Parketnummer: 21-003623-22.
HR, 10-02-2026, nr. 24/02748
ECLI:NL:HR:2026:178
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-02-2026
- Zaaknummer
24/02748
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:178, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑02‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:8236
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:706
ECLI:NL:PHR:2025:706, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:178
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑03‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0063
Uitspraak 10‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Onderzoek Vidar. Eendaadse samenloop van medeplegen bereiden en aanwezig hebben van speed (art. 2.B en 2.C Opiumwet), medeplegen witwassen van geldbedrag (art. 420bis.1.b Sr) en gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. HR wijdt algemene beschouwingen aan inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’ ten behoeve van opsporing. 2. Biedt art. 126w Sr wettelijke grondslag voor inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’? 3. Verweer dat resultaten van inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’ van bewijs moeten worden uitgesloten o.g.v. art. 359a Sv. Ad 1. Tekst van art. 126w Sv stelt niet beperking dat het OvJ niet zou zijn toegestaan om toepassing te geven aan deze bevoegdheid t.a.v. ‘criminele burgerinfiltrant’. Voor toepassing van deze bepaling is uitsluitend van belang dat het gaat om persoon die geen opsporingsambtenaar is. Wat betreft moties (in wetsgeschiedenis van art. 126w Sv) is daarbij van belang dat deze (meerderheids)opvatting van Tweede Kamer op 2 verschillende momenten in tijd tot uitdrukking brengen over vraag of en, zo ja, onder welke voorwaarden door politie en OM toepassing zou mogen worden gegeven aan bevoegdheid die art. 126w Sv biedt om burgerinfiltrant in te zetten. Samenstel van deze moties brengt niet met zich dat, wat betreft toepassing van art. 126w Sv in periode waarin ‘criminele burgerinfiltrant’ is ingezet (2019 en 2020), wettelijke grondslag (in weerwil van tekst van art. 126w Sv) ontbrak. Wel komt in parlementaire stukken naar voren dat heel terughoudend moet worden omgegaan met inzet van ‘criminele burgerinfiltranten’ en dat die inzet dus slechts in zeer uitzonderlijke gevallen en met inachtneming van strikte waarborgen kan plaatsvinden. Tot die waarborgen worden in wetsgeschiedenis gerekend eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Ook Aanwijzing opsporingsbevoegdheden houdt in dat inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’ alleen in hoge uitzonderingsgevallen en onder strikte waarborgen mag plaatsvinden, waarbij voldaan moet zijn aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, terwijl inzet “kortdurend” moet zijn en geen gebruik mag worden gemaakt van “groei-infiltranten”. Verder houdt Aanwijzing in dat OvJ pas toepassing kan geven aan bevoegdheid tot inzetten van burgerinfiltrant nadat voornemen daartoe door hoofd OvJ van betrokken parket via centrale toetsingscommissie van OM ter goedkeuring aan college van PG’s is voorgelegd en dat college met dat voornemen heeft ingestemd. Vervolgens moet college van PG’s de minister op de hoogte stellen van voornemen om burgerinfiltrant in te zetten en is toestemming van minister vereist voor inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’. Voor beoordeling door rechter van rechtmatigheid van inzet van (‘criminele’) burgerinfiltrant en van betrouwbaarheid van resultaten van die inzet, is van groot belang dat rechter inzicht verkrijgt in concreet verloop van uitvoering van deze opsporingsmethode en in contacten en interactie tussen (‘criminele’) burgerinfiltrant en verdachte(n) die daarbij hebben plaatsgevonden. Mede met het oog daarop is voldoende nauwkeurige verslaglegging aangewezen, door naleving van eisen die in wet en in Aanwijzing zijn gesteld aan deze opsporingsmethode, en van de in art. 152 Sv bedoelde verplichting van opsporingsambtenaar tot opmaken van p-v en in art. 126aa en 149a Sv omschreven verplichtingen tot voeging van processtukken. Deze verslaglegging moet inzicht geven in verloop van uitvoering van opsporingsmethode over gehele periode waarin deze is ingezet, en i.h.b. voldoende nauwkeurige weergave van interactie tussen (‘criminele’) burgerinfiltrant en verdachte omvatten (vgl. HR:2019:1982). Ad 2. Opvatting dat voor inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’ toereikende wettelijke grondslag ontbreekt en dat i.h.b. art. 126w Sv niet zo’n grondslag biedt, is gelet op wat hiervoor is vooropgesteld onjuist. Ad 3. Opvatting dat rechter bij beoordeling van inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’ niet alleen moet nagaan of is voldaan aan eisen die door wet (art. 126w Sv) en Aanwijzing aan die inzet worden gesteld, maar ook of is voldaan aan (aanvullende) eisen zoals deze tot uitdrukking komen in motie (in wetsgeschiedenis van art. 126w Sv), vindt geen steun in recht. Hof heeft onderzocht of bij inzet van A-4110 als ‘criminele burgerinfiltrant’ is voldaan aan voorwaarden die art. 126w Sv aan die inzet stelt. Daarbij heeft hof i.h.b. acht geslagen op eisen van proportionaliteit en subsidiariteit maar ook op manier waarop verslaglegging van die inzet heeft plaatsgevonden. Verder heeft hof onderzocht of college van PG’s tijdig heeft ingestemd met overeenkomst tot burgerinfiltratie en verlengingen en wijzigingen ervan, en of minister tijdig op de hoogte is gesteld van beslissing van OM tot inzetten van ‘criminele burgerinfiltrant’. Verder is hof nagegaan of bij inzet van A-4110 als ‘criminele burgerinfiltrant’ voorwaarden uit Aanwijzing zijn nageleefd. Hof heeft geoordeeld dat zich vormverzuimen hebben voorgedaan t.a.v. moment waarop door college van PG’s instemming is verleend met overeenkomst tot burgerinfiltratie, moment waarop college van PG’s de minister op de hoogte heeft gebracht van beslissing tot inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’, en i.v.m. de in Aanwijzing gestelde voorwaarden dat inzet van ‘criminele burgerinfiltrant’ kortdurend moet zijn en dat er geen gebruik wordt gemaakt van ‘groei-infiltranten’. T.a.v. deze laatste vormverzuimen heeft hof overwogen dat geen sprake is geweest van “een kortstondig traject en eenmalige inzet”. Hof heeft uitvoerig gemotiveerd uiteengezet dat en waarom aan geconstateerde vormverzuimen geen rechtsgevolgen hoeven te worden verbonden. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat hof heeft vastgesteld dat rol van A-4110 beperkt bleef tot bijrol. Verder is van belang dat hof o.m. in beschouwing heeft betrokken dat t.a.v. “verbod op criminele groei-infiltranten” verdachte niet in zijn verdediging is geschaad en dat met manier waarop A-4110 is ingezet als ‘criminele burgerinfiltrant’ geen afbreuk is gedaan aan integriteit en beheersbaarheid van opsporing. Volgt verwerping. Samenhang met 24/02694, 24/02749 P, 24/02802, 24/02842, 24/02860 en 24/02918 en met 24/02861 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02748
Datum 10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden van 12 juli 2024, nummer 21-003623-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten S.L.J. Janssen en D.N. de Jonge bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Het eerste en het tweede cassatiemiddel zijn mondeling toegelicht.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
2.1
Het eerste cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat artikel 126w van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een wettelijke grondslag biedt voor de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’. Het tweede cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat de resultaten van de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ van het bewijs moeten worden uitgesloten op grond van artikel 359a Sv.
Bewezenverklaring, bewijsvoering en procesvoering in hoger beroep
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. (zaaksdossier 5)
hij op 14 februari 2019 in [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid, bewerkt, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en voorhanden heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 9893 gram amfetamine (speed), zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4. (zaaksdossier 17)
hij in de periode van 30 oktober 2019 tot en met 8 november 2019 in Nederland en in [plaats] (Finland), tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag, te weten een bedrag van ongeveer 140.000 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;
5. (zaaksdossier 22)
hij in de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019, te [plaats] , meermalen, geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en daarvan gebruik gemaakt, immers heeft hij,
- in 2014 15.085 contant gestort;
- in 2015 18.560 contant gestort;
- in 2016 25.120 contant gestort;
- in 2017 28.510 contant gestort;
- in 2019 4.950 contant gestort;
terwijl hij wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.”
2.2.2
De bewijsvoering is weergegeven in de uitspraak van het hof, die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:8236.
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 en 16 februari 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Het oordeel van de rechtbank: wat wil ‘de’ wetgever?
12. Voordat ik verder over de inzet van [codenaam 1] kom te spreken maak ik hier pas op de plaats. Het is immers bij uitstek op dit onderdeel dat de rechtbank een lezing van die totstandkomingsgeschiedenis en van het recht heeft gegeven die naar het oordeel van de verdediging als onjuist moet worden aangemerkt. Dat ziet op de staatsrechtelijke kant van de zaak, zoals de vraag wie er in het wetgevingsproces als wetgever aangemerkt dienen te worden en wat de betekenis is van de verschillende fases en instrumenten binnen dat wetgevingsproces, maar ook op de wijze waarop de rechter in strafzaken tot zogenoemde wetshistorische interpretatie kan komen.
13. Redelijk fundamenteel rechtelijke kwesties dus, die bij uitstek in deze casus bespreking behoeven. Een casus die wat de verdediging betreft vaste stof zou moeten zijn voor beginnende Kamerleden of anderen die zich professioneel met het wetgevingsproces gaan bezighouden. De gang van zaken rond de herintroductie van de criminele burgerinfiltrant alsook de visie van de rechtbank daarop onderstreept naar mijn oordeel op indringende wijze de problemen die ontstaan wanneer de verschillende staatsmachten hun verantwoordelijkheden niet nemen en in het bijzonder wat er gebeurt wanneer normerende regelgeving wordt overgelaten aan uitvoeringsinstanties.
14. Te beginnen met dat wettelijk kader: de rechtbank schrijft daarover in het vonnis in paragraaf 3.1 kort samengevat dat al hetgeen hierboven is weergegeven aan standpunten zoals die ten tijde van het wetgevingsproces door Kamer en Minister zijn ingenomen inclusief de daarbij aangenomen moties, geen relevantie zouden hebben voor de interpretatie van wettelijke bepalingen door rechters. Een ander oordeel zou zelfs afbreuk doen aan de rol van de rechtsprekende macht binnen de trias politica, aldus de rechtbank (...).
15. Zoals in de appelmemorie van 30 augustus 2022 aangestipt roept hetgeen de rechtbank hier zegt aan deze zijde nogal wat vragen op. Kort en goed komt het er immers op neer, dat de rechtbank van oordeel is dat al die jaren van een verbod op de inzet van een criminele burgerinfiltrant eigenlijk helemaal geen sprake is geweest maar dat het het Openbaar Ministerie is geweest dat dit zichzelf heeft opgelegd. De motie Kalsbeek zoals hierboven werd genoemd was voor het Openbaar Ministerie helemaal niet bindend want het betrof slechts een ‘advies aan de minister’, en de motie Recourt waarmee die motie Kalsbeek werd teruggedraaid was daarmee ook helemaal nergens voor nodig. De eisen aan de inzet van een criminele burgerinfiltrant zoals die in laatstgenoemde motie staan opgenomen zijn niet meer dan adviezen waar noch Openbaar Ministerie noch rechtspraak iets mee hoeft, en slechts als gevolg van het feit dat het Openbaar Ministerie die vereisten zelf heeft overgenomen in het eigen beleid (de Aanwijzing) is sprake van recht in de zin van artikel 79 van de wet R.O., aldus nog steeds de rechtbank.
16. Allereerst is vreemd aan het vonnis van de rechtbank dat juist ten aanzien van de wetshistorische interpretatie die in het algemeen wordt beschouwd als een interpretatiemethode die het best aansluit bij de trias politica (wetgever stelt de wet vast, het Openbaar Ministerie voert deze uit en de rechter toetst of dat binnen de kaders van die wet is gebeurd) de rechtbank tot de stelling komt dat uitlatingen van ministers of Kamerleden niet direct relevant zouden zijn. Dat is een standpunt dat ik zo niet eerder heb gezien in rechtspraak of literatuur. Het roept ook de vraag op welke parlementaire bronnen dan wel belangrijk zouden zijn, en vooral ook waarom die wel en andere niet.
17. Uitgangspunt is dat wanneer parlementaire stukken aan onduidelijkheid of zelfs aan innerlijke tegenstrijdigheid leiden ‘het moeilijk is om aan de wetsgeschiedenis een dwingende argumentatie te ontlenen’, maar dat wil niet zeggen dat in zo’n geval één onderdeel van de wetsgeschiedenis leidend moet zijn. Op zo’n moment ontstaat immers, om met Fleuren te spreken, het risico van een grabbelton. Juist wanneer verschillende standpunten worden betrokken dient het geheel van die standpunten te worden gewogen om onderbouwd tot een oordeel te komen over welke betekenis aan die wetsgeschiedenis kan worden toegekend. (...)
18. Terug naar de criminele burgerinfiltrant en het oordeel van de rechtbank: Nog los van het feit dat al die parlementariërs het dan al die tijd wel heel erg verkeerd begrepen hebben, ook iemand met de staat van dienst van Ella Kalsbeek, meen ik dat de lezing van de rechtbank een onjuiste interpretatie geeft van het begrip wetgever. Dat is juist van belang met het oog op de wetshistorische interpretatie die de rechtbank zegt te hebben uitgevoerd. Daarbij wordt verwezen naar de Memorie van Toelichting bij de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden waarin de bepalingen omtrent de inzet van een burgerinfiltrant zijn neergelegd, en naar de Nota naar aanleiding van het verslag bij die wet waarin nadrukkelijk zou zijn vermeld dat in de wet geen expliciete beperkingen zijn gesteld aan de inzet van criminele burgerinfiltranten.
19. Ik stel voorop dat het wat vreemd is om wél naar die Memorie of die Nota te verwijzen als bron van voor de rechter belangrijke informatie, maar ‘uitlatingen van de Minister’ en zelfs door de Kamer aangenomen moties slechts als verder niet erg ter zake doende adviezen aan te merken. In die Memorie van Toelichting wordt immers ook het standpunt van of namens de Minister weergegeven, en de Nota naar aanleiding van het verslag geeft ‘slechts’ de antwoorden weer die vanuit de minister worden gegeven op vragen gesteld door de fracties van de verschillende partijen. Waarom aan die vragen van Tweede Kamerleden (meestal uit de vaste Commissie Justitie en Veiligheid) of antwoorden van de minister meer gewicht zou toekomen dan aan hetgeen de voltallige Kamer in stemming vaststelt, is mij niet duidelijk (en volgt ook niet uit het vonnis).
20. Met de verwijzing naar de Nota van toelichting onderschrijft de rechtbank – wellicht onbedoeld – dat bij de beoordeling van ‘de wil van de wetgever’ het standpunt dat door Kamerleden is ingenomen dus wel degelijk van belang kan zijn. Dat is in die zin ook weinig discutabel dat de Tweede Kamer zonder enige twijfel als (mede-)wetgever moet worden aangemerkt: zie artikel 81 Grondwet, waarin staat opgenomen dat de vaststelling van wetten ‘geschiedt door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk.’
(...)
22. Het lijkt er op dat de rechtbank in het vonnis doelt op moties waarin de regering gevraagd wordt iets te doen of te laten of waarin een oordeel over beleid wordt gegeven. Deze kunnen inderdaad als een aanbeveling aan het kabinet worden beschouwd (en zijn zoals geschreven wordt wanneer deze beleid ondersteunen in feite volstrekt overbodig) maar het kabinet is daar strikt genomen niet zonder meer aan gebonden. Weliswaar kan het negeren of niet uitvoeren van een aangenomen motie voeding geven aan een motie van afkeuring of zelfs een motie van wantrouwen, maar dat zijn zoals de rechtbank terecht stelt allemaal politieke aangelegenheden.
23. Dergelijke politieke moties dienen naar mijn oordeel echter onderscheiden te worden van moties die de Tweede Kamer in het kader van een wetgevingstraject kan aannemen en waarin helemaal niet aan de minister of aan het kabinet gevraagd wordt bepaalde zaken wel of niet te doen, maar waarin het standpunt van de Tweede Kamer met betrekking tot een specifiek onderdeel van dat wetgevingsproces wordt vastgelegd. Die moties zijn tekstueel ook anders geredigeerd dan eerdergenoemde politieke moties en verzoeken niet aan de regering of roepen niet de minister op et cetera, maar spreken zaken uit. Dat type moties is dus bij uitstek geschikt om het standpunt van de Tweede Kamer in diens rol als wetgever over een onderdeel van een aan te nemen wet vast te leggen.
