NJB 2025/2302:Bestanddeel ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’, art. 180 Sr: uitgangspunt is dat als zodanig werkzaam is de ambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van een wettelijke bevoegdheid. Voor de beoordeling of de uitoefening van de bediening niet rechtmatig is, kan de subsidiariteit en proportionaliteit van het betreffende overheidsoptreden van belang zijn. Ter verduidelijking voegt de Hoge Raad daaraan thans toe dat niet elke normschending bij het optreden van de ambtenaar aan een bewezenverklaring van een op art. 180 Sr toegesneden tenlastelegging in de weg staat. Dat is alleen het geval als sprake is van een normschending van een zekere ernst. Zo’n ernstige normschending kan zich bijvoorbeeld voordoen als de grenzen van de subsidiariteit of de proportionaliteit van het betreffende overheidsoptreden in belangrijke mate zijn overschreden. Dit betekent dat het eventuele handelen van de verbalisant in strijd met de Ambtsinstructie kan meebrengen dat de verbalisant met de staandehouding niet ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ was. Wanneer de normschending niet van zodanige ernst is kan nog wel sprake zijn van een (onherstelbaar) vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv. Voor de vraag of het bestanddeel ‘werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ van art. 180 Sr kan worden bewezenverklaard, is niet van belang of de verdediging heeft aangevoerd dat het optreden van de verbalisant moet worden aangemerkt als vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv.