Het artikel was voordien het laatst gewijzigd door het Besluit van 22 maart 2002, Stb. 2002, 174. Het artikel is nadien gewijzigd door het Besluit van 26 januari 2021, Stb. 2021, 46, dat op 1 juli 2022 in werking is getreden (Stb. 2022, 194).
HR, 16-09-2025, nr. 23/01234
ECLI:NL:HR:2025:1278, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-09-2025
- Zaaknummer
23/01234
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1278, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑09‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1003
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:3001, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
ECLI:NL:PHR:2025:1003, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1278
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑10‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0284
NJ 2025/321 met annotatie van W.H. Vellinga
NTS 2025/61
Uitspraak 16‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Wederspannigheid, art. 180 Sr. Bewijsklacht “werkzaam in rechtmatige uitoefening van zijn bediening”. Verweer dat verbalisant bij staandehouding van verdachte niet in rechtmatige uitoefening van zijn functie heeft gehandeld, nu sprake is van handelen in strijd met geweldsinstructie, art. 359a Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2014:852 en HR:2014:2919 m.b.t. bestanddeel “werkzaam in rechtmatige uitoefening van zijn bediening” a.b.i. art. 180 Sr. HR voegt daaraan toe dat achtergrond van uitgangspunt over (veronderstelde) rechtmatigheid van bediening is dat strafbaarstelling van art. 180 Sr ertoe strekt openbaar gezag te beschermen opdat ambtenaren onbelemmerd hun taak kunnen uitvoeren. In het licht daarvan moet worden aangenomen dat niet elke normschending, bij optreden van ambtenaar aan bewezenverklaring van een op art. 180 Sr toegesneden tll. in de weg staat. Dat is alleen het geval als sprake is van normschending van zekere ernst. Zo’n ernstige normschending kan zich bijvoorbeeld voordoen als grenzen van subsidiariteit of proportionaliteit van betreffend overheidsoptreden in belangrijke mate zijn overschreden. Heeft zich weliswaar normschending voorgedaan bij optreden van ambtenaar maar is die normschending niet van zodanige ernst dat dit aan bewezenverklaring van bestanddeel “werkzaam in rechtmatige uitoefening van zijn bediening” in de weg staat, dan kan wel sprake zijn van (onherstelbaar) vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv. In het geval dat naar oordeel van rechter sprake is van (onherstelbaar) vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv, kan zo’n verzuim in hier bedoelde situatie (als wordt voldaan aan vereisten die zijn genoemd in HR:2020:1889) leiden tot strafvermindering. Verdediging heeft verweer gevoerd dat ertoe strekt dat verdachte moet worden vrijgesproken van tlgd. omdat verbalisant tegen verdachte geweld heeft toegepast, terwijl daarbij gelet op Ambtsinstructie niet was voldaan aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Hof heeft dit verweer verworpen en daaraan kennelijk als zijn oordeel ten grondslag gelegd dat het eventuele handelen van verbalisant in strijd met Ambtsinstructie niet met zich brengt dat verbalisant met staandehouding niet “werkzaam in rechtmatige uitoefening van zijn bediening” was. Dat oordeel is, gelet op wat hiervoor is overwogen, onjuist. Hof heeft immers miskend dat het niet-voldoen aan eisen van subsidiariteit en proportionaliteit bij uitvoering van staandehouding aan bewezenverklaring van bestanddeel “werkzaam in rechtmatige uitoefening van zijn bediening” a.b.i. art. 180 Sr in de weg kan staan. Hieraan doet niet af dat hof bij zijn oordeel heeft betrokken dat verdediging niet heeft aangevoerd dat sprake is van vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv. Anders dan hof kennelijk als uitgangspunt heeft genomen, is voor vraag of dit bestanddeel van art. 180 Sr kan worden bewezenverklaard, niet van belang of verdediging heeft aangevoerd dat optreden van verbalisant moet worden aangemerkt als vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01234
Datum 16 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 maart 2023, nummer 22-003363-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping van het verweer dat de verbalisant bij de staandehouding van de verdachte niet in de rechtmatige uitoefening van zijn functie heeft gehandeld.
Het oordeel van het hof
2.2.1
Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd met aanvulling van gronden. In dat vonnis is overeenkomstig de tenlastelegging ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 26 juni 2021 te [plaats] , zich met geweld heeft verzet tegen een [verbalisant 1] , hoofdagent bij politie eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter staandehouding van verdachte voor overtreding van artikel 9 Wegenverkeerswet, door
- tegen te stribbelen, terwijl voornoemde [verbalisant 1] probeerde om verdachte uit een (personen)auto te trekken en
- als bestuurder van een (personen)auto met aanzienlijke, snelheid weg te rijden, terwijl voornoemde [verbalisant 1] door een openstaand raam in voornoemde (personen)auto hing en waardoor vervolgens voornoemde [verbalisant 1] werd meegesleurd en voornoemde [verbalisant 1] ten val kwam
- zich met kracht te verzetten tegen het boeien van zijn, verdachtes, polsen door voornoemde [verbalisant 1]
terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden lichamelijk letsel, te weten meerdere bloeduitstorting(en) en verwonding(en) aan het lichaam van voornoemde [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende in het bevestigde vonnis opgenomen bewijsmiddelen, zoals aangevuld door het hof:
“2. Het proces-verbaal van bevindingen, (...), van politie-eenheid Rotterdam, Rotterdam-Rijnmond, inhoudende als relaas van de [verbalisant 2] :
“Op 26 juni 2021 reed ik samen met [verbalisant 1] op [a-straat] in [plaats] . Ik zag een Seat rijden. Ik herkende de bestuurder ambtshalve als zijnde: [verdachte] . Op donderdag 22 april 2021 kreeg ik een ANPR-HIT dat verdachte zou rijden terwijl hij een rijontzegging had. [verdachte] is niet in het bezit van een rijbewijs en heeft meerdere antecedenten voor het rijden zonder rijbewijs.
Op zaterdag 26 juni 2021 omstreeks 17.25 uur, zag ik dat het voertuig op [a-straat] in [plaats] werd geparkeerd. Collega [verbalisant 1] , bevraagde het kenteken middels het politie-systeem MEOS. Ik zag op MEOS, BLUESPOT een politiefoto van [verdachte] . De politiefoto kwam overeen met de bestuurder in het voertuig. Nadat [verdachte] zijn voertuig tot stilstand bracht, benaderde ik hem.
Gelet op het feit dat [verdachte] telkens rijdt zonder een rijbewijs, deelde ik hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht was op de vragen die ik hem zou stellen. Ik vorderde van [verdachte] een geldig identiteitsbewijs. Ik zag dat het voertuig achteruitreed. Ik zag vervolgens dat het voertuig in de richting reed van collega [verbalisant 1] . Ik zag dat [verbalisant 1] aan de bestuurderszijde hing terwijl het voertuig reed. Ik zag vervolgens mijn collega rollen over de grond. Na een korte achtervolging wist ik bij [verdachte] te komen. Ik vertelde dat hij was aangehouden. Ik zag vervolgens collega [verbalisant 1] mij helpen met de aanhouding. Vervolgens kwamen meerdere collega’s ter plaatse.”
3. Het proces-verbaal van bevindingen, (...), van politie-eenheid Rotterdam, Rotterdam-Rijnmond, inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
“Ik, hoofdagent van de politie [plaats] reed samen met [verbalisant 2] , agent van de politie [plaats] . Ik zag dat [verdachte] zijn voertuig startte. Ik boog voorover door het openstaande portierraam richting [verdachte] . Ik probeerde [verdachte] via het portierraam uit zijn voertuig te trekken. Ik voelde dat [verdachte] tegenstribbelde. Ik voelde dat het voertuig naar voren reed. Ik voelde de snelheid snel omhooggaan. Ik werd tientallen meters vanuit het portierraam meegesleurd. Op een gegeven moment rolde ik over de straat. Ik zag het voertuig richting [b-straat] rijden. Ik zag [verdachte] uitstappen en ik zag dat [verdachte] er rennend vandoor ging. Wij zijn boven op hem gedoken om hem te boeien. [verdachte] verzette zich stevig bij het aanzetten van de boeien. Ik voelde hevige pijn in mijn rechterbeen, rechterknie en mijn rechterarm.”
2.2.3
In het door het hof bevestigde vonnis is over de bewezenverklaring verder overwogen:
“2.1. Bewijswaardering
2.1.1.
Standpunt verdediging
(...)
Voorts is aangevoerd dat de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, omdat [verbalisant 1] bij het hanteren van het vuurwapen in strijd heeft gehandeld met de ambtsinstructie. Ook dit moet tot vrijspraak leiden.
(...)
2.1.2.
Beoordeling
(...)
Uit het procesdossier blijkt dat de verdachte door de verbalisanten is benaderd in verband met overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet, hij had namelijk een rijontzegging en overigens ook geen rijbewijs. [verbalisant 2] heeft daarover vragen gesteld aan de verdachte en vervolgens een geldig identiteitsbewijs gevorderd van de verdachte. Daarna is aan de verdachte verteld dat hij zou worden bekeurd en dat zijn voertuig in beslag werd genomen. Hierin ligt besloten dat de politieambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hem feitelijk op dat moment staande hielden en werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
Voor zover [verbalisant 1] in strijd met de Ambtsinstructie heeft gehandeld, kan dit niet tot vrijspraak leiden, omdat dit niet afdoet aan de bewezenverklaring. Niet is aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.
(...)
De verweren worden verworpen.”
2.2.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“1. Primair verzoek ik uw gerechtshof cliënt vrij te spreken.
(...)
11. Evident is dat [verbalisant 1] verklaart dat hij wel meerdere vuistslagen toedient en ook het dienstwapen hanteert, dat past niet bij zijn antwoord op de vraag waarom hij niet kon loslaten, dat hij vast zat of door overstrekking. Naar mening van de verdediging had hij los kunnen laten maar doet hij dat bewust niet. Het is niet zo dat hij vastzat waardoor hij werd meegenomen. In bijlage 3 (...) wordt zelfs gesteld dat [verbalisant 1] over 30 meter zou zijn meegesleurd.
12. Gelukkig zijn er beelden en die liegen er niet om. Hieruit blijkt dat [verbalisant 1] zichzelf in de positie heeft gebracht door de vuistslagen toe te dienen, vast te houden aan het voertuig en mee te rennen. Nogmaals hij had los kunnen laten er was geen enkele noodzaak om op deze wijze te handelen. De identiteit van cliënt was immers al bekend.