24. Het is juist dat uit de Nota naar aanleiding van het verslag volgt dat de toenmalig minister het verbod op een criminele burgerinfiltrant niet expliciet in de wet wilde opnemen. Wel wordt steeds verzekerd dat de inzet van criminele burgerinfiltranten in beginsel buiten de orde zal zijn. Dit tot ongenoegen van de verschillende fracties, die in de door hen ingediende vragen – onder meer met verwijzing naar het advies van de Raad van State – juist benadrukken dat het wél in de wet opnemen van zo’n verbod verstandig wordt geacht.
25. Wat de Rechtbank niet lijkt te hebben onderkend is dat de wisseling van standpunten tussen Kamer en Minister in de (wel belangrijk gevonden) Nota nu juist in direct verband staat tot de (weinig relevant gevonden) motie van het lid Kalsbeek: met die laatste motie werd de expliciete wens van de meerderheid van de Tweede Kamer de inzet van een criminele burgerinfiltrant wél dwingend te verbieden vastgelegd. (...)
26. Het zal dus wellicht zo zijn dat een motie staatsrechtelijk gezien niet veel meer is dan het vastleggen van de wil van één of meer (en als deze aangenomen wordt: meer dan de helft) van de Kamerleden, strafrechtelijk gezien kan deze wanneer daarin een standpunt wordt aangenomen over de betekenis van een wet of een onderdeel van een wet wel degelijk van groot belang zijn. Op zo’n moment kan een motie immers een zwaarwegend argument aanleveren om vast te stellen wat de bedoeling van ‘de’ wetgever met die wet of met dat onderdeel van die wet is geweest. Dat zal ook de reden zijn dat het Openbaar Ministerie zich al die tijd aan dat verbod gehouden heeft. Dat doet het rechtsgeleerd Openbaar Ministerie natuurlijk ook niet voor niets.
27. Resumerend: anders dan de rechtbank suggereert zijn uitlatingen van de Tweede Kamer die binnen de context van het wetgevingsproces zijn gedaan wel degelijk van belang bij een wetshistorische interpretatie van die wetgeving. Het betrekken van uitlatingen van die Kamerleden en de minister of ministers bij de vraag welke betekenis aan onderdelen van wetgeving moet worden gegeven is niet in strijd met de trias politica, maar is bij uitstek het geven van uitvoering aan de taakstelling die binnen die trias politica aan de rechterlijke macht is toebedeeld. De wetsgeschiedenis laat er in dit geval geen misverstand over bestaan wat de bedoeling van de meerderheid van de Tweede Kamer in diens rol van wetgever was met de inzet van burgerinfiltranten, en deze luidt dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant nadrukkelijk niet toelaatbaar werd geacht.
28. Het oordeel van de rechtbank dat dit oordeel geen relevantie zou hebben voor de interpretatie van de wettelijke regeling ontzegt niet alleen de Tweede Kamer diens wetgevende bevoegdheden maar miskent ook het (post-IRT!) sentiment van destijds, zoals dat uit de parlementaire stukken duidelijk volgt. Zou de motie Kalsbeek niet zijn toegevoegd aan de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel dan durf ik de stelling aan dat het huidige artikel 126w Sv niet op deze wijze in het wetboek van strafvordering zou zijn opgenomen omdat de Tweede Kamer dan niet akkoord zou zijn gegaan met de als wetsvoorstel (goed dat nog even te benadrukken) aangebrachte Wet Bob. Ik heb mij al eerder op het standpunt gesteld dat met het middels de motie Recourt herroepen van alleen dit specifieke onderdeel van dat wetgevingstraject geen recht werd gedaan aan de toen door de wetgever gegeven overwegingen en genomen beslissingen.
29. Ik wees daarbij ook toen en ook hierboven al op de andere motie Kalsbeek waarin werd vastgelegd dat afspraken met criminelen ten alle tijden onder toezicht van een rechter tot stand dienen te komen. Een unaniem aangenomen (!) beslissing van de Kamer die zich ook al niet verhoudt met het uitgangspunt van de rechtbank dat de wet BOB met artikel 126w Sv al nadrukkelijk voorzag in het aangaan van een overeenkomst met een criminele burgerinfiltrant, nu in die bepaling 126w bij het aangaan van een overeenkomst met een burger niet wordt voorzien in enige gerechtelijke toetsing. Niet vreemd ook, want de Tweede Kamer leefde in de overtuiging dat een overeenkomst met een criminele burgerinfiltrant sowieso niet gesloten kon worden. Al die onderdelen en puzzelstukjes van dit (buitengewoon omvangrijke) wetgevingsproces dat op de IRT-affaire en het Van Traa-rapport volgde hangen met elkaar samen en kunnen althans zouden niet geïsoleerd van elkaar bezien of beoordeeld moeten worden.
30. Ik handhaaf mijn stelling dat de herintroductie van de criminele burgerinfiltrant onder art. 126w Sv door middel van enkel de motie Recourt bij die stand van zaken niet voldoet aan de eisen van het legaliteitsbeginsel en de inzet van [codenaam 1] in dit onderzoek dus een schending van dat legaliteitsbeginsel oplevert. Reeds om die reden zou u moeten oordelen dat die inzet daarmee niet rechtmatig is geweest.
31. Zou u dat anders zien dan meen ik dat het hof kan en ook zou moeten uitspreken dat de vereisten die in die motie Recourt zijn opgenomen dwingend aan het Openbaar Ministerie zijn opgelegd en dat dit dus niet slechts politieke aanbevelingen zijn die het Openbaar Ministerie zonder enige consequenties naast zich neer kan leggen, zoals de rechtbank suggereert. Een oordeel dat – ik benadruk dat nog maar even – van buitengewoon grote betekenis kan en ik denk ook zal zijn voor de verhouding tussen Minister, Tweede Kamer en rechtsprekende macht.”
2.2.4
Volgens dat proces-verbaal heeft de raadsman verder het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde dupliek. Deze dupliek houdt onder meer in:
“2. De verdediging verzoekt uw hof te bepalen:
A. Dat met het aannemen van de tweede motie Kalsbeek (verbod inzet criminele burgerinfiltrant, 1998 - 1999, nummer 33) de werking van het binnen de wet Bob nieuw in te voeren artikel 126w Sv waarin burgerinfiltratie van een wettelijke grondslag werd voorzien, expliciet werd beperkt in die zin dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant expliciet werden uitgesloten, en dat deze motie gezien formulering en context binnen de totstandkoming van de Wet Bob en van dat artikel 126w als het Openbaar Ministerie bindend moet worden aangemerkt;
B. Dat met het middels de Motie Recourt herroepen van die tweede motie Kalsbeek gezien het wetgevingsproces als geheel waaronder ook het in stand laten van de eerste motie Kalsbeek (1995 - 1996, nummer 51 over rechterlijk toezicht op overeenkomsten met criminelen), geen afdoende wettelijke grondslag voor inzet van de criminele burgerinfiltrant tot stand is gekomen. Gezien de in het strafvorderlijk legaliteitbeginsel besloten liggende eis dat opsporingsmethoden die risicovol moeten worden geacht voor de integriteit van de opsporing expliciete grondslag in de formele wet behoeven, is de inzet van de criminele burgerinfiltrant bij die stand van zaken in strijd met dat legaliteitsbeginsel en daarmee onrechtmatig;
C. Dat dit dient te leiden tot uitsluiting van het via [codenaam 1] verkregen bewijsmateriaal, primair vanaf 5 juli 2018 (het moment dat de pseudokoopovereenkomst gecombineerd werd met de stelselmatige informatie inwinning en de facto sprake was van infiltratie) en subsidiair vanaf het moment van sluiten van de overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie op 28 februari 2019;
D. Dat voor zover de Motie Recourt die eerdere motie Kalsbeek wél rechtmatig zou kunnen herroepen de daarin opgenomen eisen voor de inzet van een criminele burgerinfiltrant als het Openbaar Ministerie bindend recht moeten worden aangemerkt en het dus niet – zoals de rechtbank stelt – zo is dat het Openbaar Ministerie aan die eisen slechts gebonden is als gevolg van de beslissing die eisen over te nemen in de eigen Aanwijzing;
E. Dat de in die motie opgenomen eis van het zeer streng regime van waarborgen gezien de redigering van die motie waarin die eis volgt op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en bezien in het licht van al hetgeen over die vereisten is besproken bij de totstandkoming van de Motie Recourt, een aanvullende eis oplevert waaraan het Openbaar Ministerie moet voldoen en deze niet – zoals de rechtbank suggereert – slechts een herhaling betreft van de algemene eisen van proportionaliteit en subsidiariteit in combinatie met artikel 140a Sv;
F. Dat het Openbaar Ministerie door in strijd met de gedane toezegging niet te voorzien in dat in die motie vereiste zeer strenge regime van waarborgen de formele voorwaarden waaronder tot rechtmatige inzet van de criminele burgerinfiltrant zou kunnen worden gekomen niet heeft gecreëerd en daarmee van een rechtmatige inzet ook geen sprake kan zijn;
G. Dat uit de gang van zaken bij de inzet van [codenaam 1] in ieder geval ondubbelzinnig volgt dat van een aangescherpt regime of een aangepaste werksituatie of enige aanvullende eisen die aan de criminele burgerinfiltrant of diens begeleiders werden gesteld geen sprake is geweest en dat daarmee materieel gezien duidelijk geen zeer streng regime van waarborgen is toegepast bij de inzet van [codenaam 1] , waarmee die inzet niet rechtmatig kan worden geacht.”
Het oordeel van het hof
2.2.5
Het hof heeft in zijn uitspraak onder meer overwogen:
“2. Algemeen standpunt van de verdediging
Door de verdediging is op gronden vermeld in de pleitnota – in grote lijnen – het volgende naar voren gebracht. Aangevoerd is dat de herintroductie van de criminele burgerinfiltrant onder art. 126w Sv door middel van enkel de motie Recourt, niet voldoet aan de eisen van het legaliteitsbeginsel en de inzet van [codenaam 1] in dit onderzoek dus een schending van dat legaliteitsbeginsel oplevert, waarmee de inzet van [codenaam 1] onrechtmatig is geweest. Daarnaast is aangevoerd dat de vereisten van artikel 126w juncto artikel 140a Sv zijn aangevuld met de vereisten uit de motie Recourt. Die vereisten leveren via de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie alsnog dwingend recht op en deze vereisten zouden in beginsel nageleefd moeten worden. Daarvan is geen sprake. Aan geen van deze vereisten is voldaan. Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat alle informatie die jegens verdachte is ingebracht direct of indirect het gevolg is van een onrechtmatige inzet van [codenaam 1] in het vooronderzoek en van het bewijs dient te worden uitgesloten. Dat geldt dus zowel voor de door [codenaam 1] afgelegde verklaringen, als voor de processen-verbaal van de andere pseudokopers en informanten, als de verschillende OVC-opnamen die bij de inzet van deze verschillende A-nummers tot stand zijn gekomen. Subsidiair is de verdediging van mening dat de verkregen informatie vanaf het moment van inzet van [codenaam 1] als criminele burgerinfiltrant inclusief de daarbij gemaakte audiovisuele en auditieve opnamen van het bewijs dient te worden uitgesloten. De inzet van [codenaam 1] als criminele burgerinfiltrant is met niet-naleving van de voorwaarden in ieder geval onrechtmatig geweest. Subsidiair is aangevoerd al het verkregen bewijsmateriaal vanaf 8 maart 2019, de eerste inzet van [codenaam 1] als criminele burgerinfiltrant, van het bewijs uit te sluiten. Mocht het hof niet tot bewijsuitsluiting overgaan dan wordt verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de vormverzuimen.
3. Algemeen standpunt van het Openbaar Ministerie
Door het Openbaar Ministerie is op gronden opgenomen in het schriftelijk requisitoir aangevoerd dat de inzet van [codenaam 1] voldoet aan de gestelde eisen. Dit geldt zowel voor de inzet van [codenaam 1] als pseudo(ver)koper, pseudodienstverlening, stelselmatig informatie-inwinner en uiteindelijk de inzet als criminele burgerinfiltrant. Er is sprake geweest van een zeer transparante procedure waarbij het Openbaar Ministerie meer dan voldoende toezicht heeft gehouden op het verloop van het traject en heeft gezorgd voor een adequate verslaglegging zodat alles is te controleren. Daarnaast is aangevoerd dat er sprake is van één vormverzuim, namelijk dat het College geen voorafgaande toestemming heeft gegeven voor de overeenkomst tot burgerinfiltratie. Volstaan kan worden met de constatering van dit vormverzuim omdat niet is gebleken dat enig rechtens te respecteren belang van verdachte is geschonden. Tot slot is aangevoerd dat de betrouwbaarheid van [codenaam 1] aan het gehele dossier moet worden getoetst hetgeen leidt tot een positief betrouwbaarheidsoordeel.
4. Oordeel van het hof
A - Formele rechtmatigheid tot inzet criminele burgerinfiltrant, formele rechtmatigheid
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is – kort gezegd – aangevoerd dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant onrechtmatig is geweest. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de herintroductie van de criminele burgerinfiltrant ex artikel 126w Sv door middel van enkel het aannemen van de motie Recourt in strijd is met het legaliteitsbeginsel.
Standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – de grondslag voor het inzetten van een criminele burgerinfiltrant is gebaseerd op de wet, het bepaalde in artikel 126w Sv, op paragraaf 2.9 van de Aanwijzing Opsporingsbevoegdheden en op de formele voorwaarden van artikel 140a Sv en artikel 131 van de Wet RO. Daarnaast is aangevoerd dat de praktijk van het eerdere verbod op de inzet van de criminele burgerinfiltrant, welk verbod niet in een wet in formele zin is vastgelegd, met de motie Recourt is opgeheven.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank met betrekking tot dit verweer een juiste afweging heeft gemaakt. Het hof kan zich grotendeels met de overwegingen van de rechtbank verenigen en zal daarom in zoverre deze overwegingen hierna telkens voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat, moet ‘hof’ worden gelezen en waar het hof dit nodig acht zullen de overwegingen worden aangevuld. Waar in de cursief overgenomen tekst van de rechtbank niet-cursieve tekst is opgenomen, betreft dit aanvullingen van het hof.
“De wet in formele zin.
De inzet van een criminele burgerinfiltrant kan gepaard gaan met inbreuken op grondrechten en gaat bovendien gepaard met risico’s voor de (integriteit van de) opsporing. Om die reden dient de bevoegdheid tot inzet van deze opsporingsmethode in een formele wet te zijn vastgelegd (zie het in artikel 1, eerste lid, Sv vastgelegde formele legaliteitsbeginsel).
De bevoegdheid tot burgerinfiltratie is geregeld in artikel 126w, eerste lid, Sv. Op grond van deze bepaling kan in een geval als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, Sv de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen of medewerking te verlenen aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
De rechtbank constateert dat een taalkundige interpretatie van voornoemde bepaling zich niet verzet tegen de inzet van een criminele burger als burgerinfiltrant. Immers, een criminele burger betreft eveneens een persoon die geen opsporingsambtenaar is. Ook de wetshistorie werpt geen beletselen op. Uit de memorie van toelichting bij de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: Wet Bob) blijkt zonneklaar dat de wetgever de inzet van de criminele burgerinfiltrant op grond van het bepaalde in artikel 126w Sv niet heeft willen uitsluiten. In artikel 126w Sv is daarom geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet-criminele burgerinfiltranten. Zowel de niet-criminele als de criminele burgerinfiltrant valt onder deze bepaling en kan in beginsel dus worden ingezet. In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet Bob wordt bovendien nadrukkelijk vermeld dat in de wet geen expliciete beperkingen zijn gesteld aan de inzet van criminele burgerinfiltranten.”
Het hof overweegt aanvullend het volgende.
Zoals hierboven overwogen, wordt in de tekst van de wet geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet criminele burgerinfiltranten. Bij de totstandkoming van de wettelijke bepaling is er ook aandacht geweest voor dit vraagstuk. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de wetgever zich bewust is van de bijzondere risico’s die met de inzet van burgers voor infiltratie gepaard gaan. In de memorie van toelichting is vervolgens opgenomen: “Met de inzet van infiltratie door criminele burgers zal nog terughoudender moeten worden omgegaan”. Dit betekent dat de inzet van criminele burgerinfiltranten nadrukkelijk is besproken en niet is uitgesloten. De Tweede Kamer heeft vervolgens de motie Kalsbeek aanvaard, zijnde een motie waarin wordt uitgesproken dat een verbod geldt voor de politie en het Openbaar Ministerie op het inzetten van criminele burgerinfiltranten. Het hof stelt vast dat de Tweede Kamer geen gebruik heeft gemaakt van het instrument van amendement. Dit heeft dus niet geleid tot een wijziging van de wet in die zin dat er een verbod op de inzet van een criminele burgerinfiltrant in de formele wet is opgenomen. De motie Kalsbeek heeft evenwel tot een rechtspraktijk geleid waarbij gedurende langere tijd geen gebruik werd gemaakt van de criminele burgerinfiltrant.
