Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.1.4
II.1.4 Over de selectie en samenstelling van jurisprudentie
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460325:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik zocht dus jurisprudentie van maximaal 10 jaar oud. Als er weinig zoekresultaten waren, verruimde ik die periode. Ook zitten er oudere uitspraken tussen die ik heb gevonden op basis van verwijzingen in literatuur of andere rechtspraak.
Bij rechtspersonen staat vanzelfsprekend geen geboorteplaats vermeld, maar een vestigingsplaats.
Zie bijvoorbeeld HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9326 (concl. A-G Vegter), NJ 2010/23, conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BI9326; HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2918 (concl. A-G Machielse), NJ 2005/434; JM 2006/32, m.nt. Koopmans; JIN 2005/282, m.nt. Kessler (Binnentanker), conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT2918; HR 4 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6171 (concl. A-G Wortel), JM 2004/119, m.nt. Koopmans (Tankstation), conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AL6171.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 10 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2232, JBO 2016/177, m.nt. Van der Meijden (Asbest Osdorpflats).
Dit heeft overigens niet in alle bestudeerde uitspraken tot vrijspraak geleid omdat soms ook andersoortige delicten waren tenlastegelegd, zoals het overtreden van de Arbowet of valsheid in geschrifte.
De vraag die centraal staat in dit hoofdstuk is onder welke voorwaarden een leidinggevende kan worden aangemerkt als dader van een milieudelict in bedrijfscontext. Die vraag kan niet worden beantwoord met kennis van de algemene daderschapscriteria alleen; er is ook enige kennis nodig van de wijze waarop deze criteria in de rechtspraak worden toegepast. Bijvoorbeeld, de ‘nauwe en bewuste samenwerking’ gericht op het overvallen van een bank, heeft een heel ander karakter en andere verschijningsvorm dan de samenwerking tussen leidinggevenden bij het overtreden van een vergunningsvoorschrift. De beoordeling of een leidinggevende kan worden aangemerkt als dader van een milieudelict, roept een aantal milieuspecifieke vragen op. Om de algemene daderschapscriteria nader in te vullen en een beeld te schetsen van de casuïstiek van de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, speelt jurisprudentie een belangrijke rol. Welke lessen worden gedestilleerd uit de jurisprudentie, hangt natuurlijk ook af van welke rechtszaken zijn geraadpleegd bij het onderzoek. Om de controleerbaarheid en validiteit van de conclusies van dit hoofdstuk te vergroten, merk ik hierna het een en ander op over de selectie en samenstelling van jurisprudentie.
De zoektocht naar jurisprudentie begon bij tijdschriftartikelen, kronieken en handboeken over het milieustrafrecht, strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden en andere aanverwante onderwerpen. Van deze bronnen heb ik de jurisprudentie in de hoofdtekst en voetnoten opgezocht om te bepalen of ze relevant zijn voor dit onderzoek. Daarnaast vond ik via juridische zoekmachines zoals Rechtsorde ook rechtszaken die niet zijn geannoteerd of anderszins aan bod zijn gekomen in de literatuur.
Bij de zoekmachines stelde ik allereerst filters in voor strafrechtelijke rechtspraak vanaf 2009.1 Voor paragraaf II.3 en II.5 gebruikte ik de zoekterm ‘geboren’, omdat in de tenlastelegging van natuurlijke personen altijd wordt aangegeven waar deze geboren is.2 Ik combineerde de zoekterm met een functionele term zoals ‘directeur’, ‘bedrijfsleider’, ‘bestuurder’ of ‘leidinggevende’. Om te zorgen voor zoekresultaten uit het milieustrafrechtelijke domein gebruikte ik de zoekterm ‘milieu’ of een specifiekere term zoals ‘afval’, ‘verontreiniging’ of ‘lozing’. Naast of in plaats van deze termen noemde ik in zoekopdrachten soms een specifieke wet, zoals ‘Wet milieubeheer’, ‘EVOA’, ‘Meststoffenwet’ of ‘Wet bodembescherming’. Verder gebruikte ik per daderschapsvorm een zoekterm waarin de naam van de daderschapsvorm zelf en/of een deel van de criteria van de daderschapsvorm terugkeerden.
Voor de daderschapsvormen plegen en medeplegen herhaalde ik de zoekopdrachten met verschillende combinaties van zoektermen net zo lang totdat ik voor de betreffende daderschapsvorm geen nieuwe zoekresultaten kreeg. Bij het zoeken naar zaken over feitelijk leidinggeven en over het daderschap van rechtspersonen ben ik niet doorgegaan tot dit punt van verzadiging, simpelweg omdat er te veel uitspraken zijn. Van feitelijk leidinggeven heb ik de uitspraken van de Hoge Raad, uitspraken van de gerechtshoven, uitspraken die aangehaald worden in de literatuur, de bekende uitspraken (zoals Chemie-Pack en Probo Koala) en nog enkele tientallen uitspraken van lagere rechters betrokken bij het overzicht. Ook waren er veel milieustrafzaken waarin een rechtspersoon verdachte was. Omdat niet rechtspersonen maar natuurlijke personen centraal staan in dit onderzoek, heb ik niet alle rechtszaken bestudeerd over het daderschap van de rechtspersoon. Wel heb ik van de zaken over rechtspersonen de standaarduitspraken en veelgeciteerde uitspraken betrokken, samen met de uitspraken over rechtspersonen waarin een natuurlijk persoon medeverdachte is.
Van de zoekresultaten maakte ik een jurisprudentieoverzicht, gesorteerd op daderschapstype. Ook heb ik een overzicht gemaakt van de combinaties van zoektermen die ik heb gehanteerd. Vervolgens heb ik de zaken bestudeerd, samengevat in een apart overzicht, en verwerkt in de paragrafen waarin de criteria van een bepaalde daderschapsvorm uitgewerkt waren.
In veruit de meeste milieustrafrechtzaken met een natuurlijk persoon, is de verdachte bestuurder of bedrijfsleider. In de geselecteerde jurisprudentie is de (formele) functie van de aansprakelijke natuurlijke persoon niet altijd geëxpliciteerd. Soms kon de zeggenschap van de verdachte in kwestie afgeleid worden uit het feitenrelaas van de uitspraken. Ik heb natuurlijke personen die eigenaar zijn3 of personen die toezichthouden op bedrijfsvoering4 ook gerekend tot de categorie leidinggevenden. Niet in alle bestudeerde zaken is het gekomen tot een veroordeling van de leidinggevende voor het begaan van een milieudelict.5 Toch kunnen ook de overwegingen die wijzen in de richting van vrijspraak bijdragen aan een beter begrip van het plegerschap van leidinggevenden in het milieustrafrecht.