De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/18.3.3:18.3.3 Brunner, Themis 2001
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/18.3.3
18.3.3 Brunner, Themis 2001
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366530:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
NJ 1998, 380 (Bloedtransfusie).
Zie nader over hoe die formulering dan zou moeten zijn § 21.3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Men zou kunnen zeggen dat het artikel van Brunner uit 2001 de basis heeft gelegd voor het 'moderne verjaringsdenken' , in die zin dat Brunner overtuigend motiveert dat het bij bevrijdende verjaring gaat om de individuele rechtsverhouding en niet om het algemeen belang. Brunners betoog dat het nieuwe verjaringsrecht veel slechter is dan het oude en ingrijpend moet worden herzien, overtuigt mij echter niet.
Brunner opent: "Het verjaringsrecht in civiele zaken is in 1992 bij de invoering van het nieuwe BW geheel vernieuwd. Er is echter iets grondig mis met dat nieuwe verjaringsrecht." Hij schrijft voorts:
"Het nieuwe verjaringsrecht berust op het uitgangspunt dat verjaring van rechtsvorderingen een onmisbare en positieve bijdrage levert aan ons recht. Om uit de knoop te geraken, waarin het nu is beland, moet naar mijn mening het nieuwe verjaringsrecht door de wetgever worden herzien. Daarbij zou leidraad moeten zijn, dat verjaring niet een absolute waarde in zichzelf heeft, maar veeleer dat zij moet zijn de gerechtvaardigde ontneming van de rechtsvordering aan wie zich gedurende lange tijd onvoldoende heeft ingespannen om zijn recht te bewaren en geldend te maken."
Mijn bezwaar tegen Brunners betoog is dat hij het nieuwe recht een achteruitgang noemt, terwijl het gebrek dat hem daartoe aanleiding geeft ook al aan het oude recht kleefde. Hij schrijft: "Het in 1992 ingevoerde stelsel is door Hartkamp principieel verworpen, voor zover dat er van uitgaat dat een vordering tot schadevergoeding kan verjaren voordat zij kon worden ingesteld. Ik ben dat met hem eens."
Inderdaad kan het met de objectieve termijn van het nieuwe recht gebeuren dat een vordering verjaart nog voordat de crediteur haar kon instellen: de vordering verjaart immers "in ieder geval" na twintig jaar. Het punt is evenwel dat dit onder het oude recht net zozeer kon gebeuren. Daar was het aanvangsmoment de opeisbaarheid van de vordering, en dat moment is ook onafhankelijk van het vermogen van de crediteur te vorderen. Brunner citeert zelf het onder het oude recht gewezen HR 3 november 1995.1 Daar werd de schadevergoedingsvordering van een vrouw verjaard geoordeeld, terwijl de fout meer dan dertig jaar door het ziekenhuis verborgen werd gehouden. Zij kon haar vordering dus niet eerder instellen. Brunner in zijn commentaar: "De ontneming door het recht van een vorderingsrecht dat de schuldeiser niet heeft geldend kunnen maken, is zozeer in strijd met elementaire eisen van rechtvaardigheid, dat zij naar mijn mening onaanvaardbaar is." Hier spreekt Brunner over het oude recht. Waarom is er dan "iets grondig mis met dat nieuwe verjaringsrecht [curs. toegevoegd — .11,S]"?
Ook de pijl op het nieuwe verjaringsrecht in de openingszin van het citaat verbaast. "Het nieuwe verjaringsrecht berust op het uitgangspunt dat verjaring van rechtsvorderingen een onmisbare en positieve bijdrage levert aan ons recht." Het nieuwe verjaringsrecht doet dat inderdaad, maar het oude recht deed dat evenzeer, net als nagenoeg alle andere rechtsstelsels.
Brunner vervolgt: "Daarbij [bij herziening van het nieuwe verjaringsrecht — JLS] zou leidraad moeten zijn, dat verjaring (...) moet zijn de gerechtvaardigde ontneming van rechtsvorderingen aan wie zich gedurende lange tijd onvoldoende heeft ingespannen om zijn recht te bewaren en geldend te maken." Dat lijkt mij juist, maar een argument tegen het nieuwe verjaringsrecht is het opnieuw niet. Integendeel, in het nieuwe recht is met de subjectieve termijn precies die mogelijkheid geïntroduceerd. Zij ontbrak onder het oude recht met zijn blinde dertigjaarstermijn. De subjectieve termijn is in praktisch opzicht veruit het belangrijkste onderdeel van het nieuwe verjaringsrecht. Zo beschouwd is in de benadering van Brunner het nieuwe recht juist een vooruitgang.
Wat rest, is kritiek op de lange objectieve termijn (een termijn die dus, als gezegd, niet hardvochtiger is dan de oude dertigjaarstermijn). Ik ben het op zichzelf met Brunner eens dat de objectieve termijn niet "in ieder geval" zou moeten gelden. Maar daarmee is de diskwalificatie van een objectieve termijn als zodanig nog niet gegeven. Ik kan mij voorstellen dat een zorgvuldig door de Hoge Raad geformuleerde escape via de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid tot bevredigende resultaten voert.2 Overigens moet men dan wel aannemen, zoals de Hoge Raad inmiddels al deed, dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid op die termijn van toepassing is.