HR, 16-02-2021, nr. 19/05668
ECLI:NL:HR:2021:236
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-02-2021
- Zaaknummer
19/05668
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:236, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑02‑2021; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2019:4435
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1178
ECLI:NL:PHR:2020:1178, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑12‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:236
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑09‑2020
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2021-0043 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NJ 2021/236 met annotatie van J.M. Reijntjes
NTS 2021/31
Uitspraak 16‑02‑2021
Inhoudsindicatie
Jeugdzaak. Wederspannigheid door zich te verzetten tegen aanhouding door ter assistentie ingeschakelde motoragent, art. 180 Sr. Was opsporingsambtenaar werkzaam in rechtmatige uitoefening van zijn bediening? Bij het antwoord op de vraag of ambtenaar “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” is, geldt als uitgangspunt dat politieambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht i.h.k.v. aanhouding van verdachte, werkzaam is in rechtmatige uitoefening van zijn bediening a.b.i. art. 180 Sr (vgl. ECLI:NL:HR:2014:2919). Hof heeft vastgesteld dat motoragent via portofoon van zijn collega’s het verzoek kreeg om ondersteuning te verlenen bij aanhouding van verdachte om te voorkomen dat verdachte zich aan zijn aanhouding zou onttrekken. Motoragent heeft aan dit verzoek gevolg gegeven, waarna hij verdachte samen met zijn collega’s heeft ingesloten en aangehouden. Hof heeft op grond hiervan geoordeeld dat motoragent op het moment van aanhouding “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” was ex art. 180 Sr. Daarbij heeft hof in aanmerking genomen dat bijzondere omstandigheden die tot andere uitkomst zouden kunnen leiden, niet zijn gebleken. Dit oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. HR merkt op dat ook indien achteraf zou komen vast te staan dat beslissing tot aanhouding van verdachte door de om bijstand verzoekende collega’s niet in overeenstemming met art. 54.4 Sv is genomen, dat niet wegneemt dat opsporingsambtenaar die o.g.v. verzoek tot het verlenen van bijstand is overgegaan tot feitelijke aanhouding van verdachte, in beginsel “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” was (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BJ2808 over opdracht tot aanhouding van bevoegde meerdere). Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/05668 J
Datum 16 februari 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 december 2019, nummer 23-002584-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het arrest van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft verzet tegen een opsporingsambtenaar “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”.
2.2.1
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 1 augustus 2018 te Amsterdam, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , brigadier van politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige oefening van zijn bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte, door zich los proberen te rukken en te bewegen in een tegenovergestelde richting dan waarin voornoemde ambtenaar hem, verdachte, trachtte te bewegen.”
2.2.2
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:
“1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2018155077-5 van 2 augustus 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina 67.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 1 augustus 2018 bevond ik mij op het Smaragdplein te Amsterdam. Ik bevond mij daar teneinde een tweetal collega’s te ondersteunen bij een aanhouding. Het lukte om de verdachte ( [verdachte] , geboren [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ) in te sluiten en vervolgens werd door ons getracht de verdachte fysiek aan te houden. De verdachte verzette zich echter hevig tegen zijn aanhouding. Ik zag dat de verdachte op het moment dat er een transportboei was aangelegd zich in een andere beweging bewoog dan de richting waarin wij hem wilden doen bewegen. De verdachte trachtte zich los te rukken en was met zijn armen om zich heen aan het bewegen. Teneinde het verzet van de verdachte te doen breken dan wel te doen ophouden heb ik de verdachte ten val gebracht.
2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2018155077-7 van 13 september 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , aanvullend opgemaakt en los bijgevoegd.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 1 augustus 2018 omstreeks 18.45 uur kreeg ik verbalisant via de portofoon het verzoek van de collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] om ondersteuning te verlenen bij de aanhouding van een verdachte. De verdachte zou zich nabij het Smaragdplein bevinden en de collega’s wilden voorkomen dat de verdachte zich aan zijn aanhouding zou onttrekken via de voetgangerstunnel die de verbinding vormt tussen het Smaragdplein en de Carillonstraat. Mij werd verzocht deze tunnel fysiek te blokkeren.
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 5 juli 2019.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik was op 1 augustus 2018 op het Smaragdplein. Er werd geroepen dat ik was aangehouden. Ik heb mij een beetje verzet. Ik had pijn in mijn onderrug. Daarom verzette ik mij. Natuurlijk had ik anders kunnen reageren. Ik werd boos.”
2.2.3
De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verbalisanten met schending van artikel 54 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) tot aanhouding zijn overgegaan, zodat deze aanhouding onrechtmatig was en de verbalisanten daarmee niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam waren. Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de verdachte vrij te spreken. De raadsman heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. De verdachte is door de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 3] en [verbalisant 2] aangehouden terzake van mishandeling. Er was op dat moment geen sprake van een heterdaad situatie. Alhoewel er voldoende gelegenheid was om voorafgaand aan de aanhouding toestemming te vragen aan een (hulp)officier van justitie is dit niet gebeurd. Evenmin was er sprake van een spoedeisende situatie zoals bedoeld in artikel 54 van het Wetboek van Strafvordering. Derhalve was sprake van een onrechtmatige aanhouding, hetgeen betekent dat de verbalisanten op dat moment niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren. Om welke reden het ten laste gelegde feit (althans het bestanddeel) van het verzet tegen een ambtenaar “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” niet wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard.
Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. De tenlastelegging ziet op de verbalisant [verbalisant 1] .
Op 1 augustus 2018 rond 18.45 uur kreeg verbalisant [verbalisant 1] via de portofoon het verzoek van zijn collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] om ondersteuning te verlenen bij de aanhouding van de verdachte. Deze zou zich nabij het Smaragdplein bevinden en de collega’s van verbalisant [verbalisant 1] wilden voorkomen dat hij zich aan zijn aanhouding zou onttrekken via de voetgangerstunnel die de verbinding vormt tussen het Smaragdplein en de Carillonstraat. Daarom werd verbalisant [verbalisant 1] door zijn collega’s gevraagd deze tunnel te blokkeren, waarop hij naar deze tunnel is gereden en deze met zijn surveillancemotor heeft geblokkeerd. Nadat verbalisant [verbalisant 1] en zijn collega’s de verdachte hadden ingesloten, verzette deze zich hevig tegen zijn aanhouding. Op het moment dat er een transportboei was aangelegd bewoog de verdachte zich in een andere richting dan de richting waarin de verbalisanten hem wilden doen bewegen. Hij trachtte zich los te rukken en was met zijn armen om zich heen aan het bewegen. Teneinde het verzet te doen ophouden heeft verbalisant [verbalisant 1] de verdachte ten val gebracht, waarna de verdachte in de surveillanceauto kon worden geplaatst.
Het hof overweegt als volgt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een verbalisant die uitvoering geeft aan het verzoek van een collega om te ondersteunen bij de aanhouding van een verdachte, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening zoals bedoeld in artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht. Van een verbalisant kan en mag niet worden verwacht dat hij op een dergelijk moment bij zijn collega navraagt of aan alle achterliggende formaliteiten voor de toepassing van het dwangmiddel van aanhouding is voldaan, bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden daargelaten. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in deze zaak niet aangevoerd. Ook indien achteraf komt vast te staan dat er geen door de (hulp) officier van justitie gegeven bevel tot aanhouding is gegeven en er geen sprake was van een situatie zoals bedoeld in artikel 54, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering en mitsdien de aanhouding van de verdachte mogelijk niet rechtmatig zou moeten worden geacht, brengt dit nog niet met zich mee dat de ambtenaar die aan een dergelijk verzoek tot assistentie gevolg heeft gegeven, op dat moment in beginsel niet heeft gehandeld in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening in de zin van artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht.”