Meer dan een decennium later heeft de Tweede Kamer door de aanvaarding van de motie Recourt haar algehele verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten laten vervallen. Achtergrond voor deze wijziging was een verschuiving van het accent op de belangen van een integere strafrechtspleging naar het oplossen van problemen bij de opsporing van zware georganiseerde criminaliteit. Met het aannemen van de motie Recourt wilde de Tweede Kamer het instrumentarium voor opsporing versoepelen in die zin dat er sprake zou moeten kunnen zijn van “een beperkte inzet van de criminele burgerinfiltrant”. In de motie zijn de randvoorwaarden geformuleerd waaronder die inzet mogelijk zou moeten zijn. Uit de verhandelingen voorafgaande aan het aannemen van deze motie blijkt dat men zich ervan bewust was dat de tekst van de wet “een vorm van criminele burgerinfiltrant al mogelijk maakt”. Een (formeel) wettelijke verankering werd daarom niet nodig bevonden, ook de (formeel) wettelijke verankering van de te formuleren randvoorwaarden niet.
De Tweede Kamer koos, zowel bij het formuleren van het verbod, als bij het vervallen verklaren van het verbod, voor het instrument van de motie. Met het aannemen van een motie maakt de Tweede Kamer een oordeel of verlangen kenbaar ten aanzien van een Minister of het kabinet. De Minister of het kabinet is aan het oordeel dat in de motie tot uitdrukking is gebracht, voor zover hier relevant, niet gebonden. Een motie speelt verder uitsluitend een rol in de verhouding tussen de Eerste of Tweede Kamer en het kabinet. De rechter kan in deze verhouding geen rol spelen.
Het hof concludeert alles afwegende, dat artikel 126w Sv grondslag bood en nog steeds biedt voor de inzet van burgerinfiltranten, daaronder begrepen criminele burgerinfiltranten. Dat aanvankelijk bij motie een algeheel verbod van inzet van criminele burgerinfiltranten is uitgesproken en de Tweede Kamer enkele jaren voorafgaand aan de onderhavige inzet van een criminele burgerinfiltrant, wederom bij motie, hierop is teruggekomen doet aan de wettelijke grondslag niet af.
Er is derhalve geen aanleiding om aan te nemen dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant in algemene zin onrechtmatig moet worden geacht, nu de mogelijkheid tot inzet van deze opsporingsbevoegdheid is vastgelegd in een formele wet.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie op grond van artikel 126w Sv over kon gaan tot de inzet van een criminele burgerinfiltrant. Bij de beslissing hieromtrent en de uitvoering daarvan beschikt het Openbaar Ministerie over discretionaire ruimte.
Het hof zal vervolgens, net als de rechtbank heeft gedaan, beoordelen of in deze zaak is voldaan aan de geldende voorwaarden voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant.
Is voldaan aan de vereisten van art. 126w Sv?
Het hof sluit zich aan bij de navolgende cursief opgenomen overwegingen van de rechtbank.
“Een geval als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, Sv
Ingevolge artikel 126w, eerste lid, Sv jo. artikel 126h, eerste lid, Sv kan een (criminele) burgerinfiltrant enkel ingezet worden in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. De woorden “aard van het misdrijf” duiden niet slechts op de delictsomschrijving in de wet, maar tevens op de ernst van de feiten en omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd of wordt beraamd. Het kan blijkens de memorie van toelichting bij de Wet-BOB gaan om misdrijven als moord, handel in drugs, mensenhandel, omvangrijke milieudelicten, wapenhandel, maar ook om ernstige financiële misdrijven, zoals omvangrijke ernstige fraude, bijvoorbeeld een btw-carrousel. Dergelijke misdrijven schokken de rechtsorde ernstig door hun gewelddadige karakter of door hun omvang en gevolgen voor de samenleving. Ook minder ernstige misdrijven kunnen een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, doordat zij in combinatie met andere misdrijven worden gepleegd, bijvoorbeeld valsheid in geschrifte in combinatie met omkoping van ambtenaren met het oog op verkrijging van vergunningen voor bedrijven, of kleine fraudes waarvan, gelet op de aard, kan worden vermoed dat deze deel uitmaken van een omvangrijke en ernstige vorm van fraude. Het dient te gaan om samenhang met andere door verdachte begane misdrijven.
Bij een aantal misdrijven vloeit reeds louter uit de aard van het misdrijf – zoals dat in de wet is beschreven – voort dat het feit een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Het gaat hier om misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.
De rechtbank leidt uit het procesdossier af dat ten aanzien van de verdachten tegen wie de criminele burgerinfiltrant is ingezet (onder meer) de verdenking heeft bestaan dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan (het medeplegen van) het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van harddrugs. Dit betreft een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder a, Sv. Op dit misdrijf is naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 12 jaren gesteld (artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet jo. artikel 10, derde lid, van de Opiumwet). Uit louter de aard van het misdrijf vloeit dan ook reeds voort dat het feit een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.
Een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
In artikel 126w, eerste lid, Sv wordt (criminele) burgerinfiltratie omschreven als het door een persoon die geen opsporingsambtenaar is verlenen van bijstand aan de opsporing door deel te nemen of medewerking te verlenen aan een groep van personen waarbinnen, naar redelijkerwijs kan worden vermoed, misdrijven worden beraamd of gepleegd. Aan de hiergenoemde groep worden geen specifieke eisen gesteld. Een dergelijke groep kan dus verschillende gedaanten aannemen. Niet is vereist dat sprake is van een criminele organisatie of georganiseerd verband.
De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie uit de resultaten van het onderzoek Vidar over de periode van mei 2018 tot 1 maart 2019 – dus vóór de inzet van de criminele burgerinfiltrant – in redelijkheid heeft kunnen afleiden dat de betreffende verdachten deel hebben uitgemaakt van een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd, te weten onder meer (het medeplegen van) het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van harddrugs.
Proportionaliteitseis
De proportionaliteitseis vloeit voort uit het bepaalde in artikel 126w, eerste lid, Sv. Bij de beoordeling of burgerinfiltratie voldoet aan de eis van proportionaliteit is niet alleen de ernst van de desbetreffende strafbare feiten van belang, maar ook de wijze waarop en de mate waarin is geïnfiltreerd. Voorts speelt ook het doel dat met de infiltratie wordt nagestreefd een rol.
De rechtbank is van oordeel dat de beslissing om over te gaan tot criminele burgerinfiltratie, in het licht van de tegen de betreffende verdachte bestaande verdenkingen, waaruit naar voren komt dat leden van [club 1] (waaronder een prominent lid van [onderdeel club] : [medeverdachte 1] ) bij de internationale handel in harddrugs betrokken zijn, alsmede de aard en ernst van dit misdrijf, als proportioneel kan worden aangemerkt. De rechtbank constateert verder dat de indringendheid waarmee [codenaam 1] is geïnfiltreerd in de groep [medeverdachte 1] c.s. relatief beperkt is. In de kern heeft [codenaam 1] enkel voorzien in de bij [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] bestaande behoefte aan internationale contacten die harddrugs zouden willen afnemen of een rol zouden kunnen spelen bij de feitelijke uitvoer van drugs naar het buitenland. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheel kan worden afgeleid dat [codenaam 1] zich slechts in de buitenlaag van het middenkader van de organisatie heeft bevonden en daarbij – nadat het traject [medeverdachte 2] was doodgebloed – optrad als tussenpersoon van [medeverdachte 3] . [codenaam 1] heeft overwegend een faciliterende/ondersteunende rol gehad, namelijk die van netwerker en vervoerder van drugs en geld (op verzoek van [medeverdachte 3] ). Alle contacten met de groep verliepen via of in aanwezigheid van [medeverdachte 3] , zijnde de tussenpersoon (middle man) van [medeverdachte 1] . Tijdens de besprekingen met de groep [medeverdachte 1] c.s. hield [codenaam 1] zich overwegend afzijdig. [codenaam 1] nam zelf geen belangrijke beslissingen, maar verleende voornamelijk medewerking vanaf de zijlijn. De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop de opsporingsbevoegdheid criminele burgerinfiltratie is ingezet als proportioneel kan worden aangemerkt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking het hoofddoel van het onderzoek, de aard en ernst van de betreffende misdrijven, de wijze waarop en de (relatief beperkte) mate waarin is geïnfiltreerd, alsmede de duur van die infiltratie (ongeveer een jaar). De rechtbank merkt in dit verband op dat [codenaam 1] is geïnfiltreerd in een gesloten groep die zich succesvol afschermt. Teneinde deel te nemen of medewerking te verlenen aan die groep en deze in kaart te kunnen brengen moest eerst een vertrouwensbasis ontstaan tussen [codenaam 1] en [medeverdachte 1] c.s. Het is een feit van algemene bekendheid dat in geval van internationale handel in harddrugs in de regel gebruik wordt gemaakt van bestaande contacten en dat nieuwkomers doorgaans niet worden vertrouwd. Het spreekt voor zich dat het opbouwen van een dergelijke vertrouwensbasis niet binnen enkele weken zal plaatsvinden. [codenaam 1] moest eerst laten zien dat hij van waarde kon zijn voor de groep en te vertrouwen was. Hier was enige tijd mee gemoeid.
Subsidiariteitseis
Bij de beoordeling of burgerinfiltratie voldoet aan de eis van subsidiariteit is allereerst van belang of het onderzoek de burgerinfiltratie dringend vordert. Deze eis is vastgelegd in artikel 126w, eerste lid, Sv. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de bevoegdheid tot burgerinfiltratie alleen mag worden gehanteerd indien met behulp van lichtere bevoegdheden niet hetzelfde resultaat kan worden bereikt.
Voorts mag burgerinfiltratie alleen plaatsvinden indien de officier van justitie van oordeel is dat een bevel tot politiële infiltratie als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, Sv in redelijkheid niet kan worden gegeven. Er zijn situaties denkbaar waarin infiltratie noodzakelijk is, maar niet goed of met te veel risico door een opsporingsambtenaar kan worden verricht, bijvoorbeeld omdat de politie niet beschikt over een functionaris die beschikt over een zeer specifieke deskundigheid om zich in een bepaalde omgeving geloofwaardig te kunnen handhaven, of over andere speciale kwaliteiten, zoals in casu een bepaalde reputatie in het criminele circuit. Voornoemd vereiste is vastgelegd in artikel 126w, tweede lid, Sv. Met deze eis wordt tot uitdrukking gebracht dat (criminele) burgerinfiltratie een uitzondering zal zijn. Met de inzet van (criminele) burgerinfiltratie dient dan ook terughoudend om te worden gegaan.
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier voldoende blijkt dat met behulp van lichtere opsporingsbevoegdheden niet hetzelfde resultaat zou kunnen worden bereikt als met de inzet van een burgerinfiltrant. In het onderzoek Vidar zijn reeds in de periode van mei 2018 tot 1 maart 2019 in het traject [medeverdachte 2] allerlei opsporingsbevoegdheden ingezet, te weten observatie, stelselmatige informatie-inwinning, opname van vertrouwelijke informatie, opname van telecommunicatie, opvragen historische verkeersgegevens en burgerpseudokoop/-dienstverlening. Ondanks de inzet van voornoemde opsporingsbevoegdheden – die geresulteerd hebben in vier geslaagde pseudokopen – heeft het Openbaar Ministerie onvoldoende zicht gekregen op de eventuele betrokkenheid van (leden van de) [club 1] bij de internationale handel in harddrugs. De resultaten van het onderzoek geven echter wel blijk van aanwijzingen van die betrokkenheid, alsmede een verdenking tegen [lid club 1] [medeverdachte 1] . De reden dat aan de hoofddoelstelling van Vidar niet voldaan is heeft in de kern te maken met de omstandigheid dat [medeverdachte 2] en [lid club 1] [medeverdachte 1] hun communicatie op succesvolle wijze hebben weten af te schermen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] spraken met elkaar af op locaties waar opname van vertrouwelijke communicatie lastig was ( [plaats] en/of in het clubhuis van de [club 2] en/of [lid club 1] ). Daarnaast maakten zij gebruik van versluierend taalgebruik, kennelijk om crimineel handelen te verbergen. [medeverdachte 2] hield daarnaast rekening met de mogelijkheid dat hij afgeluisterd of gevolgd of betrapt zou kunnen worden en richtte zijn gedrag daarop in. Onder deze omstandigheden, en gelet op de reeds ingezette dwangmiddelen en de duur daarvan, heeft het Openbaar Ministerie in redelijkheid kunnen oordelen dat met de inzet van lichtere opsporingsbevoegdheden (in zowel het traject- [medeverdachte 2] als het traject- [medeverdachte 3] ) niet hetzelfde resultaat kon worden bereikt, te weten vaststellen of uitsluiten van betrokkenheid van (leden van) [lid club 1] bij de internationale handel in harddrugs.
Uit het dossier blijkt verder genoegzaam dat enkel een bevel tot politiële infiltratie gelet op het doel van het onderzoek niet volstond. [codenaam 1] genoot een zekere reputatie en werd door verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] vertrouwd.
[codenaam 1] was een bekend gezicht in het criminele milieu in [plaats] en kon om die reden op zeer korte termijn het vertrouwen winnen.
Een politiële infiltrant dan wel een burgerinfiltrant (...) zou dit vertrouwen niet zonder meer genieten. De inzet van een "losse" politiële infiltrant of een niet-criminele-burgerinfiltrant in de groep zou bovendien argwaan hebben kunnen opwekken met alle veiligheidsrisico's van dien. Een lichtere vorm van infiltratie zou naar alle waarschijnlijkheid dan ook niet effectief zijn geweest.”
Is voldaan aan de vereisten van artikel 140a Sv en artikel 131 Wet RO?
Naast de in artikel 126w Sv genoemde voorwaarden zijn ook formele voorwaarden opgenomen in artikel 140a Sv en artikel 131 Wet RO.
Artikel 140a Sv luidt als volgt:
“Het College van procureurs-generaal stemt vooraf en schriftelijk in met een bevel als bedoeld in artikel 126ff, onderscheidenlijk een overeenkomst als bedoeld in de tweede afdeling van titel Va van het Eerste Boek en als bedoeld in artikel 126zu, een wijziging of een verlenging daarvan.”
Artikel 131 Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) luidt als volgt:
1 Het College van procureurs-generaal kan geen beslissingen nemen indien niet ten minste drie leden aanwezig zijn.
2 Het College neemt beslissingen bij meerderheid van stemmen.
3 Indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag.
4 Bij reglement stelt het College nadere regels met betrekking tot zijn werkwijze en besluitvorming. Het reglement en wijzigingen daarvan behoeven de goedkeuring van Onze Minister. Het reglement of een wijziging daarvan wordt na de goedkeuring gepubliceerd in de Staatscourant.
5 In het reglement wordt in ieder geval geregeld in welke gevallen de voorzitter een voorgenomen beslissing aan Onze Minister voorlegt, daaronder zijn in ieder geval begrepen de beslissingen bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank heeft op juiste gronden het volgende overwogen, hetgeen hieronder cursief is opgenomen.
“De behandelend officier van justitie zal door tussenkomst van zijn hoofdofficier het voornemen om van de bevoegdheid tot criminele burgerinfiltratie gebruik te maken ter toetsing moeten voorleggen aan het College. Het College zal zich ter zake laten adviseren door de Centrale Toetsingscommissie (hierna: CTC). Het College dient vervolgens vooraf en schriftelijk in te stemmen met een overeenkomst tot burgerinfiltratie als bedoeld in artikel 126w Sv, een wijziging of een verlenging daarvan. Daarnaast dient het College de Minister op de hoogte te stellen van voornemens tot het inzetten van burgerinfiltranten. Voorts brengt het College beslissingen omtrent dit voornemen ter kennis van de Minister voordat zij worden uitgevoerd.
De ratio van het inschakelen van het College bij de toetsing van de inzet is vooral gelegen in de risico's die met het hanteren van een opsporingsbevoegdheid samenhangen en met de wens met betrekking tot de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden te komen tot een landelijk beleid. Die risico's kunnen bijvoorbeeld de veiligheid van de infiltrant betreffen, of de integriteit van de opsporing, of risico's dat methoden bekend worden en daardoor onbruikbaar. Daarnaast speelt bij die toetsing ook de rechtmatigheid van de opsporingsbevoegdheid een rol. Het onrechtmatig gebruik van een opsporingsbevoegdheid kan niet door het College worden goedgekeurd. Voor de rechtbank blijft echter van belang de wet die de bevoegdheid tot criminele burgerinfiltratie aan de officier van justitie geeft, en niet aan het College. De rechtbank zal de beslissing van de officier van justitie ten aanzien van de inzet tot criminele burgerinfiltratie zelfstandig moeten beoordelen. De rechtbank hoeft daarbij niet zo ver te gaan dat zij ook de zorgvuldigheid van de beslissing van het College onderzoekt. Voldoende is dat de rechtbank nagaat of de in de wet neergelegde (interne) procedure correct is bewandeld.
