Einde inhoudsopgave
Verordening (EU) 2021/1058 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds
Artikel 3 Specifieke doelstellingen voor het EFRO en het Cohesiefonds
Geldend
Geldend vanaf 20-09-2025
- Bronpublicatie:
18-09-2025, PbEU L 2025, 2025/1914 (uitgifte: 19-09-2025, regelingnummer: 2025/1914)
- Inwerkingtreding
20-09-2025
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
18-09-2025, PbEU L 2025, 2025/1914 (uitgifte: 19-09-2025, regelingnummer: 2025/1914)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Financiering
Milieurecht / Algemeen
EU-recht / Marktintegratie
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Sociale zekerheid algemeen / Bijzondere onderwerpen
1.
In overeenstemming met de beleidsdoelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 ondersteunt het EFRO de volgende specifieke doelstellingen:
- a)
een concurrerender en slimmer Europa door de bevordering van innovatieve en slimme economische transformatie en regionale ICT-connectiviteit (BD 1) door:
- i)
het ontwikkelen en versterken van de onderzoeks- en innovatiecapaciteit en het invoeren van geavanceerde technologieën;
- ii)
te profiteren van de voordelen van digitalisering voor burgers, bedrijven, onderzoeksorganisaties en overheden;
- iii)
het versterken van duurzame groei en het concurrentievermogen van kmo's en het creëren van banen in kmo's, onder meer door productieve investeringen;
- iv)
het ontwikkelen van vaardigheden voor slimme specialisatie, industriële transitie en ondernemerschap;
- v)
het verbeteren van de digitale connectiviteit;
- vi)
het ondersteunen van investeringen die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het platform voor strategische technologieën voor Europa (STEP) die zijn bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) 2024/795 van het Europees Parlement en de Raad (1);
- vii)
het versterken van de industriële capaciteit om defensievermogens te bevorderen, waarbij voorrang wordt gegeven aan vermogens voor tweeërlei gebruik.
- b)
een groenere, koolstofarme transitie naar een koolstofneutrale economie en een veerkrachtig Europa door de bevordering van een schone en rechtvaardige energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, klimaatmitigatie en -adaptatie, risicopreventie en -beheer, en duurzame stedelijke mobiliteit (BD 2) door:
- i)
het bevorderen van energie-efficiëntie en het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen;
- ii)
het bevorderen van hernieuwbare energie overeenkomstig Richtlijn (EU) 2018/2001, met inbegrip van de daarin vastgelegde duurzaamheidscriteria;
- iii)
het ontwikkelen van slimme energiesystemen, netwerken en opslag buiten het trans-Europees energienetwerk (TEN-E);
- iv)
het bevorderen van klimaatadaptatie en rampenrisicopreventie en -weerbaarheid, rekening houdend met op ecosystemen gebaseerde benaderingen;
- v)
het bevorderen van veilige toegang tot water, duurzaam waterbeheer, waaronder geïntegreerd waterbeheer, en waterweerbaarheid;
- vi)
het bevorderen van de overgang naar een circulaire economie met efficiënt gebruik van hulpbronnen;
- vii)
het verbeteren van de bescherming en het behoud van natuur, biodiversiteit en groene infrastructuur, ook in stedelijke gebieden, en het verminderen van alle vormen van verontreiniging;
- viii)
het bevorderen van duurzame multimodale stedelijke mobiliteit als onderdeel van de overgang naar een koolstofneutrale economie;
- ix)
het ondersteunen van investeringen die bijdragen tot de verwezenlijking van de STEP-doelstelling die is bedoeld in artikel 2, lid 1, punt a), ii), van Verordening (EU) 2024/795;
- x)
het ondersteunen van investeringen voor wederopbouw naar aanleiding van een natuurramp die optreedt tussen 1 januari 2024 en 31 december 2025;
- xi)
het bevorderen van de toegang tot betaalbare en duurzame huisvesting;
- xii)
het bevorderen van interconnectoren en de bijbehorende transmissie-, distributie-, opslag- en ondersteunende infrastructuur, alsmede het beschermen van kritieke energie-infrastructuur en de uitrol van oplaadinfrastructuur.