2.3.1
Artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (...) wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
2.3.2
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 180 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende woorden “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling.
2.4
Bij het antwoord op de vraag of de ambtenaar “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” is, geldt als uitgangspunt dat de politieambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van de aanhouding van een verdachte, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als bedoeld in artikel 180 Sr (vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919).
2.5
Het hof heeft vastgesteld dat verbalisant [verbalisant 1] via de portofoon van zijn collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] het verzoek kreeg om ondersteuning te verlenen bij de aanhouding van de verdachte om te voorkomen dat de verdachte zich aan zijn aanhouding zou onttrekken. Verbalisant [verbalisant 1] heeft aan dit verzoek gevolg gegeven, waarna hij de verdachte samen met zijn collega’s heeft ingesloten en aangehouden. Het hof heeft op grond hiervan geoordeeld dat verbalisant [verbalisant 1] op het moment van de aanhouding “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” was in de zin van artikel 180 Sr. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat bijzondere omstandigheden die tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden, niet zijn gebleken. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.Daarbij verdient nog opmerking dat ook indien achteraf zou komen vast te staan dat de beslissing tot aanhouding van de verdachte door de om bijstand verzoekende collega’s niet in overeenstemming met het voorschrift van artikel 54 lid 4 Sv is genomen, dat niet wegneemt dat de opsporingsambtenaar die op grond van een verzoek tot het verlenen van bijstand is overgegaan tot de feitelijke aanhouding van een verdachte, in beginsel “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” was in de zin van artikel 180 Sr. (Vgl. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2808 over een opdracht tot aanhouding van een bevoegde meerdere.)
2.6
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2021.
Conclusie 15‑12‑2020
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Wederspannigheid bij aanhouding, art. 180 Sr. Bewijsklacht dat de opsporingsambtenaar werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Het hof heeft geoordeeld dat wanneer een opsporingsambtenaar om assistentie wordt gevraagd bij een aanhouding, hij in beginsel in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening is. Volgens de plv. AG vindt deze opvatting geen steun in het recht. Het hof heeft daardoor onvoldoende gerespondeerd op het verweer van de verdachte zodat het oordeel van het hof dat sprake is van een rechtmatige uitoefening van de bediening niet zonder meer begrijpelijk is. Conclusie strekt tot vernietiging.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/05668 J
Zitting 15 december 2020
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
1.1.
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 12 december 2019 de verdachte wegens ‘’wederspannigheid’’ veroordeeld tot een leerstraf van 20 uren.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3.
Het gaat in deze zaak om de vraag of een opsporingsambtenaar bij het aanhouden van een verdachte in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was. Op grond van de gedingstukken kan over de feitelijke gang van zaken het volgende worden gezegd. Op 31 juli 2018 is aangifte gedaan van een mishandeling. Aangever zou een dag eerder, dus op 30 juli 2018, zijn geschopt door een jongen die hij wel van gezicht maar niet van naam kent. Een dag na de aangifte, dus op 1 augustus 2018, wordt een tweetal opsporingsambtenaren afgestuurd op een melding in verband met een groepje jongeren. Op het moment dat de twee politiemensen ter plaatse komen, zien zij één jongen wegrennen. Eerdergenoemde aangever, die ook ter plaatse is, meldt de opgetrommelde politie dat hij de dag daarvoor aangifte had gedaan tegen de jongen die zij zojuist hadden zien wegrennen. De jongen zou hem [PF: inmiddels dus twee dagen eerder] hebben geschopt. De betrokken opsporingsambtenaren besluiten achter de jongen aan te gaan en nadat zij via de portofoon assistentie hebben gevraagd en gekregen van een motoragent, kan hij bij een tunnel worden ingesloten en wordt hij vervolgens aangehouden. Bij die aanhouding wordt verzet gepleegd. De tenlastelegging is beperkt tot het verzet dat is gepleegd tegen de ter assistentie ingeschakelde opsporingsambtenaar (de motoragent).
2. Het middel
2.1.
Het middel houdt in dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, bewezen heeft verklaard dat de opsporingsambtenaar (motoragent [verbalisant 1]) werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als bedoeld in art. 180 Sr.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
‘’hij op 1 augustus 2018 te Amsterdam, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], brigadier van politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige oefening van zijn bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte, door zich los proberen te rukken en te bewegen in een tegenovergestelde richting dan waarin voornoemde ambtenaar hem, verdachte, trachtte te bewegen.’’
2.3.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:
‘’1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2018155077-5 van 2 augustus 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], doorgenummerde pagina 67.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 1 augustus 2018 bevond ik mij op het Smaragdplein te Amsterdam. Ik bevond mij daar teneinde een tweetal collega’s te ondersteunen bij een aanhouding. Het lukte om de verdachte ( [verdachte] , geboren [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats]) in te sluiten en vervolgens werd door ons getracht de verdachte fysiek aan te houden. De verdachte verzette zich echter hevig tegen zijn aanhouding. Ik zag dat de verdachte op het moment dat er een transportboei was aangelegd zich in een andere beweging bewoog dan de richting waarin wij hem wilden doen bewegen. De verdachte trachtte zich los te rukken en was met zijn armen om zich heen aan het bewegen. Teneinde het verzet van de verdachte te doen breken dan wel te doen ophouden heb ik de verdachte ten val gebracht.
2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2018155077-7 van 13 september 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], aanvullend opgemaakt en los bijgevoegd.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 1 augustus 2018 omstreeks 18.45 uur kreeg ik verbalisant via de portofoon het verzoek van de collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] om ondersteuning te verlenen bij de aanhouding van een verdachte. De verdachte zou zich nabij het Smaragdplein bevinden en de collega’s wilden voorkomen dat de verdachte zich aan zijn aanhouding zou onttrekken via de voetgangerstunnel die de verbinding vormt tussen het Smaragdplein en de Carillonstraat. Mij werd verzocht deze tunnel fysiek te blokkeren.3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 5 juli 2019.
5. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
6. Ik was op 1 augustus 2018 op het Smaragdplein. Er werd geroepen dat ik was aangehouden. Ik heb mij een beetje verzet. Ik had pijn in mijn onderrug. Daarom verzette ik mij. Natuurlijk had ik anders kunnen reageren. Ik werd boos.’’
2.4.
