Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.6.6
2.6.6 Verhaal door inning
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS592790:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ook de inning van dividenden en andere uitkeringen op aandelen in een kapitaalvennootschap valt onder artikel 3:246 BW; Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 184.
In deze zin al, met verwijzing naar Van Oven: Zwalve 1985, p. 3. Aldus ook Reehuis 1994, p. 317.
Zie Spath 2010, p. 37/38, ook voor verdere literatuurverwijzingen.
Rusten op de vordering meerdere pandrechten, dan komt de inningsbevoegdheid toe aan de eerste houder van een openbaar pandrecht. Wordt bevoegdelijk geïnd, dan komt daarbij voor alle pandhouders een vervangend pandrecht tot stand. Aldus overtuigend: Rank- Berenschot 1998, p. 189-190. Anders: Vriesendorp 1997/1998, p. 823-825 en p. 191.
“Het betreft hier zodoende een bijzonder geval van bezitsverkrijging door middel van een derde.”, aldus Zwalve 1983, p. 717.
Vgl. HR 11 maart 1977, NJ 1977/521(Kribbebijter).
HR 3 februari 1984, NJ 1984/752 (Slis-Stroom); zie obiter dictum aan het slot van r.o. 3.2 daarvan (“… een afzonderlijke rekening ten name van de notaris met vermelding van diens hoedanigheid …”). Wie aldus een kwaliteitsrekening opent is niet zelf rechthebbende op het saldo van die rekening; zie HR 12 januari 2001, NJ 2002/371(Koren q.q./ Tekstra q.q.).
Vgl. Rank-Berenschot 1997, p. 51/52; en Rank-Berenschot 1997a, p. 245 e.v.
HR 12 januari 2001, NJ 2002/371(Koren q.q./Tekstra q.q).
Asser/Van Mierlo 3-V1 2016/214 en 215; Perrick 2016, nr. 52. Vergelijk ook de door de Hoge Raad gesanctioneerde tenaamstellingen van een beleggingsrekening door een tot inning bevoegde vruchtgebruiker in de zaak die leidde tot HR 9 januari 1998, JOR 1998/ 116, NJ 1999/285(MeesPierson/Ten Bos); zie r.o. 3.1(iii) van dit arrest.
Anders: A. Steneker, sub 7 van zijn noot onder Hof Den Bosch 13 februari 2007, JOR 2007/162(Lek Agro/Van de Pas), die er kennelijk vanuit gaat dat het hypotheekrecht zou ontstaan zonder dat daarvoor een notariële akte vereist is en dus zonder dat aan de vereisten van art. 3:260 lid 1 BW hoeft te zijn voldaan.
Perrick 2016, nr. 51. Ook Steneker, sub 5 van zijn vorenbedoelde noot onder Lek Agro/ Van de Pas, gaat uit van vertegenwoordiging.
Vgl. 2.3.7.3 (beheersregeling) en 3.4.2.2 (vertegenwoordiging).
Vgl. HR 25 januari 1991, NJ 1992/172(Van Berkel/Tribosa), waarin de Hoge Raad overwoog dat in de vervreemding van een verhuurd goed de vervreemding besloten ligt van het vorderingsrecht met betrekking tot toekomstige huurpenningen. Voor een kritisch commentaar op dit arrest: Van der Kwaak 2015, par. 4.
In de praktijk is dit een onwaarschijnlijk geval.
Schuijling 2016/264 lijkt uit te gaan van het tegendeel.
Art. 3:246 lid 2 jo. lid 1 BW.
Art. 3:246 lid 5 en art. 3:255 BW.
Over inning gaat artikel 3:246 BW.1 Rust het pandrecht op een vordering (zoals een vordering tot uitkering), dan is de pandhouder bevoegd in en buiten rechte nakoming te eisen en betalingen in ontvangst te nemen (lid 1). Bij inning door de pandhouder komen de pandrechten waarmee de vordering bezwaard was, op het geïnde te rusten (lid 5). Deze regels gelden bij een uitkering in natura evenzeer als bij een uitkering in geld.2 Niet alleen geldvorderingen, maar ook vorderingen tot levering van goederen vallen onder de reikwijdte van artikel 3:246 BW.3 Bestaat het geïnde uit geld, dan kan de pandgever zich op dat geld verhalen, indien de door het pandrecht verzekerde vordering opeisbaar is (art. 3:255 BW). Inning door de pandhouder is beperkt tot gevallen waarin het een openbaar pandrecht betreft.4
In de praktijk speelt de zaaksvervangingsregel van artikel 3:246 lid 5 BW een beperkte rol, omdat verpande vorderingen meestal geldvorderingen zijn en men het zo pleegt te regelen dat, als de verpande geldvordering door de pandhouder kan worden geïnd, de met het pandrecht gesecureerde vordering opeisbaar is. In dat geval kan de verpande vordering rechtstreeks op de gewone bankrekening van de pandhouder worden geïnd. De zaaksvervangingsregel van artikel 3:246 lid 5 BW is van belang als de pandhouder de verpande geldvordering int, terwijl de met het pandrecht gesecureerde vordering nog niet opeisbaar is. Zij is tevens van belang in het geval de pandhouder niet bevoegd is tot het innen van geld, maar van goederen. Voor de gevallen waarin artikel 3:246 lid 5 van belang is, ga ik nog iets dieper in op de techniek.