(...)
18. Wat is er feitelijk gebeurd? Cliënt rijdt naar achteren. Dat doet hij stapvoets, want [verbalisant 1] loopt met het voertuig mee. [verbalisant 1] staat dan aan de bestuurderszijde trekt hij zijn dienstwapen en roept dat cliënt moet blijven staan. Vervolgens slaat hij cliënt in het gezicht met zijn vuist en duikt hij de auto in. Hij verklaart dat hij zag dat cliënt met zijn gezicht naar voren zakte, met zijn gezicht richting het stuur. In die situatie slaat hij cliënt nog een aantal keren in het gezicht.
19. Naar mening van de verdediging handelt [verbalisant 1] hiermee in strijd met artikel 7 van de ambtsinstructie als het gaat om het toedienen van de vuistslagen het hanteren van het vuurwapen. Er was geen reden om geweld te gebruiken. Er was geen reden om cliënt meerdere vuistslagen toe te dienen.
20. Over het vuurwapen:
Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd:
a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijn vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;
b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf
1°. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en
2°. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of
3°. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.
c. tot het beteugelen van oproerige bewegingen of andere ernstige wanordelijkheden, indien er sprake is van een opdracht van het bevoegd gezag en een optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere;
d. tot het beteugelen van militaire oproerige bewegingen, andere ernstige militaire wanordelijkheden of muiterij indien de militair van de Koninklijke marechaussee in opdracht van de minister van Defensie dan wel de officier van justitie te Arnhem belast met militaire zaken in gesloten verband onder leiding van een meerdere optreedt.
2. Het gebruik van het vuurwapen in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is slechts geoorloofd tegen personen en vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt van het vuurwapen geen gebruik gemaakt, indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt.
(...)
21. De identiteit van de persoon was al bekend en buitendien en om een situatie waarbij sprake is van een verdenking of veroordeling van een misdrijf van vier jaar of meer, was geen sprake. Het ging in casu ging het om een overtreding, namelijk rijden zonder rijbewijs.
22. [verbalisant 1] trekt het wapen buitengewoon snel, namelijk al op het moment dat cliënt achteruit rijdt. Hij richt het wapen vervolgens op het hoofd van cliënt als hij voor de auto staat. Hij stapt opzij in de richting van de bestuurdersportier en blijft op het hoofd van cliënt richten terwijl het raam openstaat.
23. In tegenstelling tot wat [verbalisant 1] beweert, is te zien op de beelden dat hij zijn wapen niet heeft geborgen. De zoveelste onwaarheid die [verbalisant 1] relateert op ambtseed.
24. Het is juist mijn cliënt geweest die doodsangsten had toen [verbalisant 1] dat wapen op hem richtte.
25. Dat cliënt probeert weg te rijden verdient niet de schoonheidsprijs, maar hij heeft dit in tweede instantie gedaan uit paniek en angst. Hij werd geslagen van beide kanten en er werd een vuurwapen op hem gericht.
26. De vraag is of op dat moment sprake was van een rechtmatige uitoefening van de bediening? [verbalisant 2] heeft uitdrukkelijk aangegeven dat cliënt niet was aangehouden, waarna cliënt achteruit reed.
27. Daarna is cliënt op geen enkel moment medegedeeld dat hij was aangehouden voor poging doodslag of zware mishandeling dan wel het rijden zonder rijbewijs. Er zou alleen zijn geroepen dat hij moest blijven staan. Cliënt was daartoe echter juridisch niet verplicht.
28. In de tenlastelegging is opgenomen dat sprake was van een overtreding van artikel 287/302 Sr op heterdaad. Uit de beelden blijkt dat daar absoluut geen sprake van was. Beide aangevers hebben hun bevindingen in strijd met de waarheid flink aangedikt en dat is buitengewoon kwalijk van deze verbalisanten.
(...)
30. Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat nu geen sprake was van een heterdaad situatie zoals omschreven in de tenlastelegging geen sprake was van een rechtmatige uitoefening van de bediening. Dit maakt dat van overtreding artikel 181 Sr. zoals tenlastegelegd geen sprake kan zijn.
(...)
34. [verbalisant 1] verklaart meerdere vuistslagen te hebben toegediend, waardoor cliënt naar voren zakte met zijn gezicht. Ook dit kan niet als verzet worden gekwalificeerd. [verbalisant 1] heeft het in het pv van bevindingen over tegenstribbelen. In zijn verklaring van 28 juni 2021 legt hij dit uit als dat cliënt de andere kant op leunde. Cliënt betwist dit, maar anderzijds kan dit ook niet als zich met kracht verzetten of tegenstribbelen worden gekwalificeerd.
(...)
37. Alleen [verbalisant 1] heeft het over hevig verzet, maar relateert niet waar dat verzet uit bestond. Overigens trekt [verbalisant 1] ook hier weer, onnodig en in strijd met de ambtsinstructie zijn vuurwapen. Ik verzoek u cliënt vrij te spreken.”
Juridisch kader
2.3.1
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling.
Artikel 180 Sr luidt:
“Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (...) wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
2.3.2
“1. De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:
a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;
b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;
c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
2. Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.”
2.3.3
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn verder van belang artikel 7 (oud) en 10 (oud) van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere politieambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie), zoals deze bepalingen zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 16.
2.4.1
In eerdere rechtspraak heeft de Hoge Raad het volgende beslist over het bestanddeel ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’, zoals dat voorkomt in artikel 180 Sr. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de ambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van een wettelijke bevoegdheid, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (vgl. HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:852). Bij de beoordeling of zich omstandigheden voordoen die tot het oordeel leiden dat de uitoefening van de bediening niet rechtmatig is, kan de strafrechter de subsidiariteit en proportionaliteit van het betreffende overheidsoptreden betrekken (vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919).
2.4.2
Ter verduidelijking voegt de Hoge Raad daaraan nog het volgende toe. Achtergrond van het onder 2.4.1 bedoelde uitgangspunt over de (veronderstelde) rechtmatigheid van de bediening is dat de strafbaarstelling van artikel 180 Sr ertoe strekt het openbaar gezag te beschermen opdat ambtenaren onbelemmerd hun taak kunnen uitvoeren. In het licht daarvan moet worden aangenomen dat niet elke normschending, bij het optreden van de ambtenaar aan een bewezenverklaring van een op artikel 180 Sr toegesneden tenlastelegging in de weg staat. Dat is alleen het geval als sprake is van een normschending van een zekere ernst. Zo’n ernstige normschending kan zich bijvoorbeeld voordoen als de grenzen van de subsidiariteit of de proportionaliteit van het betreffende overheidsoptreden in belangrijke mate zijn overschreden.
2.4.3
Heeft zich weliswaar een normschending voorgedaan bij het optreden van de ambtenaar, maar is die normschending niet van zodanige ernst dat dit – gelet op wat onder 2.4.2 is overwogen – aan een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ in de weg staat, dan kan wel sprake zijn van een (onherstelbaar) vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. In het geval dat naar het oordeel van de rechter sprake is van een (onherstelbaar) vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, kan zo’n verzuim in de hier bedoelde situatie – als wordt voldaan aan de vereisten die zijn genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rechtsoverweging 2.3 – leiden tot strafvermindering.
Het oordeel van de Hoge Raad
2.5.1
De verdediging heeft een verweer gevoerd dat ertoe strekt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat – kort gezegd – de verbalisant tegen de verdachte geweld heeft toegepast, terwijl daarbij gelet op de Ambtsinstructie niet was voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het hof heeft dit verweer verworpen. Daaraan heeft het hof kennelijk als zijn oordeel ten grondslag gelegd dat het eventuele handelen van de verbalisant in strijd met de Ambtsinstructie niet met zich brengt dat de verbalisant met de staandehouding niet “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” was. Dat oordeel is, gelet op wat onder 2.4.2 is overwogen, onjuist. Het hof heeft immers miskend dat het niet-voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit bij de uitvoering van een staandehouding aan de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ als bedoeld in artikel 180 Sr in de weg kan staan.
2.5.2
Hieraan doet niet af dat het hof bij zijn oordeel heeft betrokken dat de verdediging niet heeft aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Anders dan het hof kennelijk als uitgangspunt heeft genomen, is voor de vraag of dit bestanddeel van artikel 180 Sr kan worden bewezenverklaard, niet van belang of de verdediging heeft aangevoerd dat het optreden van de verbalisant moet worden aangemerkt als vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2025.
Conclusie 20‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Wederspannigheid met enig lichamelijk letsel tot gevolg, art. 180 en 181 Sr. Eerste middel bevat klacht over het oordeel dat handelen in strijd met de Ambtsinstructie niet in de weg kan staan aan de ‘rechtmatige uitoefening van zijn bediening’. Tweede middel betreft klacht over overschrijding redelijke termijn. AG meent dat beide middelen slagen. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01234
Zitting 20 mei 2025
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 27 maart 2023 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 17 november 2021 bevestigd. Dat brengt mee dat het hof de verdachte wegens ‘wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben’ heeft veroordeeld tot 90 dagen gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr, waarvan 44 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft het hof aldus beslissingen genomen inzake de vorderingen van twee benadeelde partijen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte hebben M.J. van Berlo en R.J. Baumgardt, beiden advocaat in Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel betreft het oordeel van het hof dat het door [verbalisant 1] in strijd handelen met de Ambtsinstructie niet kan leiden tot een onrechtmatige uitoefening van de bediening als bedoeld in art. 180 Sr. Het tweede middel houdt in dat de redelijke termijn is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de tenlastelegging, de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer, alsmede passages uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep. Voorts citeer ik uit de pleitnotities van de raadsman.