Uit het proces-verbaal van de behandeling in hoger beroep blijkt dat daar het volgende is aangevoerd over de rechtmatigheid van het optreden van de opsporingsambtenaar (dan wel opsporingsambtenaren):
‘’De advocaat-generaal voert het woord als volgt:
De vraag die voorligt is of er sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 54, derde lid [AG PF: bedoeld zal zijn ‘vierde lid’]1.van het Wetboek van Strafvordering; was sprake van een situatie waarin een bevel van de (hulp) officier van justitie niet kon worden afgewacht? De aanvullende processen-verbaal bieden geen nieuw zicht op de zaak. Uit het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] van 1 augustus 2018 blijkt dat sprake was van een situatie waarin een bevel van de (hulp)officier van justitie niet kon worden afgewacht. Hierbij is van belang dat er een groep jongens op de verbalisanten af kwam lopen waardoor een geladen sfeer ontstond. Nadat de verdachte was aangehouden, hebben de verbalisanten hulpofficier [betrokkene 1] hiervan in kennis gesteld welke op zijn beurt officier van justitie [betrokkene 2] heeft geïnformeerd. Ik acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Het betreft een strafbaar feit en een strafbare dader. Ik vorder dat het hof, conform de kinderrechter in eerste aanleg, aan de verdachte een leerstraf oplegt, te weten TACT voor de duur van twintig uren subsidiair tien dagen jeugddetentie.De advocaat-generaal legt haar vordering aan het gerechtshof over.De raadsman voert het woord tot verdediging en doet dit aan de hand van zijn pleitnotities. Deze
pleitnotities worden aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd.Desgevraagd antwoordt de raadsman op vragen van de voorzitter:
In de processen-verbaal wordt door de verbalisanten zowel over staandehouding als over aanhouding gerelateerd. Uit een arrest van de Hoge Raad van 20 september 2009, gepubliceerd als ECLI:NL:HR:2009:BJ2795, blijkt dat een verbalisant die uitvoering geeft aan een opdracht die hem is verstrekt door een tot het geven van die opdracht bevoegde meerdere werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. In dit geval is de opdracht echter niet verstrekt door een meerdere, maar door een directe collega. Daar mocht de verbalisant niet op af gaan. Het verzoek van zijn collega legitimeert het optreden van verbalisant [verbalisant 1] niet. Om de verdachte aan te houden hadden hij en zijn collega’s een bevel van de (hulp)officier van justitie nodig. Bij gebrek hieraan waren zij ten tijde van de aanhouding niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren in repliek en merkt op: De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] hebben hun proces-verbaal op ambtsbelofte opgemaakt. Er is geen reden dit proces-verbaal in twijfel te trekken. Het enkele feit dat de verbalisanten hun portofoon niet hebben gebruikt om contact te leggen met een (hulp)officier van justitie maakt niet dat hun optreden in strijd was met artikel 54, derde lid [AG PF: bedoeld zal zijn ‘vierde lid’], van het Wetboek van Strafvordering. Ik stel mij op het standpunt dat een ter assistentie opgeroepen verbalisant op de mededelingen van zijn collega mag afgaan. De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren in dupliek en merkt op: Ik constateer slechts dat er verschillen zijn in de opgestelde processen-verbaal. Ik verzoek het hof in geval van twijfel de verdachte vrij te spreken van het hem ten laste gelegde.’’
2.5.
Uit de aan het hof overgelegde pleitnotities blijkt dat de raadsman uitvoerig heeft betoogd dat geen sprake is geweest van 1) een heterdaadsituatie als bedoeld in art. 128 Sv, 2) een (voorafgaand) bevel tot aanhouding van een officier van justitie of hulpofficier van justitie in de zin van art. 54 lid 1 en 3 Sv, en 3) een situatie als bedoeld in art. 54 lid 4 Sv, waarin het bevel tot aanhouding van de officier van justitie of de hulpofficier van justitie niet kan worden afgewacht en de opsporingsambtenaar zelf bevoegd is de verdachte aan te houden teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden aan de hulpofficier van justitie of de officier van justitie. Volgens de raadsman was er gelet op de feiten en omstandigheden voor de betrokken verbalisanten voldoende tijd en gelegenheid om vooraf aan de (hulp)officier van justitie toestemming te vragen voor aanhouding buiten heterdaad. Nu dat is nagelaten, voldeed het optreden van de verbalisanten niet aan art. 54 lid 4 Sv en waren alle opsporingsambtenaren dus niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
2.6.
Het oordeel van het hof luidt in dit verband als volgt:
‘Het hof overweegt als volgt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een verbalisant die uitvoering geeft aan het verzoek van een collega om te ondersteunen bij de aanhouding van een verdachte, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening zoals bedoeld in artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht. Van een verbalisant kan en mag niet worden verwacht dat hij op een dergelijk moment bij zijn collega navraagt of aan alle achterliggende formaliteiten voor de toepassing van het dwangmiddel van aanhouding is voldaan, bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden daargelaten. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in deze zaak niet aangevoerd. Ook indien achteraf komt vast te staan dat er geen door de (hulp) officier van justitie gegeven bevel tot aanhouding is gegeven en er geen sprake was van een situatie zoals bedoeld in artikel 54, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering en mitsdien de aanhouding van de verdachte mogelijk niet rechtmatig zou moeten worden geacht, brengt dit nog niet met zich mee dat de ambtenaar die aan een dergelijk verzoek tot assistentie gevolg heeft gegeven, op dat moment in beginsel niet heeft gehandeld in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening in de zin van artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.”
2.7.
Ter toelichting op het middel wordt onder andere het volgende aangevoerd.
2.8.
Uit de wettelijke bevoegdheidsverdeling van art. 54 Sv volgt dat wanneer buiten heterdaad tot aanhouding wordt overgegaan, zo mogelijk een voorafgaande toetsing van een meerdere, te weten in de eerste plaats een officier van justitie of in de tweede plaats een hulpofficier van justitie, vereist is. Wanneer een opsporingsambtenaar op basis van zo’n vooraf gegeven bevel overgaat tot aanhouding buiten heterdaad en hij terzake te goeder trouw het gegeven bevel uitvoert, dan handelt hij in beginsel in de rechtmatige uitoefening zijner bediening.2.Ontbreekt echter een dergelijk bevel en deed zich geen spoedeisende situatie voor waarin een dergelijke bevel niet kon worden afgewacht als bedoeld in art. 54 lid 43.Sv, dan handelt de opsporingsambtenaar in beginsel niet in de rechtmatige uitoefening zijner bediening.4.
2.9.
Volgens de steller van het middel laat het hof met zijn overwegingen het vereiste los van een voorafgaand bevel van hogerhand, terwijl er geen sprake was van een spoedeisende situatie. Daarmee wordt het systeem van voorafgaande ‘checks and balances’ doorbroken en getuigt het oordeel van het hof van een verkeerde rechtsopvatting. Indien het door het hof gestelde uitgangspunt in het algemeen zou worden aanvaard, dan zou in strijd met art. 54 Sv elke opsporingsambtenaar een collega opsporingsambtenaar over kunnen laten gaan tot aanhouding buiten heterdaad zonder dat de door de wetgever in het leven geroepen voorafgaande toetsing heeft plaatsgevonden en zou de opsporingsambtenaar die tot aanhouding buiten heterdaad overgaat bij het ontbreken van de vereiste machtiging zich altijd kunnen verschuilen achter het argument dat hij te goeder trouw handelde – ook, zo begrijp ik de steller van het middel, als er geen sprake was van een spoedeisende situatie. Dat levert een onaanvaardbare situatie en duidelijke strijd met de wil van de wetgever op.
2.10.
Het oordeel van het gerechtshof dat ‘’van een verbalisant niet kan en mag worden verwacht dat hij op een dergelijk moment bij zijn collega navraagt of aan alle achterliggende formaliteiten voor de toepassing van het dwangmiddel van aanhouding is voldaan, bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden daargelaten’’ acht de steller van het middel eveneens onjuist. Verbalisanten dienen juist te zijn doordrongen van de noodzaak van een voorafgaand en van hoger af komend bevel tot aanhouding in geval van aanhouding buiten heterdaad, zonder dat sprake is van een spoedeisende situatie. Ook is niet goed voorstelbaar wat de praktische bezwaren zouden zijn tegen het zich vergewissen van de opsporingsambtenaar of er wel of niet sprake is van een situatie van heterdaad en in dat laatste geval of er sprake is van een vooraf gegeven bevel tot aanhouding, dan wel of zich een spoedeisende situatie voordoet. Tot slot was er in het licht van alle (aangevoerde) omstandigheden, waarbij de verbalisanten continu met elkaar in verbinding stonden, ook voldoende gelegenheid voor de verbalisant om voorafgaande toestemming te vragen van een meerdere dan wel te verifiëren of tot aanhouding overgegaan zou mogen worden.
3. Juridisch kader
3.1.
Voor een bewezenverklaring van wederspannigheid is vereist dat de betrokken ambtenaar werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. In dit geval gaat het om de bevoegdheid tot aanhouding. Die bevoegdheid is voor een heterdaadsituatie geregeld in art. 53 Sv (dan is iedereen bevoegd tot aanhouding) en voor een buiten heterdaadsituatie in art. 54 Sv. Buiten heterdaad is het uitgangspunt dat wordt aangehouden op bevel van de officier van justitie (art. 54 lid 1 Sv). Hij dient zich een oordeel te vormen over de mate van verdenking en over de vraag of een aanhouding is geboden. Indien het bevel van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, mag de hulpofficier van justitie de aanhouding bevelen (art. 54 lid 3 Sv).5.Enkel indien (ook) het bevel van de hulpofficier van justitie niet kan worden afgewacht, is het de ‘gewone’ opsporingsambtenaar toegestaan tot aanhouding over te gaan (art. 54 lid 4 Sv).
3.2.
Wanneer door de rechter kan worden vastgesteld dat een opsporingsambtenaar uitvoeringshandelingen heeft verricht in het kader van een aanhouding, dan is het uitgangspunt dat die ambtenaar op dat moment werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.6.Dat is niet anders als de desbetreffende ambtenaar ten tijde van het handelen zelf niet op de hoogte was van een specifieke wettelijke grondslag en ook niet als hij een andere grondslag voor zijn handelen op het oog had.7.Het wordt evenmin anders wanneer achteraf mocht blijken dat een door een (hulp)officier van justitie gegeven bevel tot aanhouding buiten heterdaad niet op goede gronden is gegeven; ook dan blijft het optreden van de opsporingsambtenaar die uitvoering gaf aan het bevel – bijzondere omstandigheden daargelaten – in beginsel rechtmatig.8.Ook een latere vrijspraak ter zake van het feit waarvoor de verdachte is aangehouden, brengt – althans niet zonder meer – met zich mee dat de verbalisanten die verdachte daarvoor destijds hebben aangehouden toen niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren.9.Hieruit blijkt dat het uitgangspunt dat een opsporingsambtenaar die uitvoering geeft aan een wettelijke bevoegdheid werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, een krachtig uitgangspunt is, maar ook dat het niet in beton is gegoten. Dit uitgangspunt kan bijvoorbeeld vervallen wanneer de opsporingsambtenaar in de uitoefening van de taak de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet in acht heeft genomen.10.Het kan ook vervallen wanneer niet aan de in de wettelijke regeling gestelde voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheid is voldaan. Zo kan een aanhouding buiten heterdaad onrechtmatig zijn als er geen bevel tot aanhouding van een (hulp)officier van justitie is en er evenmin sprake is van een spoedeisend belang zoals bedoeld in art. 54 lid 4 Sv.11.Het is aan de verdediging om hier expliciet verweer op te voeren; de Hoge Raad heeft bepaald dat de rechter niet ambtshalve behoeft te toetsen of aan alle specifieke wettelijke vereisten is voldaan.12.
4. Beoordeling
4.1.
In het onderhavige geval heeft het hof heeft vastgesteld dat verbalisant [verbalisant 1] op 1 augustus 2018 rond 18.45 uur via de portofoon het verzoek kreeg van zijn collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] om ondersteuning te verlenen bij de aanhouding van de verdachte. Vervolgens hebben de verbalisanten de verdachte ingesloten en heeft verdachte zich verzet tegen zijn aanhouding.
4.2.
Namens de verdachte is aangevoerd dat er geen grondslag was voor de aanhouding van de verdachte omdat er geen sprake was van een heterdaadsituatie als bedoeld in art. 128 Sv noch van de in art. 54 lid 4 Sv bedoelde situatie dat de voorafgaande toestemming van de (hulp)officier van justitie niet kon worden afgewacht. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep aangevoerd dat volgens haar wel sprake was van een situatie waarin op basis van art. 54 lid 4 Sv de verbalisanten bevoegd waren tot aanhouding over te gaan.
4.3.
Het hof heeft geoordeeld dat wanneer een opsporingsambtenaar om assistentie wordt gevraagd, van die opsporingsambtenaar niet mag worden verwacht dat hij op een dergelijk moment bij zijn collega navraagt of aan alle achterliggende formaliteiten voor de toepassing van het dwangmiddel van aanhouding is voldaan, bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden daargelaten.13.Uitgangspunt, aldus het hof, is dat wanneer een opsporingsambtenaar om assistentie wordt gevraagd bij een aanhouding, hij in beginsel in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening is. Dat is niet anders indien achteraf geen sprake is geweest van een voorafgaand bevel of de spoedeisende situatie als bedoeld in art. 54 lid 4 Sv.
4.4.
In deze overwegingen van het hof ligt als zijn (kennelijk) oordeel besloten dat reeds het enkele verzoek om assistentie van de ene politiefunctionaris aan de andere, laatstbedoelde de bevoegdheid geeft tot aanhouden van de verdachte. Gelet op het hiervoor weergegeven juridisch kader ben ik met de steller van het middel van oordeel dat deze opvatting geen steun vindt in het recht. Het hof lijkt met zijn overwegingen te willen aansluiten bij de arresten van de Hoge Raad van 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2808 en 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919. Het arrest uit 2014 ziet echter op uitvoeringshandelingen in een situatie van heterdaad waarin de bevoegdheid tot aanhouding reeds was gegeven. Het arrest uit 2009 ziet (enkel) op de situatie dat een meerdere in de zin van art. 54 lid 1 en 3 Sv een bevel tot aanhouding buiten heterdaad heeft gegeven, welk bevel achteraf op onjuiste gronden blijkt te zijn gegeven. Dan is er een (in beginsel) geldige grondslag voor het optreden van de opsporingsambtenaar. Het hof heeft in de onderhavige zaak – ondanks een daartoe strekkend verweer – in het midden gelaten of een bevel van de (hulp)officier van justitie wel of niet kon worden afgewacht. Het lijkt er op dat het hof dat verweer in de context van de onderhavige zaak zelfs volstrekt irrelevant vindt. In elk geval heeft het hof onvoldoende gerespondeerd op het verweer van de verdachte zodat het oordeel van het hof dat sprake is van een rechtmatige uitoefening van de bediening niet zonder meer begrijpelijk is.14.
5. Conclusie
5.1.
Het middel slaagt.
5.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑12‑2020
Verwezen wordt naar HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2795 en ECLI:NL:HR:2009:BJ2808.
In de schriftuur wordt kennelijk per abuis gerefereerd naar lid 3 terwijl lid 4 wordt bedoeld.
Verwezen wordt naar HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3550.
Deze bevoegdheidsverdeling is in 2015 nog eens nadrukkelijk bevestigd. In het wetsvoorstel “Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met aanvulling van bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen” (Kamerstukken II 2014/15, 34159) was aan de hulpofficier van justitie een zelfstandige bevoegdheid toegekend om buiten heterdaad de aanhouding van een verdachte te bevelen. Per amendement is deze voorgenomen wetswijziging alsnog geschrapt (Kamerstukken II 2014/15, 34159, 8).
HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919.
HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:852, rov. 2.3. Zie ook conclusie AG Spronken voor HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1721, onder 6.
HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2808.
Vgl. HR 29 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2332 en de conclusie daarbij.
HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919.
HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3550.
HR 22 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1742, NJ 1993/57, m.nt. Knigge.