De tekst van artikel 3:246 lid 5 BW wekt op het eerste gezicht de indruk dat het daar bedoelde vervangende pandrecht van rechtswege ontstaat, maar zo vanzelf als bij artikel 3:229 BW gaat het niet. Het pandrecht komt alleen op het geïnde te rusten, als de pandhouder op de voorgeschreven wijze van zijn inningsbevoegdheid gebruik maakt. Deze eis wordt gerechtvaardigd doordat het bij zaaksvervanging gaat om uitzonderingsregels. Het normale vermogensrechtelijke systeem wordt doorbroken om in bijzondere gevallen de positie van bepaalde betrokkenen te waarborgen, met name in gevallen waarin het onvoldoende in de macht van de betrokkene zelf ligt om voor zijn positie op te komen. Een innende pandhouder kan goed voor zichzelf opkomen. Van hem mag worden gevraagd dat hij bij het innen aangeeft op welke wijze hij optreedt.
Handelt de innende pandhouder op de voet van artikel 3:246 lid 5 BW, dan volgt daaruit zowel de verkrijging door de pandgever,5 als de totstandkoming van een pandrecht op het geïnde ten behoeve van de pandhouder. De voet waarop de pandhouder handelt, wordt door uitleg vastgesteld.6 Girale inning van geld kan plaatsvinden op een door de pandhouder geopende rekening met een tenaamstelling in de trant van het Slis-Stroom arrest.7 Rank- Berenschot heeft zich daartegen verzet, ervan uitgaande dat met een dergelijke tenaamstelling de pandhouder rechthebbende op het saldo van de rekening zou worden,8 maar haar zorg bleek onnodig.9 Een formulering als “F. Janssen als pandhouder van P. Klaassen” voldoet aan de eisen.10 Bij uitkering van goederen kan deze formulering worden gebruikt voor de aanduiding van de pandhouder als partij bij een akte van levering. Geschiedt de levering notarieel, dan zal de notaris daar ter verduidelijking de goederenrechtelijke gevolgen nog wel bij zetten (pandgever wordt rechthebbende op het geïnde; pandhouder verkrijgt pandrecht of hypotheek).11 De opvatting dat de pandhouder die van zijn inningsbevoegdheid gebruik maakt (mede) als vertegenwoordiger van de pandgever optreedt,12 deel ik niet. De pandhouder handelt bij de inning op eigen naam en zijn bevoegdheid is niet afgeleid van die van de pandgever.13
De inningshandeling omvat mede een verpanding van het geïnde.14 Daarom denk ik dat langs deze weg geen pandrecht op het te innen goed kan ontstaan, als daarop geen pandrecht gevestigd kan worden.15 Ook op het punt van de samenloop van pandrechten werkt de zaaksvervanging bij inning (art. 3:246 lid 5 BW) anders dan bij artikel 3:229 lid 1 BW. Het te innen goed kan al lang bestaan. Rust voorafgaand aan de uitkering op het te innen goed al een pandrecht, dan gaat dat volgens de gewone regels in rang boven het jongere pandrecht dat de innende pandhouder op grond van artikel 3:246 lid 5 BW op datzelfde goed verkrijgt.16
Treedt degene die zijn vennootschapsaandeel heeft verpand uit de maatschap, dan kan de pandhouder overgaan tot inning van de uittreedvergoeding en zich op de opbrengst verhalen.17 Een pandhouder is in beginsel bevoegd tot opzegging, als de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar gemaakt kan worden.18 Geeft deze regeling aan de pandhouder de bevoegdheid tot uitoefening van een aan de pandgever toekomend recht tot uittreden uit de maatschap? Dat is onzeker. Uittreden maakt het vennootschapsaandeel niet opeisbaar, maar brengt vervanging door het recht op een uittreedvergoeding mee. Contractueel kan aan de pandhouder het recht worden verleend het lidmaatschap van de pandgever in de maatschap op te zeggen. Verder zal de pandhouder doorgaans geregeld willen zien dat de uittreedvergoeding snel na uittreden van de pandgever opeisbaar wordt. De hoogte van de uittreedvergoeding en het moment en de wijze van betaling daarvan zullen op basis van de maatschapsovereenkomst bepaald moeten worden.