Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/8.4.4
8.4.4 Nadere uitwerking van de referentieconsument en de beperking van diens beoordelingsvermogen
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS498474:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Noot Verkade onder Gut Springenheide, NJ 2000/375, ov. 3: 'Gaan wij er— eigenlijk per definitie —van uit dat de doorsneeconsument nu juist niet omzichtig en oplettend is, dan brengt de maatsta fvan het Hof mee dat er bij consumenten heel wat misverstanden op basis van productinformatie en reclame mogen voorkomen, zonder dat aan de betrokken producent of handelaar het verwijt van een misleidende aanduiding of reclame-uiting kan worden gemaakt. De lat is daarmee ook eerder hoger dan lager dan die van de MvT bij het toenmalige wetsontwerp 13.611 misleidende reclame van 1975, dat geleid heeft tot de huidige artikelen 6:194-196.'
De RvS heeft erop gewezen dat deze maatstaf niet besloten ligt in het gerichtheidscriterium: Kamerstukken II 2006/07, 30 928, nr. 4, p. 3.
Rb. Breda (pres.) 8 november 2001, KG 2001/291, r.o. 3.9. Voor het hanteren van een bovengemiddeld geïnformeerde referentieconsument is volgens de HR wel nodig dat het bereiken van of gericht zijn van de informatie op de groep bovengemiddeld geïnformeerde consumenten wordt vastgesteld: HR 30 mei 2008, LJN BD2820, r.o. 4.2.
De internetconsument is kritischer dan de gewone consument: Rb. Breda 28 juli 2004, LJN AQ5694, r.o. 3.11.
Rb. Breda 9 juli 2008, LJN BD6815.
Hof 's-Hertogenbosch 27 oktober 2004, LJN AR4586; Rb. Breda (vzr.) 24 oktober 2006, IER 2007/17.
Rb. Utrecht 6 april 2005, LJN AT3166: de stelligheid van de belofte wordt beschouwd als inherent aan reclameacties. Dit vonnis is bevestigd in Hof Amsterdam 19 april 2007, LJN BB0909. Het hof was van oordeel dat het ging om overdreven uitspraken die niet letterlijk opgevat dienden te worden en voegde eraan toe dat de Consumentenbond de consument slechts aanraadde oplettend te zijn en dus geen aanleiding zag tot nader onderzoek.
Ktr. Amsterdam 26 september 2007, LJN BB5437, r.o. 7.6.
Rb. Utrecht 8 augustus 2007, LJN BB1429, r.o. 5.23 en BB1357, r.o. 6.99; Rb. Utrecht 16 januari 2008, LJN BC1910, r.o. 4.13.
Kabel 2005, p. 7.
Die strenge uitleg was volgens Kabel 2005 p. 19 niet nodig omdat het in de Richtlijn misleidende reclame om minimum harmonisatie gaat en omdat het interne marktbelang van deze (niet grensoverschrijdende) zaken beperkt is.
Rb. Amsterdam 7 juli 2004, IER 2004/84. Zie voor verdere kritiek de eis van de Vereniging Consument en Geldzaken in Rb. Utrecht 8 augustus 2007, LJN BB1357.
Kabel 2005, p. 7. Hij stelt de vraag of de ingeslagen weg de aangewezen weg is voor andere complexe tariefmarkten zoals de telecommunicatie, energie of watermarkt. Zonder een onnozele consument als maatstaf te nemen (het andere uiterste van het spectrum) kan een andere voor de consument meer bevredigende toetsingsuitkomst worden bereikt wanneer de eisen die worden gesteld aan de gemiddelde consument naar beneden worden bijgesteld.
Kabel en Vollebregt 2005.
Kamerstukken II 2006/07, 30 928, nr. 3, p. 14.
Het criterium dat de gemiddelde consument deel uitmaakt van de groep die door de praktijk wordt bereikt uit art. 5 lid 2 onder b richtlijn wordt in de Nederlandse wet niet genoemd. Dit zal waarschijnlijk geen gevolgen hebben nu dit criterium al wordt gebruikt: }IR 30 mei 2008, LJN BD2820; Rb. Haarlem 25 juli 2008, IER 2009/ 6, r.o. 4.14.
De duidelijke herkenbaarheid komt overigens alleen terug in de MvT en niet in de wet. Bij Eerste Kamerleden bestond onduidelijkheid over de geobjectiveerde uitleg van het begrip 'redelijkerwijs'. Een subjectieve uitleg zou inhouden dat de handelaar wist dat de specifieke groep bijzonder vatbaar is voor de handelspraktijk of het product. Kamerstukken 12007/08, 30 928, nr. B, p. 6. De minister stelt dat het om een objectief gezichtspunt gaat. Er kan worden volstaan met het aantonen dat `dit gelet op de omstandigheden van het desbetreffende geval voor hem redelijkerwijs voorzienbaar was': Kamerstukken I2007/08, 30 928, nr. C, p. 9-10.
Over dit artikellid is gesteld dat het om een verfijning van de 'relatief bekwame maatman' gaat, waar ook het HvJ toe zou zijn gekomen: Verkade 2009, nr. 30. Hij maakt wel een kanttekening: hoe groter de 'handicap', hoe meer begeleiding. Een dergelijk gezichtspunt zou bepalend zijn voor de 'redelijke voorzienbare verstoring van het gedrag van een duidelijk herkenbare groep kwetsbare consumenten' en de kwetsbare maatstaf buiten spel kunnen zetten: Verkade 2007, p. 12-13.
De MvT noemt als voorbeeld 'oudere mensen' en 'tieners aan wie ringzones worden aangeboden': Kamerstukken I 72006/07, 30 928, nr. 3, p. 14. De kenmerken worden in de literatuur limitatief opgevat: Steijger 2007, p. 129.
En art. 6:193b lid 4 de naïeve consument van bescherming uitsluit.
Kamerstukken II 2006/07, 30 928, nr. 3, p. 14.
Wonden 'oudere mensen' in Nederland thans als kwetsbaar aangemerkt? Vgl. Verkade 2009, nr. 30.
Concl. A-G Timmerman voor HR 27 november 2009, LJN BH2162, r.o. 4.7.2.2. Zie ook concl. A-G De Vries Lentsch-Kostense voor HR 5 juni 2009, LJN BH2822, r.o. 4.5 en BH2815, r.o. 5.5. Beide A-G's verwijzen nadrukkelijk naar de MvT.
Concl. A-G Timmerman voor HR 27 november 2009, LJN BH2162 (noot 114 aldaar).
In de op de richtlijn anticiperende uitspraak van de Rb. Haarlem 25 juli 2008, IER 2009/6 werd op de meeste punten juist geen misleiding aangenomen (r.o. 4.21). Deze uitspraak is echter vernietigd in Hof Amsterdam 23 maart 2010, LJN BM6973, dat niet langer naar de richtlijn verwijst.
CA-besluit 17 juni 2010, nr. 510, r.o. 48-49 (Celldorado). De reclames voor de sms-diensten waren op kinderzenders uitgezonden.
Rb. Rotterdam (vzr.) 6 juli 2009, LJN BJ2013, r.o. 2.3. Zie ook Rb. Rotterdam (vzr.) 19 januari 2010, LJN BK9796 en BK9798 waarin de schending van art. 6:193c lid 2 onder b werd aangenomen.
Zolang hierover het laatste woord niet is uitgesproken i.h.k.v. een 'cassatie in het belang der wet' (par. 8.3.4).
Van Boom 2008a, p. 18 acht het bijv. niet nodig dat de consument aantoont dat hij met de handelaar in zee is gegaan vanwege de in art. 6:193c lid 2 onder b genoemde omstandigheden, het gaat erom wat de gemiddelde consument zou doen.
Noot Van Campen onder Hof Amsterdam 19 april 2007, LJN BB0909; TVC 2008/1, p. 52.
Concl. A-G Wuisman voor HR 30 mei 2008, LJN BD2820, r.o. 4.17: 'Het is niet aannemelijk dat het (HvJ) beoogd heeft uit te sluiten dat bij de beoordeling van de aanwezigheid van misleiding in een concreet geval bij een concreet persoon geen rekening zou mogen worden gehouden met de aanwezigheid bij die persoon van bovengemiddelde informatie en daardoor met een grotere omzichtigheid en oplettendheid van die persoon.'
Van Boom 2008a, p. 8-9: 1...) kruisbestuiving is niet uitgesloten.' De beïnvloeding van de richtlijnnorm door de wilsgebreken is gelet op de maximale harmonisatiedoelstelling niet toegestaan. Andersom wel.
511. De introductie in de Nederlandse rechtspraak eind jaren negentig, onder invloed van de EU-jurisprudentie, van de 'redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende' consumentmaatstaf, heeft ertoe geleid dat, in vergelijking met de periode daarvoor, hogere eisen aan het voorstellingsvermogen van de consument zijn gesteld.1 Kenmerkend voor de Nederlandse rechtspraak is dat de lat vrij hoog wordt gelegd. De praktijk ten tijde van de omzetting zal als eerste worden besproken. De vraag is vervolgens of de omzetting van de geobjectiveerde, doch flexibele richtlijnmaatstaf het beeld van de wakkere consumentmaatstaf naar de achtergrond zal doen verdwijnen. Tot slot wordt stilgestaan bij de rol van subjectieve omstandigheden bij de vaststelling van de referentieconsument.
512. Ten tijde van de implementatie van de Richtlijn OHP wordt de Nederlandse referentieconsument niet snel misleid. Ten eerste heeft de aanpassing van de doelgroep waartoe de consument behoort nooit als gevolg dat er een minder alerte (laat staan kwetsbare) maatstaf wordt gehanteerd. De onbekendheid met deze, naar Nederlands recht nieuwe, kwetsbare maatstaf blijkt ook uit de omzettingsgeschiedenis: art. 5 lid 3 richtlijn was aanvankelijk niet omgezet.2 Meestal wordt uitgegaan van een groep geïnformeerde, omzichtige en oplettende consumenten. Soms is zelfs sprake van een bovengemiddeld geïnformeerde groep consumenten.3 De aanpassing van de referentiegroep leidt dan tot het opschroeven van de aan de maatstaf gestelde eisen.4
513. Ten tweede valt op dat bij de vaststelling van de perceptie van de gemiddelde consument, de Nederlandse rechter de lat doorgaans vrij hoog legt. Hoewel hij niet steeds hoge eisen aan de mate van oplettendheid van de gemiddelde consument stelt,5 is dat, in zowel collectieve als individuele zaken, vaak wel het geval. De in de Nederlandse rechtspraak inzake misleidende loterijen aangehaalde doorsneeconsument verdiept zich bijvoorbeeld in algemene voorwaarden, haalt daar alle relevante informatie uit en wordt niet misleid.6 De gemiddelde consument die meedoet aan een cashbackactie van een keukenzaak mag uit de stelligheid waarmee de terugbetaling van de koopprijs in de reclame wordt beloofd, niet afleiden dat deze terugbetaling gegarandeerd zal plaatsvinden.7 In aandelenleasezaken is gesteld dat de 'gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument' bij oplettende lezing (van het reclamemateriaal) de wezenlijke kenmerken van het aangeboden product vermeld (ziet staan)' .8 Er wordt van de aandelen leasende consument verwacht dat hij uit de verschafte informatie zelf de risico's van zijn handelen afleidt.9 In zijn oratie wijst Kabel, niet zonder enige ironie, op de verregaande gevolgen van het hanteren van de door het HvJ ontwikkelde referentieconsument door de rechter in de aandelenlease-zaken:
`Het resultaat van die keuze is dat de opgeklopte advertenties van de WINSTVERDRIEDUBBELAAR gesneden koek zijn voor die consument: die kijkt daar dwars doorheen en let op de kleine letterijes.,10
De misleidingsdrempel ligt in deze zaken volgens Kabel te hoog omdat de rechter, zonder hiertoe verplicht te zijn11 en terwijl consumenten economische schade lijden,12 van een strenge uitleg van de Europese maatstaf uitgaat.13
514. De doorgaans strenge benadering van de gemiddelde consument contrasteert volgens Kabel met de door de jurisprudentie van het HvJ en de tekst van de richtlijn en de considerans 'ondersteunde' mogelijkheid om die hoge eisen naar beneden bij te stellen (par. 7.3.4).14Afdeling 6.3.3A biedt zonder meer de door de richtlijn verschafte beoordelingsruimte. De referentieconsument krijgt in art. 6:193a lid 2 de volgende omschrijving:
`In deze afdeling wordt mede verstaan onder gemiddelde consument: het gemiddelde lid van een specifieke groep waarop de handelaar zich richt of het gemiddelde lid van een specifieke groep waarvan de handelaar redelijkerwijs kan voorzien dat die groep wegens hun geestelijke of lichamelijke beperking, hun leeftijd of goedgelovigheid bijzonder vatbaar is voor de handelspraktijk of voor het onderliggende product.'