Op zichzelf genomen kan ik mij hier wel in vinden. Wanneer om assistentie wordt verzocht, is direct handelen geboden en dient de focus van degene die assistentie verleend primair te zijn gericht op een veilige rit naar de plaats van bestemming en op een goede en verantwoorde realisering van de aanhouding.
Vgl. HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3550, rov. 3.4-3.5.
Beroepschrift 02‑09‑2020
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Griffienummer: 19/05668 J
SCHRIFTUUR HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
van mr. R.I. Takens en mr. T.P.A.M. Wouters die verklaren door nagenoemde [verzoeker] ter zake bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd
in de zaak van:
de heer [verzoeker]
geboren op [geboortedatum] 2001
verzoeker tot cassatie van de te zijnen laste door het gerechtshof te Amsterdam op 12 december 2019 in de strafzaak onder ressortnummer 23-002584-19 gedane uitspraak.
Middel
Schending en / of onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 180 Sr en / of artikel 54 Sv en /of art. 359 lid 2 in verbinding met art. 415 Sv en / of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het gerechtshof op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen bewezen heeft verklaard dat ambtenaar [verbalisant 1] werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, althans heeft het gerechtshof die beslissing op onjuiste gronden gegeven en / of onbegrijpelijk en / of ontoereikend gemotiveerd zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, althans is het terzake door de verdediging aangevoerde uitdrukkelijk onderbouwd standpunt verworpen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen althans is die verwerping onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting
1.
Aan verzoeker tot cassatie is ten laste gelegd dat:
‘hij op of omstreeks 1 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland zich met geweld en / of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], brigadier van politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige oefening van zijn bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte, door zich los proberen te rukken en / of te bewegen in een tegenovergestelde richting dan waarin voornoemde ambtenaar hem, verdachte, trachtte te bewegen.’
2.
Terzake daarvan, kortweg wederspannigheid, werd verzoeker tot cassatie door de kinderrechter bij vonnis van 5 juli 2019 veroordeeld. Tegen die veroordeling werd hoger beroep ingesteld.
3.
In het kader van het hoger beroep werd, op verzoek van de verdediging, door de betrokken verbalisanten aanvullende processen-verbaal opgesteld, met betrekking tot de gang van zaken van de aanhouding van verzoeker tot cassatie. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 28 november 2019 zijn deze stukken bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in hoger beroep besproken.
4.
Blijkens het proces-verbaal van die zitting is door de verdediging verweer gevoerd, conform de zich bij de stukken van het geding bevindende pleitnota en wel als volgt:
- 1.
‘Blijkens p. 64 van het dossier werd er op 31 juli 2018 om 17:00 uur door dhr. [aangever] aangifte gedaan van een mishandeling gepleegd op 30 juli 2018 om 17:30 uur. Hij zou (kortweg) getrapt zijn tegen zijn bovenbeen / heup door een Noord-Afrikaanse jongen.
- 2.
Blijkens het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zijn zij op 1 augustus 2018 rond 18:24 uur afgegaan op een melding (p. 69). Ter plaatse op de Talmastraat rond 18:28 uur zien zij een jongen wegrennen, spreken zij met een aantal jongeren en spreken zij met voornoemde heer [aangever]. Die verklaarde:
‘Die jongen die net wegrende toen jullie aankwamen dat is die jongen die mij heeft geschopt. Ik heb daar gisteen aangifte van gedaan.’
- 3.
Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] relateerden vervolgens:
‘Omdat de melder had aangegeven dat hij aangifte had gedaan van mishandeling en omdat hij verklaarde dat de jongen die weg was gerend de verdachte van de mishandeling was, wilde wij kijken of deze persoon bij het badhuis was. Wij waren voornemens om deze persoon staande te houden [cursief, RT] om zijn identiteit vast te stellen.’
- 4.
Vervolgens hebben zij portofonisch contact opgenomen met een motorrijder [AA00] van hun wijkteam en hebben hem gevraagd:
‘…om ons te assisteren en positie in te nemen in de achterliggende straat, de Cardillionstraat te Amsterdam.’ (p. 69, onderaan)
Feit van algemene bekendheid is overigens dat naast het Smaragdplein de Carillionstraat (zonder d) ligt.
- 5.
Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zouden zich vervolgens richting het badhuis hebben begeven en onderweg hadden zij nog eens portofonisch contact met de collega motorrijder over het zien van een groep jongens en het zien rennen van 1 van die jongens (zie p. 70):
‘Dit alles hebben wij, verbalisanten portofonisch doorgegeven aan de [AA00].’
- 6.
Deze collega motorrijder blijkt verbalisant [verbalisant 1] te zijn. Hij relateerde dat hij op 1 augustus 2018 omstreeks 18:50 zich op het Smaragdplein te Amsterdam bevond en dat hij toen het verzoek van zijn collega's kreeg om te ondersteunen bij een aanhouding en om positie in te gaan innemen bij het tunneltje tussen de Carrillonstraat en het Smaragdplein te Amsterdam, hetgeen hij toen heeft gedaan (p. 67).
In het aanvullend proces-verbaal d.d. 13 september 2019 relateerde verbalisant [verbalisant 1] wederom dat het verzoek betrekking had op een aanhouding:
‘… van de collega's [verbalisant 3] en [verbalisant 2] om ondersteuning te verlenen bij de aanhouding [cursief, RT] van een verdachte. Deze verdachte kon buiten heterdaad worden aangehouden.’
In zijn oorspronkelijke proces-verbaal relateerde [verbalisant 1] dat het ‘ons’ op enig moment gelukt is tot aanhouding van cliënt over te gegaan. Cliënt zou zich hebben verzet tegen deze aanhouding door te bewegen in tegengestelde richting / te trachten zich los te rukken / te bewegen met de armen (p. 67).
- 7.
Blijkens het proces-verbaal van aanhouding werd cliënt op 1 augustus 2018 om 18:50 uur aangehouden door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (p. 80).
- 8.
Op basis van de voorhanden zijnde stukken, waaronder de aanvullend opgemaakte processen-verbaal, moeten worden vastgesteld dat:
- —
er verschillend wordt gerelateerd wat nou de oorspronkelijke bedoeling was van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], namelijk enkel eerst staandehouden ter controle van identiteit (p. 69 onderaan), of meteen al ter aanhouding (zie pv's [verbalisant 1]);
- —
cliënt werd niet staandegehouden maar werd door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aangehouden terzake van mishandeling;
- —
er geen sprake was van een heterdaad situatie;
- —
er geen voorafgaande toestemming was om tot aanhouding over te gaan;
- —
er voldoende gelegenheid moet zijn geweest om voorafgaande toestemming van een officier van justitie of hulpofficier van justitie te vragen, zodat zich niet een spoedeisende situatie van art. 54 lid 3 Sv voordeed.
- 9.
Op het moment dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] het plan opvatten om achter de wegrennende jongen, die mogelijk de verdachte was van de mishandeling, aan te gaan was er reeds sprake van een tijdsverloop van meer dan 2 dagen sinds het vermeende feit en was er geen sprake van een onafgebroken speurtocht van politie om de dader te pakken te krijgen.
Aangever had immers op 31 juli 2018 aangifte gedaan van iets van 30 juli 2018 en sprak daarover de verbalisanten op 1 augustus 2018 op straat aan.
Tussen de gestelde mishandeling en dit contact met politie zat inmiddels meer dan 2 dagen, zodat zich niet een situatie zoals bedoeld in art. 128 Sv voordoet, namelijk niet een situatie wanneer het strafbare feit ontdekt wordt, het begaan wordt of terstond nadat het begaan is. Dit tijdsverloop ‘terstond nadat het feit begaan is’ kan in de praktijk nog wel eens worden uitgerekt, mits blijkt van een politieoptreden tijdens de heterdaad situatie en het politieoptreden onafgebroken wordt voortgezet om de dader te pakken te krijgen. Hiervan is in casu geen sprake geweest.