Tenlastelegging, bewezenverklaring, bewijsvoering, processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep, pleitnotities
5. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
‘hij op of omstreeks 26 juni 2021 te [plaats] , zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen meerdere, althans een, (opsporings)ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] , hoofdagent bij politie eenheid Rotterdam en/of [verbalisant 2] , agent bij politie eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten ter staandehouding van verdachte voor overtreding van artikel 9 Wegenverkeerswet en/of ter aanhouding van verdachte op heterdaad voor overtreding van artikel 287/302 jo. 45 Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 300 Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 7 Wegenverkeerswet, door
- zich met kracht te verzetten en/of tegen, te stribbelen, terwijl voornoemde [verbalisant 1] probeerde om verdachte uit een (personen)auto te trekken en/of
- als bestuurder van een (personen)auto met hoge, althans aanzienlijke, snelheid weg te rijden, terwijl voornoemde [verbalisant 1] door een openstaand raam in voornoemde (personen)auto hing en/of waardoor vervolgens voornoemde [verbalisant 1] werd meegesleurd en/of meegetrokken door voornoemde (personen)auto en/of voornoemde [verbalisant 1] ten val kwam en/of verdachte vervolgens met voornoemde (personen)auto over een been en/of het lichaam van voornoemde [verbalisant 1] is gereden en/of
- zich met kracht te verzetten tegen het boeien van zijn, verdachtes, polsen door voornoemde [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] ,
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten meerdere, althans een, bloeduitstorting(en) en/of verwonding(en) op/aan het lichaam van voornoemde [verbalisant 1] en/of een gekneusde knie en/of enkel bij voornoemde [verbalisant 2] ten gevolge heeft gehad.’
6. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘hij op 26 juni 2021 te [plaats] , zich met geweld heeft verzet tegen een (opsporings)ambtenaar, [verbalisant 1] , hoofdagent bij politie eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter staandehouding van verdachte voor overtreding van artikel 9 Wegenverkeerswet, door
- tegen te stribbelen, terwijl voornoemde [verbalisant 1] probeerde om verdachte uit een (personen)auto te trekken en
- als bestuurder van een (personen)auto met aanzienlijke, snelheid weg te rijden, terwijl voornoemde [verbalisant 1] door een openstaand raam in voornoemde (personen)auto hing en waardoor vervolgens voornoemde [verbalisant 1] werd meegesleurd en voornoemde [verbalisant 1] ten val kwam
- zich met kracht te verzetten tegen het boeien van zijn, verdachtes, polsen door voornoemde [verbalisant 1]
terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden lichamelijk letsel, te weten meerdere bloeduitstorting(en) en verwonding(en) aan het lichaam van voornoemde [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad.’
7. De bewezenverklaring van dit feit steunt op de volgende door het hof overgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1.
De eigen waarneming van de politierechter gedaan ter terechtzitting van 17 november 2021, te
weten:
“Ik zie dat de verbalisant aan de bestuurderszijde zijn arm door het openstaande portierraam heeft. Ik zie dat het voertuig hard wegrijdt. Ik zie dat de verbalisant aan de bestuurderszijde wordt meegetrokken door het voertuig. Ik zie dat hij op twee benen naast het voertuig mee rent. Ik zie dat hij vervolgens op de grond valt en dat hij daarbij op zijn billen op de straat terechtkomt.”
2.
Het proces-verbaal van bevindingen, (…), van politie-eenheid Rotterdam, Rotterdam-Rijnmond, inhoudende als relaas van de [verbalisant 2] :
“Op 26 juni 2021 reed ik samen met [verbalisant 1] op de [a-straat] in [plaats] . Ik zag een Seat rijden. Ik herkende de bestuurder ambtshalve als zijnde: [verdachte] . Op donderdag 22 april 2021 kreeg ik een ANPR-HIT dat verdachte zou rijden terwijl hij een rijontzegging had. [verdachte] is niet in het bezit van een rijbewijs en heeft meerdere antecedenten voor het rijden zonder rijbewijs. Gelet op het feit dat [verdachte] telkens rijdt zonder een rijbewijs, deelde ik hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht was op de vragen die ik hem zou stellen. Ik vorderde van [verdachte] een geldig identiteitsbewijs. Ik zag dat het voertuig achteruitreed. Ik zag vervolgens dat het voertuig in de richting reed van collega [verbalisant 1] . Ik zag dat [verbalisant 1] aan de bestuurderszijde hing terwijl het voertuig reed. Ik zag vervolgens mijn collega rollen over de grond. Na een korte achtervolging wist ik bij [verdachte] te komen. Ik vertelde dat hij was aangehouden. Ik zag vervolgens collega [verbalisant 1] mij helpen met de aanhouding. Vervolgens kwamen meerdere collega’s ter pIaatse.”
3.
Het proces-verbaal van bevindingen, (…), van politie-eenheid Rotterdam, Rotterdam-Rijnmond, inhoudende als relaas van de [verbalisant 1]:
“Ik, hoofdagent van de politie Rotterdam reed samen met [verbalisant 2] , agent van de politie Rotterdam. Ik zag dat [verdachte] zijn voertuig startte. Ik boog voorover door het openstaande portierraam richting [verdachte] . Ik probeerde [verdachte] via het portierraarn uit zijn voertuig te trekken. Ik voelde dat [verdachte] tegenstribbelde. Ik voelde dat het voertuig naar voren reed. Ik voelde de snelheid snel omhooggaan. Ik werd tientallen meters vanuit het portierraam meegesleurd. Op een gegeven moment rolde ik over de straat. Ik zag het voertuig richting de [b-straat] rijden. Ik zag [verdachte] uitstappen en ik zag dat [verdachte] er rennend vandoor ging. Wij zijn boven op hem gedoken om hem te boeien. [verdachte] verzette zich stevig bij het aanzetten van de boeien. Ik voelde hevige pijn in mijn rechterbeen, rechterknie en mijn rechterarm.”
4.
Het proces-verbaal van verhoor, (…), van politie-eenheid Rotterdam, inhoudende als verklaring van aangever [verbalisant 1]:
“V: Je zegt in je proces-verbaal dat de verdachte tegenstribbelde. Waar bestond dat uit?
A: Ik zag en voelde dat hij met zijn volle gewicht de andere kant op leunde.”
5.
Het proces-verbaal van bevindingen, (…), van politie-eenheid Rotterdam, inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] of één van hen:
“Ik, [verbalisant 3] , zag dat de verdachte tegenstribbelde op de grond. Ik zag dat de verdachte niet meewerkte. Ik zag dat collega [verbalisant 1] een hand in de boeien hand. Ik zag dat hij de tweede hand niet in de boeien kreeg, omdat de verdachte zich bleef verzetten.”
6.
Een ander geschrift, te weten een FARR-verklaring, bevattende medische informatie van [verbalisant 1] , opgemaakt door de [arts] op 29 juni 2021, inhoudende:
“Betrokkene verteld tijdens zijn werk op 26-06-2021 tijdens een aanhouding meegesleurd te zijn door auto van verdachte. Daarbij meerdere letsels opgelopen:
1. Op de elleboog rechts is er sprake van een enkele oppervlakkige huidonderbreking, rondvormig, met roodheid, ontvelling en korsten. Scherp tot matig scherp begrensde wondranden.
2. Aan de binnenzijde van de rechter bovenarm, is er sprake van een enkele, ovaalvormige paarse huidverkleuring met een streepvormige uitloper richting oksel, met wat blauwige randen aan de onderzijde.
3. Aan de achterzijde van de rechter bovenarm is er sprake van een enkele grillig gevormde, nagenoeg ovaalvormige, groen paarsige huidverkleuring.
5. Op de bovenzijde van de rechtervoet, is er sprake van een enkele, rode huidverkleuring. Matig scherp begrensd.
6. Aan de linker elleboog is sprake van geringe zwelling.
7. Op de buitenzijde van het rechterbovenbeen is sprake van een enkele, ovaalvormig, blauwgelige huidverkleuring.”
1. Betreft een diepe schaafwond.
2, 3, 5, 7. Betreft een bloeduitstorting
6. Betreft zwelling/kneuzing van linker elleboog.’
8. Het hof heeft de bewijsmiddelen als volgt aangevuld:
‘– Bewijsmiddel 2 dient als volgt te worden aangevuld:
Na de zin “ [verdachte] is niet in het bezit van een rijbewijs en heeft meerdere antecedenten voor het rijden zonder rijbewijs.”, dient te worden toegevoegd:
“Op zaterdag 26 juni 2021 omstreeks 17.25 uur, zag ik dat het voertuig op de [a-straat] in [plaats] werd geparkeerd. Collega [verbalisant 1] , bevraagde het kenteken middels het politie-systeem MEOS. Ik zag op MEOS, BLUESPOT een politiefoto van [verdachte] . De politiefoto kwam overeen met de bestuurder in het voertuig. Nadat [verdachte] zijn voertuig tot stilstand bracht, benaderde ik hem.”’
9. Het hof heeft – door de overwegingen van de politierechter tot de zijne te maken – onder meer het volgende overwogen:
‘2.1.2. Beoordeling
(…)
Uit het procesdossier blijkt dat de verdachte door de verbalisanten is benaderd in verband met overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet, hij had namelijk een rijontzegging en overigens ook geen rijbewijs. [verbalisant 2] heeft daarover vragen gesteld aan de verdachte en vervolgens een geldig identiteitsbewijs gevorderd van de verdachte. Daarna is aan de verdachte verteld dat hij zou worden bekeurd en dat zijn voertuig in beslag werd genomen. Hierin ligt besloten dat de politieambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hem feitelijk op dat moment staande hielden en werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
Voor zover [verbalisant 1] in strijd met de Ambtsinstructie heeft gehandeld, kan dit niet tot vrijspraak leiden, omdat dit niet afdoet aan de bewezenverklaring. Niet is aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.’
10. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van 17 november 2021 houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte verklaart:
Ik werd staande gehouden en toen vroegen ze om mijn gegevens. De agenten hebben mij niet verteld dat ik ben aangehouden. Ze hebben mij alleen verteld dat mijn auto in beslag werd genomen. Toen startte ik de auto en reed ik achteruit. Toen ik vooruitkeek zag ik een agent met een pistool. Ik heb dat nog nooit in het echt gezien. Daardoor ben ik erg geschrokken en ben ik doorgereden. Ik raakte helemaal in paniek. Ik voelde een paar klappen, maar verder heb ik niet gelet op wat daar gebeurde. Ik weet niet of ik nou met een voorwerp werd geslagen. Op het politiebureau zag ik dat ik dat ik een bult had. Ik heb vervolgens een paar nachten hoofdpijn gehad.
U vraagt mij waarom ik voor de zoveelste keer zonder rijbewijs reed en ik ook nog een rijontzegging had. Ik dacht niet na. Ik stapte gewoon in en ik ging gewoon rijden. Ik heb niet nagedacht over de gevolgen van het rijden zonder rijbewijs.
