Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/17.2.3:17.2.3 Art. 5:76
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/17.2.3
17.2.3 Art. 5:76
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS483601:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 5, p. 272.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 270.
Diephuis 1886, p. 508 en 509; Asser/Scholten 1945, p. 268 en 269; vgl. Berger 2001, p. 204.
Vgl. Parl. Gesch. Boek5, p. 270.
Asser/Scholten 1945, p. 269.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 270-273.
HR 4 november 1988, NJ 1989, 260 (WMK). Zie hierover Berger 2001, p. 206 en 207.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 5:76 lid 1 is al veelvuldig genoemd. Dit artikellid luidt:
‘Wanneer het heersende erf wordt verdeeld, blijft de erfdienstbaarheid bestaan ten behoeve van ieder gedeelte, ten voordele waarvan zij kan strekken.’
Wanneer in dit artikel wordt gesproken over ‘verdeeld’ moet worden bedacht dat dit betrekking heeft op zowel een lichamelijke verdeling (splitsing van het erf) als een onlichamelijke verdeling (bijvoorbeeld: eigendom gaat op twee of meer erfgenamen over).1 Ik merk hierbij opdat de toevoeging ‘ten voordele waarvan zij kan strekken’ thans onjuist en ongewenst is. Het voordeel waarover hier wordt gesproken is een voordeel in objectieve zin.2 Nu wij inmiddels een subjectief nutsvereiste kennen gaat het niet aan en is het niet mogelijk om hier objectieve normen te stellen.
Onder het regime van het oude Burgerlijk Wetboek werd in art. 737 BW (oud) bepaald dat in geval van deling van het heersende erf de erfdienstbaarheid voor ieder gedeelte ‘verschuldigd’ zou blijven. Deze regel hangt samen met het (ondeelbare) karakter van de erfdienstbaarheid.3
Naar mijn oordeel is dit de hoofdregel! Art. 5:76 lid 1 is daarop – door toevoeging van de termen ‘ten voordele waarvan zij kan strekken’ – welke woorden, zoals gezegd, moeten vervallen – een uitzondering die evenwel ingevolge de wet tot hoofdregel is verheven.4
Art. 737 BW (oud) hield nog een beperking in. Verzwaring van de lasten op het dienend erf was niet toegestaan (art. 737 lid 1 BW (oud) laatste zinsdeel). Scholten merkt op:
‘Feitelijke verzwaring ten gevolge van het grooter aantal eigenaren en het toenemend gebruik maken van het recht is niet te voorkomen en ligt ook niet in het verbod.’5
De wetgever heeft zeer welbewust deze beperking laten vervallen.6 Daarbij is nadrukkelijk gewezen op de vaagheid van dit criterium. Thans dient de vraag of de eigenaar van een dienend erf, na splitsing van het heersend erf de verzwaring moet dulden te worden beantwoord aan de hand van de art. 5:73 en 78.
Eerstgenoemd artikel bepaalt dat de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening wordt bepaald door de akte van vestiging en voor zover regels ontbreken door de plaatselijke gewoonte. Of de verzwaring is toegestaan zal derhalve moeten worden beoordeeld aan de hand van beide criteria. Volgens art. 5:78 kan de rechter onder omstandigheden, een erfdienstbaarheid wijzigen of opheffen. Ook hier worden derhalve grenzen aan de mogelijke uitoefening van de rechten uit een erfdienstbaarheid, na splitsing, gesteld.
De verhouding tussen de eigenaren van de heersende erven, in geval van lichamelijke splitsing, wordt mede beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid. De Hoge Raad wil niet weten van het bestaan van een eenvoudige gemeenschapex afdeling 3.7.1.7