Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/8.5.a:8.5.a Conclusies
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/8.5.a
8.5.a Conclusies
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS610742:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 5.6.
Paragraaf 5.3c.
Paragraaf 7.3.
Paragraaf 7.3.
Paragraaf 7.4.
Paragraaf 5.6c; paragraaf 5.3d.
Paragraaf 7.5c-e.
Paragraaf 7.5b.
Paragraaf 3.5a.
Machielse 2011a, p. 55; A-G Vegter in conclusie voor HR 11 september 2012 ECLI:BX4467 en ECLI:BX4472; zie over beoordeling van het rechtsmiddel cassatie (in Spanje) door het CRM in het bijzonder paragraaf 3.8b.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wie beroep in cassatie in strafzaken instelt, krijgt linksom of rechtsom met verlofbeoordeling te maken. Beroepen waarin de insteller van het beroep geen schriftuur met middelen indient, worden doorgaans door de enkelvoudige kamer afgescheiden afgedaan.1 Indien wel middelen van cassatie zijn ingediend, kan het beroep om inhoudelijke redenen niet-ontvankelijk worden verklaard indien de klachten niet stellig of duidelijk zijn, of geheel niet of onsamenhangend zijn gemotiveerd.2 Een echt verlofstelsel – in termen van dit boek – geldt daarnaast sinds 2012 op grond van artikel 80a RO. De door de wetgever als ‘selectiemechanisme’ geïntroduceerde bepaling geeft de Hoge Raad de mogelijkheid een beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. De rechtspraak over deze bepalingen verduidelijkt tot op zekere hoogte in welke gevallen de bepaling wordt toegepast.3 In de praktijk lijken factoren als de subsidiariteit en proportionaliteit van een beroep in cassatie een rol te spelen, alsook gezichtspunten als relativiteit (Schutznorm) en rechtsverwerking.4 De conclusie is in elk geval dat in cassatie thans sprake is van zowel inhoudelijke als van vrije verlofbeoordeling. Afdoening van het beroep op grond van artikel 80a RO vindt in beginsel plaats op basis van enkele kennisneming van de cassatieschriftuur, aldus de Hoge Raad, behoeft niet door een conclusie te worden voorafgegaan, wordt meestal enkel van een standaardmotivering voorzien en is dus in zoverre afgescheiden van de gewone cassatieprocedure.5
Zowel de enkelvoudige afdoening van beroepen waarin geen schriftuur is ingediend als de niet-ontvankelijkverklaring van beroepen waarin kort gezegd ondermaatse cassatiemiddelen zijn ingediend, zijn in beginsel niet in strijd met het verdragsrecht.6 Ook het verlofstelsel van artikel 80a RO is vanuit verdragsrechtelijk perspectief veel minder problematisch dan het verlofstelsel in hoger beroep. Artikel 14 lid 5 IVBPR blijft immers in cassatie in de meeste gevallen grotendeels buiten toepassing – voor cassatie gelden in zoverre geen autonome verdragseisen. Voorts zijn de eisen van artikel 6 EVRM in cassatie over het algemeen minder strikt omdat daaraan doorgaans twee instanties zijn voorafgegaan en de toetsing beperkt van aard is. Dat betekent dat zowel een inhoudelijk als een vrij verlofstelsel in cassatie in beginsel is toegelaten, beide met tamelijk summiere procedurele waarborgen (conclusie verdragsrecht 2).
Toch zijn er aandachtspunten. Ten eerste verdienen in cassatie enkele specifieke eisen van artikel 6 EVRM aandacht. Analyse van de jurisprudentie van het EHRM geeft namelijk niet grote zekerheid over de aanvaardbaarheid van (i) de onmogelijkheid van reactie op het uitblijven van een conclusie, (ii) het toelichtingsvereiste en (iii) het doorgaans beperkte karakter van het 80a-onderzoek.7 Voorts kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de 80a-afdoening van beroepen waarin naast een op zichzelf terechte redelijke-termijnklacht andere, ‘kansloze’ middelen zijn ingediend.8
Ten tweede moet in cassatie goed worden gelet op een bijzonderheid in feitelijke instantie, namelijk de situatie waarin in eerste aanleg is vrijgesproken en de verdachte voor het eerst in hoger beroep is veroordeeld. In zo’n situatie is artikel 14 lid 5 IVBPR volop in cassatie van toepassing en dient de Hoge Raad de review te geven die deze bepaling voorschrijft.9 Met onder meer Machielse denk ik dat de gewone cassatieprocedure in Nederlandse strafzaken aan deze eisen kan voldoen.10 Belangrijker is hier de vraag of 80a-beoordeling als zodanig ook op goedkeuring van het CRM kan rekenen. Die vraag rijst niet alleen omdat 80a-afdoening in veel gevallen op enkele kennisneming van de schriftuur is gebaseerd en de standaardmotivering niet duidelijk blijk geeft van inhoudelijke controle, maar ook omdat de verlofmaatstaf niet zuiver inhoudelijk is. Het CRM kan de toepassing van artikel 80a RO daarom mogelijk opvatten als vrije verlofbeoordeling en om die reden in genoemde bijzondere gevallen een schending van artikel 14 lid 5 IVBPR vaststellen. Indien een verdachte voor het eerst in hoger beroep is veroordeeld, lijkt het dus raadzaam artikel 80a RO in beginsel niet toe te passen (conclusie verdragsrecht 2).
Een derde aandachtspunt is dat volledige behandeling van het cassatieberoep of vernietiging en terug- of verwijzing van de zaak nodig kan zijn om eerlijk-procesfeilen in feitelijke instantie te herstellen (conclusie verdragsrecht 6). Hoewel vormverzuimen in hoger beroep naar nationaal recht onder artikel 80a RO soms worden gerelativeerd, moet in cassatie aandacht blijven bestaan voor procedurefouten die raken aan het recht op een eerlijk proces.