Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/9.3.2
9.3.2 Geen acute belastingheffing (doorschuifregelingen)
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491532:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit mogelijke bezwaar speelt geen rol bij de aandeelhouders, leden, schuldeisers, winstbewijshouders en optiehouders. De vennootschapsbelastingclaim blijft daar immers behouden bij hetzelfde vennootschapsbelastingsubject. Zie ook onderdeel 9.3.1 hiervóór. In het vervolg van dit onderdeel laat ik deze positie daarom verder onbesproken.
In de meeste splitsingsvarianten verkrijgt de splitser geen tegenprestatie in ruil voor het vermogen dat onder algemene titel overgaat naar de verkrijger(s). Het is dan niet goed mogelijk de belastingclaim op het niveau van de splitsende rechtspersoon te handhaven omdat een doorschuifobject (bijvoorbeeld aandelen) ontbreekt. Bij een moeder-dochterafsplitsing (zie onderdeel 2.8.3, onder e t/m i) ligt dat anders. De afsplitser verkrijgt dan immers alle aandelen in de verkrijger(s). Het is dan in principe mogelijk enerzijds af te zien van acute belastingheffing en anderzijds de belastingclaim te waarborgen bij de splitsende rechtspersoon, namelijk door deze claim te koppelen aan de toegekende aandelen. Vervolgens zijn in de meeste gevallen flankerende maatregelen nodig in de sfeer van de deelnemingsvrijstelling. Naast het bezwaar dat deze methode niet passend is voor iedere splitsingsvorm (zodat verschillende stelsels naast elkaar zouden bestaan), is zij niet in overeenstemming met de Fusierichtlijn. Ik ga er daarom niet verder op in.
Zie onderdeel 9.2.
Dit is uitgebreider behandeld in de onderdelen 4.2.1 en 6.2.
Dit neemt niet weg dat fiscale afrekening als hoofdregel naar mijn mening terecht is. Zie onderdeel 6.2. Met het betoog in de hoofdtekst wil ik (slechts) verduidelijken dat een doorschuifregeling voor splitsingen in de Wet VPB 1969 goed past in de genoemde visie op de vennootschapsbelasting (neutraliteitsgedachte). Een doorschuifregeling is in die visie zelfs geen absolute uitzondering. Dit ligt anders als men de vennootschapsbelasting vanuit de antropomorfe visie verklaart (zie onderdeel 4.2.1), maar ook dan kan een doorschuifregeling goed worden verdedigd op basis van het welvaartsbeginsel, de economische dimensie van het neutraliteitsbeginsel en het liquiditeitsbeginsel.
Dit staat los van de vraag in hoeverre de vennootschapsbelasting überhaupt wordt afgewenteld. Zie daarover bijvoorbeeld Verburg 2000, onderdeel 1.3.
Als de verkrijger(s) bij de splitsing worden opgericht, krijgen de aandeelhouders van de splitser alle aandelen in die verkrijger(s) toegekend. De bedoelde afwenteling is dan uit de aard van de zaak niet aan de orde.
Van een a.b. is kort gezegd sprake bij een aandelenbelang van 5% of meer. Zie ook onderdeel 8.3.4.
In het geval van een moeder-dochterafsplitsing (zie onderdeel 2.8.3, onder e) worden geen aandelen toegekend aan de aandeelhouders van de afsplitsende rechtspersoon, maar aan de afsplitser zelf. Compensatie van de aandeelhouders is bij die splitsingsvorm niet nodig. Zij behouden immers (indirect) hun belang. Zie uitgebreider onderdeel 8.2.2.
Zie art. 2:334y, onderdeel a, BW en Kamerstukken II 1995/96, 24 702, nr. 3, p. 8 en 21. Vgl. ook Bellingwout, Ondernemingsrecht 2000/340, onderdeel 5.
Het vermogen dat overgaat naar de verkrijger(s), wordt bij deze verkrijger(s) fiscaal gewaardeerd voor dezelfde waarde als waarvoor dat vermogen bij de splitser op de fiscale balans stond genoteerd. Het doorschuiven van de fiscale boekwaarden zorgt voor handhaving van de vennootschapsbelastingclaim. Deze claim komt na de splitsing bij de verkrijger(s) tot uitdrukking. In de commerciële cijfers wordt hiermee rekening gehouden via het vormen van een vennootschapsbelastinglatentie. Het voert te ver hier uitgebreider op in te gaan.
Rijkers 1989, hoofdstuk 3, onderdeel 3.4, p. 58-59, behandelt een vergelijkbaar fenomeen in de sfeer van doorschuifregelingen in de inkomstenbelasting.