De ratio van het op de hoogte stellen van de Minister is dezelfde als die van het inschakelen van het College. Daarbij is tevens van belang dat de Minister verantwoordelijk is voor het doen en laten van het Openbaar Ministerie en kan worden aangesproken op het (niet-) uitoefenen van zijn aanwijzingsbevoegdheden die hij aan zijn positie als ambtelijk chef of aan artikel 127 Wet RO ontleent.
De rechtbank leidt uit het procesdossier af dat de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Nederland van het Openbaar Ministerie (hierna: de hoofdofficier van justitie) de CTC op 14 februari 2019 verzocht heeft om toestemming te verlenen voor de inzet van de opsporingsbevoegdheid tot burgerinfiltratie in het onderzoek Vidar.
Op 6 maart 2019 heeft het College toestemming verleend aan de hoofdofficier van justitie voor de inzet van de opsporingsbevoegdheid tot burgerinfiltratie in het onderzoek Vidar.
Op 21 maart 2019 is de zaak gepresenteerd aan de Minister door het zaaksteam Vidar in aanwezigheid van het College en de hoofdofficier van justitie. Tijdens die presentatie is de inzet van criminele burgerinfiltrant [codenaam 1] besproken.
Voorafgaande instemming van het College
De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat het College heeft ingestemd met een overeenkomst tot burgerinfiltratie als bedoeld in artikel 126w Sv. Deze instemming is echter pas op 6 maart 2019 gegeven. De overeenkomst tot burgerinfiltratie was toen al in werking getreden, te weten met ingang van 1 maart 2019. De rechtbank constateert dat hier sprake is geweest van een vormverzuim.”
Conform het standpunt van de advocaten-generaal en de verdediging kan het hof zich verenigen met hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, inhoudende dat er op dit punt sprake is van een vormverzuim. Het hof maakt de voorgaande overwegingen van de rechtbank tot de zijne.
In kennisstellen van de Minister van Justitie
Met betrekking tot de voorwaarden of het Minister van Justitie tijdig op de hoogte is gebracht heeft de rechtbank het volgende overwogen.
“De rechtbank stelt verder vast dat niet is gebleken dat het College de Minister tijdig op de hoogte heeft gesteld van de beslissing tot inzet van de criminele burgerinfiltrant. Reeds in de periode van 1 maart 2019 tot en met 21 maart 2019 is [codenaam 1] al ingezet als burgerinfiltrant. Dit terwijl de Minister pas op 21 maart 2019 op de hoogte is gesteld van die inzet. De rechtbank constateert dat ook hier sprake is geweest van een vormverzuim.”
Het hof verenigt zich ook met deze overweging van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Aanvullend overweegt het hof dat, anders dan door de advocaten-generaal is aangevoerd, de datum van de overeenkomst tot het inzetten van de burgerinfiltrant leidend is voor de beantwoording van de vraag of de Minister van Justitie tijdig op de hoogte is gebracht en niet de datum waarop feitelijk voor het eerst uitvoering is gegeven aan de overeenkomst tot burgerinfiltratie.
Instemming College in verband met verlengingen en wijzigingen van de overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie
De advocaten-generaal hebben bij requisitoir een brief overgelegd van het College d.d. 8 februari 2024 waaruit volgt op welke momenten het College toestemming heeft verleend. Uit die brief blijkt het volgende. Op 6 maart 2019 is toestemming verleend voor de inzet van de CBI. Op 24 mei 2019 is toestemming verleend voor de eerste verlenging. Op 30 augustus 2019 is toestemming verleend voor de tweede verlenging. Op 28 november 2019 is toestemming verleend voor de derde verlenging en tot slot is op 13 februari 2020 toestemming verleend voor de vierde verlenging. Het hof stelt op basis van de zich in het dossier bevindende overeenkomsten van verlenging vast dat telkens voorafgaand aan die verlengingen toestemming werd gegeven.
Anders dan in de fase bij de rechtbank blijkt uit deze brief dat het College vooraf en schriftelijk heeft ingestemd met de verlengingen en wijzigingen van de overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie. Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim.
Conclusie
De rechtbank heeft in dit verband overwogen:
“De rechtbank stelt op basis van het vorenstaande vast dat de interne procedure niet correct is doorlopen. De rechtbank zal aan de hiervoor genoemde vormverzuimen echter geen rechtsgevolgen verbinden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de ratio van artikel 140a Sv en artikel 131 van de Wet RO jo. artikel 11, tweede lid, Reglement van Orde College procureurs-generaal en de omstandigheid dat de overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie, alsmede de verlengingen en wijzigingen daarvan, niet onrechtmatig zijn geweest. Verder houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de door [codenaam 1] verrichte handelingen in de periode van 1 maart tot en met 21 maart 2019 reeds werden gedekt door de met [codenaam 1] gesloten overeenkomsten tot burgerpseudokoop/-dienstverlening en stelselmatige informatie-inwinning, terwijl niet is gebleken dat [codenaam 1] specifieke infiltratiehandelingen heeft verricht die buiten het bereik van de voornoemde overeenkomsten vielen. De rechtbank is van oordeel dat niet enig gerechtvaardigd belang van verdachten door het vormverzuim is geschonden.”
Het hof verenigt zich ook met deze overweging van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Op het laatste punt zal het hof hierna onder 'B - De inzet van [codenaam 1] als burgerpseudokoper/-dienstverlener, burgerinformant en burgerinfiltrant' verder ingaan.
Is voldaan aan de voorwaarden uit de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden?
In de Aanwijzing is opgenomen dat de bevoegdheid tot politiële- of burgerinfiltratie niet mag worden toegepast met het uitsluitende doel om de informatiepositie in een bepaald onderzoek te kunnen verbeteren. De inzet van deze bevoegdheid moet een strafvorderlijk doel dienen.
Zoals de rechtbank ook heeft overwogen wordt in de Aanwijzing verwezen naar de vereisten uit motie-Recourt:
"Door de aanvaarding van de motie-Recourt (Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 192) is het algemeen verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten komen te vervallen, en is het mogelijk geworden om in bepaalde situaties criminele burgerinfiltranten in te zetten bij de aanpak van zware criminelen en criminele organisaties, die hun criminele activiteiten zeer succesvol afschermen en met traditionele opsporingsmiddelen onvoldoende kunnen worden aangepakt. Alleen in hoge uitzonderingsgevallen en onder strikte waarborgen mag die inzet plaatsvinden. Voldaan moet zijn aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van groei-infiltranten."
Verder wordt in de Aanwijzing vermeld dat voor de inzet toestemming nodig is van de Minister.
Het hof sluit zich aan bij de navolgende cursief opgenomen overweging van de rechtbank.
“De hiervoor genoemde regels zijn vastgesteld in een door het College gegeven aanwijzing als bedoeld in artikel 130, zesde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO). Deze regels zijn op behoorlijke wijze bekend gemaakt en lenen zich naar hun inhoud en strekking ertoe jegens betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast. Zij kunnen daarom aangemerkt worden als recht in de zin van artikel 79 van de Wet RO en zijn derhalve onderdeel van het juridische raamwerk waaraan de rechtbank dient te toetsen. Als het Openbaar Ministerie zich niet aan zijn eigen regelgeving heeft gehouden kan dit een schending opleveren van de beginselen van een behoorlijke procesorde en daarmee tevens een vormverzuim opleveren ex artikel 359a Sv.”
Met betrekking tot de in de aanwijzing genoemde randvoorwaarden heeft de rechtbank het volgende overwogen, hetgeen hieronder cursief is weergegeven. Het hof sluit zich bij deze overweging aan.
“Strafvorderlijk doel
Blijkens de wetsgeschiedenis mogen de bijzondere opsporingsbevoegdheden niet worden toegepast met de uitsluitende bedoeling om de informatiepositie van de politie te verbeteren. De inzet van de opsporingsbevoegdheden moet een strafvorderlijk doel dienen. De verbetering van de informatiepositie kan hoogstens een tussengelegen doel zijn, maar mag nooit een doel op zichzelf zijn.”
Daarnaast stelt het hof het volgende vast. Uit het proces-verbaal aanvraag overeenkomst criminele burgerinfiltratie blijkt het volgende. In april 2018 is een onderzoek gestart onder de naam Vidar. Dit onderzoek is gestart naar aanleiding van contact tussen verdachte [medeverdachte 2] en [codenaam 1] . Naar aanleiding van dat contact is de verdenking ontstaan dat verdachte [medeverdachte 2] zich, al dan niet samen met anderen, bezighoudt met internationale handel in harddrugs. Gebleken is dat [medeverdachte 2] lid is van de [club 2] in [plaats] , een supportclub van [lid club 1] , en dat hij persoonlijk contact onderhoudt met kaderleden van [club 1] [onderdeel club] in [plaats] . Naar aanleiding daarvan is door officier van justitie met [codenaam 1] een overeenkomst burgerpseudokoop/burgerpseudodienstverlening aangegaan. [codenaam 1] heeft de opdracht gekregen een door het begeleidingsteam van de WOD van de Landelijke Eenheid aangewezen (buitenlandse) burger, [codenaam 2] , te introduceren en deze te faciliteren in zijn contacten met [medeverdachte 2] . Ook is een bevel stelselmatige informatie-inwinning afgegeven. Daarnaast zijn nog andere bijzondere opsporingsmiddelen ingezet, waaronder: opnemen van telecommunicatie met een daartoe strekkende machtiging van de rechter-commissaris bij verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en het opnemen van vertrouwelijke communicatie in de voertuigen in gebruik bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .
Uit het proces-verbaal aanvraag overeenkomst criminele burgerinfiltratie blijkt verder het volgende.
De eerste, door de WOD geregisseerde, ontmoeting tussen [codenaam 1] en verdachte [medeverdachte 2] vond plaats op 24 mei 2018. [codenaam 1] heeft op 05 juli 2018 [codenaam 2] bij [medeverdachte 2] geïntroduceerd. Na deze kennismaking vonden in de periode van 30 augustus 2018 tot en met 22 februari 2019 in totaal vijf pseudokoopacties plaats. Vier daarvan hebben geleid tot een aankoop. Dat wil zeggen dat [medeverdachte 2] , al dan niet via [codenaam 1] , harddrugs heeft geleverd aan [codenaam 2] . (...)
Na vier geslaagde pseudokopen was nog niet de gehele doelstelling van de inzet van [codenaam 1] en [codenaam 2] bereikt. Hoewel er dankzij de pseudokopen en de bemiddelende rol van [codenaam 1] sprake is van een vertrouwensbasis tussen [medeverdachte 2] en [codenaam 2] , wil [medeverdachte 2] nog geen rechtstreeks contact met [codenaam 2] zonder tussenkomst van [codenaam 1] . Ook blijkt dat er nog onvoldoende basis was om de politiële infiltrant [codenaam 3] te introduceren. Daarvoor is het noodzakelijk dat [codenaam 1] en [codenaam 2] nog langer contact onderhouden met [medeverdachte 2] .
Daarnaast is een verdenking ontstaan jegens [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] wordt ervan verdacht dat hij zich, al dan niet samen met anderen, bezighoudt met internationale handel in harddrugs. Bekend is dat [medeverdachte 3] persoonlijk contact onderhoudt met (kader)leden van [club 1] [onderdeel club] in [plaats] en met diverse verdachten uit onderzoek Vidar. Daarnaast is zicht gekregen op internationale handel in verdovende middelen van verdachte [medeverdachte 3] , al dan niet in samenwerking met anderen waaronder leden van [club 1] [onderdeel club] ( [plaats] ). Hiervoor is [codenaam 1] benaderd door [medeverdachte 3] , die contacten heeft met onder meer verdachten [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] en andere personen.
Gezien de duur van de stelselmatige informatie-inwinning, het aantal pseudokopen, de verklaring van [codenaam 1] over [medeverdachte 3] en diens samenwerking met [onderdeel club] en de komende introductie van de politiële infiltrant [codenaam 3] die zal gaan deelnemen aan de groep van personen die misdrijven pleegt of beraamt, vordert het onderzoek dringend dat wordt overgegaan tot (criminele) burgerinfiltratie van [codenaam 1] en [codenaam 2] .
Ondanks dat er zicht is op contacten tussen [lid club 2] [medeverdachte 2] en vooral [lid club 1] [medeverdachte 1] in de periodes waarin de pseudokopen plaatsvonden, is de inhoud van deze gesprekken grotendeels onbekend gebleven. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] spreken bijvoorbeeld af om elkaar te ontmoeten op locaties waar opname van vertrouwelijke communicatie lastig is zoals op de dijk en/of in het clubhuis van de [club 2] en/of [lid club 1] . Ook bellen zij via WhatsApp en spreken zij in verhullend taalgebruik. Ook verdachte [medeverdachte 3] schermt kennelijk zijn communicatie af, door gebruik te maken van een telefoon met een 'burner' en bij nieuwe transporten nieuwe telefoons te gebruiken.
De verwachting is dat de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen – zoals opname van vertrouwelijke communicatie en/of het afluisteren van telefoons – ontoereikend zal zijn. De ervaring leert dat zowel bij de (internationale) handel in harddrugs als door (kader-)leden van outlaw motorcycle gangs gebruik wordt gemaakt van bestaande contacten en afgeschermde communicatiemethodes. Verder blijkt uit opgenomen communicatie dat verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zeer alert zijn op opsporingsambtenaren en -middelen.
Gezien de succesvolle afscherming, de actuele contacten van [medeverdachte 2] met de (kader-)leden van [onderdeel club] en met vicepresident [medeverdachte 1] in het bijzonder, het feit dat [medeverdachte 2] niet zelfstandig wil/kan handelen, het vertrouwen van [medeverdachte 2] in [codenaam 1] , het feit dat [medeverdachte 2] positief staat tegenover een ontmoeting met de 'baas' van [codenaam 2] , het feit dat [codenaam 1] is benaderd door [medeverdachte 3] die kennelijk samenwerkt met [lid club 1] [plaats] bij internationale handel in verdovende middelen en het vertrouwen van [medeverdachte 3] in [codenaam 1] vordert het onderzoek dringend de inzet van criminele burgerinfiltratie door [codenaam 1] .
Doel van deze inzet is informatie te achterhalen over de strafbare feiten waarvan [medeverdachte 2] , [betrokkene 2] , [medeverdachte 1] , [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] worden verdacht en zo zicht te krijgen op de groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed, misdrijven worden beraamd of gepleegd zoals beschreven in voornoemde processen-verbaal van verdenking.
De door [codenaam 1] te verlenen bijstand aan de opsporing bestaat uit het deelnemen aan en of medewerking verlenen aan een groep van personen bestaande uit onder meer de verdachten [medeverdachte 2] , [betrokkene 2] (leden van [club 2] [plaats] ), [medeverdachte 1] , vicepresident van de [club 1] [plaats] , [onderdeel club] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 3] en mogelijk andere leden van [lid club 1] [onderdeel club] . De verdenking bestaat dat de verdachten deel uitmaken van een groep van personen die zich bezighoudt met het beramen of plegen van misdrijven te weten de invoer en/of verwerking en/of uitvoer en/of handel in harddrugs zoals speed (amfetamine) en/of cocaïne dan wel de voorbereiding van die strafbare feiten. [codenaam 1] zal bemiddelen in de contacten tussen [medeverdachte 2] en [codenaam 2] , zodat deze laatste (nogmaals) partijen harddrugs van [medeverdachte 2] zal kunnen afnemen, om verder vertrouwen te wekken en vervolgens politiële infiltrant [codenaam 3] bij [medeverdachte 2] en de groep te kunnen introduceren. Ook zal [codenaam 1] contact onderhouden met [medeverdachte 3] en mogelijk een politiële infiltrant bij [medeverdachte 3] en de groep introduceren.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat het doel van de inzet van de criminele burgerinfiltrant helder is omschreven in het hierboven opgenomen proces-verbaal van aanvraag. De wijze waarop de bijstand wordt verleend om het gewenste doel te bereiken wordt weergegeven in de gesloten overeenkomst tot burgerinfiltratie. Het hof stelt vast dat het in deze gaat om een strafvorderlijk doel. Het doel is concreet en duidelijk beschreven.
Zware criminelen en criminele organisaties
Het moet gaan om zeer gesloten groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstige vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit. Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en maakt deze overweging tot de zijne. De rechtbank heeft het volgende overwogen.
“De rechtbank is van oordeel dat deze randvoorwaarde valt te vereenzelvigen met het in voornoemde bepaling (art. 126w Sv) vervatte proportionaliteitsbeginsel. Behoudens aanwijzingen voor het tegendeel zullen bij de internationale drugshandel naar algemene ervaringsregels per definitie zware criminelen en criminele organisaties zijn betrokken. De rechtbank doelt daarbij in het bijzonder op de personen aan de top van de organisatie, dan wel de personen die het middenkader van de organisatie vormen. In het onderzoek Vidar is daarvan ook sprake geweest. (...) Het gaat in de zaak Vidar (...) om aanmerkelijke handelshoeveelheden harddrugs, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat de internationale handel in harddrugs de samenleving ernstig kan ontwrichten omdat achter die handel doorgaans een wereld van (grootschalige) georganiseerde en ondermijnende criminaliteit schuilgaat, waarbij het gebruik van (excessief) geweld niet geschuwd wordt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan deze randvoorwaarde is voldaan.”