- c)
een meer verbonden Europa door vergroting van de mobiliteit (BD 3) door:
- i)
het ontwikkelen van een klimaatbestendige, intelligente, veilige, duurzame en intermodale TEN-T;
- ii)
het ontwikkelen en versterken van duurzame, klimaatbestendige, intelligente en intermodale nationale, regionale en lokale mobiliteit, met inbegrip van verbeterde toegang tot TEN-T en grensoverschrijdende mobiliteit;
- iii)
het ontwikkelen van veerkrachtige infrastructuur voor defensie, waarbij prioriteit wordt gegeven aan infrastructuur voor tweeërlei gebruik, onder meer om de militaire mobiliteit in de Unie te bevorderen, en het vergroten van de civiele paraatheid.
- d)
een socialer en inclusiever Europa door uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten (BD 4) door:
- i)
het verbeteren van de effectiviteit en de inclusiviteit van de arbeidsmarkten en de toegang tot hoogwaardige werkgelegenheid door het ontwikkelen van sociale infrastructuur en het bevorderen van de sociale economie;
- ii)
het verbeteren van gelijke toegang tot inclusieve en hoogwaardige diensten op het gebied van onderwijs, opleiding en een leven lang leren door het ontwikkelen van toegankelijke infrastructuur, onder meer door het vergroten van de veerkracht van onderwijs en opleiding op afstand en online;
- iii)
het bevorderen van de sociaal-economische inclusie van gemarginaliseerde gemeenschappen, huishoudens met een laag inkomen en achterstandsgroepen, waaronder mensen met speciale behoeften, door middel van geïntegreerde acties met betrekking tot onder meer huisvesting en sociale diensten;
- iv)
het bevorderen van de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen, inclusief migranten, door middel van geïntegreerde acties, met betrekking tot onder meer huisvesting en sociale diensten;
- v)
het garanderen van gelijke toegang tot gezondheidszorg en het veerkrachtiger maken van gezondheidszorgstelsels, met inbegrip van eerstelijnszorg, en het bevorderen van de overgang van institutionele zorg naar gezins- en gemeenschapsgebonden zorg;
- vi)
het versterken van de rol van cultuur en duurzaam toerisme in economische ontwikkeling, sociale inclusie en sociale innovatie;
- vii)
het bevorderen van de toegang tot betaalbare en duurzame huisvesting.
- e)
een Europa dat dichter bij de burger staat door bevordering van de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van alle soorten gebieden en lokale initiatieven (BD 5) door:
- i)
het bevorderen van een geïntegreerde en inclusieve sociale, economische en ecologische ontwikkeling, cultuur, natuurlijk erfgoed, duurzaam toerisme en veiligheid in stedelijke gebieden;
- ii)
het bevorderen van een geïntegreerde en inclusieve sociale, economische en ecologische lokale ontwikkeling, cultuur, natuurlijk erfgoed, duurzaam toerisme en veiligheid in niet-stedelijke gebieden.
- iii)
het bevorderen van geïntegreerde territoriale ontwikkeling, door toegang tot betaalbare en duurzame huisvesting op alle soorten gebieden;
- iv)
het waarborgen van civiele paraatheid op alle soorten gebieden.
Steun in het kader van BD 5 wordt verstrekt door middel van territoriale en lokale ontwikkelingsstrategieën, in de vorm als vastgelegd in artikel 28, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2021/1060.
Concrete acties om de militaire mobiliteit te bevorderen die worden ondersteund in het kader van de specifieke doelstelling van de eerste alinea, punt c), iii), zijn in voorkomend geval in de eerste plaats gericht op een of meer van de vier prioritaire militaire mobiliteitscorridors die door de lidstaten zijn vastgesteld in bijlage II bij de militaire eisen voor militaire mobiliteit binnen en buiten de EU, zoals vastgesteld door de Raad op 18 maart 2025. Ondersteunde concrete acties die deel uitmaken van die corridors moeten voldoen aan de infrastructuurvereisten die zijn vastgesteld in uitvoeringshandelingen op basis van artikel 12, lid 2, van Verordening (EU) 2021/1153 van het Europees Parlement en de Raad (2).
1 bis.
De middelen in het kader van de in lid 1, eerste alinea, punt a), vi), en punt b), ix), bedoelde specifieke doelstelling worden geprogrammeerd in het kader van specifieke prioriteiten die met de relevante beleidsdoelstelling overeenstemmen.
Indien een programmawijziging uiterlijk op 31 december 2025 bij de Commissie wordt ingediend, betaalt de Commissie 20 % van de toewijzing aan dergelijke specifieke prioriteiten zoals vastgesteld in het besluit tot goedkeuring van de programmawijziging als uitzonderlijke eenmalige voorfinanciering naast de jaarlijkse voorfinanciering voor het programma waarin artikel 90, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2021/1060 of artikel 51, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad (3) voorziet. Indien dergelijke specifieke prioriteiten zijn opgenomen in een programmawijziging die uiterlijk op 31 maart 2025 bij de Commissie is ingediend, betaalt de Commissie een uitzonderlijke eenmalige voorfinanciering van 30 % van de toewijzing aan die prioriteiten zoals uiteengezet in het besluit tot goedkeuring van de programmawijziging. De uitzonderlijke eenmalige voorfinanciering wordt betaald binnen 60 dagen na de vaststelling van het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de programmawijziging.
Overeenkomstig artikel 90, lid 5, van Verordening (EU) 2021/1060 en artikel 51, lid 5, van Verordening (EU) 2021/1059 wordt het als uitzonderlijke voorfinanciering betaalde bedrag uiterlijk in het laatste boekjaar in de rekeningen van de Commissie vereffend.
Overeenkomstig artikel 90, lid 6, van Verordening (EU) 2021/1060 wordt rente die wordt gegenereerd door de uitzonderlijke voorfinanciering op dezelfde wijze voor het betrokken programma worden gebruikt als het EFRO en opgenomen in de rekeningen voor het laatste boekjaar.
Overeenkomstig artikel 97, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 wordt de uitzonderlijke voorfinanciering niet geschorst.
Overeenkomstig artikel 105, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 omvat de voorfinanciering die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de vrij te maken bedragen, de buitengewone voorfinanciering die is betaald.
In afwijking van artikel 112 van Verordening (EU) 2021/1060 bedragen de maximale medefinancieringspercentages voor specifieke prioriteiten die zijn vastgesteld ter ondersteuning van de STEP-doelstellingen 100 %.
1 ter.
Voor de toepassing van lid 1, punt b), x), van dit artikel wordt onder een natuurramp verstaan een grote natuurramp of een regionale natuurramp zoals gedefinieerd in artikel 2, leden 2 en 3, respectievelijk, van Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad (4). Dit kan een natuurramp omvatten die leidt tot directe schade onder de in artikel 2, leden 2 en 3, van die verordening vastgestelde drempels, mits deze door een bevoegde overheidsinstantie van de lidstaat als een natuurramp is erkend.
Indien de natuurramp die leidt tot directe schade onder de in artikel 2, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad vastgestelde drempels, optreedt na 24 december 2024, wordt deze beschouwd als natuurramp, mits deze door een bevoegde overheidsinstantie van de desbetreffende lidstaat binnen twaalf weken na de datum van het optreden van de eerste schade als gevolg van die natuurramp als dusdanig is erkend.
De middelen die in het kader van de in lid 1, punt b), x), van dit artikel bedoelde specifieke doelstelling worden toegewezen, worden in het kader van specifieke prioriteiten van programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” overeenkomstig de respectieve beleidsdoelstelling geprogrammeerd. Voor de gehele programmeringsperiode worden de in het kader van die specifieke doelstelling toegewezen middelen en de op grond van artikel 12 ter, lid 2, van Verordening (EU) 2021/1057 vastgestelde specifieke prioriteiten beperkt tot maximaal 10 % van de initiële totale nationale toewijzing van het ESF+ en het EFRO. De betrokken programmawijziging wordt ingediend binnen zes maanden na de datum waarop de schade als gevolg van de natuurramp voor het eerst is opgetreden of, indien de natuurramp optrad vóór 24 december 2024, uiterlijk op 25 juni 2025.
De Commissie betaalt 25 % van de toewijzing aan de in de derde alinea van dit lid bedoelde prioriteiten overeenkomstig het besluit tot goedkeuring van de programmawijziging als uitzonderlijke voorfinanciering naast de jaarlijkse voorfinanciering voor het programma waarin artikel 90, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2021/1060 voorziet. Die uitzonderlijke voorfinanciering wordt binnen zestig dagen na de vaststelling van het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de programmawijziging betaald, onder voorbehoud van de beschikbaarheid van middelen. Wanneer de toewijzing aan die prioriteiten vervolgens wordt verhoogd, wordt een aanvullend voorfinancieringsbedrag betaald dat overeenkomt met 25 % van de verhoging.