- 10.
Ingevolge art. 54 lid 3 Sv komt de bevoegdheid tot aanhouding van de verdachte buiten het geval van ontdekking op heterdaad, zonder een daartoe strekkend bevel als bedoeld in het eerste lid van die bepaling, toe aan elke opsporingsambtenaar, indien het optreden van de officier van justitie of een van diens hulpofficieren niet kan worden afgewacht.
In dit geval blijkt, m.i. zonneklaar, dat er ruimschoots gelegenheid is geweest voor het opnemen van contact met de (hulp)officier van justitie om de situatie voor te leggen en het al dan niet verkrijgen van toestemming om tot aanhouding over te gaan.
- 11.
Immers blijken verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] wel tijd te hebben gehad om portofonisch contact op te nemen met de motoragent [verbalisant 1], met het verzoek om te assisteren en hebben zij tijd gehad om portofonisch de bevindingen door te geven omtrent de groep en een rennende jongen (p. 70, 2e alinea).
- 12.
In het aanvullende proces-verbaal van [verbalisant 1] d.d. 13 september 2019 relateerde hij dat hij reeds op 1 augustus 2018 om 18:45 uur het verzoek kreeg om te ondersteunen bij de aanhouding. Dit komt mij logisch over, omdat er nog enige tijd nodig was voor [verbalisant 1] om zich richting het Smaragdplein te verplaatsen en de aanhouding pas om 18:50 uur plaatsvond (p. 80).
Ook hieruit blijkt dat verbalisanten zo'n 4 á 5 minuten de tijd hadden om toestemming te vragen voor een eventuele aanhouding.
- 13.
Bovendien hadden de betrokken verbalisanten, zoals verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aanvankelijk relateerde, ook gewoon de mogelijkheid om de verdachte eerst staande te houden, de identiteit te controleren en om bij die gelegenheid te vragen of er toestemming was van een (hulp)officier van justitie om tot aanhouding over te gaan.
- 14.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft in het aanvullend proces-verbaal d.d. 13 september 2019 gerelateerd:
‘Ten tijde van dit incident had ik, verbalisant, constant verbinding met de Meldkamer Amsterdam dan wel was ik in staat om daar op elke gewenst moment contact mee op te nemen.’
Ik zie niet in dat de situatie anders zou zijn geweest voor verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Zij kregen immers portofonisch de melding van de meldkamer / het operationele centrum (p. 69, 2e alinea), zodat zij daarmee in contact stonden en zij gebruikten hun portofoon ook meer dan eens door contact te hebben met verbalisant [verbalisant 1] tijdens het rijden richting het Smaragdplein.
- 15.
Op basis van de oorspronkelijke processen-verbaal, maar ook op basis van met name het aanvullend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1], valt niet in te zien waarom het optreden van een (hulp)officier van justitie niet kon worden afgewacht en waarom in de tijd tussen de melding en de aanhouding geen contact is geweest tussen (een van) de betrokken opsporingsambtenaren en een (hulp)officier van justitie.
- 16.
Van groot belang acht ik hierbij dat uit het aanvullend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] naar voren komt dat reeds vanaf 18:45 uur, het moment van vertrek van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] richting het Smaragdplein, de intentie bestond om de verdachte aan te gaan houden. Dat hij om die reden ter ondersteuning erbij is geroepen door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] bleek ook al uit zijn oorspronkelijke proces-verbaal (p. 67). Gedurende de daarop volgende rit van zo'n 4 minuten hadden alle 3 betrokken verbalisanten een reële mogelijkheid om bij een (hulp)officier van justitie om toestemming te verzoeken om tot aanhouding over te mogen gaan. Ook bij het contact met client op het Smaragdplein moeten zij die mogelijkheid hebben gehad en blijkt niet dat zij onder geen beding daartoe de mogelijkheid zouden hebben kunnen creëren (bijvoorbeeld door eerst staande te houden).
- 17.
Ik betwist dan ook uitdrukkelijk dat er sprake was van een zodanige spoedeisendheid zoals bedoeld in art. 54 lid 3 Sv, dat zonder toestemming tot aanhouding kon worden overgegaan.
- 18.
Ik stel mij dan ook op het uitdrukkelijke standpunt dat verbalisanten met schending van art. 54 Sv tot aanhouding zijn overgegaan, zodat deze aanhouding op dat moment onrechtmatig was en verbalisanten dan ook op dat moment niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren.
Het ten laste gelegde feit (althans het bestanddeel) van het verzet tegen een ambtenaar (die op dat moment) ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ (was) kan dan ook om voornoemde redenen niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, reden waarom ik u verzoek om mijn cliënt vrij te spreken.’
5.
Het gerechtshof heeft de raadsman niet gevolgd en heeft daartoe overwogen:
‘De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de verdachte vrij te spreken. De raadsman heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. De verdachte is door de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aangehouden terzake van mishandeling. Er was op dat moment geen sprake van een heterdaad situatie. Alhoewel er voldoende gelegenheid was om voorafgaand aan de aanhouding toestemming te vragen aan een (hulp)officier van justitie is dit niet gebeurd. Evenmin was er sprake van een spoedeisende situatie zoals bedoeld in artikel 54 van het Wetboek van Strafvordering. Derhalve was sprake van een onrechtmatige aanhouding, hetgeen betekent dat de verbalisanten op dat moment niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren. Om welke reden het ten laste gelegde feit (althans het bestanddeel) van het verzet tegen een ambtenaar ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ niet wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard.
Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. De tenlastelegging ziet op de verbalisant [verbalisant 1].
Op 1 augustus 2018 rond 18.45 uur kreeg verbalisant [verbalisant 1] via de portofoon het verzoek van zijn collega's [verbalisant 3] en [verbalisant 2] om ondersteuning te verlenen bij de aanhouding van de verdachte. Deze zou zich nabij het Smaragdplein bevinden en de collega's van verbalisant [verbalisant 1] wilden voorkomen dat hij zich aan zijn aanhouding zou onttrekken via de voetgangerstunnel die de verbinding vormt tussen het Smaragdplein en de Carillonstraat. Daarom werd verbalisant [verbalisant 1] door zijn collega's gevraagd deze tunnel te blokkeren, waarop hij naar deze tunnel is gereden en deze met zijn surveillancemotor heeft geblokkeerd. Nadat verbalisant [verbalisant 1] en zijn collega's de verdachte hadden ingesloten, verzette deze zich hevig tegen zijn aanhouding. Op het moment dat er een transportboei was aangelegd bewoog de verdachte zich in een andere richting dan de richting waarin de verbalisanten hem wilden doen bewegen. Hij trachtte zich los te rukken en was met zijn armen om zich heen aan het bewegen. Teneinde het verzet te doen ophouden heeft verbalisant [verbalisant 1] de verdachte ten val gebracht, waarna de verdachte in de surveillanceauto kon worden geplaatst.
Het hof overweegt als volgt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een verbalisant die uitvoering geeft aan het verzoek van een collega om te ondersteunen bij de aanhouding van een verdachte, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening zoals bedoeld in artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht. Van een verbalisant kan en mag niet worden verwacht dat hij op een dergelijk moment bij zijn collega navraagt of aan alle achterliggende formaliteiten voor de toepassing van het dwangmiddel van aanhouding is voldaan, bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden daargelaten. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in deze zaak niet aangevoerd. Ook indien achteraf komt vast te staan dat er geen door de (hulp) officier van justitie gegeven bevel tot aanhouding is gegeven en er geen sprake was van een situatie zoals bedoeld in artikel 54, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering en mitsdien de aanhouding van de verdachte mogelijk niet rechtmatig zou moeten worden geacht, brengt dit nog niet met zich mee dat de ambtenaar die aan een dergelijk verzoek tot assistentie gevolg heeft gegeven, op dat moment in beginsel niet heeft gehandeld in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening in de zin van artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.’