Het hof overweegt aanvullend dat uit het dossier blijkt dat aan de aanvraag overeenkomst burgerinfiltratie begin 2019 vorm wordt gegeven. Op dat moment loopt het onderzoek Vidar bijna een jaar. Uit het opsporingsonderzoek dat tot dan toe heeft plaatsgevonden en de resultaten die dat heeft opgeleverd is de reële verdenking gerezen dat verdachten zich bezig houden met grootschalige internationale drugshandel. Op dat moment is er wel degelijk vrees voor ondermijnende criminaliteit. Het ging immers behalve om verdenking van grootschalige drugshandel, ook om export naar diverse landen waarbij (kader)leden van [club 1] en [club 2] volgens vaste patronen betrokken leken te zijn. In die zin kon naar het oordeel van het hof aangenomen worden dat er sprake was van zware criminaliteit en een criminele organisatie.
Zeer succesvolle afscherming van criminele activiteiten waardoor deze met traditionele opsporingsmiddelen onvoldoende kunnen worden aangepakt
Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en maakt deze overweging tot de zijne. De rechtbank heeft het volgende overwogen.
“De rechtbank is van oordeel dat deze voorwaarde valt te vereenzelvigen met het in artikel 126w, tweede lid, Sv vervatte subsidiariteitsbeginsel. Aan deze subsidiariteitseis is reeds voldaan, zoals hierboven is toegelicht.”
Voorts overweegt het hof dat uit het proces-verbaal aanvraag overeenkomst burgerinfiltratie blijkt dat het gaat om een zeer gesloten groepering die zich succesvol weet af te schermen van de opsporingsautoriteiten. De verdachten zijn zeer alert op opsporingsambtenaren- en middelen. Er wordt bewust afgesproken op plekken waar het opnemen van vertrouwelijke communicatie niet of zeer moeizaam mogelijk is. In contacten wordt gebruik gemaakt van versluierend taalgebruik. Er wordt gebruik gemaakt van bestaande contacten en afgeschermde communicatiemethoden waardoor het voor politie en justitie moeilijk is om zicht te krijgen op deze gesloten groepering en de strafbare feiten die vermoedelijk worden begaan.
Alleen in hoge uitzonderingsgevallen
Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en maakt deze overweging tot de zijne. De rechtbank heeft het volgende overwogen.
"Dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant slechts in hoge uitzonderingsgevallen plaats mag vinden blijkt reeds uit de wettelijke voorwaarden voor die inzet. Hieruit kan worden afgeleid dat met de inzet zeer terughoudend moet worden omgegaan. Aan deze voorwaarde is reeds voldaan, zoals hierboven is toegelicht."
Strikte waarborgen
Het hof heeft geconstateerd dat in de motie Recourt, waarnaar in de Aanwijzing wordt verwezen, in de inleidende overwegingen de term "strikte waarborgen" wordt gebruikt en dat later in het verzoek aan de regering de term "zeer streng regime van waarborgen" is gebezigd. Het hof stelt vast dat de Aanwijzing spreekt van "strikte waarborgen" bij de inzet van een criminele burgerinfiltrant en dat ter beoordeling voorligt de vraag of aan die voorwaarden is voldaan.
Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en maakt deze overweging tot de zijne. De rechtbank heeft het volgende overwogen.
“Dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant moet plaatsvinden onder strikte voorwaarden blijkt reeds uit de wettelijke voorwaarden waaronder de inzet plaats mag vinden, maar ook uit de wijze waarop de infiltratie zal moeten worden uitgevoerd. De uitvoering zal geen afbreuk mogen doen aan de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. In de Aanwijzing is ten behoeve daarvan opgenomen dat bij de inzet van een criminele burgerinfiltrant steeds bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de betrouwbaarheid en de stuurbaarheid van de in te zetten burger. De burgerinfiltrant zal dan ook altijd begeleid moeten worden door een opgeleide begeleider van de afdeling Afgeschermde Operaties van de Landelijke Eenheid.
De rechtbank leidt uit het procesdossier af dat de opsporingsinstanties voortdurend toezicht hebben gehouden op [codenaam 1] 's handelen als criminele burgerinfiltrant. De geplande inzetten van [codenaam 1] zijn voorafgegaan door een briefing van het begeleidingsteam van [codenaam 1] . Dit begeleidingsteam bestond uit daartoe opgeleide WOD-begeleiders. Tijdens de briefing werden de opdracht en het doel van de inzet besproken. Na afloop van de inzet vond een debriefing plaats. Van de (de)briefings en inzetten zijn processen-verbaal opgemaakt. Ook is [codenaam 1] over de inzetten gehoord. Van deze verhoren zijn eveneens processen-verbaal opgemaakt. [codenaam 1] heeft naast de geplande inzetten contactmomenten met verdachten gehad zonder dat hiervoor opdracht is gegeven. [codenaam 1] woonde gedurende het onderzoek Vidar in de nabije omgeving van enkele verdachten en maakte deel uit van hun sociale netwerk. Van deze spontane contacten heeft [codenaam 1] het begeleidingsteam op de hoogte gesteld. Ook deze contacten zijn vastgelegd in processen-verbaal. De inzetten van [codenaam 1] zijn, voor zover operationeel mogelijk, opgenomen met opnameapparatuur. In de loop van het traject werd bovendien opnameapparatuur geplaatst in de woning van [codenaam 1] en in diens voertuig (waarin zich ook een camera bevond). De vele opgenomen gesprekken zijn woordelijk uitgewerkt en aan het dossier toegevoegd. Van de inzet is dus ruimschoots verslag opgemaakt.
De rechtbank merkt verder op dat uit het procesdossier niet gebleken is dat tijdens het onderzoek Vidar de integriteit van de opsporing op enig moment in het geding is gekomen. Zo is niet gebleken dat het Openbaar Ministerie de regie over en de controle op het handelen van [codenaam 1] kwijt is geraakt. Ook is niet gebleken dat [codenaam 1] op eigen houtje strafbare feiten is gaan plegen en via een dubbelspel misbruik heeft gemaakt van diens positie als criminele burgerinfiltrant. Uit de stukken komt het beeld naar voren dat [codenaam 1] stuurbaar en betrouwbaar was.
In het licht van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant heeft plaatsgevonden onder strikte waarborgen. Er is sprake geweest van een transparante procedure, waarbij het Openbaar Ministerie meer dan voldoende toezicht heeft gehouden op het verloop van het traject en heeft gezorgd voor een adequate verslaglegging op basis waarvan de inzet door de rechtbank kan worden gecontroleerd.”
Het hof stelt verder vast dat in de overeenkomst tot burgerinfiltratie – die verderop in dit arrest nog nader wordt besproken – afspraken en voorwaarden zijn opgenomen waar [codenaam 1] zich aan moet houden. Van de inzet van [codenaam 1] is door de voortdurend meervoudige WOD begeleiding telkens verslag gedaan. Verder hebben de WOD-begeleiders als getuigen verklaard en een toelichting gegeven over de inrichting van hun begeleiding, bijvoorbeeld hoe de selectie van [codenaam 1] heeft plaatsgevonden, in welke frequentie zij contact hadden met [codenaam 1] en hoe de verslaglegging na afloop van een inzet plaatsvond.
Gelet op al deze omstandigheden concludeert het hof, met de rechtbank, dat aan de in de aanwijzing gestelde voorwaarde van inzet uitsluitend onder strikte waarborgen is voldaan, overigens ook in die zin dat het hof van oordeel is dat is voldaan aan een zeer streng regime van waarborgen.
Voldaan moet zijn aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit
Dat is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit is reeds uitgewerkt bij de bespreking van respectievelijk het eerste en tweede lid van artikel 126w Sv.
De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van een groei-infiltrant
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op dit onderdeel een juiste afweging heeft gemaakt. De rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen.
“In de Aanwijzing wordt bij de zin "De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van groei-infiltranten" in een voetnoot expliciet verwezen naar een uitlating van Minister Opstelten hieromtrent ("Zie pag. 20, Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 195"). De rechtbank leidt hieruit af dat het College daarmee tot uitdrukking brengt dat aan voornoemde voorwaarde de volgende uitleg gegeven dient te worden:
Minister Opstelten: (...) Het tweede punt betreft het korte traject. Het gaat er daarbij niet alleen om dat het een kort traject in tijd is. Het gaat primair om het doel van de inzet. Het moet een direct te bereiken doel zijn, zonder te veel tussenstappen. Dat wordt er ook mee aangegeven. De inzet leidt direct tot het verzamelen van het benodigde bewijs, bijvoorbeeld over een drugsdeal. Het gaat om een eenmalige inzet. Dat is hierbij het punt. Dit staat tegenover de niet toegestane langere trajecten, waarin meerdere stadia worden doorlopen om het doel te bereiken. Ik noem als voorbeeld: eerst een kleine drugsdeal organiseren, dan een iets grotere en daarna de grote klapper waarmee de hoofddader in beeld komt. Dat kan dus niet. Dan heb je een groeitraject.
De rechtbank constateert hier dat de Minister een striktere definitie hanteert van "groeiinfiltrant" dan de Enquêtecommissie (de commissie-Van Traa, hierna: Van Traa) in haar verslag van 22 november 1994 destijds heeft gedaan. De Enquêtecommissie definieerde een groei-infiltrant namelijk als een burgerinfiltrant die een belangrijke positie gegeven wordt ten opzichte van de organisatie waarin hij gaat infiltreren, opdat het mogelijk wordt dat hij vertrouwen wint bij de top van de criminele organisatie. Om de infiltrant te laten "groeien", moeten soms partijen drugs worden doorgelaten.
De rechtbank is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat door het Openbaar Ministerie niet is voldaan aan de genoemde randvoorwaarde. In het onderzoek Vidar is geen sprake geweest van een kortstondig traject en een eenmalige inzet. Ook was het hoofddoel – vaststellen of uitsluiten van betrokkenheid van (leden van) [club 1] bij de internationale handel in harddrugs – niet direct te bereiken. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheel kan bovendien worden afgeleid dat het Openbaar Ministerie met de inzet zicht wilde krijgen op de opbouw en structuur van de organisatie en de personen die "boven" [medeverdachte 1] stonden, en/of de betrokkenheid van andere leden van [club 1] . Daartoe zijn meerdere stadia doorlopen om [codenaam 1] de organisatie binnen te laten dringen en daarin te laten groeien als compagnon van [medeverdachte 3] (traject-Finland/Australië en traject-Finland/Denemarken). De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Openbaar Ministerie zich niet aan zijn eigen regelgeving heeft gehouden. Dit levert een vormverzuim op ex artikel 359a Sv.
De rechtbank is van oordeel dat geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden aan dit vormverzuim. Zij overweegt hierover het volgende.
Om te beginnen valt de interpretatie die de Minister (en daarmee het Openbaar Ministerie) geeft aan het begrip groei-infiltrant niet geheel te rijmen met de aanleiding voor en het doel van het opheffen van het verbod, namelijk het doordringen tot criminele groepen zodat informatie kan worden verkregen vanuit de kern van de criminele groepering zelf: over de hoofdrolspelers, hun criminele activiteiten en over hun geldstromen, opdat deze hoofdrolspelers en criminele groeperingen aangepakt kunnen worden. Inherent aan infiltratie is dat sprake zal zijn van beïnvloeding van de groepering. Om geloofwaardig te zijn dient de infiltrant vaak een actieve rol te spelen in de groep. Hij dient betrokken te raken bij de groep van personen of de criminele organisatie om er vervolgens deel van uit te gaan maken, zodat hij informatie en bewijsmateriaal kan vergaren die nodig is in het belang van het onderzoek. Daartoe zal hij in meer of mindere mate in de groepering moeten groeien. Deze ongerijmdheid relativeert de hardheid van de door het Openbaar Ministerie gekozen lage drempel voor het begrip "groei-infiltrant" enigszins. De rechtbank merkt in dit verband op dat de veel hogere drempel van Van Traa's definitie van de groei-infiltrant bij lange na niet is gehaald.
Van groot belang is verder dat verdachten door het geconstateerde vormverzuim niet daadwerkelijk in hun verdediging zijn geschaad. Achterliggend belang van het "verbod" op criminele groei-infiltranten is namelijk dat geen afbreuk wordt gedaan aan de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing. Daarvan is, zoals uit het voorgaande mag blijken, geen sprake geweest. Anders dan bij de IRT-affaire is de opsporing niet "ontspoord" en evenmin zijn er onder verantwoordelijkheid van een officier van justitie (grote) hoeveelheden drugs op de markt terecht gekomen, zoals ten tijde van de IRT-affaire. Ten slotte kan niet worden gezegd dat door de wijze waarop en de mate waarin [codenaam 1] is ingezet in strijd is gehandeld met het proportionaliteitsbeginsel.”
Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en maakt deze overweging tot de zijne. Aanvullend overweegt het hof het volgende. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat bij infiltratie aan het begrip ‘kort’ en ‘kortdurend’ geen vastomlijnde of eenduidige betekenis kan worden gegeven. Het hof heeft in acht genomen naar welke definitie van de Minister in de Aanwijzing wordt verwezen. Daarnaast heeft het hof ook gezien dat in de Tweede Kamer is gedebatteerd over welke tijdsduur een infiltratietraject zou moeten hebben en dat er in het Kamerdebat verschillende beschrijvingen zijn gegeven waar het gaat om infiltratie. Of een inzet ‘kortdurend’ is zal afhangen van diverse factoren omdat een infiltrant tijd nodig heeft om te infiltreren. Een infiltrant moet vertrouwd raken met zijn rol en de omgeving waarin hij infiltreert wil zijn inzet functioneren. Hoe snel een en ander zal gaan zal ook afhangen van de (on)doorzichtigheid van een organisatie waarin wordt geïnfiltreerd. Voorgaande omstandigheden maken dat de definitie van kort in elke zaak een andere betekenis zal hebben. Veeleer zal met burgerinfiltratie de nodige tijd gemoeid zijn. Een en ander zal mede worden bepaald door de concrete omstandigheden van de specifieke zaak. Al het voorgaande bezien heeft de rechtbank een juiste afweging gemaakt en volgt het hof de rechtbank in haar conclusie.
Wat betreft de term groei-infiltrant overweegt het hof het volgende. Ook hier heeft het hof gezien dat de Minister een beperkte definitie heeft gegeven. Uit het Tweede Kamer debat zoals dat is gevoerd in het kader van de motie Recourt blijkt dat verschillende definities van een groei-infiltrant aan de orde zijn geweest waarbij de lengte van de inzet of het maken van ‘carrière’ onder meer onderwerp van het debat is geweest. Naar het oordeel van het hof is het belangrijk om ook hier te kijken naar het wezen en traject van de infiltratie. Bijvoorbeeld naar de tijd die is gemoeid met het vertrouwd raken met de organisatie, het vertrouwen winnen, maar ook de ondoorzichtigheid van de organisatie met eigen kenmerken, is een belangrijke factor. Gelet op die omstandigheden is het hof van oordeel dat de definitie en uitspraken van de Minister moeilijk vallen te rijmen met de uitvoeringspraktijk.
Desalniettemin heeft het Openbaar Ministerie er voor gekozen om de beperkte definitie in de aanwijzing op te nemen, zodat de rechtbank en ook het hof daaraan gebonden zijn en daaraan toetsen.
Deze toetsing verdient op grond van het bovenstaande evenwel een zekere nuancering.
