Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/1.5
1.5 Onderzoeksvragen
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS608429:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het noodzakelijkheidsvereiste verder § 1.3.
Zie verder § 1.8.
Zie art. 3:277 lid 1 BW.
Zie over het afschaffen van de voorrang van de fiscus eveneens S.C.J.J. Kortmann'Fiscaal privilege, bodemrecht en bodemvoorrecht: recht of onrecht?', Insolad Jaarboek 2000, p. 85-88 en E. Dirix, 'Fiscale schuldvorderingen in rechtsvergelijkend perspectief', Insolad Jaarboek 2009, p. 65-74.
Faber, t.a.p., p. 146 en eveneens p. 454 e.v. Zie over de feitelijke preferentie toegespitst op insolventie H.C.F. Schoordijk, 'De positie van feitelijke preferente crediteuren bij faillissement en surséance van betaling', bijdrage aan de Van Ovenbundel Gratia Commercii, tevens opgenomen in diens Verspreid werk: Schoordijk 1991, p. 383-404.
De in de § 1.3 en 1.4 gegeven beschouwingen geven aanleiding tot de volgende vraagstellingen voor dit onderzoek:
In hoeverre wijken de in artikel 24 Iw 1990 neergelegde verrekeningsregels af van de civielrechtelijke verrekeningsregels?
Welke gronden zijn door de wetgever aangevoerd om (de noodzaak van) deze afwijkingen te onderbouwen en te rechtvaardigen?
Kunnen deze gronden gelden als voldoende en deugdelijke gronden ter rechtvaardiging van de afwijkingen van het civielrechtelijke verrekeningsregime?
Deze onderdelen samenvoegend, laat de centrale onderzoeksvraag zich als volgt formuleren:
Kunnen de gronden die door de wetgever zijn aangevoerd om de afwijkingen in artikel 24 Iw 1990 van de civielrechtelijke regels te onderbouwen en rechtvaardigen, gelden als voldoende en deugdelijke gronden?
Hierbij geldt als uitgangspunt dat, indien sprake is van een essentiële afwijking van de civielrechtelijke verrekeningsregels waarvoor geen specifieke noodzaak aanwezig blijkt te zijn, daarmee gegeven is dat geen rechtvaardiging voor een dergelijke afwijking aanwezig is. Afwijkingen op essentiële onderdelen die niet noodzakelijk blijken te zijn, laten zich immers reeds om die reden niet rechtvaardigen.1
Bij de behandeling van deze centrale onderzoeksvraag is relevant te onderzoeken in hoeverre in andere rechtsstelsels de fiscale verrekening al dan niet afwijkend is geregeld van de civielrechtelijke verrekening en welke gronden daarvoor zijn aangedragen. Daarbij wordt gekeken naar de verrekeningssystemen in Engeland, de Verenigde Staten, Duitsland, Frankrijk en België. In de laatste twee landen is verrekening voor de fiscus bestuursrechtelijk ingekaderd, terwijl in de Verenigde Staten en Duitsland verrekening door de fiscus primair vanuit het privaatrecht wordt geregeld. In Engeland is sprake van een tussenvorm. Door een vergelijking te maken van de werking van de verrekeningssystemen uit de genoemde landen met die van het Nederlandse systeem voor verrekening door de fiscus, kan wellicht een beter oordeel worden gevormd over de Nederlandse regeling.2
Twee andere ontwikkelingen spelen in verband met deze onderzoeksvraag mede een rol. In de eerste plaats de invoering van de vierde tranche Awb per 1 juli 2009, met daarin een specifieke regeling voor bestuursrechtelijke geldschulden. In de vorige paragraaf kwam dit reeds aan de orde. Artikel 24 Iw 1990 is na de invoering van de vierde tranche Awb blijven gelden, echter met enkele belangwekkende aanpassingen. Ten tweede doet zich thans in ons omringende landen een ontwikkeling voor, waarbij - zowel in als buiten insolventie - rechten van voorrang, in de vorm van preferenties, worden teruggedrongen. Dit geschiedt vanuit de behoefte het beginsel van de paritas creditorum3 een prominentere positie te geven. Voorbeelden daarvan vormen Duitsland, Engeland en Denemarken. Ook de voorrangspositie van de fiscus staat daarbij ter discussie en is reeds in sommige landen afgeschaft. De in Nederland ingestelde Commissie insolventierecht heeft in het op 1 november 2007 aan de Minister van Justitie aangeboden Voorontwerp Insolventiewet, mede onder verwijzing naar buitenlandse ontwikkelingen, aangegeven voorstander te zijn van het afschaffen van bestaande preferenties van schuldeisers en het niet toelaten van nieuwe preferenties. Daaronder worden ook uitdrukkelijk de preferenties van de fiscus begrepen.4
Verrekening geldt als een vorm van feitelijke voorrang. Klomp5verwoordt dit als volgt:
"Daarnaast heeft verrekening eigenschappen van een zekerheidsrecht. Zonder medewerking van de schuldenaar kan een schuldeiser zich immers de hem verschuldigde prestatie doen toekomen. Dit is in het bijzonder interessant bij een (dreigend) faillissement. Verrekening levert een feitelijke voorrang op. Wat dit betreft vertoont het gelijkenis met pand-, hypotheek- en retentierecht. Verrekening is echter sterker, want zij gaat vóór pand-, hypotheek- of retentierecht."
In dezelfde zin Faber:6
"Verrekening schept nu eenmaal een feitelijke voorrang ten opzichte van schuldeisers aan wier vorderingen de iure een hogere rang is verbonden."
De vraag doet zich daarom voor of het juist is dat de fiscus bij het uitoefenen van verrekening als feitelijke voorrang een andere - in veel gevallen betere - positie heeft dan zowel de gewone, alsook de crediteuren met een wettelijke voorrangspositie. Hierbij speelt ook de meer algemene vraag naar de legitimiteit van het optreden van de overheid, toegespitst op het optreden van de fiscus, een rol. In § 1.7 worden daar nog enkele opmerkingen over gemaakt.