De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken
Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/1.3:1.3 Eerder onderzoek naar de huidige comparitiepraktijk
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/1.3
1.3 Eerder onderzoek naar de huidige comparitiepraktijk
Documentgegevens:
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS372695:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De gemiddelde ervaren distributieve rechtvaardigheid van de groep schikkers is -0.05 (een licht negatief gemiddelde) met een mediaan van 0 (neutraal). Het percentages schikkers dat de schikking niet rechtvaardig vond staat niet vermeld in het rapport van Eshuis (2009).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er zijn sinds de wetswijziging van 1 januari 2002 vier onderzoeken verricht die (mede) betrekking hebben de huidige comparitiepraktijk. Ten eerste heeft Verschoof (2004) een onderzoek onder comparitierechters uitgevoerd waarin hij door middel van vragenlijsten een aantal specifieke aspecten van de zitting heeft onderzocht. Zo heeft hij gekeken naar de verstrekkendheid van het voorlopige oordeel van rechters. Hij concludeert dat naarmate de ervaring toeneemt, de rechter niet alleen eerder een voorlopig oordeel geeft, maar dat de verstrekkendheid van dat voorlopig oordeel ook toeneemt. Ervaren rechters geven in vergelijking met hun minder ervaren collega’s vaker inzicht in de bewijslastverdeling, oordelen over juridische geschilpunten, oordelen die ook in het dictum van het vonnis zouden kunnen staan en zij bieden eerder handvatten voor concrete bedragen die redelijk zouden zijn voor een schikking. Verder blijkt er voorafgaand aan de zitting maar weinig geïnstrueerd te worden door rechters. Als er al instructie plaatsvindt heeft dat meestal betrekking op stukken die nog naar de rechtbank moeten worden gestuurd. Verder heeft Verschoof (2004) gekeken hoe in de praktijk wordt omgegaan met het pleiten ter zitting, een tweede schriftelijke ronde, te laat ingediende stukken, de conclusie van antwoord in reconventie en het proces-verbaal. De resultaten van zijn studie heeft het projectteam ‘de versterking van de regiefunctie van de civiele rechter’ binnen het programma Civiel gebruikt om een handleiding op te stellen voor de regie vanaf de conclusie van antwoord (meer hierover in paragraaf 9.1.1.1).
Een tweede onderzoek dat (onder andere) naar de comparitie na antwoord is verricht is de studie van Ippel en Heeger-Hertter (2006). Zij hebben een kwalitatief observatieonderzoek gedaan bij zittingen in drie sectoren van de Rechtbank Utrecht waaronder de civiele sector. Daarbij stond de alledaagse communicatie tussen rechters en justitiabelen en de procesbeleving van deze laatste groep centraal. De onderzoekers signaleren behoorlijke verschillen tussen rechters in vaardigheden en stijl. Ook blijken partijen met hoge verwachtingen de rechtszaal binnen te komen. Zij verwachten een rechter die goede vragen stelt, aandachtig naar de aanwezigen luistert en vervolgens besluitvaardig te werk gaat bij het beproeven van een schikking Zowel partijen als advocaten geven volgens Ippel en HeegerHertter (2006) de voorkeur aan een actieve rechter die de aanwezigen een voorlopig oordeel geeft voordat hij hen de gang opstuurt. Passieve, sfinxachtige rechters die partijen geen enkele handreiking doen voor de onderhandelingen op de gang worden niet gewaardeerd. Partijen van zittingen waarin een schikking is overeengekomen, blijken meer tevreden te zijn over de kwaliteit van de communicatie ter zitting dan partijen van zittingen waarin dat niet het geval was. Wat betreft de uitleg en informatie door de rechter zijn partijen vooral geïnteresseerd in een voorlopig oordeel en veel minder in het verdere verloop van de procedure.
Ten derde vergelijkt het onderzoek van Mein e.a. (2008) de informatievoorziening vanuit de rechtspraak met de informatiebehoefte van partijen. Het onderzoek is uitgevoerd binnen vier sectoren van de arrondissementen Breda en Utrecht. De onderzoekers concluderen dat de informatievoorziening een verbrokkelde indruk maakt doordat deze weinig gericht is op de ontvanger en het niet helder is of de informatie daadwerkelijk (en op tijd) bij de partijen terecht komt. Partijen blijken voorafgaand aan de zitting ook niet actief op zoek te gaan naar informatie. De informatie waarover zij wel beschikken, is hen veelal ongevraagd gegeven. Na afloop geeft 70% van de partijen aan zich voldoende te hebben voorbereid op de zitting. De informatievoorziening zou in de ogen van partijen nog verbeterd kunnen worden door een helder geformuleerde brief van de rechtbank. Verder blijkt uit dit onderzoek dat de partijen voorafgaand aan de zitting hoge verwachtingen hebben van een rechtvaardige behandeling, van de mogelijkheid om hun verhaal te kunnen doen en van de persoonlijke aandacht die zij van de rechter krijgen. Deze verwachtingen blijken na afloop van de zitting te zijn uitgekomen dan wel te zijn overtroffen.
Ten slotte heeft Eshuis (2009) een pilotonderzoek gedaan bij twee middelgrote rechtbanken naar de naleving van rechterlijke uitspraken en schikkingen die tijdens civiele bodemprocedures in eerste aanleg tot stand komen. Hij heeft drie jaar na afronding van de zaken partijen vragenlijsten voorgelegd en met een aantal van hen een interview gehouden. Daaruit komt naar voren, dat bij 85% van de schikkingen volledig aan de verplichtingen is voldaan. Bij eindvonnissen op tegenspraak is dit 73.5%. Verder blijken veel partijen in zaken met een eindvonnis de volgende keer liever een schikking te willen en vice versa. Dit zou volgens Eshuis (2009) verklaard kunnen worden doordat partijen de uitkomst in hun eigen zaak (schikking dan wel vonnis) ten onrechte vergelijken met de ideaaltypische alternatieve uitkomst. Verder blijken de meeste eisers te verwachten dat hun zaak met een vonnis zal eindigen. Sommige partijen zijn verbaasd dat de rechter uberhaupt nog een schikking beproeft. Daar staat tegenover dat 77% van de partijen het een goede zaak vindt als rechters partijen stimuleren om een schikking te treffen. Daarnaast volgt uit het onderzoek van Eshuis (2009) dat één op de drie partijen zich onder druk gezet voelt om te schikken. Die druk komt meestal van de rechter of hun eigen advocaat, maar in 20% van de gevallen van buitenaf (thuisfront, andere belanghebbenden). De meeste partijen die een schikking zijn overeengekomen geven bovendien aan deze schikking niet rechtvaardig te vinden.1
Ook heeft Eshuis (2009) partijen gevraagd naar de door hen ervaren rechtvaardigheid van de procedure (goede informatie, invloed op de procedure, onpartijdige rechter en respectvolle behandeling). Partijen waren hierover positief, in het bijzonder bij procedures mét een comparitie na antwoord. De ervaren rechtvaardigheid van de uitkomst bij een eindvonnis (distributieve rechtvaardigheid) blijkt — veel meer dan de rechtvaardigheid van de procedure — af te hangen van winst (uitkomst rechtvaardiger) of verlies (uitkomst minder rechtvaardig). Ten slotte komt naar voren, dat de ervaren rechtvaardigheid van zowel uitkomst als procedure hoger is bij zaken met een vonnis dan bij zaken met een schikking.