Uit het dossier blijkt dat [codenaam 1] een jaar heeft gefungeerd als infiltrant. Er lopen op dat moment meerdere drugs-exporttrajecten naast elkaar waarin [codenaam 1] weliswaar meedraaide, maar op een beperkte manier. Hij verzamelde vooral informatie en verleende her en der hand- en spandiensten. In de criminele organisatie is hij niet opgeklommen. Zijn rol bleef beperkt tot een bijrol. Hij blijft bezig met het vergaren van informatie. De Minister heeft beschreven dat infiltratie beperkt dient te blijven tot de opsporing van een eenmalig concreet feit. Vastgesteld kan worden dat het daar in deze zaak niet om draait. Het gaat om een concrete verdenking, namelijk van de internationale handel in harddrugs, waarvoor in het kader van opsporing meer zicht op de criminele groepering van belang is. Bij het inzetten van [codenaam 1] bestonden er aanwijzingen en verdenkingen dat diverse activiteiten werden ontwikkeld voor harddrugslijnen naar verschillende landen. Het onderzoek richtte zich op een organisatie waarin verschillende trajecten naast elkaar liepen en waarbij het de opdracht was van de criminele burgerinfiltrant om informatie te verkrijgen over hoe de verhoudingen lagen en hoe de taken binnen de groep waren verdeeld, ook om zicht te krijgen op alle betrokken personen. Al die tijd bleef de rol van [codenaam 1] in de kern hetzelfde, hij vervulde een bijrol. Hoewel hij wel directer met de drugs in aanraking kwam, zo heeft hij drugs aangepakt en drugs verpakt, is hij niet opgeklommen in de organisatie. Hij liep mee met verdachte [medeverdachte 3] , was vaak diens chauffeur, en [codenaam 1] deelde de contacten die van belang konden zijn voor de drugshandel. In het proces-verbaal aanvraag verlenging overeenkomst burgerinfiltratie blijkt dat [codenaam 1] een faciliterende en bemiddelende rol zal innemen. De rol van de criminele burgerinfiltrant wordt telkens consequent beschreven. Vastgesteld kan worden dat aan de rol van [codenaam 1] in de laatste aanvraag voor een verlenging uitgebreider vorm wordt gegeven. Dit valt vooral te verklaren uit het feit dat er op dat moment meer activiteit is binnen de groep waarin wordt geïnfiltreerd. De verdenkingen breiden zich daarbij uit naar meerdere personen. [codenaam 1] verleent op dat moment bijstand en medewerking aan de groep en indien nodig bemiddelt hij in contacten. Het hof stelt ook vast dat uit de diverse processen-verbaal van aanvraag van burgerinfiltratie volgt dat het steeds de bedoeling is geweest en werd geprobeerd om de rol van [codenaam 1] kleiner te maken of hem uit het infiltratietraject te halen, maar dat dat door het vertrouwen dat binnen de organisatie in [codenaam 1] werd gesteld telkens vanwege uitlatingen of gedragingen van betrokkenen in die organisatie, niet lukte.
Deze aanvullende overwegingen maken dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat – zoals hierboven overwogen – het Openbaar Ministerie zich niet aan zijn eigen regelgeving heeft gehouden en dat dit in die zin een vormverzuim op ex artikel 359a Sv oplevert. Het hof is, op de hierboven door van de rechtbank aangehaalde gronden, van oordeel dat daaraan geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden.
Toestemming van de Minister
De laatste voorwaarde is dat de Minister toestemming moet geven voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant. Met de rechtbank stelt het hof vast dat Minister Grapperhaus – zij het via een in beknoptheid uitblinkende brief – op 21 maart 2019 toestemming heeft verleend voor de inzet van criminele burgerinfiltrant in het onderzoek Vidar.
Het hof stelt vast dat uit het dossier blijkt dat [codenaam 1] vanaf 1 maart 2019 formeel, op grond van de met hem gesloten overeenkomst, is ingezet als criminele burgerinfiltrant. Daarentegen blijkt wel dat [codenaam 1] in de periode tussen 1 maart 2019 en 21 maart 2019 feitelijk enkel is ingezet in het kader van een pseudokoop en de introductie van [codenaam 3] in dat kader bij verdachte [medeverdachte 2] . In die betreffende periode is het bevel tot pseudokoop/pseudodienstverlening en het bevel tot stelselmatig informatie-inwinning nog van kracht.
Uit het voorgaande blijkt aldus dat de door de Minister verleende toestemming te laat is verleend nu de overeenkomst tot burgerinfiltratie op 1 maart 2019 reeds is gesloten. Dit levert – hoe dan ook – een vormverzuim op. De door de advocaten-generaal naar voren gebrachte reden daarvoor, inhoudende dat de drukke agenda van de Minister daar de oorzaak van is, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het is de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie en de Minister dat dergelijke voorgeschreven handelingen op tijd worden gedaan.
Vervolgens dient het hof te beoordelen welke consequentie aan dit vormverzuim verbonden dient te worden. Zoals hiervoor is overwogen zijn de door [codenaam 1] verrichte handelingen in de periode van 1 maart 2019 tot 21 maart 2019 gericht geweest op het tot stand brengen van een pseudokoop. Niet gebleken is, noch bestaat daar aanwijzing voor, dat [codenaam 1] opdrachten heeft verricht die verband hielden met het dan formeel al lopende infiltratie-traject. De opdrachten die [codenaam 1] in die periode wel heeft uitgevoerd werden verricht op basis van het bovenomschreven bevel tot pseudokoop/pseudodienstverlening en het bevel tot stelselmatig informatie-inwinning en zijn handelingen waren in die zin gedekt door die andere overeenkomsten waarvoor geen toestemming van de Minister is vereist. Gelet daarop zal het hof volstaan met de constatering dat er een vormverzuim is en daar geen consequenties aan verbinden nu de verdachte daardoor niet in zijn belangen is geschaad.
B – De feitelijke inzet van [codenaam 1] als burgerpseudokoper/-dienstverlener, burgerinformant en burgerinfiltrant
(...)
C – De betrouwbaarheid van [codenaam 1]
(...)
D – Schending van het Tallon-criterium?
(...)
E – Overige vormverzuimen
(...)”
Juridisch kader
2.3.1
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 126h lid 1 Sv:
“In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in de artikelen 141, onderdelen, b, c en d, en 142, deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.”
- Artikel 126w Sv, geplaatst in de Tweede afdeling (“Burgerinfiltratie”) van Titel VA (“Bijstand aan opsporing door burgers”) van het Eerste Boek (“Algemeene bepalingen”):
“1. In een geval als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
2. Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, kan worden gegeven.
3. De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag bij de uitvoering daarvan een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.
4. Bij de toepassing van het eerste lid legt de officier van justitie schriftelijk vast:
a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte;
b. een omschrijving van de groep van personen;
c. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn vervuld.
5. De overeenkomst tot infiltratie is schriftelijk en vermeldt:
a. de rechten en plichten van de persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, alsmede de wijze waarop aan de overeenkomst uitvoering wordt gegeven, en
b. de geldigheidsduur van de overeenkomst.
6. De persoon die op grond van het eerste lid bijstand verleent aan de opsporing, mag bij de uitvoering daarvan geen strafbare handelingen verrichten, tenzij vooraf schriftelijk toestemming door de officier van justitie is gegeven om dergelijke handelingen te verrichten. Bij dringende noodzaak kan de toestemming mondeling worden gegeven. De officier van justitie stelt in dat geval de toestemming binnen drie dagen op schrift.
7. Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de overeenkomst wordt beëindigd.
8. De overeenkomst kan schriftelijk worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of beëindigd. De officier van justitie legt de redenen daarvan uiterlijk binnen drie dagen schriftelijk vast.”
- Artikel 140a Sv:
“Het College van procureurs-generaal stemt vooraf en schriftelijk in met een bevel als bedoeld in artikel 126ff, onderscheidenlijk een overeenkomst als bedoeld in de tweede afdeling van titel Va van het Eerste Boek en als bedoeld in artikel 126zu, een wijziging of een verlenging daarvan.”
- Artikel 152 Sv:
“1. De ambtenaren, met de opsporing van strafbare feiten belast, maken ten spoedigste proces-verbaal op van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden.
2. Het opmaken van proces-verbaal kan onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie achterwege worden gelaten.”
- Artikel 131 van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: RO):
“1. Het College van procureurs-generaal kan geen beslissingen nemen indien niet ten minste drie leden aanwezig zijn.
2. Het College neemt beslissingen bij meerderheid van stemmen.
3. Indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag.
4. Bij reglement stelt het College nadere regels met betrekking tot zijn werkwijze en besluitvorming. Het reglement en wijzigingen daarvan behoeven de goedkeuring van Onze Minister. Het reglement of een wijziging daarvan wordt na de goedkeuring gepubliceerd in de Staatscourant.
5. In het reglement wordt in ieder geval geregeld in welke gevallen de voorzitter een voorgenomen beslissing aan Onze Minister voorlegt, daaronder zijn in ieder geval begrepen de beslissingen bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafvordering.”
2.3.2
Verder is van belang de op 1 september 2014 in werking getreden Aanwijzing opsporingsbevoegdheden (Stcrt. 2014, 24442). Deze Aanwijzing moet worden beschouwd als recht in de zin van artikel 79 RO (vgl. HR 19 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8556) en houdt onder meer in:
“Hoofdstuk 1. ALGEMEEN
1.1.
WET BIJZONDERE OPSPORINGSBEVOEGDHEDEN
Achtergrond
Op 1 februari 2000 is de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: Wet BOB) in werking getreden. Deze wet introduceerde in Boek I van het Wetboek van Strafvordering een regeling voor nieuwe opsporingsbevoegdheden en daarmee samenhangende procedures. Deze wet was een uitvloeisel van het onderzoek dat door de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (PEC) is verricht naar de praktijk van de opsporing en de door deze commissie gedane normeringvoorstellen.
Deze Wet BOB bevat:
(...)
2. een regeling van verscheidene vormen van bijstand aan opsporing door burgers, zoals de art. 126v Sv-persoon, de burgerinfiltrant en de burgerpseudokoop- of dienstverlening;
(...)
Met deze wet kregen opsporingsmethoden die risicovol zijn voor de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing, dan wel die naar huidig inzicht een meer dan beperkte inbreuk kunnen maken op grondrechten van burgers, een specifieke basis in het Wetboek van Strafvordering.
(...)
Aanwijzing
(...)
Hoofdstuk 2. BIJZONDERE OPSPORINGSBEVOEGDHEDEN
(...)
2.9
POLITIËLE- EN BURGERINFILTRATIE
Algemeen
De bevoegdheid tot politiële- of burgerinfiltratie mag niet worden toegepast met het uitsluitende doel om de informatiepositie in een bepaald onderzoek te kunnen verbeteren. De inzet van deze bevoegdheid moet een strafvorderlijk doel dienen.
Burgerinfiltratie (artt. 126w/126x Sv) is slechts toegestaan indien een bevel tot politiële infiltratie (artt. 126h/126p Sv) in redelijkheid niet kan worden gegeven (subsidiariteiteis). De officier van justitie kan tot het oordeel komen dat een bevel politiële infiltratie in redelijkheid niet kan worden gegeven in het geval de infiltrant een zeer specifieke deskundigheid of positie nodig heeft om geloofwaardig te kunnen opereren in het criminele milieu, terwijl de politie niet beschikt over een opsporingsambtenaar met een dergelijke deskundigheid of positie.
Voor infiltratie (artt. 126h en 126w Sv) is vereist dat medewerking wordt verleend aan een groep van personen, waarbinnen zeer ernstige misdrijven worden beraamd of gepleegd. Er worden geen specifieke eisen gesteld aan de groep, dit kan ook een netwerk zijn of een legale organisatie waarbinnen een groep van personen zeer ernstige misdrijven beramen of plegen. (...)
(...)
Burgerinfiltratie
(...)
In de artt. 126w/126x Sv wordt geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet-criminele burgerinfiltranten. Echter, gegeven het feit dat aan het werken met criminele burgerinfiltranten reële risico’s zijn verbonden (zoals het gevaar van ongewenste verbindingen tussen de criminele infiltrant en de betrokken criminele groepering, het gevaar voor het weglekken van politie-informatie of het gevaar van verlies van regie en controleerbaarheid) heeft de Tweede Kamer destijds de motie Kalsbeek aanvaard waarin werd bepaald dat er een algemeen verbod gold op het inzetten van criminele burgerinfiltranten (Kamerstukken II 1998/99, 25 403 en 23 251, nr. 33). Later is daarop een uitzondering gemaakt als sprake is van een opsporingsonderzoek naar terroristische misdrijven (Kamerstukken II, 2002/03, 27 834, nr. 28).
Door de aanvaarding van de motie-Recourt (Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 192) is het algemeen verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten komen te vervallen, en is het mogelijk geworden om in bepaalde situaties criminele burgerinfiltranten in te zetten bij de aanpak van zware criminelen en criminele organisaties, die hun criminele activiteiten zeer succesvol afschermen en met traditionele opsporingsmiddelen onvoldoende kunnen worden aangepakt. Alleen in hoge uitzonderingsgevallen en onder strikte waarborgen mag die inzet plaatsvinden. Voldaan moet zijn aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van groei-infiltranten.
Om te beoordelen of een potentiële burgerinfiltrant moet worden aangemerkt als een criminele burgerinfiltrant dient aan een aantal criteria te worden getoetst. Er is in ieder geval sprake van een criminele burgerinfiltrant indien de burger:
– actief is in hetzelfde criminele veld (dit is in ieder geval de burger die dezelfde soort delicten pleegt als de organisatie waarin hij moet infiltreren);
– binnen hetzelfde criminele milieu waarin hij verkeert, gaat infiltreren (dit is in ieder geval de burger die betrokken is bij het beramen of plegen van strafbare feiten binnen dezelfde criminele groepering waarin moet worden geïnfiltreerd);
– een relevant strafrechtelijk verleden heeft ten aanzien van de gepleegde of nog te plegen misdrijven waartegen het onderzoek zich richt. Met betrekking tot dit criterium dient gekeken te worden naar alle bij de politie en justitie beschikbare informatie.
Het hebben van een strafblad is op zichzelf dus niet doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een criminele burgerinfiltrant.
(...)
Procedure
De officier van justitie kan pas een bevel tot politiële infiltratie afgeven of een overeenkomst met een burger tot het verlenen van bijstand aan de opsporing (burgerinfiltratie) sluiten nadat het voornemen daartoe door de hoofdofficier van justitie van het betrokken parket via de CTC ter goedkeuring aan het College is voorgelegd en het College met dat voornemen heeft ingestemd.
Op grond van art. 131 Wet RO jo. art. 11 van het Reglement van Orde College van procureurs-generaal (Stcrt. 1999, 106) stelt het College de minister van Veiligheid en Justitie op de hoogte van het voornemen om een burgerinfiltrant in te zetten. Ingevolge de motie-Recourt is toestemming van de minister van Veiligheid en Justitie vereist voor de inzet van een criminele burgerinfiltrant.
Indien door het College een termijn is gesteld bij de verleende toestemming tot inzet van politiële- of burgerinfiltratie zal de zaak, voor de afloop van deze termijn, opnieuw ter toetsing voorgelegd moeten worden aan de CTC. De CTC zal hierop haar advies voorleggen aan het College.
(...)
Het schriftelijke document als bedoeld in de artt. 126w/126x lid 4 Sv zal bij de processtukken gevoegd moeten worden. In beginsel geldt dit niet ten aanzien van de schriftelijke overeenkomst die met de burger is gesloten omdat in deze overeenkomst gegevens kunnen zijn opgenomen die de identiteit van de burger kunnen verhullen. Deze gegevens moeten (voor de zekerheid) worden afgeschermd door bijvoorbeeld in de schriftelijke overeenkomst de burger aan te duiden onder een codenummer.
(...)
Begeleiding van burgers door opsporingsambtenaren in geval van burgerinfiltratie
Bij de inzet van een burgerinfiltrant dient in verband met de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing steeds bijzondere aandacht te worden besteed aan de betrouwbaarheid en de stuurbaarheid van de in te zetten burger. De burgerinfiltrant zal dan ook altijd begeleid moeten worden door een opgeleide begeleider van de afdeling Afgeschermde Operaties van de Landelijke Eenheid.”
2.4.1
Artikel 126w Sv is ingevoerd bij de Wet van 27 mei 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van enige bijzondere bevoegdheden tot opsporing en wijziging van enige andere bepalingen (bijzondere opsporingsbevoegdheden), Stb. 1999, 245. Artikel 126w Sv is in werking getreden op 1 februari 2000. De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden houdt onder meer in:
- de memorie van toelichting:
“De voorgestelde artikelen 126w en 126x maken geen onderscheid tussen criminele en niet criminele burgerinfiltranten. Zoals in het voorgaande uiteen gezet, wordt ervan uit gegaan dat van burgerinfiltratie alleen gebruik mag worden gemaakt als niet met politiële infiltratie kan worden volstaan. Burgerinfiltratie wordt zodoende zoveel mogelijk beperkt. Met de inzet van infiltratie door criminele burgers zal nog terughoudender moeten worden omgegaan. Dit zal worden geregeld in een richtlijn, waarin het onderstaande kabinetsstandpunt zal worden verwoord. «Het kabinet is van mening dat niet met criminele burgerinfiltranten behoort te worden gewerkt, maar is van oordeel dat in zeer uitzonderlijke gevallen en onder stringente voorwaarden de mogelijkheid moet bestaan om van het verbod om een criminele burgerinfiltrant in te zetten, ontheffing te verlenen ten behoeve van een kortstondige, eenmalige, overzichtelijke actie.
Een daartoe strekkende beslissing van het College van procureurs-generaal dient vooraf aan de minister van Justitie te worden voorgelegd.»