U vraagt mij of ik het letsel van [verbalisant 1] heb gezien. Het is niet gebeurd zoals de agenten het hebben opgeschreven. De agent heeft opgeschreven dat ik over zijn been ben gereden, maar dat is niet gebeurd.
De officier van justitie toont de videobeelden van het incident.
De politierechter bekijkt de beelden en neemt het volgende waar:
Ik zie dat het grijze voertuig achteruitrijdt uit het parkeervak en dat een verbalisant aan de bestuurderszijde een wapen richt op de bestuurder van dat voertuig. Ik zie dat de andere verbalisant aan de rechterkant de auto induikt. Ik zie dat de verbalisant aan de bestuurderszijde zijn arm door het openstaande portierraam heeft. Ik zie dat het voertuig hard wegrijdt. Ik zie dat de verbalisant aan de bestuurderszijde wordt meegetrokken door het voertuig. Ik zie dat hij op twee benen naast het voertuig mee rent. Ik zie dat hij vervolgens op de grond valt en dat hij daarbij op zijn billen op de straat terecht komt. Als ik het goed zie, valt hij met de benen naar links en rolt hij daarna over de straat met de benen omhoog. Ik kan niet zo goed zien wat er met het rechterbeen gebeurt, het lijkt erop dat dit naar voren ligt. Ik zie in elk geval niet dat de auto over een hobbel rijdt.
De raadsman van de verdachte deelt mee:
Ik zie de schoen van zijn rechtervoet. Dat impliceert dat zijn been naar voren ligt.
De verdachte verklaart:
Ik weet zeker dat ik niet over hem heen ben gereden. Als ik over een been zou hebben gereden, dan zou ik dat wel gevoeld hebben. Ik wist wel dat er een agent naast mij was, maar ik wist niet wat hij aan het doen was. Ik stopte niet omdat ik paniek kreeg door het pistool dat op mij gericht was. Toen ik weg ging rennen zijn mijn sleutels uit mijn zak gevallen. Ik dacht dat de agenten mij voor een ander aan zagen. Ik had ‘s middags een joint gerookt van een vriend. U houdt mij voor dat de agenten noteren dat ik langzaam reageerde op alles en dat ik hier op zitting ook heel loom overkom, alsof ik onder invloed ben. Ik ben altijd heel rustig van mijzelf.
Het klopt dat ik positief ben getest op amfetamine. Ik heb een aantal weken van tevoren iets genomen. Ik hoop dat u de uitslag van de bloedtest heeft ontvangen, ik namelijk niet. U laat mij weten dat dit niet het geval is.
Als u mij vraagt wat ik van het letsel van de agent vindt en zijn verklaring dat het beangstigend was, zeg ik dat ik hetzelfde had. Ik dacht dat ik dood ging toen ik het wapen zag. In eerste instantie reed ik alleen naar achter. Ik wilde helemaal niet wegrijden. Als de agent geen pistool op mij had gericht, dan zou ik niet in paniek zijn geraakt en zou ik beter kunnen nadenken. U houdt mij voor dat de motor uit viel en dat ik daarna alsnog heb besloten om weg te rijden. De auto is een keer uitgevallen. Ik heb de auto toen opnieuw opgestart en ik ben toen weggereden.
U houdt mij voor dat ik mij heb verzet bij mijn aanhouding. Dat is niet zo. Er kwamen veel agenten op mij af. Terwijl ik rustig op de grond lag gingen de agenten juist aan mijn haren trekken en aan mijn nek. Daarna ben ik rustig opgestaan en ben ik meegelopen naar het busje.’
11. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2023 houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
Het is zo lang geleden. Ik weet niet meer precies hoe het is gegaan.
Het klopt dat ik de agent met het pistool zag staan. Ik ben niet over het been van de agent gereden.
U houdt mij voor dat ik in eerste aanleg ben vrijgesproken van het over het been rijden.
U vraagt mij wat agent [verbalisant 1] tegen mij zei. Dat weet ik niet precies. Ik weet nog wel wat er gebeurd is. Ik blijf bij mijn verklaring die ik in eerste aanleg heb afgelegd.’
12. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2023 blijkt dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover relevant, het volgende in:
‘1. Primair verzoek ik uw gerechtshof client vrij te spreken.
2. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] doen beide aangifte van poging doodslag en zware mishandeling. Client wordt daar niet voor vervolgd, enkel voor wederspannigheid.
(…)
11. Evident is dat [verbalisant 1] verklaart dat hij wel meerdere vuistslagen toedient en ook het dienstwapen hanteert, dat past niet bij zijn antwoord op de vraag waarom hij niet kon loslaten, dat hij vast zat of door overstrekking. Naar mening van de verdediging had hij los kunnen laten maar doet hij dat bewust niet. Het is niet zo dat hij vastzat waardoor hij werd meegenomen. In bijlage 3 pag 1 (vbp) wordt zelfs gesteld dat [verbalisant 1] over 30 meter zou zijn meegesleurd.
12. Gelukkig zijn er beelden en die liegen er niet om. Hieruit blijkt dat [verbalisant 1] zichzelf in de positie heeft gebracht door de vuistslagen toe te dienen, vast te houden aan het voertuig en mee te rennen. Nogmaals hij had los kunnen laten er was geen enkele noodzaak om op deze wijze te handelen. De identiteit van client was immers al bekend.
(…)
18. Wat is er feitelijk gebeurd? Client rijdt naar achteren. Dat doet hij stapvoets, want [verbalisant 1] loopt met het voertuig mee. [verbalisant 1] staat dan aan de bestuurderszijde trekt hij zijn dienstwapen en roept dat client moet blijven staan. Vervolgens slaat hij client in het gezicht met zijn vuist en duikt hij de auto in. Hij verklaart dat hij zag dat client met zijn gezicht naar voren zakte, met zijn gezicht richting het stuur. In die situatie slaat hij client nog een aantal keren in het gezicht.
19. Naar mening van de verdediging handelt [verbalisant 1] hiermee in strijd met artikel 7 van de ambtsinstructie als het gaat om het toedienen van de vuistslagen het hanteren van het vuurwapen. Er was geen reden om geweld te gebruiken. Er was geen reden om client meerdere vuistslagen toe te dienen
20. Over het vuurwapen:
Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd:
o a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijn vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;
o b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf
1°. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en
2°. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of
3°. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.
o c. tot het beteugelen van oproerige bewegingen of andere ernstige wanordelijkheden, indien er sprake is van een opdracht van het bevoegd gezag en een optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere;
o d. tot het beteugelen van militaire oproerige bewegingen, andere ernstige militaire wanordelijkheden of muiterij indien de militair van de Koninklijke marechaussee in opdracht van de minister van Defensie dan wel de officier van justitie te Arnhem belast met militaire zaken in gesloten verband onder leiding van een meerdere optreedt.
2 Het gebruik van het vuurwapen in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is slechts geoorloofd tegen personen en vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden.
3 ln de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt van het vuurwapen geen gebruik gemaakt, indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt.
4 Onder het plegen van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de poging en de deelnemingsvormen, bedoeld in de artikelen 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht.
21. De identiteit van de persoon was al bekend en buitendien en om een situatie waarbij sprake is van een verdenking of veroordeling van een misdrijf van vier jaar of meer, was geen sprake. Het ging in casu ging het om een overtreding, namelijk rijden zonder rijbewijs.
22. [verbalisant 1] trekt het wapen buitengewoon snel, namelijk al op het moment dat client achteruit rijdt. Hij richt het wapen vervolgens op het hoofd van client als hij voor de auto staat. Hij stapt opzij in de richting van de bestuurdersportier en blijft op het hoofd van client richten terwijl het raam openstaat.
23. In tegenstelling tot wat [verbalisant 1] beweert, is te zien op de beelden dat hij zijn wapen niet heeft geborgen. De zoveelste onwaarheid die [verbalisant 1] relateert op ambtseed.
24. Het is juist mijn client geweest die doodsangsten had toen [verbalisant 1] dat wapen op hem richtte.
25. Dat client probeert weg te rijden verdient niet de schoonheidsprijs, maar hij heeft dit in tweede instantie gedaan uit paniek en angst. Hij werd geslagen van beide kanten en er werd een vuurwapen op hem gericht.
26. De vraag is of op dat moment sprake was van een rechtmatige uitoefening van de bediening? [verbalisant 2] heeft uitdrukkelijk aangegeven dat client niet was aangehouden, waarna client achteruit reed.
27. Daarna is client op geen enkel moment medegedeeld dat hij was aangehouden voor poging doodslag of zware mishandeling dan wel het rijden zonder rijbewijs. Er zou alleen zijn geroepen dat hij moest blijven staan. Client was daartoe echter juridisch niet verplicht.
28. In de tenlastelegging is opgenomen dat sprake was van een overtreding van artikel 287/302 Sr op heterdaad. Uit de beelden blijkt dat daar absoluut geen sprake van was. Beide aangevers hebben hun bevindingen in strijd met de waarheid flink aangedikt en dat is buitengewoon kwalijk van deze verbalisanten.
29. Onder aan de streep, is aan client pas medegedeeld dat hij was aangehouden, toen de verbalisanten bovenop hem lagen. Eerder is hem dit niet medegedeeld.
30. Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat nu geen sprake was van een heterdaad situatie zoals omschreven in de tenlastelegging geen sprake was van een rechtmatige uitoefening van de bediening. Dit maakt dat van overtreding artikel 181 Sr. zoals tenlastegelegd geen sprake kan zijn.
(…)
37. Alleen [verbalisant 1] heeft het over hevig verzet, maar relateert niet waar dat verzet uit bestond. Overigens trekt [verbalisant 1] ook hier weer, onnodig en in strijd met de ambtsinstructie zijn vuurwapen. Ik verzoek u client vrij te spreken.
38. Subsidiair indien u mij hierin onverhoopt niet volgt, dan zou in uiterst geval het wegrijden waarbij [verbalisant 1] ten val is gekomen mogelijk een bewezenverklaring kunnen opleveren.
39. In het kader van de strafmaat verzoek ik u mee te wegen dat gehandeld is in strijd met de ambtsinstructie door [verbalisant 1] .’
Het eerste middel
13. Het eerste middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat [verbalisant 1] niet werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Het oordeel dat handelen in strijd met de Ambtsinstructie niet kan leiden tot een onrechtmatige uitoefening van de bediening als bedoeld in art. 180 Sr zou onjuist, althans onbegrijpelijk, zijn. Het hof zou hebben miskend dat het niet voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit aan de bewezenverklaring van het tenlastegelegde ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ in de weg staat.
