 mei 2001 als voorlopig gegeven, oordeel dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid van de vennootschap.’)
P-v 6 april 2000, rekestnr. 254/2000 OK resp. OK 27 april 2000,JOR 2000, 126, r.o. 4.6 (Beheermaatschappij P. van der Wegen). Vergelijk p-v 26 oktober 2000 resp. OK 20 april 2001, rekestnr. 835/2000 OK (Paalman Beheer): in de laatste uitspraak is slechts toegevoegd dat de impasse in de besluitvorming in het bestuur en de AVA er toe heeft geleid ‘dat de continuïteit van de vennootschappen ernstig wordt bedreigd’.
110. In paragraaf 4.4.2.2 is opgemerkt dat in de impassebeschikkingen niet wordt gemotiveerd waarom de Ondernemingskamer nog geen partijdebat ter terechtzitting organiseert over het enquêteverzoek respectievelijk waarom de definitieve beoordeling daarvan wordt aangehouden. Uit de beschikkingen kan naar mijn mening echter wel worden opgemaakt dat de Ondernemingskamer de definitieve beoordeling van enquêteverzoeken niet uitstelt omdat zij niet in staat is zich terstond of op korte termijn een oordeel ‘ten gronde’ te vormen over de vraag of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen die toewijzing van het enquêteverzoek rechtvaardigen. Illustratief in dit verband zijn de procedures inzake HBG en RNA1, beide complexe zaken waarin de Ondernemingskamer binnen 10 dagen de verzoeken tot het instellen van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen toewijst. Tekenend zijn voorts de beschikkingen inzake Kai San Holding2en BRI Groep3, beide ‘standaard’ impassezaken: de Ondernemingskamer benoemt in de eerste procedure een onderzoeker op de dag dat de behandeling van het daartoe strekkende verzoek plaatsvindt, terwijl de benoeming in de tweede procedure een dag langer op zich laat wachten (het enquêteverzoek is behandeld op de terechtzitting van 19 december 2002).4 Ook in ander opzicht blijkt uit de jurisprudentie dat de Ondernemingskamer in staat is zich op korte termijn definitief uit te laten over de vraag of het enquêteverzoek voor toewijzing in aanmerking komt. Er zijn bij mijn weten althans geen uitspraken gepubliceerd waarin zij, na aanvankelijk te hebben geoordeeld dat er naar haar ‘voorlopig’ oordeel gegronde redenen waren om aan een juist beleid te twijfelen, in een later stadium van het geding tot een ander oordeel komt. Integendeel, in enkele beschikkingen waarin in een later stadium van het geding alsnog een onderzoek wordt gelast, komen de overwegingen die aan de toewijzing van het enquêteverzoek ten grondslag liggen wat betreft inhoud grotendeels, en in een enkel geval zelfs (nagenoeg) woordelijk overeen met de voorlopige oordelen.5 Tekenend wat betreft het laatste zijn onder andere de beschikkingen van 6 april 2000 en 27 april 2000 inzake Beheermaatschappij P. van der Wegen: de desbetreffende rechtsoverwegingen in beide uitspraken komen woordelijk overeen, met uitzondering van het woord ‘voorshands’.6
111. De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat de Ondernemingskamer het partijdebat ter terechtzitting over en de def initieve beoordeling van enquêteverzoeken naar de toekomst verschuift omdat een onderzoek naar de feiten geen prioriteit heeft. Een eerste mogelijke verklaring hiervoor is dat de feiten bij partijen voldoende duidelijk zijn (hetgeen niet verwondert vanwege hun vaak grote betrokkenheid bij de vennootschap). Een wellicht belangrijkere verklaring is dat partij- en – gelet op het feit dat er maar één reële oplossing is voor de problemen: zij dienen de samenwerking te beëindigen en hiertoe een overeenkomst te sluiten – vooral behoefte hebben aan bemiddeling en (eventueel) onmiddellijke voorzieningen om de periode van onderhandelingen te overbruggen, en dat de Ondernemingskamer hen eerst een periode gunt om tot een regeling te komen (waarbij vaak wordt bemiddeld door de door haar tijdelijke benoemde bestuurder of commissaris). Dat in alle gevallen wel is verzocht om het instellen van een onderzoek, kan worden verklaard uit de omstandigheid dat de aandeelhouders niet ontvankelijk zijn in hun verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen indien dit niet gepaard gaat met een enquêteverzoek (art. 2: 345 jo. art. 2: 349a lid 2 BW).