De eind 1996 door het College van procureurs-generaal vastgestelde voorlopige uitgangspunten met betrekking tot het inzetten van (bijzondere) opsporingsmethoden en -middelen treffen op dit punt reeds een voorlopige voorziening. Die voorziening luidt aldus:
«Met criminele burgerinfiltranten dient niet te worden gewerkt. Voor de politie en het openbaar ministerie geldt een verbod op het inzetten van criminele burgerinfiltranten.
Er kan zich evenwel een situatie voordoen waarbij door het inzetten van een criminele burgerinfiltrant op korte termijn een doorslaggevende stap in een onderzoek kan worden gezet. In zeer uitzonderlijke gevallen kan daarom worden besloten om ontheffing te verlenen van het bovengenoemde verbod.
Het moet dan gaan om een zaak waarin zeer zwaarwegende belangen op het spel staan. Als voorbeelden kunnen worden genoemd: ontvoeringen, gijzelingen, levensdelicten, aanslagen.
Vast zal moeten staan dat geen enkel ander middel meer ingezet kan worden en dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant met een grote mate van waarschijnlijkheid effectief zal zijn. Permanente controle door het openbaar ministerie moet gewaarborgd zijn en zeker moet zijn gesteld dat de infiltrant stuurbaar is. De inzet van de infiltrant zal daartoe zeer strak begeleid moeten worden.
Een criminele burgerinfiltrant kan niet worden ingezet bij projectmatige (dat wil zeggen langer durende) infiltratie. Dergelijke infiltratie kan uitsluitend door politie-infiltratieteams worden uitgevoerd. Een mogelijkheid tot ontheffing van het verbod op het inzetten van een criminele burgerinfiltrant staat uitsluitend open in geval het betreft een kortstondige, eenmalige, overzichtelijke activiteit.
De moeilijke doordringbaarheid van een crimineel milieu rechtvaardigt op zich niet de inzet van een criminele burgerinfiltrant. De politie-infiltrant is daarvoor de aangewezen weg. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de inzet van een politie-infiltrant niet mogelijk is.
De ontheffing van het verbod op het inzetten van een criminele burgerinfiltrant wordt genomen door het College van Procureurs-generaal. De beslissing wordt voorbereid door de Centrale Toetsingscommissie.
Alvorens aan de ontheffing uitvoering wordt gegeven, wordt de beslissing van het College ter kennis gebracht van de minister van Justitie. De minister kan een ontheffing door het geven van een aanwijzing ongedaan maken.»”
(Kamerstukken II 1996/97, 25403, nr. 3, p. 47-48.)
- de nota naar aanleiding van het verslag:
“De leden van de fractie van de PvdA stellen vast dat het wetsvoorstel geen onderscheid maakt tussen niet-criminele en criminele burgerinfiltranten, terwijl wel onderscheid wordt gemaakt tussen politiële en burgerinfiltranten. Zij geven aan, een nadere uitleg door de regering op prijs te stellen. Zij wijzen er op, dat de Raad van State geadviseerd heeft om het onderscheid wel in de wet vast te leggen, omdat het volgens de Raad te ver gaat om uitsluitend op basis van veranderlijke richtlijnen beperkingen te formuleren die in de tekst van de wet geen basis vinden. Deze leden wijzen er voorts op, dat Buruma en Muller van mening zijn dat wettelijk gezien de weg vrij is voor de burgerinfiltrant die onder regie van politie en justitie strafbare feiten pleegt, en dat Scheffers en De Vries menen dat een zo essentieel onderwerp niet in een richtlijn moet worden afgedaan. Zij vragen of de regering in deze pleidooien voor het in de wet vastleggen van het onderscheid tussen criminele en niet-criminele burgerinfiltranten aanleiding ziet op haar standpunt terug te komen. Deze vraag wordt ook gesteld door leden van de fracties van VVD, D66 en SGP.
Voorop dient te staan, dat een groot aantal zaken, de burgerinfiltrant betreffend, in de wet zijn geregeld. Het tweede lid van artikel 126w legt vast, dat een burgerinfiltrant uitsluitend mag worden ingeschakeld indien politiële infiltratie niet tot de mogelijkheden behoort. Het zesde lid legt vast, dat de burgerinfiltrant geen strafbare handelingen mag verrichten, tenzij vooraf schriftelijk toestemming is gegeven om dergelijke handelingen te verrichten. Tenslotte is in het eerste lid neergelegd, dat het onderzoek de burgerinfiltratie dringend moet vorderen. In de wet zijn geen expliciete beperkingen gesteld aan de inzet van criminele burgerinfiltranten. De subsidiariteits- en proportionaliteitseis, die in het eerste lid is opgenomen, legt voor dergelijke beperkingen echter wel een basis. Deze eis impliceert, dat de officier van justitie zich zal moeten afvragen of het onderzoek daadwerkelijk de inzet van een criminele burgerinfiltrant eist. Het verbod op de inzet van criminele infiltranten vult deze eis aldus in, dat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden de inzet van de criminele burgerinfiltrant is toegestaan.
Naar mijn mening verdient het geen aanbeveling, dit verbod explicieter in de wet op te nemen.”
(Kamerstukken II 1997/98, 25403, nr. 7, p. 71.)
2.4.2
Verder is van belang de in het kader van de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel, en direct volgend op het aannemen daarvan, op 26 november 1998 door de Tweede Kamer aangenomen motie van het lid Kalsbeek-Jasperse (de motie Kalsbeek). Deze motie houdt in:
“De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende, dat het werken met een criminele burgerinfiltrant een hoog processueel afbreukrisico kent;
overwegende, dat het handelen van een criminele burgerinfiltrant in het algemeen slecht controleerbaar is;
overwegende, dat door de vaak voorkomende zogenaamde «dubbele agenda» bij een criminele burgerinfiltrant slecht te controleren is of zijn handelen voldoet aan het Tallon-criterium;
spreekt uit, dat met criminele burgerinfiltranten niet dient te worden gewerkt en dat voor de politie en het Openbaar Ministerie een verbod geldt op het inzetten van criminele burgerinfiltranten,
en gaat over tot de orde van de dag.”
(Kamerstukken II 1998/99, 25403 en 23251, nr. 33.)
2.4.3
Op 25 maart 2014, dus na de inwerkingtreding van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden, is door de Tweede Kamer aangenomen een motie van de leden Recourt, Van der Steur, Oskam, Van der Staaij en Helder (hierna: de motie Recourt). Deze motie houdt in:
“De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er zware criminelen en criminele organisaties zijn, die hun criminele activiteiten zeer succesvol afschermen en met traditionele opsporingsmiddelen onvoldoende kunnen worden aangepakt;
overwegende dat bij deze vorm van zware criminaliteit de inzet van buitengewone opsporingsbevoegdheden, waaronder de inzet van de criminele burgerinfiltrant, noodzakelijk kan zijn;
overwegende dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant zeer zorgvuldig moet plaatsvinden vanwege de hoge processuele afbreukrisico’s;
overwegende dat alleen in hoge uitzonderingsgevallen en onder strikte waarborgen gewerkt moet kunnen worden met inzet van de criminele burgerinfiltrant;
verzoekt de regering, een criminele burgerinfiltrant alleen in te zetten:
- als voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit;
- onder een zeer streng regime van waarborgen;
- bij zeer gesloten criminele groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit;
- in korte trajecten, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van groei-infiltranten;
- na toestemming van de minister van Veiligheid en Justitie;
verzoekt de regering voorts om, de Kamer jaarlijks te informeren over het aantal gevallen waarin een criminele burgerinfiltrant is ingezet;
verzoekt de regering eveneens om, de Kamer uiterlijk 1 januari 2017 te informeren middels een rapportage waarin in ieder geval wordt ingegaan op:- het soort zaken waarin een criminele burgerinfiltrant is ingezet;
- het soort criminele fenomenen waarbij dit plaatsvindt;
- de gemiddelde duur en effecten van de inzet;
- de mogelijke alternatieven voor deze inzet;
- een evaluatie op basis van praktijkervaring van de procedures bij inzet van de criminele burgerinfiltrant,
en gaat over tot de orde van de dag.”
2.5.1
Uit de vaststellingen van het hof volgt dat in deze zaak in de jaren 2019 en 2020 een ‘criminele burgerinfiltrant’ is ingezet. Het volgende juridische kader is hierbij van belang.
2.5.2
Op grond van artikel 126w Sv kan de officier van justitie met “een persoon die geen opsporingsambtenaar is” (hierna ook: een burgerinfiltrant) overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd. De officier van justitie kan toepassing geven aan deze bevoegdheid als het onderzoek dit dringend vordert en het gaat om een geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Sv, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Toepassing van deze bevoegdheid kan alleen plaatsvinden als de officier van justitie van oordeel is dat niet op grond van artikel 126h lid 1 Sv een bevel kan worden gegeven tot infiltratie door een opsporingsambtenaar. De uitvoering van deze bevoegdheid door de burgerinfiltrant is gebonden aan de in artikel 126w lid 3 en 6 Sv genoemde voorwaarden. Deze komen erop neer dat de burgerinfiltrant bij die uitvoering een persoon niet mag brengen tot andere strafbare feiten dan waarop het opzet van die persoon tevoren al was gericht, en dat de burgerinfiltrant bij die uitvoering in beginsel geen strafbare handelingen mag verrichten.
2.5.3
De tekst van artikel 126w Sv stelt niet de beperking dat het de officier van justitie niet zou zijn toegestaan om toepassing te geven aan deze bevoegdheid ten aanzien van een ‘criminele burgerinfiltrant’. Voor de toepassing van deze bepaling is uitsluitend van belang dat het gaat om een persoon die geen opsporingsambtenaar is. Wat betreft de onder 2.4 weergegeven moties is daarbij van belang dat deze de (meerderheids)opvatting van de Tweede Kamer op twee verschillende momenten in de tijd tot uitdrukking brengen over de vraag of en, zo ja, onder welke voorwaarden door de politie en het openbaar ministerie toepassing zou mogen worden gegeven aan de bevoegdheid die artikel 126w Sv biedt om een burgerinfiltrant in te zetten. Het samenstel van deze moties brengt niet met zich dat, wat betreft de toepassing van artikel 126w Sv in de onder 2.5.1 genoemde periode, de wettelijke grondslag – in weerwil van de tekst van artikel 126w Sv – ontbrak. Wel komt in de onder 2.4 weergegeven parlementaire stukken naar voren dat heel terughoudend moet worden omgegaan met de inzet van ‘criminele burgerinfiltranten’ en dat die inzet dus slechts in zeer uitzonderlijke gevallen en met inachtneming van strikte waarborgen kan plaatsvinden. Tot die waarborgen worden in de onder 2.4.1 genoemde wetsgeschiedenis gerekend de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
2.5.4
Ook de onder 2.3.2 weergegeven Aanwijzing opsporingsbevoegdheden houdt – tegen de achtergrond van de omstandigheid dat het bij onder meer ‘criminele burgerinfiltratie’ gaat om een opsporingsmethode die risicovol is voor de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing – in dat de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ alleen in hoge uitzonderingsgevallen en onder strikte waarborgen mag plaatsvinden, waarbij voldaan moet zijn aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals deze onder 2.5.2 tot uitdrukking zijn gebracht, terwijl de inzet “kortdurend” moet zijn en geen gebruik mag worden gemaakt van “groei-infiltranten”. Verder houdt de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden in dat de officier van justitie pas toepassing kan geven aan de bevoegdheid tot het inzetten van een burgerinfiltrant nadat het voornemen daartoe door de hoofdofficier van justitie van het betrokken parket via de centrale toetsingscommissie van het openbaar ministerie ter goedkeuring aan het college van procureurs-generaal is voorgelegd en dat college met dat voornemen heeft ingestemd. Vervolgens moet het college van procureurs-generaal de minister van Justitie en Veiligheid op de hoogte stellen van het voornemen om een burgerinfiltrant in te zetten en is toestemming van de minister vereist voor de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’.
2.5.5
Voor de beoordeling door de rechter van de rechtmatigheid van de inzet van een (‘criminele’) burgerinfiltrant en van de betrouwbaarheid van de resultaten van die inzet, is van groot belang dat de rechter inzicht verkrijgt in het concrete verloop van de uitvoering van deze opsporingsmethode en in de contacten en interactie tussen de (‘criminele’) burgerinfiltrant en de verdachte(n) die daarbij hebben plaatsgevonden. Mede met het oog daarop is een voldoende nauwkeurige verslaglegging aangewezen, door naleving van de eisen die in de wet en in de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden zijn gesteld aan deze opsporingsmethode, en van de in artikel 152 Sv bedoelde verplichting van de opsporingsambtenaar tot het opmaken van proces-verbaal en de in artikel 126aa en 149a Sv omschreven verplichtingen tot voeging van processtukken. Deze verslaglegging moet inzicht geven in het verloop van de uitvoering van de opsporingsmethode over de gehele periode waarin deze is ingezet, en in het bijzonder een voldoende nauwkeurige weergave van de interactie tussen de (‘criminele’) burgerinfiltrant en de verdachte omvatten. (Vgl., over de zogenoemde Mr. Big-methode, HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1982, rechtsoverweging 5.2.2.)
Het oordeel van de Hoge Raad
2.6.1
Het eerste cassatiemiddel berust op de opvatting dat voor de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ een toereikende wettelijke grondslag ontbreekt en dat in het bijzonder artikel 126w Sv niet zo’n grondslag biedt. Gelet op wat onder 2.5.2 en 2.5.3 is vooropgesteld, is die opvatting onjuist.
2.6.2
Voor zover het tweede cassatiemiddel steunt op de opvatting dat de rechter bij de beoordeling van de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ niet alleen moet nagaan of is voldaan aan de eisen die door de wet (artikel 126w Sv) en de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden aan die inzet worden gesteld, maar ook of is voldaan aan (aanvullende) eisen zoals deze tot uitdrukking komen in de motie Recourt, faalt het omdat die opvatting geen steun vindt in het recht.
2.6.3
Uit de onder 2.2.5 weergegeven overwegingen van het hof volgt dat het hof heeft onderzocht of bij de inzet van [codenaam 1] als ‘criminele burgerinfiltrant’ is voldaan aan de voorwaarden die artikel 126w Sv aan die inzet stelt. Daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, maar ook op de manier waarop de verslaglegging van die inzet heeft plaatsgevonden. Verder heeft het hof onderzocht of het college van procureurs-generaal tijdig heeft ingestemd met een overeenkomst tot burgerinfiltratie en de verlengingen en wijzigingen ervan, en of de minister van Justitie en Veiligheid tijdig op de hoogte is gesteld van de beslissing van het openbaar ministerie tot het inzetten van een ‘criminele burgerinfiltrant’. Verder is het hof nagegaan of bij de inzet van [codenaam 1] als ‘criminele burgerinfiltrant’ de voorwaarden uit de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden zijn nageleefd.
2.6.4
Het hof heeft naar aanleiding van het onder 2.6.3 bedoelde onderzoek geoordeeld dat zich vormverzuimen hebben voorgedaan ten aanzien van het moment waarop door het college van procureurs-generaal instemming is verleend met de overeenkomst tot burgerinfiltratie, het moment waarop het college van procureurs-generaal de minister van Justitie en Veiligheid op de hoogte heeft gebracht van de beslissing tot inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’, en in verband met de in de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden gestelde voorwaarden dat de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ kortdurend moet zijn en dat er geen gebruik wordt gemaakt van ‘groei-infiltranten’. Ten aanzien van deze laatste vormverzuimen heeft het hof overwogen dat geen sprake is geweest van “een kortstondig traject en een eenmalige inzet”.
2.6.5
Het hof heeft uitvoerig gemotiveerd uiteengezet dat en waarom aan de geconstateerde vormverzuimen geen rechtsgevolgen hoeven te worden verbonden. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat het hof heeft vastgesteld dat de rol van [codenaam 1] beperkt bleef tot een bijrol. Verder is van belang dat het hof onder meer in de beschouwing heeft betrokken dat ten aanzien van het “verbod op criminele groei-infiltranten” de verdachte niet in zijn verdediging is geschaad en dat met de manier waarop [codenaam 1] is ingezet als ‘criminele burgerinfiltrant’ geen afbreuk is gedaan aan de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing.
2.6.6
Voor zover het tweede cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada, T. Kooijmans, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.