Overeenkomstig artikel 90, lid 5, eerste alinea, van Verordening (EU) 2021/1060 wordt het als uitzonderlijke voorfinanciering betaalde bedrag uiterlijk met het laatste boekjaar in de rekeningen van de Commissie vereffend.
Overeenkomstig artikel 90, lid 6, van Verordening (EU) 2021/1060 worden eventuele door de uitzonderlijke voorfinanciering gegenereerde renteopbrengsten op dezelfde wijze voor het betrokken programma gebruikt als het EFRO of het Cohesiefonds en opgenomen in de rekeningen van het laatste boekjaar.
Overeenkomstig artikel 97, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 wordt de uitzonderlijke voorfinanciering niet geschorst.
Overeenkomstig artikel 105, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 omvat de voorfinanciering die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de vrij te maken bedragen, de betaalde uitzonderlijke voorfinanciering.
In afwijking van artikel 112, lid 3, van Verordening (EU) 2021/1060 bedraagt het maximale medefinancieringspercentage voor een specifieke prioriteit die is vastgesteld ter ondersteuning van de in lid 1, punt b), x), van dit artikel bedoelde specifieke doelstelling, 95 %.
De lidstaten zorgen ervoor dat steun uit een ander Unie-instrument, uit een nationaal instrument of uit een particuliere verzekeringsregeling die wordt ontvangen voor concrete acties die zijn geselecteerd in het kader van de in lid 1, punt b), x), van dit artikel bedoelde specifieke doelstelling, in mindering wordt gebracht op de uitgaven die zijn opgenomen in de bij de Commissie ingediende betalingsaanvraag.
In afwijking van artikel 63, lid 6, van Verordening (EU) 2021/1060 kan de betrokken beheerautoriteit in het kader van een specifieke prioriteit, concrete acties voor steun selecteren die fysiek voltooid zijn of volledig zijn uitgevoerd voordat de financieringsaanvraag bij de beheerautoriteit is ingediend, op voorwaarde dat de concrete actie een respons vormt op een natuurramp die optreedt tussen 1 januari 2024 en 31 december 2025.
1 quater.
De middelen in het kader van de in lid 1, eerste alinea, punt a), vii), punt b), v), xi) en xii), punt c), iii), punt d), vii) en punt e), iii) en iv), bedoelde specifieke doelstellingen worden geprogrammeerd in het kader van specifieke prioriteiten die met de relevante beleidsdoelstelling overeenstemmen.
Indien een programmawijziging uiterlijk op 31 december 2025 bij de Commissie wordt ingediend, betaalt de Commissie 20 % van de toewijzing aan dergelijke specifieke prioriteiten zoals vastgesteld in het besluit tot goedkeuring van de programmawijziging als uitzonderlijke eenmalige voorfinanciering naast de jaarlijkse voorfinanciering voor het programma waarin artikel 90, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2021/1060 en artikel 51, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EU) 2021/1059 voorzien. De uitzonderlijke eenmalige voorfinanciering wordt betaald binnen 60 dagen na de vaststelling van het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de programmawijziging.
Op grond van artikel 90, lid 5, van Verordening (EU) 2021/1060 wordt het als uitzonderlijke eenmalige voorfinanciering betaalde bedrag uiterlijk in het laatste boekjaar in de rekeningen van de Commissie vereffend.
Op grond van artikel 90, lid 6, van Verordening (EU) 2021/1060 worden eventuele door dergelijke uitzonderlijke eenmalige voorfinanciering gegenereerde renteopbrengsten op dezelfde wijze voor het betrokken programma gebruikt als het EFRO of het Cohesiefonds en worden zij opgenomen in de rekeningen van het laatste boekjaar.
Op grond van artikel 97, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 wordt dergelijke uitzonderlijke eenmalige voorfinanciering niet geschorst.
Op grond van artikel 105, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 omvat de voorfinanciering die in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van de vrij te maken bedragen, dergelijke betaalde uitzonderlijke eenmalige voorfinanciering.
In afwijking van artikel 112, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2021/1060 wordt het maximale medefinancieringspercentage voor een specifieke prioriteit die is vastgesteld ter ondersteuning van de in lid 1, eerste alinea, punt a), vii), punt b), v), xi), en xii), punt c), iii), punt d), vii), en punt e), iii) en iv), van dit artikel bedoelde specifieke doelstellingen verhoogd met tien procentpunten boven het toepasselijke medefinancieringspercentage, tot maximaal 100 %.