Als de splitsings- respectievelijk (fictieve) vervreemdingswinst bij een betrokkene bij de splitsing niet in aanmerking hoeft te worden genomen, is duidelijk dat heffing van vennootschapsbelasting geen belemmering is voor de splitsing. Een mogelijk bezwaar dat met betrekking tot de positie van de splitsende rechtspersoon tegen deze (doorschuif)methode zou kunnen worden aangevoerd, is dat na de splitsing uiteindelijk vennootschapsbelasting wordt geheven van de verkrijger(s), terwijl de stille reserves, niet-geactiveerde goodwill en fiscale reserves op het splitsingstijdstip al aanwezig waren en daarmee toerekenbaar zijn aan de splitsende rechtspersoon.1 Deze methode maakt dus een inbreuk op de totaalwinst en daarmee op de draagkracht van het splitsende belastingsubject.2 Hoewel dit op het eerste gezicht mogelijk een zwaarwegend argument lijkt, is dat bij nadere beschouwing mijns inziens niet het geval. Zoals hiervóór al is besproken, kan deze inbreuk namelijk worden gebaseerd op het welvaartsbeginsel, de economische dimensie van het neutraliteitsbeginsel, de dynamische neutraliteitsgedachte en het liquiditeitsbeginsel.3 Bovendien dient het predicaat ‘inbreuk’ te worden genuanceerd als bij de splitsing de gehele onderneming overgaat en intact blijft én de vennootschapsbelasting wordt gezien als een belasting die aangrijpt bij het lichaam als subject, maar in feite beoogt de ondernemingswinst (het object) te belasten. De vennootschapsbelasting is in deze visie vanuit de neutraliteitsgedachte nodig om een globaal evenwicht te vinden tussen de IB-ondernemer en de ondernemer die gebruik maakt van een rechtspersoon of een daarmee gelijkgesteld lichaam (dynamische neutraliteit).4 Past de splitsende rechtspersoon de doorschuifregeling toe, dan verhuist de belastingclaim weliswaar naar een ander vennootschapsbelastingsubject, maar deze blijft gekoppeld aan dezelfde onderneming; het object. Dat past uitstekend in de genoemde visie op de vennootschapsbelasting.5
Als we de genoemde visie op de vennootschapsbelasting tot uitgangspunt nemen (neutraliteitsgedachte), verdient ook de positie van de achterliggende participanten aandacht. Meer concreet rijst de vraag of een doorschuifregeling in de vennootschapsbelasting op het niveau van de splitsende rechtspersoon ervoor zorgt dat de belastingdruk door de achterliggende aandeelhouders van deze splitser wordt afgewenteld6 naar de zittende aandeelhouders in een verkrijger(s).7 Mijns inziens is het antwoord op deze vraag ontkennend. Ik illustreer dit aan de hand van een situatie van particuliere aandeelhouders met een a.b. in de splitsende rechtspersoon.8 De aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon verkrijgen als hoofdregel aandelen in alle verkrijgende rechtspersonen.9 De omvang en waarde van die toegekende aandelen wordt vastgesteld aan de hand van een ruilverhouding en daarbij is de waarde van het overgegane vermogen relevant.10 Als de splitsende rechtspersoon bij de splitsing vennootschapsbelasting betaalt (ruisende splitsing), worden middelen onttrokken aan zijn vermogen. Het eigen vermogen van de splitser neemt daardoor af. Dat vertaalt zich in het aantal aandelen dat door de verkrijger(s) wordt toegekend aan de aandeelhouder(s) van de splitser. Maakt de splitsende rechtspersoon daarentegen gebruik van een doorschuifregeling in de Wet VPB 1969, dan blijft fiscale afrekening achterwege (geen cash out). Daar staat echter tegenover dat de waarde van het totale vermogen dat overgaat naar de verkrijger(s) negatief wordt beïnvloed door de contante waarde van de vennootschapsbelastinglatentie.11 Ook dat vertaalt zich in het aantal aandelen dat wordt toegekend aan de aandeelhouder(s) van de splitsende rechtspersoon. Op deze manier ‘betalen’ deze aandeelhouders dus zelf de prijs voor het niet-afrekenen, zij het dat de omvang van de latente vennootschapsbelasting in het doorschuifscenario kan afwijken van de acuut vennootschapsbelastinglast in het afrekenscenario.12
Gelet op het voorgaande zie ik geen fiscaal-theoretische bezwaren tegen doorschuifregelingen. Bovendien zijn doorschuifregelingen in overeenstemming met het hoger recht in de vorm van de Fusierichtlijn. In het volgende onderdeel kom ik op dit laatste uitgebreider terug.