6.
Vervolgens is ten laste van verzoeker tot cassatie bewezenverklaard dat:
‘hij op 1 augustus 2018 te Amsterdam, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], brigadier van politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige oefening van zijn bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte, door zich los proberen te rukken en te bewegen in een tegenovergestelde richting dan waarin voornoemde ambtenaar hem, verdachte, trachtte te bewegen.’
7.
Art. 180 Sr luidt:
‘Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, of tegen personen die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verlenen, wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.’
8.
Art. 54 Sv luidt:
- 1.
Ook buiten het geval van ontdekking op heeter daad is de officier van justitie bevoegd den verdachte van eenig strafbaar feit waarvoor voorloopige hechtenis is toegelaten, aan te houden en naar eene plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook diens aanhouding of voorgeleiding bevelen.
- 2.
Kan het optreden van den officier van justitie niet worden afgewacht, dan komt gelijke bevoegdheid toe aan ieder zijner hulpofficieren. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan den officier van justitie.
- 3.
Kan ook het optreden van een dier hulpofficieren niet worden afgewacht, dan is elke opsporingsambtenaar bevoegd den verdachte aan te houden, onder verplichting zorg te dragen dat hij onverwijld voor den officier van justitie of een van diens hulpofficieren wordt geleid. Op den hulpofficier voor wien de verdachte wordt geleid, is de tweede zin van het voorgaande lid van toepassing.
- 4.
Een bevoegdheid tot aanhouding buiten het geval van ontdekking op heterdaad komt toe aan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat die op door het volkenrecht toegelaten wijze grensoverschrijdend het achtervolgingsrecht in Nederland uitoefent, onder de verplichting ten aanzien van de aangehoudene te handelen als in het derde lid omschreven.
9.
Art. 128 Sv luidt:
- 1.
Ontdekking op heeter daad heeft plaats, wanneer het strafbare feit ontdekt wordt, terwijl het begaan wordt of terstond nadat het begaan is.
- 2.
Het geval van ontdekking op heeter daad wordt niet langer aanwezig geacht dan kort na het feit dier ontdekking.
10.
Art. 149 Sv luidt:
- 1.
De officier van justitie is belast met de opsporing van de strafbare feiten waarvan de rechtbank in het arrondissement waarin hij is aangesteld, kennisneemt, alsmede met de opsporing binnen het rechtsgebied van die rechtbank van de strafbare feiten waarvan andere rechtbanken kennisnemen.
- 2.
Hij geeft daartoe bevelen aan de overige personen met de opsporing belast. (…)
11.
Op basis van de stukken van het geding, waaronder hetgeen door en namens verzoeker tot cassatie is aangevoerd, moet als vaststaand worden aangenomen dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op 1 augustus 2018 rond 18:24 uur kennis kregen van de melder dat hij de dag daarvoor aangifte had gedaan van hetgeen hem de dag voorafgaand aan de aangifte zou zijn overkomen, te weten een mishandeling.
Verbalisanten werden dan ook geconfronteerd met een aangever m.b.t. iets wat zich 2 dagen eerder zou hebben afgespeeld.
Eerst op 1 augustus 2018 rond 18:50 uur werd verzoeker tot cassatie aangehouden, zodat er sprake is van een relevant tijdsverloop tussen het eerste moment waarop verbalisanten een jongen weg zagen rennen en het moment van aanhouden van verzoeker tot cassatie.
12.
Uit niets blijkt dat terzake van dat door aangever genoemde feit reeds sinds 30 juli 2018 een onafgebroken onderzoek door de politie werd verricht. Het vermeende feit was kennelijk al begaan en ‘niet terstond begaan’ en er was geen sprake van een ontdekking ‘kort’ nadat het feit begaan was, zodat er geen sprake was van een situatie van heterdaad zoals bedoeld in art. 128 Sv. Verbalisanten waren dan ook voornemens om over te gaan tot een aanhouding buiten heterdaad.
13.
Het systeem van art. 54 Sv laat zien dat in een geval buiten heterdaad zo mogelijk een voorafgaande toetsing van een meerdere, in de strafrechtsketen hoger gepositioneerde ambtenaar, te weten in de eerste plaats een officier van justitie of in de tweede plaats een hulpofficier van justitie, vereist is.
Op grond van art. 54 lid 1 Sv is de officier van justitie bevoegd een bevel tot aanhouding buiten heterdaad te geven van de verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Dit kan ex art. 148, tweede lid, Sv mondeling of schriftelijk geschieden aan de aan de officier van justitie ondergeschikte opsporingsambtenaren.
Op grond van art. 54 lid 2 Sv kan de hulpofficier van justitie een bevel tot aanhouding geven wanneer het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht. Aan het systeem dat voorafgaande toetsing door een officier van justitie het uitgangspunt dient te zijn wordt tegemoet gekomen door de bepaling dat de hulpofficier van justitie onverwijld van de aanhouding schriftelijk of mondeling kennis geeft aan de officier van justitie.
Slechts voor uitzonderlijke situaties, waarvan in deze casus niet is gebleken, voorziet art. 54 lid 3 Sv in de mogelijkheid om buiten heterdaad tot aanhouding over te gaan zonder voorafgaande toestemming zoals bedoeld in de leden 1 en 2 van dat artikel.
14.
De ratio voor het stellen van strengere eisen aan de bevoegdheid om een verdachte aan te houden buiten heterdaad is dat de kans op vergissingen hierbij groter is en dat de officier van justitie bij het afgeven van een daartoe strekkend bevel moet beoordelen of de betrokken persoon wel kan worden aangemerkt als verdachte van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Het gaat hier per slot van rekening om een vrijheidsbenemend dwangmiddel (zie: ECLI:NL:PHR:2014:2265). Het betreft dan een belangrijke strafvorderlijke waarborg om (al te) willekeurig optreden van politie tegen te gaan.
Bovendien bestaat er belang bij deze in art. 54 Sv verwerkte hiërarchie, doordat dit voor de rechtspraktijk (met name voor de politie op straat) duidelijkheid schept over de verdeelde beslissingsbevoegdheden, het wenselijk moet worden geacht dat een officier van justitie primair degene is die beslist omdat hij minder nauw bij de zaak betrokken is en niet zelf als opspoorder fungeert zodat een officier van justitie meer in staat zal zijn om objectief de verschillende belangen af te wegen en de officier van justitie beter het oog zal hebben op een effectieve opsporing, door niet te snel tot aanhouding over te gaan, maar eerst te investeren in het onderzoek / vergaren van meer bewijs voorafgaand aan een aanhouding (zie W. Bos, V. Mul en A. Schoep, NJB blog, ‘Aanhouding buiten heterdaad — Een logische bevoegdheid voor de hulp-Ovj?’ d.d. 25 februari 2016).
15.
In het kader van het nieuwe wetboek van strafvordering (concept-wetsvoorstel tot vaststelling van Boek 2 van het nieuwe wetboek van Strafvordering, Het opsporingsonderzoek) wordt door de wetgever bovendien vastgehouden aan dit systeem waarbij de officier van justitie of de hulpofficier van justitie in gevallen buiten heterdaad een bevel tot aanhouding dienen te verstrekken (artikel 2.5.2.3 Sv).
