Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/7.3
7.3 Voorwaardelijk in één hand
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491175:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 591; Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Overgangsrecht, p. 165; De Jong, Krans & Wissink, Verbintenissenrecht algemeen (SBR 4) 2018/298; Asser/Sieburgh 6-II 2017/339; hof Arnhem 30 oktober 1912, NJ 1913, p. 145.
Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/16; Steneker 2005, p. 112-113. Zie voor meer verwijzingen §5.1.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 591. Vgl. J.B. Vegter 2021, p. 596-597.
Vgl. art. 6:161 lid 2, aanhef en onder c BW; Geurts 2019, p. 184; Verheul 2018, p. 317-318; Asser/Sieburgh 6-I 2020/180; Stolz 2015, p. 734; Steneker 2005, p. 27; Land/De Savorin Lohman IV 1907, p. 55-56; Diephuis II 1885, p. 135.
79. Rechtbank en hof hebben een iets andere kijk op de materie. Volgens de rechtbank treedt geen vermenging op, zolang de voorwaarde nog niet is uitgewerkt. Het hof is van oordeel dat wel vermenging optreedt, maar dat deze is onderworpen aan de voorwaarde. In de kern komen beide opvattingen echter op hetzelfde neer. Het echtpaar Jonkers kon ook nadat erfpacht en blote eigendom in één hand waren gekomen, een beroep doen op de ontbindende voorwaarde.
Deze uitkomst lijkt mij juist. Als beperkt recht en moederrecht voorwaardelijk in één hand zijn, dan bestaat belang bij het beperkte recht. Is iemand onvoorwaardelijk gerechtigd tot het moederrecht, en tevens onder ontbindende voorwaarde tot het beperkte recht, dan heeft degene die onder opschortende voorwaarde is gerechtigd tot het beperkte recht, belang bij het beperkte recht. Ik vind het wat gekunsteld om te spreken van een voorwaardelijk tenietgaan door vermenging. Het is eenvoudiger om aan te nemen dat geen vermenging optreedt, zolang de voorwaarde niet in vervulling is gegaan, en niet vaststaat dat de voorwaarde niet meer in vervulling kan gaan.
Een vergelijkbare benadering zien we bij de schuldvermenging (art. 6:161 lid 2, aanhef en onder c BW). Een verbintenis gaat niet teniet als vordering en schuld onder ontbindende voorwaarde in één hand zijn, zolang niet vaststaat dat de voorwaarde niet meer in vervulling kan gaan.1
Volgens Perrick is het vermogen dat een erfgenaam onder ontbindende voorwaarde heeft geërfd, afgescheiden van zijn overige vermogen.2 Dit zou een andere manier zijn om te verklaren dat geen vermenging optreedt (zie nr. 43 en hoofdstuk 5). De opvatting van Perrick zou ik niet willen volgen.3 Vermogensafscheiding is een figuur die wordt gebruikt als bepaalde schuldeisers, in afwijking van art. 3:276 BW, exclusief verhaal kunnen nemen op bepaalde vermogensbestanddelen van hun schuldenaar.4 Daarvan is geen sprake als iemand voorwaardelijk is gerechtigd tot een goed. Bovendien wordt voorwaardelijkheid in art. 6:161 lid 2 BW vermeld als een aparte grond voor het niet-optreden van schuldvermenging, naast vermogensafscheiding. In de parlementaire geschiedenis van die bepaling wordt de voorwaardelijke erfstelling uitdrukkelijk genoemd.5
Zodra een voorwaarde in vervulling gaat, of als blijkt dat een voorwaarde niet meer in vervulling kan gaan,6 dan moet de rechtstoestand van de betrokken rechten opnieuw worden beoordeeld. De voorwaarde is uitgewerkt. Als dan blijkt dat beperkt recht en moederrecht onvoorwaardelijk in één hand zijn, dan gaat het beperkte recht door vermenging teniet. Er is geen belang meer bij het beperkte recht. Blijkt dat beperkt recht en moederrecht niet in één hand zijn, dan treedt uiteraard geen vermenging op.
Een voorbeeld. A is onvoorwaardelijk gerechtigd tot een onroerende zaak. B heeft een recht van erfpacht op die zaak. B draagt vervolgens zijn erfpachtrecht onder opschortende voorwaarde over aan A. A heeft als gevolg daarvan onder opschortende voorwaarde een recht van erfpacht op zijn eigen zaak. De erfpacht blijft voortbestaan, omdat B onder ontbindende voorwaarde tot de erfpacht gerechtigd blijft. B heeft belang bij het voortbestaan van de erfpacht. Als de voorwaarde in vervulling gaat, dan wordt A onvoorwaardelijk erfpachter. Het recht van erfpacht gaat in dat geval door vermenging teniet, omdat B geen belang meer heeft bij het beperkte recht. Als blijkt dat de opschortende voorwaarde niet meer in vervulling kan gaan, dan is B weer onvoorwaardelijk erfpachter. Het voorwaardelijke erfpachtrecht van A gaat teniet.
Een ander voorbeeld. A is onvoorwaardelijk eigenaar van een onroerende zaak. B heeft onvoorwaardelijk een recht van erfpacht op die zaak. A draagt zijn eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde over aan C. B draagt vervolgens zijn recht onvoorwaardelijk over aan C. De erfpacht gaat als gevolg daarvan niet door vermenging teniet, omdat C belang heeft bij de erfpacht. Hij is slechts voorwaardelijk gerechtigd tot de eigendom, terwijl hij onvoorwaardelijk is gerechtigd tot de erfpacht. Als de voorwaarde in vervulling gaat, dan is C onvoorwaardelijk eigenaar. C heeft geen belang meer bij de erfpacht op zijn eigen zaak. Het beperkte recht gaat door vermenging teniet.
Zijn beperkt recht en moederrecht onder precies dezelfde voorwaarde in één hand, dan bestaat geen belang bij het beperkte recht. Het beperkte recht gaat door vermenging teniet. A heeft een recht van erfpacht op een stuk grond. B is blooteigenaar van de grond. A draagt zijn erfpachtrecht onder opschortende voorwaarde over aan C. B draagt zijn eigendomsrecht onder precies dezelfde opschortende voorwaarde over aan C. Het voorwaardelijke erfpachtrecht van C gaat door vermenging teniet. Hij heeft geen belang bij het erfpachtrecht, omdat hij, onder dezelfde voorwaarde, is gerechtigd tot de eigendom.