Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/9.3.4
9.3.4 De zoektocht naar nieuwe doelstellingen voor harmonisering in de EU
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS580275:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Met 'marktfalen' in de 'markt voor regelgeving' doel ik op de situatie dat over een onderwerp van (vennootschaps)recht in de wet- en regelgeving van de Europese lidstaten geen voorschriften zijn opgenomen, terwijl dat wel wenselijk zou zijn. Zie over de verscheidene vormen van 'marktfalen', waaronder het optreden van (negatieve) externe effecten en het achterwege blijven van de creatie van collectieve goederen, in algemene zin Holzhauer/Teijl (1995), p. 15-18. Toegespitst op 'de markt voor regelgeving': Birkmose (2006), p. 1077-1080.
Zie voor een vergelijkbaar uitgangspunt: Enriques/Gatti (2006a), p. 953. Boots/Schoenmaker (2007), p. 9-10, noemen marktfalen als de noodzakelijke voorwaarde noemen voor het ingrijpen van de overheid (waaronder het houden van toezicht) op de financiële markten.
Aldus Jaap Winter (2009a), p. 48.
Zie over de, ontoereikende, pogingen in (art. 13 van) de Richtlijn aandeelhoudersrechten om tot een gemeenschappelijke regeling voor de grensoverschrijdende uitoefening van het stemrecht te komen: Nowak (2006) en (2007), p. 268, resp. p. 214. Zie ook de aanbeveling van het European Corporate Governance Forum om professionele intermediairs te verplichten de uitoefening van het stemrecht door de uiteindelijke investeerders te faciliteren (http://ec.europa.eu/intemal_market/company/docs/ecgfomm/recomm_annex_en.pdf). Sceptisch hierover: Enriques/Gatti (2006a), p. 988-989.
In die zin bijvb. Armour (2005), p. 52, en Enriques/Gatti (2006a), p. 983-984 en p. 997. De rol van de Europese Commissie zou daarbij beperkt moeten blijven. Vgl. Enriques (2005), p. 22. Hij merkt op dat de Europese Commissie om te beginnen 'should 'have to courage of doing [almost] nothing' in the area of company law'.
Vgl. Deakin (1999), p. 40 en over de opvatting van Deakin — 'reflexive harmonisation' genoemd — ook Voogsgeerd (2003), p. 299-300. Zie voerder Birkmose (2006), p. 1092.
Vgl. Hertig/McCahery (2007) en McCahery (2006), p. 195-200.
Zie art. 25, lid 1, van het Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het statuut van de Europese besloten vennootschap (COM (2008) 396).
Vgl. art. 4 van het in de vorige voetnoot genoemde Voorstel. Hierover: Boschma/SchutteVeenstra (2008), p. 603-604 en 610 met verdere verwijzingen.
Sceptisch is eveneens Jaap Winter, kenbaar uit Wiebes (2009), p. 696.
Ik verwijs naar de kritische kanttekeningen in § 2.2 van hoofdstuk 4.
Met de conclusie dat het tegengaan van het "Delaware-effect" geen doelstelling van harmonisering van het vennootschapsrecht in de EU meer kan zijn, is nog niet gezegd dat er evenmin andere argumenten zijn die pleiten voor harmonisering. Deze kunnen zeker bestaan. Europese, harmoniserende, regelgeving kan gerechtvaardigd zijn wanneer sprake is van "marktfalen" in de "markt voor regelgeving„1 ; wanneer de individuele lidstaten dit falen niet kunnen — of willen — oplossen en de maatschappelijke opbrengsten van geharmoniseerde regelgeving groter zullen zijn dan de kosten ervan.2 Dit kan worden geplaatst in de sleutel van het subsidiariteitsbeginsel. De betrokkenheid van de Europese regelgever "should focus on those issues where individual Member States cannot provide solutions, and, in addition, on those issues where the evidence of a benefit of a solution on EU level over a solution by individual Member States is clear."3 Voorbeelden daarvan, op het terrein van het vennootschapsrecht, zijn (wenselijke) Europese regelingen voor de coordinatie van rechtsgevolgen van grensoverschrijdende juridische fusies en grensoverschrijdende zetelverplaatsingen van vennootschappen. Ook een Europese oplossing voor het grensoverschrijdend kunnen uitoefenen van het stemrecht door de uiteindelijke investeerders in beursvennootschappen is daarvan een voorbeeld.4
Over de wijze waarop die rol van de Europese Commissie vorm moet krijgen zijn in de literaatuur verschillende stromingen zichtbaar. Deze bevinden zich op een glijdende schaal. Zo nemen sommigen het standpunt in dat vorming van "Europees" vennootschapsrecht plaats zou moeten vinden door de lidstaten zelf, in plaats van door middel van Europese (harmoniserende) initiatieven.5 Daartegenover, maar bij nadere beschouwing wellicht dichterbij dan gedacht, staat een stroming die wel een (grotere) rol voor het harmoniseringsproces en de Europese Commissie ziet, onder meer als middel om de voorwaarden te scheppen voor "regulatory competition" om vestigingen.6 Tevens is een tussenstroming zichtbaar die het vergroten van de "opt-in" en "opt-out" mogelijkheden in Europese regelgeving als strategie voor regelgeving bepleit.7 De Europese Commissie lijkt zelf in de voorstellen voor een SPE een mengvorm te hanteren. Veel bepalingen over de wijze waarop een SPE vorm moet krijgen wijzen terug naar nationaal recht. Zo zal de SPE onderworpen zijn aan het nationale recht voor wat betreft de opstelling, accountantscontrole en publicatie van de financiële verslaggeving.8 Er bestaat mijns inziens overigens geen — Europeesrechtelijke — verplichting voor lidstaten om in hun nationale recht voor dergelijke vennootschappen voor te schrijven dat liberhaupt opstelling en publicatie van de financiële verslaggeving plaatsvindt. Ook wordt de gedachte geïntroduceerd van minimumverplichtingen voor de inhoud van de statuten van SPE', waaraan door middel van door marktpartijen opgestelde (Europese) modelstatuten nader invulling kan worden gegeven.9 Of het voorstel voor het Statuut voor de SPE het politiek onderhandelingsproces heelhuids zal doorstaan en of het voorgestelde model in de praktijk werkzaam zal blijken kan mijns inziens sterk worden betwijfeld.10
Of Europese regelgeving, wanneer die tot stand is gebracht, uiteindelijk leidt tot vergroting van de maatschappelijke opbrengsten hangt in belangrijke mate af van de inhoud van die regelgeving. De voorschriften in Europese regelgeving dienen, met andere woorden, niet zodanig te zijn vormgegeven dat toepassing daarvan leidt tot (maatschappelijke) kosten die de opbrengsten overschrijden. Dit is in ieder geval in de Richtlijn grensoverschrijdende fusies voor discussie vatbaar.11 Meer in het algemeen kan hieruit worden afgeleid dat het antwoord op de vraag of Europese harmoniserende regelgeving voor een aanwijsbaar "marktfalen" gerechtvaardigd is, welbeschouwd zal afhangen van de (te verwachten) vormgeving en inhoud van de voorschriften in die regeling. Het oordeel daarover zal mede afhangen van het — subjectieve en, daardoor, doorgaans voor discussie vatbare — waardeoordeel dat men over die voorschriften kan hebben.