Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.4.4.1
6.4.4.1 Materiële betekenis begrip ‘grove schuld’
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940304:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HR 23 juni 1976, BNB 1976/199, HR 19 december 1990, BNB 1992/217, HR 19 april 1995, BNB 1995/183.
Opzet omvat geen grove schuld en grove schuld is geen milde vorm van opzet, net zo min als opzet een meer ernstige vorm van grove schuld is. Zie daaromtrent nader paragraaf 6.4.5 hierna.
HR 15 juli 1988, BNB 1988/270, r.o. 4.10, Hof Amsterdam 7 juli 2011, V-N 2011/44.4, NTFR 2011/1885, r.o. 6.4.
Hof Amsterdam 7 juli 2011, V-N 2011/44.4, NTFR 2011/1885, r.o. 6.4.
Niet te verwarren met ‘moet hebben’: die omschrijving wijst er juist op, dat het (bijvoorbeeld gelet op de uiterlijke verschijningsvorm) niet anders kan zijn dan dat de boeteling daadwerkelijk wist hoe het zat, en is dus een indicator van opzet. Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017, V-N 2017/30.5, r.o. 4.14-4.15.
Daarin ligt besloten dat hij niet daadwerkelijk op de hoogte was (en dus niet de voor opzet vereiste wetenschap had, waarover nader in paragraaf 6.4.3.1).
Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid, slordigheid, nalatigheid of onzorgvuldigheid.1 Het gaat dus voor wat betreft de aard van het verwijt om onachtzaamheden of slordigheden. Dit impliceert dat de belastingplichtige (1) bepaalde zaken over het hoofd heeft gezien, maar (2) zulks had kunnen voorkomen als hij zorgvuldiger had gehandeld en (3) dat hij dat ook inderdaad had moeten doen. Bovendien moet er sprake zijn van een behoorlijk ernstig schuldverwijt: gemeten in laakbaarheid moet de onachtzaamheid aan opzet grenzen, dus haast even ernstig zijn als opzet. Hoewel deze formulering suggereert dat er sprake is van een glijdende schaal, is dat niet het geval.2 Van belang is dat de vergelijking met opzet slechts wordt gemaakt in het licht van de voor de grove schuld vereiste mate van laakbaarheid. De boodschap is dat de slordigheid zó ernstig moet zijn, dat het intrinsieke verwijt haast even erg is als wanneer de fout met opzet zou zijn gemaakt. Enige, of qua ernst onbepaalde onachtzaamheid is derhalve onvoldoende.3 De inspecteur moet de mate van slordigheid of nalatigheid daarom altijd nader specificeren.4
Uit het voorgaande volgt dat er ook bij grove schuld sprake is van cumulatieve voorwaarden. De term moet in feite letterlijk worden genomen: de aard van het verwijt is culpoos (schuld), de mate is ernstig (grof). Het culpoze karakter komt vooral tot uiting in het gebruik van de voltooid verleden tijd bij de omschrijving van het verwijt. Een schuldverwijt is daarom goed herkenbaar aan belangrijke indicatoren als ‘had moeten’ en ‘had kunnen’.5 Het verwijt kan bijvoorbeeld zijn dat een belastingplichtige op de hoogte had moeten zijn van de juiste toepassing van de regels.6 Daarnaast moet dat verwijt dus een behoorlijk gewicht hebben.