De wet en Memorie van Toelichting15 maken een duidelijk onderscheid tussen enerzijds het gerichtheidscriterium uit art. 5 lid 2 onder b richtlijn16 (de referentieconsument is het gemiddelde lid van de doelgroep) en anderzijds de `redelijke voorzienbare verstoring van het gedrag van een duidelijk herkenbare groep kwetsbare consumenten'17 uit art. 5 lid 3 richtlijn.18 Bij de vaststelling van de voorzienbaarheid zijn van belang de geestelijke of lichamelijke beperking, de leeftijd of de goedgelovigheid van de consument.19
Overigens bevat de definitie van de gemiddelde consument uit art. 6:193a lid 2, in lijn met de hoofdtekst van de richtlijn, geen directe verwijzing naar de 'redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument'. Hoewel de Memorie van Toelichting wel duidelijk opmerkt dat de 'redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument' als maatstaf fungeert,20 vermeldt zij ook uitdrukkelijk, dat maatschappelijke, culturele en taalkundige gezichtspunten een rol kunnen spelen bij de vaststelling van de reactie van deze consument.21
515. De vraag is of de Nederlandse civiele rechter deze beoordelingsvrijheid zal benutten om de misleidingsdrempel te verlagen. Blijkt uit de praktijk dat de door de civiele rechter hoog gekoesterde verwachtingen ten aanzien van de gemiddelde consument onder invloed van de richtlijn naar beneden zijn bijgesteld?22 A-G Timmerman stelt op grond van de richtlijn en de parlementaire geschiedenis dat het uitgangspunt de wakkere consument blijft23 maar sluit evenwel 'niet uit dat de Europese wetgever heeft getracht om de eisen die worden gesteld aan deze maatman iets lager te stellen' .24 Waar in de recente civiele rechtspraak de eisen worden verlaagd, is dit op het eerste gezicht echter niet aan de richtlijn toe te schrijven.25
De wijze waarop de referentieconsument uit de Richtlijn OHP in Nederland wordt opgevat en toegepast wordt in de toekomst mogelijk grotendeels bepaald door de CA en de bestuursrechter. Mijn eerste indruk is dat zij geen strenge maatstaf hanteren. De CA heeft reeds gebruikgemaakt van de mogelijkheid om van een zwakkere maatstaf uit te gaan in het kader van de bestrijding van ongewenste sms-abonnementen.26 Eén van de eerste toepassingen van de maatstaf door de bestuursrechter pakte uit in het voordeel van de consument: de omissie van informatie ter zake van de financiële en juridische positie van de obligaties uitgevende instelling werd als misleidend aangemerkt ondanks dat het ging om een groep professionele beleggers.27 De bestuursrechter heeft (vooralsnog)28 alle ruimte om zijn 'eigen' referentieconsument te ontwikkelen.
516. Tot slot rijst de vraag in hoeverre bij de toepassing van afdeling 6.3.3A in een individuele toetsing, steeds van een geobjectiveerde maatstaf zal worden uitgegaan.29 Kunnen subjectieve omstandigheden een rol spelen?30 Beargumenteerd wordt, dat in een individuele zaak, bij de vaststelling van de normschending, met de persoonlijke omstandigheden van de procederende consument(en) rekening mag worden gehouden.31 Deze omstandigheden mogen naar ik meen echter niet worden verdisconteerd in de geobjectiveerde consumentmaatstaf die dient ter vaststelling van de onrechtmatigheid. Wel zouden zij een rol kunnen spelen bij de invulling van het relativiteitsvereiste: de norm beschermt de gemiddelde en niet de bovengemiddelde consument. De mogelijke invloed van de wilsgebrekenregeling op de toepassing van de (hiermee samenlopende) subnormen, zou ertoe kunnen leiden dat de individuele consument als maatstaf wordt gehanteerd.32