14. De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat [verbalisant 1] niet werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Daaraan is (naar ik begrijp, mede) ten grondslag gelegd dat [verbalisant 1] bij het aan verdachte geven van vuistslagen en bij het hanteren van het vuurwapen in strijd heeft gehandeld met artikel 7 van de Ambtsinstructie, nu er geen reden was om geweld te gebruiken. Er was geen sprake ‘van een verdenking of veroordeling van een misdrijf van vier jaar of meer’ en de identiteit van de verdachte was al bekend. De raadsman van verdachte heeft het hof in dit verband primair verzocht om de verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde feit.
15. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op de artikelen 180 en 181 Sr. Deze bepalingen luiden als volgt:
‘Artikel 180
Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, of tegen personen die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verlenen, wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
Artikel 181
De dwang en de wederspannigheid in de artikelen 179 en 180 omschreven worden gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden of geldboete van de vijfde categorie, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien zij de dood ten gevolge hebben.’
16. De Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit, voor zover relevant, als volgt:
‘Artikel 71.
1. Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd:
a. om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;
b. om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf
1°. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en
2°. dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of
3°. dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.
c. tot het beteugelen van oproerige bewegingen of andere ernstige wanordelijkheden, indien er sprake is van een opdracht van het bevoegd gezag en een optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere;
d. tot het beteugelen van militaire oproerige bewegingen, andere ernstige militaire wanordelijkheden of muiterij indien de militair van de Koninklijke marechaussee in opdracht van de minister van Defensie dan wel de officier van justitie te Arnhem belast met militaire zaken in gesloten verband onder leiding van een meerdere optreedt.
2. Het gebruik van het vuurwapen in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is slechts geoorloofd tegen personen en vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt van het vuurwapen geen gebruik gemaakt, indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt.
4. Onder het plegen van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de poging en de deelnemingsvormen, bedoeld in de artikelen 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht.’
‘Artikel 102.
1. De ambtenaar mag slechts een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange-afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, ter hand nemen:
a. in gevallen waarin het gebruik van een vuurwapen is toegestaan, of
b. in verband met zijn veiligheid of die van anderen, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een situatie ontstaat, waarin hij bevoegd is een vuurwapen te gebruiken.
2. Indien een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zich niet of niet meer voordoet, bergt de ambtenaar terstond het vuurwapen op.’
17. Uw Raad heeft in een arrest van 7 oktober 2014 overwogen dat bij het antwoord op de vraag of een ambtenaar werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, als uitgangspunt heeft te gelden ‘dat de politieambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van de aanhouding van een verdachte werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als bedoeld in art. 180 Sr (…). Bij de beoordeling of zich omstandigheden voordoen die tot het oordeel leiden dat de uitoefening van de bediening niet rechtmatig is, kan de strafrechter de noodzaak en proportionaliteit van het desbetreffende overheidsoptreden betrekken’.3.
18. Deze overweging is door Uw Raad herhaald in andere arresten waarin het ging om wederspannigheid bij de toepassing van de aanhoudingsbevoegdheid.4.Een (aanmerkelijke) overschrijding van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zal naar het mij voorkomt ook in de weg staan aan bewezenverklaring van het werkzaam zijn in de rechtmatige uitoefening van de bediening als de betreffende ambtenaar uitvoering geeft aan een andere wettelijke bevoegdheid.5.Die ongeschreven beginselen vormen immers bij alle dwangmiddelen een aanvulling op dan wel invulling van de wettelijke voorwaarden.6.Dat de vraag naar overschrijding van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit vooral bij aanhouding speelt, hangt samen met de omstandigheid dat gebruik van (noodzakelijk) geweld in de context van de aanhouding van de verdachte in beginsel is toegestaan.7.
19. In de onderhavige zaak heeft het hof – door de bewijsoverweging van de politierechter over te nemen - vastgesteld dat de verdachte ‘door de verbalisanten is benaderd in verband met overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet’. [verbalisant 2] heeft ‘daarover vragen gesteld aan de verdachte en vervolgens een geldig identiteitsbewijs gevorderd’, waarna aan de verdachte is medegedeeld ‘dat hij zou worden bekeurd en dat zijn voertuig in beslag werd genomen’. Naar het oordeel van het hof ligt hierin besloten ‘dat de politieambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hem feitelijk op dat moment staande hielden en werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.’ Het hof overweegt vervolgens dat ‘voor zover [verbalisant 1] in strijd met de Ambtsinstructie heeft gehandeld’, dit niet tot vrijspraak kan leiden, ‘omdat dit niet afdoet aan de bewezenverklaring’. Daarbij merkt het hof op dat ‘niet is aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv’.
20. Het is niet helemaal duidelijk hoe deze overweging gelezen dient te worden. Dat het hof benadrukt dat de verbalisanten hem ‘op dat moment staande hielden en werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van de bediening’ zou erop kunnen duiden dat het hof doorslaggevend acht dat verbalisanten bij het begin van de bevoegdheidsuitoefening tegen de verdachte in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren. Uit de bewezenverklaring volgt evenwel dat het verzet door de verdachte in een volgende fase plaatsvond. De verdachte heeft tegengestribbeld toen [verbalisant 1] hem uit de auto probeerde te trekken, hij is met aanzienlijke snelheid weggereden terwijl [verbalisant 1] door een openstaand raam hing en hij heeft zich met kracht verzet tegen het boeien. De enkele omstandigheid dat beide verbalisanten bij het staande houden aan het begin van de bevoegdheidsuitoefening in de rechtmatige uitoefening van hun bediening handelden, impliceert niet dat zij ook in een latere fase, na tussentijdse overschrijding van grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit, in de rechtmatige uitoefening van de bediening handelden.
21. De overwegingen van het hof kunnen ook aldus gelezen worden dat het hof van oordeel is dat de omstandigheid dat [verbalisant 1] in strijd met de Ambtsinstructie zou hebben gehandeld er niet aan afdoet dat het verzet gericht was tegen verbalisanten die in de rechtmatige uitoefening van hun bediening werkzaam waren. Daarop duidt de overweging dat handelen in strijd met de Ambtsinstructie ‘niet afdoet aan de bewezenverklaring’. In deze richting wijst ook de daaropvolgende zin; die duidt erop dat handelen in strijd met de Ambtsinstructie volgens het hof een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv is dat door een daarop toegespitst verweer aan de orde dient te worden gesteld.8.Deze benadering miskent, meen ik, dat het niet voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit bij de toepassing van geweldsmiddelen aan de bewezenverklaring van het werkzaam zijn in de rechtmatige uitoefening van de bediening in de weg kan staan.9.
22. Ook uitgaande van deze lezing van ’s hofs overwegingen is het oordeel dat [verbalisant 1] ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening – mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd – niet toereikend gemotiveerd.
23. Het middel slaagt. Ik heb mij nog afgevraagd of het middel ook tot cassatie dient te leiden.
24. Dat de rechter ‘de noodzaak en proportionaliteit van het desbetreffende overheidsoptreden (kan) betrekken’ bij de beoordeling of zich omstandigheden voordoen die tot het oordeel leiden dat de uitoefening van de bediening niet rechtmatig is, kan aldus worden begrepen dat niet elk handelen in strijd met de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit meebrengt dat de opsporingsambtenaar niet langer werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van de bediening. A-G Harteveld meent dat het ‘om aanmerkelijke overschrijdingen van deze beginselen zal moeten gaan’.10.
25. Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] (waarvan een passage voor het bewijs is gebezigd), houdt onder meer het volgende in:
‘Nadat [verdachte] zijn voertuig tot stilstand bracht, in een parkeervak tussen twee geparkeerd staande auto's, liep ik samen met collega [verbalisant 2] richting de Seat. Ik hoorde dat collega [verbalisant 2] in gesprek ging met [verdachte] .
Vervolgens liepen wij terug richting ons dienstvoertuig om het operationeel Centrum Rotterdam op de hoogte te brengen van deze staandehouding.
Ik verzoek het Operationeel Centrum voor een takelwagen ter inbeslagname van het genoemde voertuig.
Op dat moment liep collega [verbalisant 2] terug richting het genoemde voertuig. Vervolgens liep ik ook terug richting het voertuig. Wij stonden samen naast het raam van de bestuurder. Wij stonden tussen het voertuig van [verdachte] en een ander geparkeerd staande auto. Ik hoor collega [verbalisant 2] zeggen tegen [verdachte] dat zijn voertuig in beslag zou worden genomen, dat [verdachte] een proces verbaal zou krijgen voor het rijden zonder rijbewijs. Ik hoor [verdachte] aan collega [verbalisant 2] vragen, zakelijk weergegeven: "word ik aangehouden". Ik hoor collega [verbalisant 2] zeggen dat hij niet wordt aangehouden, alleen dat hij een proces verbaal krijgt en zijn auto wordt in beslag genomen.
Ik zag dat [verdachte] met zijn rechterhand de contactsleutel grijpen. Ik zag dat de sleutel nog in het contact zat. Ik zag dat [verdachte] zijn autosleutel weer losliet. Vervolgens zag ik dat [verdachte] opnieuw zijn autosleutel vastpakt en ik hoorde dat hij zijn voertuig startte. Direct zag ik dat [verdachte] zijn versnellingspook vast greep en ik zag dat het voertuig schuin achteruit reed.
Wij stonden op dat moment eigenlijk klem tussen het voertuig van [verdachte] en de geparkeerd staande auto.
Ik boog voorover door het openstaande portierraam richting [verdachte] . Ik probeerde [verdachte] via het portierraam uit zijn voertuig te trekken. Ik voelde dat [verdachte] tegenstribbelde en ik sloeg daarop met mijn rechtervuist [verdachte] op de linkerzijde van zijn gezicht.
Ondertussen reed het voertuig schuin achteruit. Ik hoorde dat de motor n enkele meters van het voertuig afsloeg en ik zag dat het voertuig schuin achter de geparkeerd staande voertuigen tot stilstand kwam.
Ik trok op dat moment mijn dienstwapen. Ik riep met harde stem tot [verdachte] : "blijf staan anders zal ik geweld gebruiken”. Ik hield mijn dienstwapen op zijn borst gericht. Ik zag dat hij mijn dienstwapen zag.
