Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.4.5.2
5.4.5.2 Bevoegdheid
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS492731:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Meijers in zijn noot onder HR 31 december 1925, NJ 1926, p. 132; zie over Meijers’ opvatting: Hofmann/Drion/Wiersma 1959, p. 35-36. Meijers lijkt overigens te menen dat degene die de prestatie verricht ‘er tussenuit’ valt.
Een uitwerking van deze gevallen moet in dit proefschrift achterwege blijven. Ik volsta met een doorrekening in hoofdstuk 6 van gevallen van doorbetaling, betalingen door derden die op eigen initiatief handelen, gevallen waarin een hulppersoon wordt ingeschakeld en ten slotte gevallen van cessie.
Zie par. 5.4.4.1 en Hof Leeuwarden 19 juni 2012, JOR 2012/375.
In beginsel kan toerekening van handelen alleen plaatsvinden als de toe te rekenen handeling is verricht op grond van een bevoegdheid. Anders gezegd: toerekening kan in beginsel alleen plaatsvinden als de tussenpersoon heeft gehandeld op grond van een bevoegdheid om een prestatie te verrichten of een prestatie te ontvangen.
De bevoegdheid kan onder meer voortvloeien uit een opdracht. De opdracht is in het bijzonder een bron van de bevoegdheid voor het verrichten van prestaties. Stel bijvoorbeeld dat A een schuld heeft aan B en dat hij een opdracht heeft ontvangen van B om rechtstreeks te presteren aan C. A is dan bevoegd om voor rekening (en bij rechtshandelingen in naam) van B te presteren aan C. De verrichting van de prestatie door A kan worden toegerekend aan B als A inderdaad handelt voor rekening (en bij rechtshandelingen in naam) van B.1
Ik meen dat het wenselijk is om toerekening op grond van bevoegdheid om in naam van of voor rekening van een ander te handelen niet te beperken tot gevallen waarin een opdracht is gegeven. Ook de wet kan de bevoegdheid geven om voor rekening van een ander te handelen. Te denken valt aan gevallen waarin een derde-beslagene op grond van een wettelijke verplichting (hetgeen nog verder gaat dan een bevoegdheid) betaalt aan de deurwaarder. Ook kan worden gedacht aan andere gevallen van executie, zoals betalingen na een executie van een pand- of hypotheekobject.2
De bevoegdheid voor het ontvangen van prestaties voor rekening van een ander kan voortvloeien uit een overeenkomst tussen B en C. Daarvan is de hierboven besproken casus van het Hof Leeuwarden een voorbeeld.3
De bevoegdheid om te ontvangen voor rekening van een ander kan ook voortvloeien uit (het stelsel van) de wet. Artikel 6:30 bepaalt dat een derde (A) een schuld van een schuldenaar (B) mag nakomen. Met de prestatatie gaat een schuld van B aan C teniet; de ontvangst van de prestatie door C wordt derhalve voor rekening van B verricht.