Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/47
47 Vrij verkeer van vonnissen
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS502735:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
In het kader van de herziening van de EEX-Vo is de vraag aan de orde geweest of de EEX-bevoegdheidsbepalingen ook van toepassing zouden moeten zijn op buiten de EU woonachtige verweerders, zie het herzieningsvoorstel van de Commissie van 14 december 2010, COM (2010), 748 waarover F. Ibili, ‘Toepassing van de EEX-bevoegdheidsregels op verweerders uit derde landen: naar een universeel formeel toepassingsgebied’, WPNR (2011) 6892, p. 533-536. De integrale toepassing van de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening op verweerders uit derde landen heeft de eindstreep uiteindelijk niet gehaald, zie PbEU 20 december 2012, L 351/1.
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gesloten te Lugano op 16 september 1988 (PbEG L319/9 van 25 november 1988), afgekort ook ‘EVEX’ (EEG-EVA Bevoegdheids- en Executieverdrag). Dit verdrag is in 1988 als pendant van het EEX-Verdrag gesloten tussen de toenmalige EG-lidstaten en de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) met het oog op uitbreiding van het EEX-regime tot de EVA-staten. Over de herziening van het EVEX, zie J.F. Vlek, ‘Herziening EVEX: Een nieuw Verdrag van Lugano’, WPNR (2009) 6799, p. 407-414.
Advies HvJEG 7 februari 2006, nr. 1/03, Jur. 2006, p. I-01145, r.o. 143.
Met de steeds verder voortgaande economische integratie van de lidstaten nam de behoefte aan een soepel functionerend systeem voor grensoverschrijdende procedures toe. Naast het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal diende ook een vrij verkeer van vonnissen in de interne markt gerealiseerd te worden, ten gevolge waarvan de lidstaten hun nationale recht in EU-context op het gebied van internationale bevoegdheid en erkenning van beslissingen ‘opgeven’.1 Deze communautaire gedachtegang komt bijvoorbeeld terug in het advies van het HvJ inzake de externe competentie van de EU om een nieuwe versie van het EEG-EVA Bevoegdheids-en Executieverdrag2 (kortweg: EVEX) te sluiten:
‘Met deze verordening (de EEX-Verordening, JV), en meer in het bijzonder hoofdstuk II daarvan, moet eenheid worden gebracht in de regels inzake de bevoegdheid van de gerechten in burgerlijke en handelszaken, (…) met het doel de belemmeringen voor de werking van de interne markt weg te nemen die kunnen voortvloeien uit de verschillen tussen de nationale wetgevingen (…).’3