Kort daarna hoorde ik dat [verdachte] zijn voertuig opnieuw start en ik zag dat het voertuig ongeveer een meter achteruit reed. Ik hoorde dat het voertuig wederom af sloeg.
Ik rende direct richting de bestuurderszijde en ik boog opnieuw in het openstaande portierraam om [verdachte] uit het voertuig te trekken en gaf [verdachte] een tweede klap in zijn gezicht.
Ik zag dat [verdachte] naar voren zakte met zijn gezicht richting het stuur. Ik greep hem vast aan zijn bovenkleding.
Ik zag dat [verdachte] zijn auto opnieuw startte en zijn versnellingspook vast greep en ik voelde dat het voertuig naar voren reed. Ik hoorde de toeren van het voertuig omhoog gaan en voelde de snelheid snel omhoog gaan. Ik werd tientallen meters vanuit het portiers raam meegesleurd. Ik kon niet loslaten. Op een gegeven moment voel ik een autoband over mijn rechter bovenbeen gaan en ik rolde vervolgens over de straat. Ik stond direct weer op en ik zag het voertuig richting de [b-straat] rijden. Ik zag dat het voertuig rechtsaf de [b-straat] in rijden richting de Westzeedijk.’
26. Uit dit proces-verbaal kan worden afgeleid dat [verbalisant 1] gepoogd heeft om verdachte uit het raam te trekken en hem daarbij met zijn vuist op de linkerzijde van zijn gezicht heeft geslagen. Vervolgens heeft [verbalisant 1] een dienstwapen getrokken en dat op de borst van de verdachte gericht. Uit de artikelen 7 en 10 van de Ambtsinstructie volgt niet rechtstreeks dat zich een situatie voordeed waarin het gebruik van het dienstwapen geoorloofd was. Ik neem daarbij in aanmerking dat de bewezenverklaring inhoudt dat de rechtmatige uitoefening van de bediening bestond in staandehouding. De verdachte is vrijgesproken van verzet tegen verbalisanten die werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening bestaande in de aanhouding van verdachte op heterdaad voor overtreding van artikel 287/302 jo. 45 Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 300 Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 7 Wegenverkeerswet. Staande houden is een lichte bevoegdheid, met als doel het stellen van vragen. Van vrijheidsbeneming is geen sprake, er is slechts sprake van vrijheidsbeperking.11.Zo bezien zijn ook de klappen in het gezicht van de verdachte in het kader van staande houden al moeilijk te plaatsen.
27. Een en ander in aanmerking genomen doet zich meen ik niet een situatie voor waarin belang bij cassatie ontbreekt omdat de werkzaamheid in de rechtmatige bediening kan worden vastgesteld op basis van gegevens over de toereikendheid en betrouwbaarheid waarvan redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan.12.
Het tweede middel
28. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn van de berechting is geschonden, nu het hof de stukken van het geding niet tijdig naar de Hoge Raad heeft gestuurd. Dit zou tot strafverlaging dienen te leiden.
29. Het cassatieberoep is ingesteld op 28 maart 2023. De stukken van het geding zijn op 8 juli 2024 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van 8 maanden met meer dan 7 maanden is overschreden. Bovendien doet Uw Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Indien Uw Raad met mij van oordeel is dat het eerste middel gegrond is en terugwijzing moet volgen, kan het tweede middel onbesproken blijven.
30. Het middel slaagt.
Slotsom
31. Beide middelen slagen.
32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑05‑2025
Zie het Besluit van 16 juli 2001, Stb. 2001, 387.
HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919, NJ 2014/529 m.nt. Schalken, onder verwijzing naar HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2808. Daarin is overwogen dat als uitgangspunt heeft te gelden ‘dat de ambtenaar die uitvoering geeft aan een opdracht die hem is verstrekt door een tot het geven van die opdracht bevoegde meerdere, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening zoals bedoeld in art. 180 Sr’.
Zie HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:724, NJ 2019/231; HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:236, NJ 2021/236 m.nt. Reijntjes en HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1569, NJ 2022/4 m.nt. Machielse.
Vgl. ook de conclusie van plv. A-G Van Wees van 18 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:328 (onder 2.7-2.11).
B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 337.
Keulen en Knigge, a.w., p. 344.
Vgl. de noot van Machielse bij HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1569, NJ 2022/4, randnummer 7. Machielse stelt zich op het standpunt dat art. 359a Sv beter recht kan doen ‘aan de nuanceringen die zich juist bij geweldsaanwending door de politie kunnen voordoen dan de benadering dat gebreken in proportionaliteit of subsidiariteit steeds aan een rechtmatige uitoefening van de bediening in de weg staan’.
Vgl. HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5513, NJ 2013/53 m.nt. Mevis.
Conclusie voor HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1569, NJ 2022/4 m.nt. Machielse, randnummer 6.1.
Keulen en Knigge, a.w., p. 340-341.
HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen, rov. 2.5.3.
Beroepschrift 10‑10‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 23/01234
Betekening aanzegging: 6 september 2024
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20230131
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Den Haag d.d. 27 maart 2023, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof het vonnis onder aanvulling van gronden bevestigd.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 180 en 181 Sr, art. 7 en art. 10 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren alsmede art. 359, 415 en 423 Sv, en wel om het navolgende:
Aan verdachte is (beknopt weergegeven) wederspannigheid met letsel ten gevolge hebbend ten aanzien van verbalisant [verbalisant 1] tenlastegelegd.
De verdediging heeft (beknopt weergegeven) in eerste aanleg en in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verbalisant [verbalisant 1] niet werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening nu het door hem in strijd met de Ambtsinstructie trekken en richten van zijn dienstwapen op verdachte dusdanig disproportioneel en niet-subsidiair was dat geen sprake meer was van een rechtmatige uitoefening van zijn bediening. In hoger beroep is voorts aangevoerd dat het door [verbalisant 1] slaan van verdachte eveneens in strijd is met de Ambtsinstructie.
De politierechter heeft het verweer verworpen en daartoe overwogen/geoordeeld dat het door verbalisant [verbalisant 1] in strijd handelen met de Ambtsinstructie niet afdoet aan de bewezenverklaring en dat niet is aangevoerd dat er sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. De politierechter heeft vervolgens de tenlastegelegde wederspannigheid met letsel ten gevolge bewezenverklaard. Het hof heeft het vonnis bevestigd.
Het oordeel dat het door verbalisant [verbalisant 1] in strijd handelen met de Ambtsinstructie niet kan leiden tot een onrechtmatige uitoefening van de bedoening zoals bedoeld in art. 180 Sr is onjuist/onbegrijeplijk. De omstandigheid dat niet zou zijn aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv doet daar niet aan af nu daarmee wordt miskend dat het niet- voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit aan de bewezenverklaring van dit bestanddeel van het tenlastegelegde (werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening) in de weg staat/kan staan.
De rechtbank/het hof heeft/hebben het aangevoerde derhalve verworpen op gronden die de beslissing(en) niet kunnen dragen. Het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
‘hij op of omstreeks 26 juni 2021 te [a-plaats],
zich met geweld en of bedreiging met geweld heeft verzet tegen meerdere, althans een (opsporings)ambtenn(a)r(en), [verbalisant 1], hoofdagent bij politie eenheid Rotterdam en of [verbalisant 2], agent bij politie eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn hun bediening, te weten ter staandehouding van verdachte voor overtreding van artikel 9 Wegenverkeerswet en/of ter aanhouding van verdachte op heterdaad voor overtreding van artikel 287/302 jo. 45 Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 300 Wetboek van Strafrecht dan door wel artikel 7 Wegenverkeerswet, door
- —
zich met kracht te verzetten en of tegen te stribbelen, terwijl voornoemde [verbalisant 1] probeerde om verdachte uiteen (personenauto te trekken en/of
- —
als bestuurder van een(personen)auto met hoge, althans aanzienlijke, snelheid weg te rijden, terwijl voornoemde [verbalisant 1] dooreen openstaand raam in voornoemde personenauto hing en of waardoor vervolgens voornoemde [verbalisant 1] werd meegesleurd en of meegetrokken door voornoemde (personenauto en of voornoemde [verbalisant 1] ter val kwamen en/of verdachte vervolgens met voornoemde(personenauto over een been en of het lichaam van voornoemde [verbalisant 1] is gereden en of-zich met kracht te verzetten tegen het boeien van zijn verdachtes, polsen door voornoemde [verbalisant 1] en of [verbalisant 2], terwijl dit misdrijf en of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel te weten meerdere, althans een, bloeduitstorting(en) en of verwonding(en) op aan het lichaam van voornoemde [verbalisant 1] en of een gekneusde knie en/of enkel bij voornoemde [verbalisant 2] ten gevolge heeft gehad.’
1.2
De verdediging heeft aangevoerd dat (beknopt weergegeven nu de uitgebreidere in hoger beroep voorgedragen pleitnota hieronder geciteerd zal worden) de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, omdat [verbalisant 1] bij het aan verdachte geven van vuistslagen en hanteren van het vuurwapen in strijd heeft gehandeld met de ambtsinstructie en derhalve geen sprake is geweest van een rechtmatige uitoefening van de bediening door verbalisant [verbalisant 1] zodat verdachte moet worden vrijgesproken.
1.3
Het verweer is verworpen. De bewezenverklaring door de politierechter luidt als volgt:
‘hij op 26 juni 2021 te [a-plaats],
zich met geweld heeft verzet tegen een (opsporings)ambtenaar, [verbalisant 1], hoofdagent bij politie eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter staandehouding van verdachte voor overtreding van artikel 9 Wegenverkeerswet,
door
- —
tegen te stribbelen, terwijl voornoemde [verbalisant 1] probeerde om verdachte uiteen (personenauto te trekken en
- —
als bestuurder van een(personen)auto met aanzienlijke, snelheid weg te rijden, terwijl voornoemde [verbalisant 1] dooreen openstaand raam in voornoemde personenauto hing en waardoor vervolgens voornoemde [verbalisant 1] werd meegesleurd en voornoemde [verbalisant 1] ter val kwamen
- —
zich met kracht te verzetten tegen het boeien van zijn verdachtes, polsen door voornoemde [verbalisant 1], terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden lichamelijk letsel te weten meerdere bloeduitstorting(en) en verwonding(en) aan het lichaam van voornoemde [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad.’
