Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/45
45 Achtergrond EEX-Verordening II
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS510155:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
De toelichtende rapporten bij de opeenvolgende versies van het EEX-Verdrag blijven van belang voor zover zij uitleg geven aan bepalingen die ook in de EEX-Vo II zijn terug te vinden. De belangrijkste rapporten zijn het Rapport Jenard (PbEG 1979, C59/1) en het Rapport Schlosser (PbEG 1979, C59/71), tevens te vinden in Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering (uitgave Kluwer), EEX c.a., Toelichtende rapporten EEX-Verdrag.
Zie onder meer HvJEG 6 oktober 1976, zaak 14/76, Jur.1976, 1497, NJ 1977/170 m.nt. JCS (De Bloos/ Bouyer), HvJEG 6 december 1994, zaak C-406/92, Jur. 1994, p. I-5439, NJ 1995/659 m.nt. ThMdB (Tatry), HvJEG 19 februari 2002, zaak C-256/00, Jur. 2002, p. I-1699, NJ 2004/159 m.nt. PV (Besix).
Velen zien dit laatste als belangrijkste doelstelling van het EEX-Verdrag, zie J.A. Pontier & E. Burg, EU Principles on Jurisdiction and Recognition and Enforcement of Judgments in Civil and Commercial Matters, Den Haag: T.M.C. Asser Press 2004, p. 19 e.v..
Rapport Jenard (PbEG 1979, C 59), p. 13.
Alvorens dieper in te gaan op de mechanieken voor het tegengaan van parallelle procedures in verschillende lidstaten wordt in dit hoofdstuk de achtergrond van de EEX-Verordening II geschetst. De verordening is onderdeel van het Unierecht en dient ook zoveel mogelijk als zodanig te worden geïnterpreteerd. Het EEX-Verdrag kan bogen op een lange periode van uitleg en interpretatie door nationale gerechten en het HvJ. De EEX-Verordening II streeft dan ook zoveel mogelijk continuïteit na met het EEX-Verdrag en de EEX-Verordening. Dit betekent onder meer dat de uitleg die het HvJ aan bepalingen van het EEX-Verdrag en EEX-Verordening heeft gegeven van belang blijft voor de interpretatie van gelijkluidende bepalingen van de EEX-Verordening II.1 In zoverre is sprake van een bijzonder deel van het Unierecht. Het HvJ heeft in zijn rechtspraak over het EEX-Verdrag regelmatig verwezen naar de preambule van het EEX-Verdrag om te bepalen wat de belangrijkste beginselen van het Verdrag zijn.2 De preambule luidt:
GELEID DOOR de wens uitvoering te geven aan artikel 220 van dit Verdrag, krachtens hetwelk zij zich ertoe hebben verbonden de vereenvoudiging van de formaliteiten waaraan de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen onderworpen zijn, te verzekeren,
VERLANGENDE binnen de Gemeenschap de rechtsbescherming van degenen die er gevestigd zijn te vergroten,
OVERWEGENDE dat het daartoe noodzakelijk is de bevoegdheid van hun gerechten in internationaal verband vast te stellen, de erkenning van beslissingen te vergemakkelijken en, ter verzekering van de tenuitvoerlegging hiervan alsmede van de tenuitvoerlegging van authentieke akten en gerechtelijke schikkingen, een vlotte rechtsgang in te voeren (..).
Art. 220 EG (oud) gaf indertijd een opdracht aan de lidstaten in onderhandeling te treden om te geraken tot een vereenvoudiging van de formaliteiten waaraan de wederzijdse erkenning van beslissingen onderworpen was. Als belangrijkste beginselen waarop het EEX-Verdrag steunt kunnen hieruit worden afgeleid de vergemakkelijking van de erkenning van beslissingen en het verlangen de rechtsbescherming binnen de Gemeenschap van degenen die er gevestigd zijn te vergroten.3 De belangrijkste doelstelling van de EEX-Verordening II is echter het wegnemen van belemmeringen voor de interne markt die voortkomen uit verschillen in nationale rechtsstelsels op het gebied van bevoegdheid en erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, zoals vermeld in de Considerans van de EEX-Verordening II onder punt 3:
‘De Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen en de toegang tot de rechter te vergemakkelijken, onder meer door het beginsel van wederzijdse erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen in burgerlijke zaken. Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van die ruimte dient de Unie maatregelen te nemen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, met name wanneer dat nodig is voor de goede werking van de interne markt.’
Dat beide beginselen belangrijk zijn moge ook al blijken uit het Rapport Jenard:
‘Het verdrag is gebaseerd op de gedachte dat de lid-staten van de EEG een gemeenschappelijke markt hebben willen instellen, die de kenmerken vertoont van een zeer grote interne markt. Alles moet dus in het werk worden gesteld om de belemmeringen voor de werking van deze markt uit de weg te nemen, doch daarnaast ook om de ontwikkeling daarvan te bevorderen.’4