Foutenleer
Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/3.4.2:3.4.2 De bestendige gedragslijn
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/3.4.2
3.4.2 De bestendige gedragslijn
Documentgegevens:
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS418078:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Heeft de belastingplichtige een onderneming overgenomen, dan is hij niet gehouden de door de overdrager van die onderneming gevolgde waarderingsstelsels te continueren (zie ook: HR 31 december 1952, BNB 1953/44).
HR 3 december 1952, BNB 1953/19.
Zie hoofdstuk 8, paragraaf 8.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 3.3 van dit hoofdstuk is vastgesteld dat de in een kalenderjaar genoten winst wordt bepaald volgens goed koopmansgebruik, met inachtneming van een bestendige gedragslijn welke onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst en welke slechts kan worden gewijzigd indien goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt. Jacobs (blz. 16) merkt ten aanzien van de bestendige gedragslijn op:
Bij het bepalen van de jaarwinst dient de belastingplichtige, binnen de door de woorden en de beginselen der wet gecreëerde bandbreedte, de kwalitatieve grondslagen van zijn winstberekening tegenover de fiscus te handhaven, tenzij bijzondere omstandigheden hem dwingen dan wel toestaan één of meer grondslagen te veranderen voor de toekomst.
Toepassing van de eis van een bestendige gedragslijn houdt in dat de belastingplichtige, met behoud van de vrijheid van handelen die hij heeft met betrekking tot de lijnen waarlangs hij zijn winst wil berekenen, wordt gebonden aan een zekere continuïteit bij het volgen van die lijnen. Hoewel er geen verplichting voor de belastingplichtige bestaat de door hem gevolgde gedragslijnen te omschrijven, dienen deze wel uit zijn boekingen te kunnen worden afgeleid.
De eis van de bestendige gedragslijn leidt ertoe, dat de belastingplichtige voor de waardering van zijn activa en passiva in het kader van de jaarlijkse winstberekening gebruik maakt van waarderingsstelsels. De keuze voor het volgen van een bepaald waarderingsstelsel ligt in beginsel bij de belastingplichtige1; hij dient echter wel een systeem te kiezen dat in overeenstemming is met goed koopmansgebruik en niet strijdig is met eventuele wettelijke bepalingen2.
Uit artikel 9 Wet IB 1964 kan worden afgeleid dat een door de belastingplichtige gevolgd waarderingsstelsel kan worden gewijzigd indien goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt. Zodoende kan een eenmaal gekozen stelsel niet willekeurig door een ander, op zichzelf toelaatbaar, waarderingsstelsel worden vervangen. In HR 14 januari 1970, BNB 1970/68, wordt ten aanzien van de wijziging van de bestendige gedragslijn geoordeeld:
dat g.k.g. zulk een wijziging (...) rechtvaardigt niet alleen bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als tot 1965 door art. 7, lid 1, van I.B. ’41 werd verlangd, maar ook – bij gemis van bijzondere omstandigheden – indien een bl.pl. wil overgaan van een op zich zelf aanvaardbaar stelsel van winstberekening naar een ander zodanig stelsel dat voor de desbetreffende onderneming geschikt is, mits (...) niet naar willekeur en louter op fiscale gronden (...) tot stelselwijziging wordt besloten (...).
Naast een vrijwillige stelselwijziging – welke derhalve niet altijd mogelijk is – kan zich een verplichte stelselwijziging voordoen. Hierbij wordt de belastingplichtige gedwongen een door hem gevolgd waarderingsstelsel te verlaten, omdat dit waarderingsstelsel niet (langer) in overeenstemming is met goed koopmansgebruik3. In dat geval is – zoals wordt uitgewerkt in hoofdstuk 7 – de foutenleer van toepassing.