1.4
De politierechter heeft voorts overwogen/geoordeeld:
‘2.1.2. Beoordeling
Met de officier van justitie en de verdediging is de politierechter van oordeel dat het onderdeel in de tenlastelegging dat ziet op het overrijden van het been en of het lichaam van [verbalisant 1] niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
De verklaring van verbalisant [verbalisant 1] wijkt af van hetgeen de politierechter ter terechtzitting op de camerabeelden beeft kunnen waarnemen. De politierechter heeft — anders dan verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard — onder andere niet vast kunnen stellen dat de verdachte over het been en of het lichaam, van [verbalisant 1] is gereden. Hieruit volgt echter niet dat de verklaringen van [verbalisant 1] in zijn geheel onbetrouwbaar zijn en onbruikbaar zijn voor het bewijs. De verklaring van [verbalisant 1] vindt voor het overige namelijk wel ondersteuning in de camerabeelden die door de politierechter ter terechtzitting zijn bekeken. Er is dan ook geen reden om de verklaringen van [verbalisant 1] in de zaak van de verdachte van het bewijs uit te sluiten en de politierechter zal deze daarom ook gebruiken voor het bewijs.
Het verweer dat verbalisant [verbalisant 1] de auto los had kunnen laten, passeert de politierechter. De verdachte had zijn voertuig moeten stilhouden en is (tot twee keer toe) weggereden bij de verbalisanten vandaan. De verdachte heef gezien dat de verbalisant in het raam hing. De verdachte reed desondanks met forse snelheid weg en toen werd de verbalisant als vanzelf meegesleurd. Hij heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de verbalisant zou meesleuren en deze vervolgens ten val zou komen, zodat er ten minste voorwaardelijk opzet op het intreden van deze gevolgen bestond.
Uit het procesdossier blijkt dat de verdachte door de verbalisanten is benaderd in verband met overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet, hij had namelijk een rijontzegging en overigens ook geen rijbewijs. Verbalisant [verbalisant 2] heeft daarover vragen gesteld aan de verdachte en vervolgens een geldig identiteitsbewijs gevorderd van de verdachte. Daarna is aan de verdachte verteld dat hij zou worden bekeurd en dat zijn voertuig in beslag werd genomen. Hierin ligt besloten dat de politieambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hem feitelijk op dat moment staande hielden en werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hum bediening.
Voor zover verbalisant [verbalisant 1] in strijd met de Ambtsinstructie heeft gehandeld, kan dit niet tot vrijspraak leiden, omdat dit niet afdoet aan de bewezenverklaring. Niet is aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.
2.1.3. Beoordeling
De politierechter komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen. De verweren worden verworpen.’
1.5
Ter terechtzitting van het hof d.d. 13 maart 2023 heeft mr. L.A.R. Newoor, advocaat te Rotterdam, namens verdachte volgens diens ter terechtzitting overlegde pleitnota het woord gevoerd en daarin (onder meer) het navolgende aangevoerd:
- ‘1.
Primair verzoek ik uw gerechtshof dient vrij te spreken.
- 2.
[verbalisant 1] en [verbalisant 2] doen beide aangifte van poging doodslag en zware mishandeling. Client wordt daar niet voor vervolgd, enkel voor wederspannigheid.
(…)
- 11.
Evident is dat [verbalisant 1] verklaart dat hij wel meerdere vuistslagen toedient en ook het dienstwapen hanteert, dat past niet bij zijn antwoord op de vraag waarom hij niet kon loslaten, dat hij vast zat of door overstrekking. Naar mening van de verdediging had hij los kunnen laten maar doet hij dat bewust niet. Het is niet zo dat hij vastzat waardoor hij werd meegenomen. In bijlage 3 pag 1 (vbp) wordt zelfs gesteld dat [verbalisant 1] over 30 meter zou zijn meegesleurd.
- 12.
Gelukkig zijn er beelden en die liegen er niet om. Hieruit blijkt dat [verbalisant 1] zichzelf in de positie heeft gebracht door de vuistlagen toe te dienen, vast te houden aan het voertuig en mee te rennen. Nogmaals hij had los kunnen laten er was geen enkele noodzaak om op deze wijze te handelen. De identiteit van dient was immers al bekend.
(…)
- 14.
Daarnaast acht de verdediging het van belang dat [verbalisant 1], op de vraag wat de afstand was ten opzichte van jou en de auto op moment dat hij op je inreed, antwoordt anderhalf tot 2 meter. Het ging snel door mijn hoofd dat ik weg moet springen. Uiteindelijk hoorde ik de auto uitslaan en heb ik mijn wapen weer geborgen.
- 15.
[verbalisant 2] verklaart pv […], dat hij zag dat het voertuig in de richting reed van collega [verbalisant 1].
Hij zag dat [verbalisant 1], opzij stapte en aan de bestuurderszijde hing. Wegspringen of opzij stappen, zijn wederom twee verschillende dingen.
- 16.
Wat hier ook van zij, ook deze stellingen blijken niet te kloppen. Op beeld is ondubbelzinnig vastgelegd, dat er niet is ingereden op [verbalisant 1]. Het inrijden is niet tenlastegelegd, maar kleurt wel de ernst van het feit, in elk geval voor de verbalisanten.
O.b.v. deze onwaarheid wordt ook aangifte gedaan van poging doodslag en zware mishandeling.
- 17.
Uit de beelden blijkt overigens ook niet dat beide verbalisanten, klem zijn komen te zitten tussen voertuigen, zoals wel wordt gesteld in het proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] […].
- 18.
Wat is er feitelijk gebeurd? Client rijdt naar achteren. Dat doet hij stapvoets, want [verbalisant 1] loopt met het voertuig mee. [verbalisant 1] staat dan aan de bestuurderszijde trekt hij zijn dienstwapen en roept dat dient moet blijven staan. Vervolgens slaat hij dient in het gezicht met zijn vuist en duikt hij de auto in. Hij verklaart dat hij zag dat dient met zijn gezicht naar voren zakte, met zijn gezicht richting het stuur. In die situatie slaat hij dient nog een aantal keren in het gezicht.
- 19.
Naar mening van de verdediging handelt [verbalisant 1] hiermee in strijd met artikel 7 van de ambtsinstructie als het gaat om het toedienen van de vuistslagen het hanteren van het vuurwapen. Er was geen reden om geweld te gebruiken. Er was geen reden om dient meerdere vuistslagen toe te dienen.
- 20.
Over het vuurwapen:
- •
Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd:
- o a.
om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijn vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken;
- o b.
om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf
- ■ 1°
. waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier ja ren of meer is gesteld, en
- ■ 2°
.dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, of
- ■ 3°
.dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn.
- o c.
tot het beteugelen van oproerige bewegingen of andere ernstige wanordelijkheden, indien er sprake is van een opdracht van het bevoegd gezag en een optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere;
- o d.
tot het beteugelen van militaire oproerige bewegingen, andere ernstige militaire wanordelijkheden of muiterij indien de militair van de Koninklijke marechaussee in opdracht van de minister van Defensie dan wel de officier van justitie te Arnhem belast met militaire zaken in gesloten verband onder leiding van een meerdere optreedt.
- •
2Het gebruik van het vuurwapen in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is slechts geoorloofd tegen personen en vervoermiddelen waarin of waarop zich personen bevinden.
- •
3ln de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt van het vuurwapen geen gebruik gemaakt, indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt
- •
4Onder het plegen van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de poging en de deelnemingsvormen, bedoeld in de artikelen 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht.
- 21.
De identiteit van de persoon was al bekend en buitendien en om een situatie waarbij sprake is van een verdenking of veroordeling van een misdrijf van vier jaar of meer, was geen sprake. Het ging in casu ging het om een overtreding, namelijk rijden zonder rijbewijs.
- 22.
[verbalisant 1] trekt het wapen buitengewoon snel, namelijk al op het moment dat dient achteruit rijdt. Hij richt het wapen vervolgens op het hoofd van dient als hij voor de auto staat. Hij stapt opzij in de richting van de bestuurdersportier en blijft op het hoofd van dient richten terwijl het raam openstaat.
- 23.
In tegenstelling tot wat [verbalisant 1] beweert, is te zien op de beelden dat hij zijn wapen niet heeft geborgen. De zoveelste onwaarheid die [verbalisant 1] relateert op ambtseed.
- 24.
Het is juist mijn dient geweest die doodsangsten had toen [verbalisant 1] dat wapen op hem richtte.
- 25.
Dat dient probeert weg te rijden verdient niet de schoonheidsprijs, maar hij heeft dit in tweede instantie gedaan uit paniek en angst. Hij werd geslagen van beide kanten en er werd een vuurwapen op hem gericht.
- 26.
De vraag is of op dat moment sprake was van een rechtmatige uitoefening van de bediening? [verbalisant 2] heeft uitdrukkelijk aangegeven dat dient niet was aangehouden, waarna dient achteruit reed.
- 27.
Daarna is dient op geen enkel moment medegedeeld dat hij was aangehouden voor poging doodslag of zware mishandeling dan wel het rijden zonder rijbewijs. Er zou alleen zijn geroepen dat hij moest blijven staan. Client was daartoe echter juridisch niet verplicht,
- 28.
In de tenlastelegging is opgenomen dat sprake was van een overtreding van artikel 287/302 Sr op heterdaad. Uit de beelden blijkt dat daar absoluut geen sprake van was. Beide aangevers hebben hun bevindingen in strijd met de waarheid flink aangedikt en dat is buitengewoon kwalijk van deze verbalisanten.
- 29.
Onder aan de streep, is aan dient pas medegedeeld dat hij was aangehouden, toen de verbalisanten bovenop hem lagen. Eerder is hem dit niet medegedeeld.
- 30.
Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat nu geen sprake was van een heterdaad situatie zoals omschreven in de tenlastelegging geen sprake was van een rechtmatige uitoefening van de bediening. Dit maakt dat van overtreding artikel 181 Sr. zoals tenlastegelegd geen sprake kan zijn.
- 31.
Verder heb ik u al voorgehouden dat er niet over het been van [verbalisant 1] is gereden.
- 32.
Client heeft zich ook niet met kracht verzet toen beide verbalisanten hem sloegen en trokken terwijl hij in de auto zat.-
- 33.
Conform het procesverbaal van [verbalisant 2], blijkt dat [verbalisant 2] probeerde de handrem omhoog te trekken. Hij verklaart niet dat dient zich tegen hem verzette.
- 34.
