Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/6.3.3
6.3.3 Hardheidsclausules
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS360710:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Dat zijn als gezegd wettelijke voorschriften (volgens sommigen bestaan er ook ‘ongeschreven hardheidsclausules’ of zouden die moeten bestaan, par. 6.2.2) die bestuursorganen (en de bestuursrechter) expliciet de bevoegdheid verlenen in individuele, uitzonderlijke (Schreuder-Vlasbom 1989, p. 13; Zoontjens 1990, p. 434; J.A. Borman, in: Eijlander 1992, p. 26; Gerritsen 1996, p. 258; Loenen 1996, p. 127) gevallen af te wijken van een bepaalde, tekstueel toepasselijke regeling of een voorschrift daaruit, ter voorkoming van onbillijkheden (o.a. Schreuder-Vlasbom 1987, p. 100, 104; Zoontjens 1990, p. 432; Eijlander 1992, p. 26; Gerritsen 1996, p. 251; Albers 2012, p. 89). Ze laten de omstandigheden die een uitzondering kunnen rechtvaardigen en het gewicht dat eraan toekomt meer of minder open (Schreuder-Vlasbom 1989, p. 6, 11; Loenen 1996, p. 126, 127). Abbb zijn geen hardheidsclausules volgens deze definitie, omdat zij niet een afwijkingsbevoegdheid bieden bij (een) specifieke bepaling(en). Hierover ook Aanwijzing 131 lid 3 (Ar).
Dat ook wettelijke uitzonderingen binnen dit onderzoek vallen, wordt uitgelegd in hoofdstuk 1, par. 1.4, b.
Scheltema 1988, p. 128; Zoontjens 1990, p. 437; Gerritsen 1996, p. 252, 257; Loenen 1996, p. 123, 127. Albers 2012, p. 89, 90 en Tak 2013, p. 37 verwijzen niet naar Aristoteles, maar stellen ook dat hardheidsclausules er zijn om wetgeving vanwege haar noodzakelijke algemeenheid buiten toepassing te laten.
Schreuder-Vlasbom 1989, p. 12, 13; Loenen 1996, p. 123.
Par. 6.3.2, e en f.
Schreuder-Vlasbom 1989, p. 9, 13; Zoontjens 1990, p. 433; Albers 2012, p. 89, 90.
Ook in die zin Albers 2012, p. 90.
Over het legaliteitsbeginsel gaat par. 6.2.1, a.
Witteveen 2014, p. 242, die de juridische status van de Ar dubbelzinnig vindt. Enerzijds zijn zij een besluit van de minister-president en daarmee een interne regeling gericht tot ambtenaren (functionarissen die onder het gezag van de minister-president vallen); anderzijds worden ze extern gepubliceerd en publiekelijk becommentarieerd. Witteveen beschouwt de Ar daardoor als ‘wet voor wetgevers’. In de wetgevingspraktijk hebben ze een hoge status.
Aanwijzing 131 lid 1.
Toelichting bij aanwijzing 131 lid 1.
Aanwijzing 131 lid 2.
Toelichting bij aanwijzing 131 lid 2; ook in die zin Eijlander 1992, p. 26; Albers 2012, p. 106.
Aanwijzing 131 lid 1: ‘In een regeling wordt geen hardheidsclausule opgenomen tenzij…’
Toelichting bij aanwijzing 131 lid 1.
Toelichting bij aanwijzing 131, welke stelling niet wordt gemotiveerd; Schreuder-Vlasbom 1989, p. 18; Zoontjens 1990, p. 434; Eijlander 1992, p. 27; Albers 2012, p. 91, 92.
Schreuder-Vlasbom 1987, p. 104; Zoontjens 1990, p. 434; Eijlander 1992, p. 27; Gerritsen 1996, p. 251; Loenen 1996, p. 127; Albers 2012, p. 106.
Zoontjens 1990, p. 437; Albers 2012, p. 106, 107.
Gerritsen 1996, p. 253.
Schreuder-Vlasbom 1987, p. 105; Schreuder-Vlasbom 1989, p. 7, 8; Zoontjens 1990, p. 431; Eijlander 1992, p. 26; Hofstra/Niessen 2010, p. 193; Albers 2012, p. 94.
Schreuder-Vlasbom 1989, p. 8, 9. In de memorie van toelichting en de memorie van antwoord bij de AWR is dit overigens niet te lezen (Kamerstukken II 1954/55, 4080, 3 en Kamerstukken II 1955/56, 4080, 5). Zie over het technische karakter van de belastingwetten en de behoefte aan rechterlijke controle daarop Happé 2014.
Schreuder-Vlasbom 1989, p. 9; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2014, p. 350. Contra-legemwerking van abbb en de Doorbraakarresten worden behandeld in par. 6.3.1.
Par. 6.3.4, a.
Ook in die zin Albers 2012, p. 95.
Kamerstukken II 26873, 3, p. 78. Daarnaast wordt als reden gegeven dat er zich gevallen zullen ‘blijven voordoen waarin een arbitraire beslissing op haar plaats is’.
CRvB 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146, AB 2014/354, m.nt. H.E. Bröring.
Daarover ook Albers 2012, p. 94.
Kamerstukken II 2003/04, 29702, 3, p. 143.
Bijv. ABRvS 3 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI6058, r.o. 2.3.1: ‘Gelet hierop bestaat er geen wettelijke grondslag voor de Belastingdienst voor afwijking van de Wet buiten de daarin of in het Besluit omschreven specifieke gevallen. Het stond de voorzieningenrechter dan ook niet vrij te beoordelen of de Belastingdienst zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard en in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toepassen van de hardheidsclausule’; Schreuder-Vlasbom 1989, p. 18. Zie ook andere beslissingen in dit hoofdstuk waarin geen ongeschreven billijkheidsuitzondering wordt aanvaard, bijvoorbeeld de zaken over het asp (par. 6.3.2, b) en de gevallen waarover de Nationale ombudsman zich uitsprak (par. 6.2.1, c).
Denk aan de contra-legemwerking van abbb (par. 6.3.1; vgl. Gerritsen 1996, p. 256: op grond van een abbb kan van een hardheidsclausule worden afgeweken), uitzonderin- gen op rechtsmiddelverboden (par. 6.3.2, d), op de Ziekenfondswet (par. 6.3.2, c) en het belanghebbendecriterium (par. 6.3.2, g), en zelfs ongeschreven uitzonderingen ten nadele van de burger, die later worden besproken (par. 6.3.4).
Dat heeft van doen met de constitutionele aspecten van billijkheidsuitzonderingen (hoofdstuk 3).
Als derde categorie van bestuursrechtelijke billijkheidsuitzonderingen onderscheid ik wettelijke hardheidsclausules.1 De wetgever heeft dan de noodzaak van een uitzondering op een wettelijk voorschrift ingezien omdat het niet op alle gevallen toegesneden kan zijn, en heeft er daarom al toestemming voor gegeven. Ook hardheidsclausules zijn (een specifiek-wettelijke) grondslag voor billijkheidsuitzonderingen zoals bedoeld door Aristoteles.2 De literatuur brengt hardheidsclausules dan ook expliciet met Aristoteles in verband3 en ze worden verondersteld een opening te bieden aan gerechtigheid in het individuele geval.4 Al enkele clausules zijn ter sprake geweest (bij rechtsmiddeltermijnen en het griffierecht).5
Hardheidsclausules zijn net als andere grondslagen voor uitzonderingen alleen nodig als zij uitzonderingen toestaan op strikt en/of feitelijk geformuleerde wettelijke voorschriften en gebonden bevoegdheden.6 Bijna alle clausules zijn bedoeld ter bescherming van burgers.7 Toepassing van een clausule ten nadele van een burger is gezien het legaliteitsbeginsel problematischer naar mate de clausule meer open is geformuleerd.8
De Aanwijzingen voor de regelgeving 1992 (Ar, ‘praktijkvoorschriften voor ontwerpers van overheidsregelingen’9) staan het opnemen van hardheidsclausules slechts toe als ‘er aanleiding is om te verwachten dat, gelet op het doel en de strekking van de regeling, de toepassing van de regeling kan leiden tot onbillijkheden van overwegende aard in niet precies te voorziene gevallen of groepen van gevallen,’10 hetgeen vooral kan voorkomen bij gebonden bevoegdheden.11 Een hardheidsclausule wordt afgeraden als toepassing ervan inbreuk zou maken op de belangen van derden-belanghebbenden die worden beschermd door het wettelijk voorschrift waarop de clausule een uitzondering toestaat.12 In de praktijk bestaan de clausules dan ook vooral in het belastingrecht, het socialezekerheidsrecht en subsidieregelingen.13 Uitgangspunt van de Ar is overigens dat ze niet worden opgenomen.14 Ze kunnen immers ‘conflictopwekkend’ zijn, omdat ze burgers op het idee brengen om een beroep te doen op een uitzondering; bestuursorganen moeten vervolgens over elk beroep beslissen.15 Bovendien is volgens de Ar en sommige auteurs toepassing van de clausules een ‘inbreuk op het primaat van de wetgever’.16 Op welke gevallen en hoe ze worden toegepast, heeft de wetgever namelijk beperkte invloed. In de literatuur wordt daarom het toepassingsbereik van hardheidsclausules beperkt tot door de wetgever niet-verdisconteerde omstandigheden.17 Daardoor maken deze specifiek-wettelijke uitzonderingen mijns inziens geen inbreuk op het primaat van de wetgever, omdat er door toepassing ervan niet wordt geoordeeld over de geldigheid van het wettelijke voorschrift. Soms komt de bedoeling van de wetgever dan door de uitzondering zelfs beter tot haar recht.18 Bovendien staat de wetgever door een hardheidsclausule uitzonderingen binnen een bepaald bereik expliciet toe.19
Enkele voorbeelden van de clausules zijn de volgende.
Artikel 63 AWR
Een bekende hardheidsclausule is artikel 63 AWR,20 die de Minister van Financiën voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen toestaat om tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard bij toepassing van de belastingwet. De clausule past volgens de literatuur bij het streven om het belastingrecht opener te formuleren en de toepasser meer vrijheid te bieden.21 De woorden ‘van overwegende aard’ houden uitzonderingen objectief.22 De clausule is niet limitatief: ook ongeschreven fiscaalrechtelijke uitzonderingen bestaan, bijvoorbeeld op basis van abbb23 en wegens fraus legis.24 Dit betekent ook dat niet alleen de minister uitzonderingen mag maken, maar ook andere toepassers.25
Artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000
De Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) bevat een hardheidsclausule in artikel 11.5, dat bepaalt dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap deze wet ‘buiten toepassing kan laten of daarvan kan afwijken’ voor zover toepassing gelet op het belang dat de wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De clausule is blijkens de wetsgeschiedenis bedoeld voor gevallen waaraan de wetgever niet of onvoldoende heeft gedacht.26
In een geval uit de jurisprudentie had de minister studiefinanciering teruggevorderd van een studente die was geregistreerd als uitwonend, maar niet meer bleek te wonen op het adres waar zij stond ingeschreven.27 Volgens de wet was teruggevorderd tot het moment van de laatste adreswijziging in de basisregistratie personen, in dit geval tot 1 januari. De studente kon echter aantonen dat zij tot 9 augustus had gewoond op het adres waar zij ingeschreven had gestaan. Toen was haar huurovereenkomst plotseling beëindigd, en tot 30 augustus had zij bij haar ouders gewoond. Volgens de Centrale Raad van Beroep had de minister de hardheidsclausule moeten toepassen. De strikte regels bestonden voor bewijsnood van de minister: in de normale gevallen is moeilijk te achterhalen wanneer een student woonde waar hij ingeschreven stond. De woonplaats in deze zaak was echter duidelijk. Volgens de Raad was een onverkorte toepassing van de regeling daarom niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet.
Artikel 5:46 lid 3 Awb
Een laatste voorbeeld van een hardheidsclausule is artikel 5:46 lid 3 Awb: een bestuursorgaan kan een wettelijk gefixeerde bestuurlijke boete niettemin verlagen als de overtreder aannemelijk maakt dat de boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.28 De wetgever ging ervan uit dat wettelijke boeteregelingen doorgaans evenredig waren, maar kon niet uitsluiten dat dit in een individueel geval anders was. Hij kon alleen een abstracte afweging maken, en niet met alle omstandigheden rekening houden.29
Hardheidsclausules expliciteren volgens mij een uitzonderingsbevoegdheid, als consequentie van Aristoteles’ inzicht; zij verlenen die niet – hoewel uit jurisprudentie en literatuur soms van een andere opvatting blijkt.30 Wel duidelijk is nu dat er in het bestuursrecht ook ongeschreven billijkheidsuitzonderingen zijn aanvaard, waaraan het ontbreken van een hardheidsclausule niet in de weg stond.31 Of de Ar veronderstellen dat billijkheidsuitzonderingen alleen krachtens hardheidsclausules (mogen) worden gemaakt, expliciteren zij overigens niet. In elk geval noemen zij geen rechterlijke uitzonderingsbevoegdheid anders dan krachtens wettelijke hardheidsclausules.
Door een expliciete overweging over het niet opnemen van een hardheidsclausule kan de wetgever wel de ruimte voor ongeschreven uitzonderingen beperken. Blijkt uit de wetsgeschiedenis dat geen clausule is opgenomen omdat de wetgever geen uitzonderingen wenste, dan is dit mijns inziens een extra contra-indicatie voor ongeschreven uitzonderingen. De eis dat deze bij formele wetsbepalingen slechts worden gemaakt bij niet-verdisconteerde omstandigheden, moet extra strikt worden gehanteerd. Aan een ongeschreven uitzondering op een lager wettelijk voorschrift waarbij de wetgever willens en wetens geen hardheidsclausule heeft opgenomen, moeten ook bij niet-verdisconteerde omstandigheden hoge eisen worden gesteld. De constitutionele eisen voor uitzonderingen zijn aldus nog strenger als er bewust geen hardheidsclausule is opgenomen.32