Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/10.3.6.4:10.3.6.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/10.3.6.4
10.3.6.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS602972:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Belastingen van rechtsverkeer / Overdrachtsbelasting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Evenals geldt voor de regelingen van de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting en omzetbelasting, kan de vraag worden gesteld of voor het concernbegrip in de internereorganisatievrijstelling moet worden uitgegaan van een formeel-juridische of een materieel-economische benadering. Thans geldt een formeel-juridische benadering, omdat alleen het bezit van aandelen in acht wordt genomen. Hierbij is de rol van optierechten, juridische en economische eigendom, certificering, verpanding enzovoort overigens onduidelijk. Naar mijn mening zouden organisatorische en economische verbondenheid ook een rol moeten spelen in het concernbegrip van art. 15 lid 1 onderdeel h WBR jo. art. 5b lid 5 Uitv.besl. WBR. Met een formeel-juridische benadering in de vorm van een aandelenbezit wordt onvoldoende recht gedaan aan de realiteit van verbondenheid zoals deze geldt in de bedrijfseconomie. Evenals bij de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting bestaat nu het risico dat een conglomeraat ook als een ‘concern’ wordt aangemerkt, en een echt concern juist niet.
Zoals in hoofdstuk 8 is beschreven, ben ik met Finkensieper (1989) van mening dat er unieke criteria kunnen bestaan voor de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting en omzetbelasting, die ook zouden kunnen gelden voor het begrip ‘concern’ voor de internereorganisatievrijstelling. Hierbij speelt een rol dat de begrippen elk een facilitaire functie hebben. In dit verband zou ik de contouren van het concernbegrip als volgt willen schetsen:
Er geldt een materieel-economische benadering, waarbij met name belang wordt gehecht aan feitelijke organisatorische en economische verbondenheid. Dat wil zeggen, dat een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend op een lichaam.
Nevengeschikte moedermaatschappijen kunnen ook tot het ‘concern’ behoren, mits sprake is van financiële, organisatorische en economische verbondenheid.
Voor aandelenvennootschappen bestaat een tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid: bij het bezit van 95% van de stemrechten in een aandelenvennootschap wordt verbondenheid verondersteld. Op basis van een tegenbewijsmogelijkheid kan echter door belastingplichtigen worden aangetoond dat ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 95%-criterium, in feite toch sprake is van organisatorische en economische verbondenheid. Voorts kan de fiscus stellen dat in feite geen sprake is van een beleidsbepalende invloed, ondanks het bezit van 95% van de stemrechten.
Certificaten van aandeel en aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust en waarbij het stemrecht nog steeds toekomt aan de aandeelhouder, tellen mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In dit verband tellen ook aandelen mee waaraan financiële instrumenten zijn gekoppeld die potentiële stemrechten bevatten, zoals optierechten en converteerbare instrumenten, tenzij aan deze instrumenten zodanige voorwaarden zijn verbonden dat moet worden aangenomen dat de aandeelhouder het stemrecht reeds heeft overgedragen.
De hiervoor genoemde alternatieve bezitsvormen van aandelen, zoals een pandrecht, recht van vruchtgebruik en optierechten, tellen niet mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In verband met de genoemde tegenbewijsmogelijkheid kunnen zij echter wel een rol spelen om aan te tonen dat ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 95%-criterium, in feite toch een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend.
Overigens acht ik het in dit verband ook mogelijk om de toepassing van de vrijstelling van art. 15 lid 1 onderdeel h WBR afhankelijk te stellen van de aanwezigheid van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting en omzetbelasting. Omdat de aanwezigheid van een ‘concern’ in beginsel alleen op het overdrachtsmoment moet worden beoordeeld, bestaat het risico dat belastingplichtigen met het oog op de toepassing van de vrijstelling een concernsituatie creëren. Aansluiting bij de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting en omzetbelasting zou in dit verband als voordeel hebben dat de realiteit van het concern beter kan worden beoordeeld. Hierbij zou de driejaarstermijn ten aanzien van het concernvereiste, zoals bedoeld in art. 5b lid 3 WBR, gehandhaafd kunnen blijven.
Ten aanzien van het hiervoor geschetste concernbegrip kan een grensoverschrijdende werking gelden. Dat wil zeggen, dat ook lichamen die zijn opgericht naar het recht van een andere staat onderdeel kunnen zijn van het ‘concern’. Dit is overigens thans al geregeld in het slot van art. 5b lid 5 Uitv.besl. WBR.