2.
In het kader van de twee specifieke doelstellingen van lid 1, punt e), kunnen de lidstaten ook concrete acties ondersteunen die in aanmerking komen voor financiering in het kader van de specifieke doelstellingen van de punten a) tot en met d) van dat lid.
3.
Het Cohesiefonds ondersteunt BD 2 en 3, met inbegrip van de in lid 1, eerste alinea, punt b), x), xi), en xii), en punt c), iii), van dit artikel bedoelde specifieke doelstellingen, voor zover dergelijke steun in overeenstemming is met het toepassingsgebied van de steun als bepaald in de artikelen 6 en 7.
4.
Binnen de in lid 1 genoemde specifieke doelstellingen kan het EFRO of het Cohesiefonds, naargelang het geval, tevens steun verstrekken voor activiteiten in het kader van de doelstelling ‘investeren in werkgelegenheid en groei’, indien deze een van de volgende doelen hebben:
- a)
het vergroten van de capaciteit van programma-autoriteiten;
- b)
het vergroten van de capaciteit van de sectorale of territoriale actoren die belast zijn met de uitvoering van activiteiten die relevant zijn voor de implementatie van het EFRO en het Cohesiefonds, mits dit bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma, of
- c)
het versterken van de samenwerking met partners binnen en buiten een bepaalde lidstaat.
De in punt c) bedoelde samenwerking moet onder meer betrekking hebben op samenwerking met partners uit grensoverschrijdende regio's, uit niet aan elkaar grenzende regio's of uit regio's die zich bevinden op een grondgebied dat onder een Europese groepering voor territoriale samenwerking, een macroregionale of zeebekkenstrategie of een combinatie daarvan valt.
5.
In afwijking van artikel 49, lid 3, van Verordening (EU) 2021/1060 is de betrokken lidstaat, voor concrete acties die in het kader van de in lid 1, eerste alinea, punt a), vii), en punt c), iii), van dit artikel bedoelde specifieke doelstellingen worden ondersteund, niet verplicht de gegevens in verband met deze concrete acties openbaar te maken indien dergelijke openbaarmaking om redenen van veiligheid of openbare orde niet is toegestaan op grond van artikel 69, lid 5, van Verordening (EU) 2021/1060. Daartoe stellen de lidstaten, alvorens zij de concrete actie in kwestie voor steun selecteren, de Commissie van hun voornemen in kennis. Deze alinea doet geen afbreuk aan het recht van de Commissie en de Europese Rekenkamer op toegang tot de informatie die nodig is om hun taken met betrekking tot verificaties en audits uit te voeren, noch aan de plicht van het Europees Parlement om politieke controle uit te oefenen op grond van artikel 14 VEU en toezicht te houden op de uitvoering van de Uniebegroting op grond van artikel 319 VWEU.
Begunstigden zijn niet onderworpen aan de vereisten van artikel 50, lid 1, punten c), d) en e), van Verordening (EU) 2021/1060 voor concrete acties die verband houden met de specifieke doelstellingen als bedoeld in lid 1, punt a), vii), en punt c), iii), van dit artikel, indien het publiekelijk tonen van informatie over de ondersteuning of de organisatie van een communicatie-evenement of -activiteit niet vereist is om redenen van veiligheid of openbare orde op grond van artikel 69, lid 5, van Verordening (EU) 2021/1060.
De Commissie stelt het Europees Parlement ten minste eenmaal per jaar op geaggregeerde wijze in kennis van het aantal concrete acties waarvoor de in de tweede alinea bedoelde afwijking geldt, alsmede van de totale kosten ervan, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsvereisten.
Voetnoten
Verordening (EU) 2024/795 van het Europees Parlement en de Raad van 29 februari 2024 tot oprichting van het platform voor strategische technologieën voor Europa (‘STEP’) en tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG en Verordeningen (EU) 2021/1058, (EU) 2021/1056, (EU) 2021/1057, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) 2021/1060, (EU) 2021/523, (EU) 2021/695, (EU) 2021/697 en (EU) 2021/241 (PB L, 2024/795, 29.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/795/oj).
Verordening (EU) 2021/1153 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014 (PB L 249 van 14.7.2021, blz. 38, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1153/oj ).
Verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 94, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1059/oj ).
Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2002/2012/oj).