[verbalisant 1] verklaart meerdere vuistslagen te hebben toegediend, waardoor dient naar voren zakte met zijn gezicht. Ook dit kan niet als verzet worden gekwalificeerd. [verbalisant 1] heeft het in het pv van bevindingen over tegenstribbelen. In zijn verklaring van 28 juni 2021 legt hij dit uit als dat dient de andere kant op leunde. Client betwist dit, maar anderzijds kan dit ook niet als zich met kracht verzetten of tegenstribbelen worden gekwalificeerd.
- 35.
Over het tweede gedachtestreepje merk ik op dat dient niet met hoge, althans aanzienlijke snelheid is weggereden. De snelheid is niet vastgesteld, echter kunt u waarnemen dat [verbalisant 1] mee rent tot hij zichzelf laat vallen. Ik heb u reeds voorgehouden dat hij niet is meegesleurd of meegetrokken.
- 36.
Ten aanzien van het derde gedachtentreepje, merk ik op dat dient zich bij feitelijke aanhouding (het moment na wegrijden) niet heeft verzet. Hij is door meerdere agenten naar de grond gewerkt, zij zijn op hem gaan liggen. Client heeft toen meegewerkt. [verbalisant 2] is degene die dient naar de grond werkt. Hij verklaart niet dat dient zich toen of daarna heeft verzet.
- 37.
Alleen [verbalisant 1] heeft het over hevig verzet, maar relateert niet waar dat verzet uit bestond. Overigens trekt [verbalisant 1] ook hier weer, onnodig en in strijd met de ambtsinstructie zijn vuurwapen. Ik verzoek u dient vrij te spreken.
- 38.
Subsidiair indien u mij hierin onverhoopt niet volgt, dan zou in uiterst geval het wegrijden waarbij [verbalisant 1] ten val is gekomen mogelijk een bewezenverklaring kunnen opleveren.
- 39.
In het kader van de strafmaat verzoek ik u mee te wegen dat gehandeld is in strijd met de ambtsinstructie door [verbalisant 1].
- 40.
Daarnaast hebben beide verbalisanten, aantoonbaar op verschillende punten in strijd met de waarheid verklaard. Op z'n zachts gezegd is dat buitengewoon verwerpelijk te noemen. Van de politie mag verwacht worden, dat een proces-verbaal op ambtseed of belofte de waarheid bevat. Ik verzoek u deze constateringen in de strafmaat te verdisconteren.’
1.6
Het hof heeft het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van gronden (aanvulling van de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen) op navolgende wijze bevestigd:
‘het vonnis waarvan beroep.
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof in het vonnis waarvan beroep de hierna te vermelden aanvulling aanbrengt.
Het hof is van oordeel dat de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen dienen te worden aangevuld, zoals hierna vermeld.
- —
Bewijsmiddel 2 dient als volgt te worden aangevuld:
Na de zin ‘[verdachte] is niet in het bezit van een rijbewijs en heeft meerdere antecedenten voor het rijden zonder rijbewijs.’, dient te worden toegevoegd:
‘Op zaterdag 26 juni 2021 omstreeks 17.25 uur, zag ik dat het voertuig op de [a-straat] in [a-plaats] werd geparkeerd. Collega [verbalisant 1], bevraagde het kenteken middels het politiesysteem MEOS. Ik zag op MEOS, BLUESPOT een politiefoto van [verdachte], De politiefoto kwam overeen met de bestuurder in het voertuig. Nadat [verdachte] zijn voertuig tot stilstand bracht, benaderde ik hem.’
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve onder aanvulling van gronden te worden bevestigd.
Beslissing
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.’
1.7
Artikelen 180 en 181 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luiden:
‘art. 180
Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (…) wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
Art. 181
De dwang en de wederspannigheid in de artikelen 179 en 180 omschreven worden gestraft:
- 1°.
met gevangenisstraf van ten hoogste vijfjaren of geldboete van de vierde categorie, indien het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
- 2°.
met gevangenisstraf van ten hoogste zeven ja ren en zes maanden of geldboete van de vijfde categorie, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;
- 3°.
met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien zij de dood ten gevolge hebben.’
1.8
Artikel 7 en artikel 10 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (geldend tot 1 juli 2022) luidden als volgt:
‘Artikel 7:
- 1.
Het gebruik van een vuurwapen, niet zijnde het gebruik, bedoeld in de artikelen 8 en 9, is slechts geoorloofd:
- a.
om een persoon aan te houden ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze:
- 1o.
een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnde vuurwapen bij zich heeft en dat tegen personen zal gebruiken, of
- 2o.
aanstonds ander levensbedreigend geweld tegen personen zal gebruiken;
- b.
om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en:
- 1o.
dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit,
- 2o.
betrekking heeft op het zich wederrechtelijk bevinden in een woning of op het daarbij behorende besloten erf met gebruik van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, of
- 3o.
dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving is of kan zijn
- c.
tot het beteugelen van oproerige bewegingen of andere ernstige wanordelijkheden, indien er sprake is van een opdracht van het bevoegd gezag en een optreden in gesloten verband onder leiding van een meerdere;
- d.
tot het beteugelen van militaire oproerige bewegingen, andere ernstige militaire wanordelijkheden of muiterij indien de militair van de Koninklijke marechaussee in opdracht van Onze Minister van Defensie dan wel de officier van justitie te Arnhem belast met militaire zaken in gesloten verband onder leiding van een meerdere optreedt;
- e.
om een ernstig gewond dier te doden;
- f.
om direct gevaar voor het leven van personen of voor het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel af te wenden.
- 2.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt van het vuurwapen geen gebruik gemaakt indien de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar te achten gevaar voor de rechtsorde met zich brengt.
- 3.
Onder het plegen van een misdrijf, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de poging en de deelnemingsvormen, bedoeld in de artikelen 47 en 48 van het Wetboek van Strafrecht.’
Artikel 10:
- 1.
De ambtenaar mag slechts een vuurwapen, niet zijnde een vuurwapen waarmee automatisch vuur of lange-afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, ter hand nemen:
- a.
in gevallen waarin het gebruik van een vuurwapen is toegestaan, of
- b.
in verband met zijn veiligheid of die van anderen, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een situatie ontstaat, waarin hij bevoegd is een vuurwapen te gebruiken.
- 2.
Indien een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, zich niet of niet meer voordoet, bergt de ambtenaar terstond het vuurwapen op.’
1.9
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 180 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende bestanddeel ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ gebruikt is in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling. Bij het antwoord op de vraag of de ambtenaar ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ is, geldt als uitgangspunt dat de politieambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van de aanhouding van een verdachte, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als bedoeld in artikel 180 Sr. Bij de beoordeling of zich omstandigheden voordoen die tot het oordeel leiden dat de uitoefening van de bediening niet rechtmatig is, kan de strafrechter de noodzaak en proportionaliteit van het desbetreffende overheidsoptreden betrekken.1.
1.10
Schalken heeft aangevoerd dat blijkens de Ambtsinstructie voor de politie behoorlijkheidsbeginselen als subsidiariteit en proportionaliteit eveneens horen tot het strafvorderlijke kader waarbinnen de rechtmatigheid dient te worden getoetst. Op wettelijk niveau wordt het vereiste van proportionaliteit bij toegestaan geweldgebruik volgens Schalken zelfs nader uitgewerkt in de beginselen van 'redelijkheid en gematigdheid'. Op dit niveau is behoorlijkheid dus meer dan een tot aardigheid uitnodigende bejegeningskwestie, maar maakt zij, zo meent Schalken, deel uit van de harde kern van het strafvorderlijke onrechtmatigheidsbegrip.2.
1.11
De verdediging heeft het verweer gevoerd dat (beknopt weergegeven) de verbalisant [verbalisant 1] niet werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening nu het door hem in strijd met de Ambtsinstructie toebrengen van vuistslagen aan verdachte alsmede het trekken en richten van zijn dienstwapen op verdachte dusdanig disproportioneel en niet-subsidiair was dat geen sprake meer is geweest van een rechtmatige uitoefening in zijn bediening zodat verdachte moet worden vrijgesproken.
1.12
De politierechter heeft dit verweer verworpen door te overwegen/oordelen dat het door verbalisant [verbalisant 1] in strijd handelen met de Ambtsinstructie niet af doet aan de bewezenverklaring en dat niet is aangevoerd dat er sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. De politierechter heeft vervolgens de tenlastegelegde wederspannigheid met letsel ten gevolge bewezenverklaard. Het hof heeft het vonnis bevestigd.
1.13
Het oordeel dat het door verbalisant [verbalisant 1] in strijd handelen met de Ambtsinstructie niet kan leiden tot een onrechtmatige uitoefening van de bedoening zoals bedoeld in art. 180 Sr is onjuist althans onbegrijpelijk. De omstandigheid dat niet zou zijn aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv doet daar niet aan af nu daarmee wordt miskend dat het niet-voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit aan de bewezenverklaring van dit bestanddeel van het tenlastegelegde (werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening) in de weg staat/kan staan. De rechtbank/het hof heeft/hebben het aangevoerde derhalve verworpen op gronden die de beslissing(en) niet kunnen dragen.3. Het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 6 en 13 EVRM en 365a Sv, en wel doordat het hof de stukken van het geding niet tijdig naar de Hoge Raad heeft gestuurd hetgeen tot strafverlaging dient te leiden.
Toelichting:
In het vonnis is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen waarvan 4 dagen voorwaardelijk. Het vonnis is door het hof bevestigd. Op 28 maart 2023 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Op 29 maart 2023 hebben de raadslieden van verdachte zich bij de Hoge Raad als advocaten voor verdachte gesteld. De stukken van het geding zijn pas op 8 juli 2024 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Op grond van deze omstandigheid heeft het hof de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad gezonden. Gelet hierop is de redelijke termijn van de berechting geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.4.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 10 oktober 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 10‑10‑2024
Vgl. o.m. HR 9 oktober 2012, NJ 2013/53, m.nt. Mevis, HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919, NJ 2014/529, m.nt. T.M. Schalken, zoals herhaald in o.a. HR 2 november 2021, NJ 2022/4, m.nt. A.J. Machielse, r.o. 2.3.2 en 2.4.
Noot behorende bij HR 7 oktober 2014, NJ 2014/529, m.nt. T.M. Schalken, randnummer 3.
Zie HR 9 oktober 2012, NJ 2013/53, m.nt. P.A.M. Mevis alsmede de in voetnoot 1 genoemde jurisprudentie.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:VD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis.