Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/3.1
3.1 Inleiding
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS592059:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ook wel 'boilerplates' genoemd. Nader over dit soort bepalingen o.m. Uijen 2010, p. 132-139, Meijer 2009, p. 104 en Wessels 2007, p. 9.
Zie onder (veel) meer: Drion 1999, p. 13-20 en Drion 2010, p. 1279 alsmede de bijdragen van R.P.J.L. Tjittes, R. De Vrey en C.E. Drion in de Grosheidebundel 'Contracteren Internationaal', Den Haag 2006, Schuit 2001, p. 42-44, Temme 2008, p. 5-19, Erwteman 2007, p. 65-67, Tjong Tjin Tai 2008, p. 810-816, Sno 2008, p. 72-75, Tjittes 2008a, p. 41-43, Tjittes 2005, p. 2-29 en Tjittes 2008b, p. 113-139.
Zie bijv. De Vrey 2006, p. 87 e.v. en Schelhaas 2008, p. 151.
Dit contractstype zal hiernavolgend om redenen van beknoptheid kortweg als 'commercieel contract' of als '(internationaal) commercieel contract' worden aangeduid.
Zie onder meer Schelhaas 2008, p. 160, Grosheide 2000, p. 101, Snijder-Kuipers 2010, p. 172 en Tjittes in zijn JOR noot onder HR 29 juni 2007, JOR 2007/198 (Derksen/Homburg).
De Vrey 2006, p. 87; Tjittes 2006, p. 76.
Grosheide 2000, p. 106.
Te vinden in HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (m. nt. C.J.H. Brunner).
In deze zin bijv. Schelhaas 2008, pp. 151 en 160 alsmede Tjittes in zijn noot bij het PontMeyer arrest, HR 19 januari 2007, JOR 2007/166. Zie in dezelfde zin Tjittes 2009, p. 24-27 en Tjittes 1997, p. 375-388. Zie voorts Drion 2006, p. 189. De juistheid van de door deze schrijvers verdedigde opvatting is betwist, zie onder meer Asser-Vranken 2005, p. 57 (nr. 48) en Mendel 2000, p. 129 e.v. Mendel is bijgevallen door Raaijmakers (zie Raaijmakers 2005, p. 129 e.v.) en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nr. 399.
HR 19 januari 2007, NJ 2007, 575.
HR 29 juni 2007, NI 2007, 576 (m.nt. M.H. Wissink).
HR 9 april 2010, JOR 2010, 179 (m. nt. P. Olden).
Kwam in het voorgaande de uitleg van contracten reeds in algemene zin kort ter sprake, in dit hoofdstuk staat de uitleg van het op Anglo-Amerikaanse leest geschoeide commerciële contract centraal. Dit type contract is in de afgelopen jaren uitgegroeid tot een niet meer weg te denken fenomeen in de Nederlandse contractspraktijk. Dit type contract wordt gekenmerkt door het feit dat het veelal in de Engelse taal is opgesteld, doorgaans een groot aantal (standaard-)bepalingen1 en gedetailleerde regelingen bevat en door het feit dat het pleegt te worden gesloten tussen commerciële partijen, die zich bij het uitonderhandelen en opstellen van het contract in de regel door deskundig te achten juristen laten bijstaan. Genoemd type contract is getuige de bestendig uitdijende stroom publicaties op dit terrein — tevens een dankbare bron van inspiratie voor de literatuur gebleken.2 In veel van die publicaties wordt ervan uitgegaan dat dit type contract, gezien zijn gedetailleerdheid, (vermeende) heldere risicoallocatie en eenduidige bewoordingen, meer dan het "klassieke" (lees: beduidend beknoptere en gewoonlijk in de Nederlandse taal geredigeerde) commerciële contract, zou congrueren met de in het (internationale) handelsverkeer bestaande hang naar voorspelbaarheid en rechtszekerheid.3
Om aan deze behoefte aan rechtszekerheid en voorspelbaarheid te kunnen voldoen, zou het op Anglo-Amerikaanse leest geschoeide commerciële contract4 noodzakelijkerwijs taalkundig, althans zo objectief mogelijk moeten worden uitgelegd.5 Commerciële contractanten zouden veelal een dergelijk type uitleg verkiezen boven de door voorvechters van voormeld contractstype regelmatig als (te) subjectief6 en onvoorspelbaar7 gekenschetste Haviltex-maatstaf.8 Ondernemers zouden niet zozeer behoefte hebben aan (redelijk en) billijk recht, als wel aan zeker recht, zo wordt in dit kader wel betoogd.9
In dit hoofdstuk staat de vraag centraal in hoeverre bij de uitleg van het (internationale) commerciële contract tussen professionele partijen andere uitlegmaatstaven (dienen te) gelden dan bij de uitleg van reguliere contracten. Is een taalkundige uitleg bij commerciële contracten inderdaad geboden respectievelijk is taalkundige uitleg van dergelijke contracten verenigbaar met de nog altijd vigerende Haviltex-formule (vgl. de arresten PontMeyer,10 Derksen/Homburg11 en UPC/Land12)? En, last but not least, in hoeverre verzet het in de voorgaande hoofdstukken geconstateerde dwingende gedragsnormkarakter van de redelijkheid en billijkheid zich tegen een dergelijke taalkundige benadering van contractsuitleg?