De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/6.2.2:6.2.2 De toets van art. 11 lid 2 EVRM
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/6.2.2
6.2.2 De toets van art. 11 lid 2 EVRM
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363621:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De negatieve verplichting uit hoofde van art. 11 EVRM houdt niet in dat de overheid zich in het geheel niet zou mogen bemoeien met een organisatie waarop de vrijheid van vereniging van toepassing is. Wel schrijft art. 11 EVRM voor dat dergelijke bemoeienis aan bepaalde voorwaarden moet voldoen.1
Deze voorwaarden zijn dat een inmenging in de vrijheid van vereniging, wil geen sprake zijn van een schending van art. 11 EVRM: (i) moet zijn voorzien bij wet,2 (ii) een gerechtvaardigd doel dient en (iii) necessary in a democratic society is.3
Waar het gaat om het vereiste dat een inmenging een gerechtvaardigd doel dient, geeft art. 11 EVRM enerzijds een limitatieve opsomming van welke doelen gerechtvaardigd zijn,4 maar geldt anderzijds dat de opgesomde doelen zo ruim zijn omschreven dat daarvan nauwelijks een beperking uitgaat. Inmengingen in de vrijheid van vereniging zijn mogelijk in verband met het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit vereiste speelt in de praktijk dan ook nauwelijks een rol.5 Daarom zal daaraan verder geen aandacht besteed worden.
Het vereiste dat necessary in a democratic society moet zijn komt ter sprake in par. 6.4.