NJB 2026/415:Inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ op grond van art. 126w Sv: zodanige inzet is in hoge uitzonderingsgevallen en onder strikte waarborgen toegestaan. Dit betekent dat die inzet onder meer moet voldoen aan eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Voor de beoordeling door de rechter van de rechtmatigheid van de inzet van een (‘criminele’) burgerinfiltrant en van de betrouwbaarheid van de resultaten van die inzet, is van groot belang dat de rechter inzicht verkrijgt in het concrete verloop van de uitvoering van deze opsporingsmethode en in de contacten en interactie tussen de (‘criminele’) burgerinfiltrant en de verdachte(n) die daarbij hebben plaatsgevonden. Een voldoende nauwkeurige verslaglegging is aangewezen (conform o.a. de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden en de art. 126aa 149a en 152 Sv). In casu heeft het hof geoordeeld dat zich vormverzuimen hebben voorgedaan ten aanzien van het moment waarop door het college van procureurs-generaal instemming is verleend met de overeenkomst tot burgerinfiltratie, het moment waarop het college van procureurs-generaal de Minister van Justitie en Veiligheid op de hoogte heeft gebracht van de beslissing tot inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’, en in verband met de in de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden gestelde voorwaarden dat de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ kortdurend moet zijn en dat er geen gebruik wordt gemaakt van ‘groei-infiltranten’. Het hof kon oordelen dat en waarom aan de geconstateerde vormverzuimen geen rechtsgevolgen hoeven te worden verbonden.