Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/8.2.1:8.2.1 Heeft de nieuwe eigendomsregeling de beoogde duidelijkheid of oplossingen gebracht ter zake van de eigendom van netten?
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/8.2.1
8.2.1 Heeft de nieuwe eigendomsregeling de beoogde duidelijkheid of oplossingen gebracht ter zake van de eigendom van netten?
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS616161:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aangetoond is dat in de praktijk (of: volgens verkeersopvatting) bepaalde onderdelen van een net die niet onder het zaaksbegrip vallen, zoals vaste straalverbindingen, toch worden beschouwd als `bestanddeel' van een net en als zodanig ook behandeld worden. Immers gangbaar is om een 'vaste straalverbinding' te kopen terwijl dit formeel juridisch dus niet mogelijk is.
Sagaert 2004, p. 1398.
Mahne 2009, p. 212.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Deze vraag moet in beginsel positief worden beantwoord. De nieuwe regeling heeft ten opzichte van de voorheen heersende discussie (wel/geen toepassing verticale natrekking) duidelijkheid gebracht over de eigendom van netten; netten worden in beginsel niet verticaal nagetrokken door de grond, maar zijn eigendom van de bevoegde aanlegger. Voorwaarde voor toepassing van de nieuwe regeling is dat het betreffende net een volledig zelfstandige onroerende zaak dient te zijn. Als deze voorwaarde niet wordt vervuld zal in de meeste gevallen de eigendom bepaald worden door de horizontale natrekking. Het net zal dan als (onzelfstandig) deelnet worden nagetrokken door het hoofdnet. Hoewel de wetgever dit niet meer mogelijk lijkt te achten, zal in sommige gevallen ook nog sprake kunnen zijn van verticale natrekking. In het geval de horizontale natrekking geen uitkomst biedt zal de hoofdregel van artikel 5:20, eerste lid BW gelden, zeker als de grondeigenaar een redelijk belang heeft om over (het gedeelte van) het net te beschikken zoals in het geval het net de gebruiksmogelijkheden van de grond frustreert.
De eigendomsregeling heeft nieuwe begrippen geïntroduceerd zoals 'net' en 'bevoegde aanlegger'. Zoals hiervoor weergegeven zal de eigendomsregeling pas opgaan als sprake is van een zelfstandig net. Een definitie van het begrip net is niet gegeven in de eigendomsregeling zodat definities in sectorale wetgeving en wanneer deze ontbreekt de verkeersopvatting leidend zullen zijn. De omvang van een net, met al zijn bestanddelen,1 zal dus afhankelijk zijn van de opvattingen die in de betreffende specifieke sector gelden. Hier is in beginsel geen bezwaar tegen omdat één vaste definitie van het begrip net de bestaande ideeën in de diverse sectoren kan frustreren. Daarentegen is het minder fraai dat in een en hetzelfde tijdsbestek de (privaatrechtelijke) omschrijving van het begrip net in de Wion wordt overgenomen met de nodige toevoegingen (inclusief: mantelbuizen, ondersteunings- en beschermingswerken) én uitzonderingen (exclusief bovengrondse netten en huisaansluitingen).
De eigendomsregeling heeft echter niet volledig de gewenste duidelijkheid gebracht door introductie van het begrip 'bevoegde aanlegger'. Vandaar ook dat ik deze paragraaf begin met de stelling dat de vraag in beginsel positief moet worden beantwoord. Met betrekking tot dit element van de regeling moet geconcludeerd worden dat dit veel nieuwe discussies heeft opgeleverd. In de praktijk zal niet vaak discussie bestaan over wie de aanlegger van een net zal zijn (de feitelijke aanlegger die dit volledig voor eigen rekening en ten eigen nutte aanlegt, dan wel de opdrachtgever voor wiens rekening en nut het net wordt aangelegd), maar of de aanlegger ook als bevoegde aanlegger heeft te gelden, kan tot problemen leiden, zeker als het net al enige tijd geleden is aangelegd. Inmiddels heeft de wetgever dit ook ingezien en in nieuwe (overgangsrechtelijke) wetgeving voorzien (artikel 155a Overgangswet NBW) om tegemoet te komen aan de praktische bezwaren die kleven aan het vaststellen van de bevoegde aanleg bij (voornamelijk) oudere netten. De rechtspraktijk zal moeten uitwijzen of deze nieuwe overgangsregeling ook praktisch uitvoerbaar is en of het `gedragen als eigenaar' de oplossing biedt voor het soms lastig aantoonbare bevoegdheidsvereiste. In die zin kan geconcludeerd worden dat de eigendomsregeling pas de gewenste duidelijkheid over de eigendom van netten zal bieden wanneer de voorgestelde nieuwe overgangsrechtelijke bepaling 'toepasbaar' blijkt in de praktijk.
Wanneer de nieuwe eigendomsregeling afgezet wordt tegen de onderzochte buitenlandse rechtsstelsels dan kan geconcludeerd worden dat een aparte eigendomsregeling voor netten een goed (en wenselijk) instrument is om duidelijkheid te scheppen. In het Zwitserse recht is sprake van een aparte regeling, terwijl in het Belgische en Duitse recht een aparte regeling ontbreekt. In het Belgische recht is sprake van veel gefragmenteerde sectorale regelgeving die dikwijls onderling niet op elkaar aansluiten. Volgens Sagaert2 is op zich wel duidelijk dat de 'nutsleidingen toebehoren aan de energieverdeler die ze heeft aangelegd, maar dat de grondslag aanleiding biedt tot onzekerheid', zodat een aparte regeling hierover in het Belgische BW wenselijk zou zijn. In het Duitse recht is door de rechtspraak op een meer praktische wijze uitleg gegeven aan een aantal basisprincipes van het Duitse zakenrecht. Volgens Mahne zijn deze basisprincipes onnodig opgerekt terwijl een eenduidige ordening van de principes 'eigendom van de grond' en 'roerende zaken' leidend moeten zijn in het zakenrecht. Een aparte eigendomsregeling voor netten zou ook in het Duitse recht wenselijk zijn, aldus Mahne.3