Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.2.0:7.2.0 Introductie
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.2.0
7.2.0 Introductie
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS456571:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals uit art. 20b, eerste lid, onderdeel b, Wet IB blijkt, wordt als winst uit aanmerkelijk belang aangemerkt de voordelen welke worden behaald bij:
de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen, en
de vervreemding van een gedeelte van de in de tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen besloten liggende rechten.
Uit deze omschrijving van de vervreemdingsvoordelen blijkt dat onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime het begrip 'vervreemding' een centrale rol is blijven vervullen. Dit was ook onder de oude aanmerkelijkbelangregeling reeds het geval. Belastingheffing op grond van de categorie vervreemdingsvoordelen van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' komt aldus eerst aan de orde als sprake is van een vervreemding. Is hiervan geen sprake, dan wordt niet toegekomen aan belastingheffing volgens de categorie vervreemdingsvoordelen van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang'. Evenals dat in de oude aanmerkelijkbelangregeling het geval was, ontbreekt echter ook in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling een duidelijke definitie van wat onder een vervreemding van aandelen moet worden verstaan. Weliswaar zijn in art. 20a, zesde lid, Wet IB een aantal (rechts)handelingen nadrukkelijk onder het vervreemdingsbegrip gebracht (zie hierna onderdeel 7.3), maar dit geeft niet in alle situaties antwoord op de vraag wanneer nu sprake is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling.
In de memorie van toelichting wordt met betrekking tot art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB opgemerkt: Tn beginsel is dit onderdeel vergelijkbaar met het huidige artikel 39, eerste lid, van de Wet IB 1964.'1 Even verder wordt in de memorie van toelichting opgemerkt: 'Met het laatste deel van onderdeel b wordt overigens niet beoogd van de bestaande jurisprudentie af te wijken. Winst uit aanmerkelijk belang wordt thans in artikel 39, eerste lid, van de Wet IB 1964 omschreven als het voordeel uit de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen. Dit omvat volgens constantejurisprudentie ook de vervreemding van enkele aandeelhoudersrechten. Deze jurisprudentie blijft onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime van toepassing. Het genoemde zinsdeel loopt vooruit op de in artikel 20c, eerste lid, tweede volzin, opgenomen bepaling over de berekening van het vervreemdingsvoordeel in geval van vervreemding van een gedeelte van de in aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen besloten liggende rechten.'2 Ten slotte wordt in de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer door de staatssecretaris van Financiën opgemerkt: 'Het nieuwe aanmerkelijkbelangregime brengt in zoverre geen wijziging ten opzichte van het huidige regime.'3 Uit de genoemde citaten kan mijns inziens worden geconcludeerd dat de jurisprudentie die de Hoge Raad heeft gewezen omtrent het vervreemdingsbegrip onder de oude aanmerkelijkbelangregeling in beginsel onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime zijn belang heeft behouden. Voor de invulling van het vervreemdingsbegrip voor de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling, dient de analyse aldus te worden gestart bij het vervreemdingsbegrip zoals dat onder de oude aanmerkelijkbelangregeling vorm heeft gekregen.