16.
Wanneer dit in art. 54 verwerkte systeem van verlening van mandaat, te weten een van hoger af gegeven bevel, ertoe leidt dat een opsporingsambtenaar op basis van zo'n vooraf gegeven bevel over gaat tot aanhouding buiten heterdaad en hij terzake te goeder trouw het gegeven bevel uitvoert, dan handelt hij in beginsel in de rechtmatige uitoefening zijner bediening (vgl. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2795 en ECLI:NL:HR:2009:BJ2808):
‘Als uitgangspunt heeft immers te gelden dat de ambtenaar die uitvoering geeft aan een opdracht die hem is verstrekt door een tot het geven van die opdracht bevoegde meerdere, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening zoals bedoeld in art. 180 Sr. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zijn in deze zaak niet aangevoerd. Ook indien achteraf zou komen vast te staan dat het door de Officier van Justitie gegeven bevel tot aanhouding buiten heterdaad niet op goede gronden is gegeven en mitsdien de aanhouding van de verdachte mogelijkerwijs niet rechtmatig zou moeten worden geacht, neemt dit niet weg dat de ambtenaren die aan een dergelijk bevel gevolg hebben gegeven, in beginsel hebben gehandeld in de rechtmatige uitoefening van hun bediening in de zin van art. 180 Sr.’
17.
Ontbreekt echter deze voorafgaande toestemming en deed zich geen spoedeisende situatie als bedoeld in art. 54 lid 3 Sv voor, dan handelt de opsporingsambtenaar in beginsel niet in de rechtmatige uitoefening zijner bediening (vgl. HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3550).
Hoewel bovengenoemde zaak uit 2014 in cassatie strandde, doordat hetgeen door de verdediging in die zaak ten verwere werd aangevoerd niet genoegzaam in de sleutel van art. 359a Sv was geplaatst, is deze uitspraak wel van belang voor een zaak zoals die van verzoeker tot cassatie, waar het gaat om een bewijsverweer ten aanzien van een in de tenlastelegging opgenomen delictsbestanddeel.
18.
Hetzelfde geldt wanneer een opsporingsambtenaar een woning binnentreedt zonder de vereist voorafgaande machtiging van een meerdere, te weten de hulpofficier van justitie. Ook dan is in beginsel geen sprake van een rechtmatige uitoefening van zijn bediening (vgl. HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1423, onder verwijzing naar HR 18 april 1978, NJ 1978/364).
19.
In de zaak van verzoeker tot cassatie gaat het gerechtshof een stap verder en doorbreekt daarmee het systeem van voorafgaande ‘checks and balances’, van voorafgaande toetsing door een meerdere, door het vereiste van een van voorafgaand van bovenaf komend bevel, terwijl er geen sprake was van een noodsituatie, helemaal los te laten.
Dat oordeel moet in strijd worden geacht met de letter van de wet, de wil van de wetgever, het in art. 54 Sv tot uitdrukking gebrachte systeem van voorafgaande controle en mandaat om tot aanhouding over te gaan in een situatie buiten heterdaad en levert bovendien strijd op met de hiervoor weergegeven jurisprudentie van uw Hoge Raad.
Het oordeel van het gerechtshof getuigt dan ook van een verkeerde rechtsopvatting en is daarmee onjuist.
20.
Indien het door het gerechtshof gestelde uitgangspunt in het algemeen zou worden aanvaard, dan verwordt art. 54 Sv daarmee tot een dode letter. Immers, in dat geval zou elke opsporingsambtenaar een collega opsporingsambtenaar over kunnen laten gaan tot aanhouding buiten heterdaad zonder dat de door de wetgever in het leven geroepen voorafgaande toetsing plaats heeft gevonden en zou de opsporingsambtenaar die tot aanhouding buiten heterdaad overgaat bij het ontbreken van de vereiste machtiging zich altijd kunnen verschuilen achter het argument dat hij te goeder trouw handelde. Dat levert een onaanvaardbare situatie en duidelijke strijd met de wil van de wetgever op.
21.
Het oordeel van het gerechtshof dat ‘van een verbalisant niet kan en mag worden verwacht dat hij op een dergelijk moment bij zijn collega navraagt of aan alle achterliggende formaliteiten voor de toepassing van het dwangmiddel van aanhouding is voldaan, bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden daargelaten’ acht ik eveneens onjuist.
Verbalisanten dienen zich juist te zijn doordrongen van de noodzaak van een voorafgaand en van hoger af komend bevel tot aanhouding in geval van aanhouding buiten heterdaad, zonder dat sprake is van een spoedeisende situatie. Ook is niet goed voorstelbaar wat de praktische bezwaren zouden zijn tegen het zich vergewissen van de opsporingsambtenaar of er wel of niet sprake is van een situatie van heterdaad en in dat laatste geval of er sprake is van een vooraf gegeven bevel tot aanhouding, danwel of zich een noodsituatie voordoet.
In de bewoordingen van het gerechtshof lijkt bovendien besloten te liggen dat het een hele klus zou zijn voor een opsporingsambtenaar om te verifiëren of tot aanhouding overgegaan zou mogen worden, alleen geeft het gerechtshof geen inzicht in die gedachtegang.
Zoals door de raadsman bij pleidooi is aangevoerd en door het gerechtshof niet is bestreden, stonden de betrokken opsporingsambtenaren, ook blijkens de eigen afgelegde verklaringen, steeds in verbinding met elkaar en met de meldkamer van politie en bestond er tijdens de zoektocht naar de verdachte ook feitelijk voldoende gelegenheid om de vereiste voorafgaande toestemming te krijgen. Dit zich vergewissen ‘of aan alle achterliggende formaliteiten voor de toepassing van het dwangmiddel van aanhouding is voldaan’ levert in de praktijk in beginsel dan ook helemaal geen onaanvaardbaar grote klus op, gelet op de moderne technieken van communicatie welke beschikbaar zijn, en niet valt in te zien, waarom dit niet verlangd zou kunnen en mogen worden van de betrokken opsporingsambtenaar. Dit volgt immers uit de wettelijke vereisten van art. 54 Sv.
22.
Ook in breder verband roept de benadering van het gerechtshof, welke besloten ligt in het hier in cassatie bestreden oordeel, te denken. Immers, wanneer de algemene regel zou worden aanvaard dat een opsporingsambtenaar te goeder trouw handelt wanneer hij op verzoek van een collega opsporingsambtenaar (niet zijnde een officier van justitie of hulpofficier van justitie) overgaat tot het inzetten van een dwangmiddel, dan zou dit opleveren dat in elke situatie waarbij een voorafgaande machtiging van een meerdere wettelijk gezien vereist is, het inzetten van dat dwangmiddelen zonder een dergelijke machtiging alsnog als rechtmatig ingezet moet worden beschouwd. Dat moet als een onaanvaardbare uitholling van het systeem van de wet worden beschouwd.
23.
Gelet op het voorstaande meen ik dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven.
24.
Verzoeker tot cassatie meent bovendien voldoende belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van dit cassatiemiddel (art. 80a RO), aangezien het zich richt tegen één van de vragen van art. 350 Sv, meer specifiek de vraag of ten laste van verzoeker tot cassatie kan worden bewezenverklaard dat hij zich heeft verzet tegen een ambtenaar terwijl die ambtenaar werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en niet blijkt van een kennelijke misslag welke voor eenvoudige verbetering (door verbeterde lezing of herstelarrest) vatbaar is.
Amsterdam, 2 september 2020
Uitdrukkelijk bepaaldelijk gevolmachtigden,
mr. R.I. Takens
mr. T.P.A.M. Wouters