Conclusie 15‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Onderzoek Vidar. Medeplegen van handel in verdovende middelen en (gewoonte)witwassen. Falende middelen over (rechtmatigheid) van inzet van criminele burgerinfiltrant o.g.v. art. 126w Sv en verwerping van een bewijsuitsluitingsverweer. Wat is betekenis van een in het kader van het wetgevingsproces aangenomen motie voor uitleg wet? Tevens falende middelen over bewezenverklaring gewoontewitwassen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. (Samenhang met 24/02694, 24/02749P 24/02802, 24/02842, 24/02860 en 24/02918)
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02748
Zitting 15 juli 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 12 juli 2024 door het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden1.wegens onder 1 “de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en onder C van de Opiumwet gegeven verbod", onder 4 “medeplegen van witwassen” en onder 5 “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslist over in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
1.2
Deze zaak is één van zeven (samenhangende) zaken (24/02694, 24/02748, 24/02749P, 24/02802, 24/02842, 24/02860 en 24/02918) waarin ik vandaag concludeer.2.Deze zaken komen allemaal voort uit het onderzoek ‘Vidar’ dat in 2018 is opgestart vanwege een concrete verdenking van internationale drugshandel door een lid van motorclub Red Devils, een supportclub van de Hells Angels. De doelstelling van het onderzoek Vidar was het vaststellen of uitsluiten van betrokkenheid van leden van de Hells Angels, charter North Coast, in [plaats] bij de internationale handel in harddrugs. Gaandeweg dit onderzoek is voor het eerst sinds de totstandkoming van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (die het gevolg was van de IRT-affaire) weer een criminele burgerinfiltrant in een Nederlands opsporingsonderzoek ingezet.
1.3
Namens de verdachte hebben D.N. de Jonge en S.L.J. Janssen, beiden advocaat in Rotterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld. S.L.J. Janssen heeft de schriftuur mondeling toegelicht op de terechtzitting van 13 mei 2025.
2. Het eerste middel
2.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat art. 126w Sv grondslag biedt voor de inzet van een criminele burgerinfiltrant en er geen reden is aan te nemen dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant door het openbaar ministerie onrechtmatig was wegens strijd met het legaliteitsbeginsel. Het middel gaat over de manier waarop het hof de wetsgeschiedenis van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: Wet Bob)3.heeft uitgelegd. Met name speelt de vraag naar de betekenis van de motie-Kalsbeek-Jasperse (hierna: motie-Kalsbeek), die de Tweede Kamer aannam naar aanleiding van de plenaire behandeling van de Wet Bob. Die motie houdt (kort gezegd) in dat de politie en het openbaar ministerie niet mogen werken met criminele burgerinfiltranten.4.
2.2
Alvorens ik het middel bespreek (onder 2.15-2.17), geef ik eerst het relevante deel van het arrest weer (onder 2.3), maak ik een aantal algemene opmerkingen over (wetshistorische) interpretatie van de wet door de rechter en moties van de Tweede of Eerste Kamer (onder 2.4-2.6) en bespreek ik de totstandkomingsgeschiedenis van art. 126w Sv en de motie-Kalsbeek (onder 2.7-2.14).
2.3
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant in deze zaak onrechtmatig was vanwege strijd met het legaliteitsbeginsel. Dat verweer is weergegeven in de pleitnota van de raadsman onder de randnummers 11-31. Het hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:
“2. Algemeen standpunt van de verdediging
Door de verdediging is op gronden vermeld in de pleitnota – in grote lijnen - het volgende naar voren gebracht. Aangevoerd is dat de herintroductie van de criminele burgerinfiltrant onder art. 126w Sv door middel van enkel de motie Recourt, niet voldoet aan de eisen van het legaliteitsbeginsel en de inzet van [codenaam] in dit onderzoek dus een schending van dat legaliteitsbeginsel oplevert, waarmee de inzet van [codenaam] onrechtmatig is geweest.
[…]
Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat de rechtbank met betrekking tot dit verweer een juiste afweging heeft gemaakt. Het hof kan zich grotendeels met de overwegingen van de rechtbank verenigen en zal daarom in zoverre deze overwegingen hierna telkens voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat, moet ‘hof’ worden gelezen en waar het hof dit nodig acht zullen de overwegingen worden aangevuld. Waar in de cursief overgenomen tekst van de rechtbank niet-cursieve tekst is opgenomen, betreft dit aanvullingen van het hof. “De wet in formele zin.
De inzet van een criminele burgerinfiltrant kan gepaard gaan met inbreuken op grondrechten en gaat bovendien gepaard met risico's voor de (integriteit van de) opsporing. Om die reden dient de bevoegdheid tot inzet van deze opsporingsmethode in een formele wet te zijn vastgelegd (zie het in artikel l, eerste lid, Sv vastgelegde formele legaliteitsbeginsel).
De bevoegdheid tot burgerinfiltratie is geregeld in artikel 126w, eerste lid, Sv. Op grond van deze bepaling kan in een geval als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, Sv de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen of medewerking te verlenen aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
De rechtbank constateert dat een taalkundige interpretatie van voornoemde bepaling zich niet verzet tegen de inzet van een criminele burger als burgerinfiltrant. Immers, een criminele burger betreft eveneens een persoon die geen opsporingsambtenaar is. Ook de wetshistorie werpt geen beletselen op. Uit de memorie van toelichting bij de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: Wet Bob) blijkt zonneklaar dat de wetgever de inzet van de criminele burgerinfiltrant op grond van het bepaalde in artikel 126w Sv niet heeft willen uitsluiten. In artikel 126w Sv is daarom geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet-criminele burgerinfiltranten. Zowel de niet-criminele als de criminele burgerinfiltrant valt onder deze bepaling en kan in beginsel dus worden ingezet. In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet Bob wordt bovendien nadrukkelijk vermeld dat in de wet geen expliciete beperkingen zijn gesteld aan de inzet van criminele burgerinfiltranten.”
Het hof overweegt aanvullend het volgende.Zoals hierboven overwogen, wordt in de tekst van de wet geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet criminele burgerinfiltranten. Bij de totstandkoming van de wettelijke bepaling is er ook aandacht geweest voor dit vraagstuk. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de wetgever zich bewust is van de bijzondere risico’s die met de inzet van burgers voor infiltratie gepaard gaan. In de memorie van toelichting is vervolgens opgenomen: “Met de inzet van infiltratie door criminele burgers zal nog terughoudender moeten worden omgegaan”. Dit betekent dat de inzet van criminele burgerinfiltranten nadrukkelijk is besproken en niet is uitgesloten. De Tweede Kamer heeft vervolgens de motie Kalsbeek aanvaard, zijnde een motie waarin wordt uitgesproken dat een verbod geldt voor de politie en het Openbaar Ministerie op het inzetten van criminele burgerinfiltranten. Het hof stelt vast dat de Tweede Kamer geen gebruik heeft gemaakt van het instrument van amendement. Dit heeft dus niet geleid tot een wijziging van de wet in die zin dat er een verbod op de inzet van een criminele burgerinfiltrant in de formele wet is opgenomen. De motie Kalsbeek heeft evenwel tot een rechtspraktijk geleid waarbij gedurende langere tijd geen gebruik werd gemaakt van de criminele burgerinfiltrant.
Meer dan een decennium later heeft de Tweede Kamer door de aanvaarding van de motie Recourt haar algehele verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten laten vervallen. Achtergrond voor deze wijziging was een verschuiving van het accent op de belangen van een integere strafrechtspleging naar het oplossen van problemen bij de opsporing van zware georganiseerde criminaliteit. Met het aannemen van de motie Recourt wilde de Tweede Kamer het instrumentarium voor opsporing versoepelen in die zin dat er sprake zou moeten kunnen zijn van “een beperkte inzet van de criminele burgerinfiltrant”. In de motie zijn de randvoorwaarden geformuleerd waaronder die inzet mogelijk zou moeten zijn. Uit de verhandelingen voorafgaande aan het aannemen van deze motie blijkt dat men zich ervan bewust was dat de tekst van de wet “een vorm van criminele burgerinfiltrant al mogelijk maakt”. Een (formeel) wettelijke verankering werd daarom niet nodig bevonden, ook de (formeel) wettelijke verankering van de te formuleren randvoorwaarden niet.
De Tweede Kamer koos, zowel bij het formuleren van het verbod, als bij het vervallen verklaren van het verbod, voor het instrument van de motie. Met het aannemen van een motie maakt de Tweede Kamer een oordeel of verlangen kenbaar ten aanzien van een Minister of het kabinet. De Minister of het kabinet is aan het oordeel dat in de motie tot uitdrukking is gebracht, voor zover hier relevant, niet gebonden. Een motie speelt verder uitsluitend een rol in de verhouding tussen de Eerste of Tweede kamer en het kabinet. De rechter kan in deze verhouding geen rol spelen.
Het hof concludeert alles afwegende, dat artikel 126w Sv grondslag bood en nog steeds biedt voor de inzet van burgerinfiltranten, daaronder begrepen criminele burgerinfiltranten. Dat aanvankelijk bij motie een algeheel verbod van inzet van criminele burgerinfiltranten is uitgesproken en de Tweede Kamer enkele jaren voorafgaand aan de onderhavige inzet van een criminele burgerinfiltrant, wederom bij motie, hierop is teruggekomen doet aan de wettelijke grondslag niet af.
Er is derhalve geen aanleiding om aan te nemen dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant in algemene zin onrechtmatig moet worden geacht, nu de mogelijkheid tot inzet van deze opsporingsbevoegdheid is vastgelegd in een formele wet.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie op grond van artikel 126w Sv over kon gaan tot de inzet van een criminele burgerinfiltrant. Bij de beslissing hieromtrent en de uitvoering daarvan beschikt het Openbaar Ministerie over discretionaire ruimte.”
2.4
Het middel gaat over de manier waarop het hof (de wetsgeschiedenis van) art. 126w Sv heeft uitgelegd en geeft mij daarom om te beginnen aanleiding tot de volgende, meer algemene, opmerkingen. Het is de taak van de (straf)rechter om vast te stellen of de algemene regel van een wettelijke bepaling van toepassing is op een concreet geval.5.Die bepaling moet de rechter dan uitleggen.6.Het doel van de rechterlijke interpretatie is het bereiken van resultaten die (zo veel mogelijk) aansluiten bij de doelstellingen van het strafrecht en passen binnen het rechtssysteem.7.Bij het uitleggen van de wet kan de rechter verschillende methodes van rechtsvinding toepassen.8.Tussen die methodes bestaat geen dwingende rangorde.9.Vanwege het in de wet verankerde legaliteitsbeginsel lijken de grammaticale en wetshistorische interpretatie wel een zekere voorkeur te genieten.10.Dat is ook terug te zien in de rechtspraak van de Hoge Raad, die veel gebruik maakt van die twee methoden.11.
2.5
Wetshistorische interpretatie houdt, kort gezegd, in dat bij de uitleg van een wettelijke bepaling aansluiting wordt gezocht bij de wetsgeschiedenis. Het onderzoek naar en de uitleg van de wetsgeschiedenis moet dan duidelijkheid geven over ‘de bedoeling van de wetgever’.12.Die benadering is niet zonder haken en ogen. De wetgever is immers geen persoon. Wetgeving komt tot stand via een procedure waaraan verschillende actoren deelnemen (de regering, de Tweede en de Eerste Kamer, en de Raad van State in een adviserende rol).13.De wetsgeschiedenis bestaat uit stukken waarmee of waarin de standpunten van (leden van) die actoren over het betreffende wetsvoorstel worden uitgewisseld. Bij toepassing van de wetshistorische benadering probeert de rechter vervolgens het standpunt van de wetgever als geheel te bepalen. Dat vereist een zorgvuldige bestudering van de verschillende standpunten in de wetsgeschiedenis en eventuele reacties daarop van anderen, maar is ook dan niet steeds mogelijk.14.Soms is het bijvoorbeeld niet duidelijk of de andere actoren instemmen met een bepaald standpunt.
2.6
Een motie is te omschrijven als een uitingsinstrument van de Tweede en de Eerste Kamer. Meestal staat een motie in het teken van de controle op de uitvoerende taken van de regering, maar het gebruik van moties is daartoe niet beperkt.15.Een individueel lid kan een motie voorstellen, die wordt aangenomen bij meerderheid van stemmen.16.Een aangenomen motie kan daarmee worden gezien als een meerderheidsstandpunt van de Tweede of Eerste Kamer. Niet is uitgesloten dat een motie (die tijdens het wetgevingsproces wordt aangenomen) een opvatting en dus een standpunt bevat over de uitleg van (een onderdeel van) een wettelijke bepaling.17.Een motie is verder juridisch niet bindend voor de regering (of anderen), maar heeft wel een zekere politieke betekenis. Die betekenis heeft te maken met de ministeriële verantwoordelijkheid (art. 42 lid 2 Grondwet) en de (ongeschreven) vertrouwensregel. De minister is verantwoordelijk voor, en bevoegd tot, het bestuur van zijn of haar departement. Zodra de Tweede Kamer, door middel van een motie van afkeuring of wantrouwen, het vertrouwen in een minister opzegt, is hij of zij verplicht zijn of haar ontslag aan te bieden.18.Tegen die achtergrond kan ook van andere moties een dwingende werking uitgaan.19.
2.7
In de voorliggende zaak gaat het over een motie die is aangenomen naar aanleiding van de behandeling van het wetsvoorstel dat tot de invoering van de Wet Bob heeft geleid. Om de betekenis van die motie te kunnen duiden, is het nodig wat dieper in te gaan op de totstandkoming van de Wet Bob en art. 126w Sv. Die begint bij de bekende IRT-affaire. Nadat duidelijk wordt dat het interregionale rechercheteam (IRT) Noord-Holland/Utrecht in de strijd tegen de georganiseerde misdaad gebruik heeft gemaakt van een combinatie van criminele ‘groei-infiltranten’ en het ‘gecontroleerd’ doorlaten van grote partijen illegale goederen (de Delta-methode), wordt dit IRT eind 1993 opgeheven.20.Naar aanleiding hiervan stelt de Tweede Kamer op 6 december 1994 de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (ook wel: de Commissie Van Traa) in. Deze commissie presenteert op 1 februari 1996 het rapport Inzake Opsporing. De commissie constateert een drievoudige crisis in de opsporing, namelijk ontbrekende normen, een niet goed functionerende organisatie en problemen in de gezagsverhouding.21.Het rapport bevat een groot aantal voorstellen voor de normering van bijzondere opsporingsbevoegdheden.22.Op 17 juni 1997 legt de regering aan de Tweede Kamer het wetsvoorstel bijzondere opsporingsbevoegdheden voor. Dat wetsvoorstel is in belangrijke mate gebaseerd op de aanbevelingen van de Commissie van Traa.23.
2.8
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel houdt in op welke punten het voorstel overeenstemt of afwijkt van de voorstellen van de commissie, die ‘beslispunten’ worden genoemd. Minister van Justitie Sorgdrager merkt daarin op dat de commissie van oordeel was “dat van criminele burgerinfiltranten die onder regie van politie en justitie strafbare feiten plegen, geen gebruik moet worden gemaakt” (beslispunt 54). Het standpunt van de regering week hiervan af. De minister stelt in de memorie namelijk dat de inzet van criminele burgerinfiltranten in beginsel moet worden uitgesloten, maar “dat in zeer uitzonderlijke gevallen en onder stringente voorwaarden de mogelijkheid moet bestaan om van het verbod om een criminele burgerinfiltrant in te zetten, ontheffing te verlenen ten behoeve van een kortstondige, eenmalige, overzichtelijke actie”.24.Daarom werd in het voorgestelde art. 126w Sv (of verder in het wetsvoorstel) de mogelijkheid tot de inzet van een criminele burgerinfiltrant niet uitgesloten.25.
2.9
In de nadere parlementaire stukken spitst het debat over art. 126w Sv zich vervolgens toe op de vraag of het door de minister genoemde verbod en de voorwaarden waaronder ontheffing kan worden verleend, opgenomen moeten worden in de wet, of in een richtlijn van het College van procureurs-generaal.26.De minister maakt in het nader rapport en de nota naar aanleiding van het verslag duidelijk dat een verbod in de wet volgens haar geen aanbeveling verdient. Een van de redenen die zij noemt, is dat het niet goed mogelijk is een voldoende duidelijke afbakening te geven in de wet van welke personen onder het begrip ‘criminele burgerinfiltrant’ vallen.27.
2.10
Op 11, 12 en 19 november 1998 vindt de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer plaats.28.Tijdens de beraadslaging op 12 november constateert de minister dat een meerderheid van de Kamer vindt dat (toch) niet met criminele burgerinfiltranten mag worden gewerkt, ook niet in de uitzonderlijke gevallen die de memorie van toelichting noemt. De minister van Justitie (inmiddels: Korthals Altes) sluit zich vervolgens aan bij die opvatting.29.Voordat de beraadslaging op 12 november wordt geschorst, verzoekt kamerlid Kalsbeek-Jasperse de minister voorafgaand aan de tweede termijn schriftelijk te reageren op een aantal tijdens de eerste termijn gestelde vragen. Op 18 november 1998 stuurt de minister een brief naar de kamer, waarin hij stelt:
“Uit het debat van donderdag jl. concludeer ik dat uw Kamer er ernstig bezwaar tegen heeft gemaakt dat, vooruitlopend op de behandeling van dit wetsvoorstel, in afwijking van beslispunt 54, tot de inzet van criminele burgerinfiltranten is besloten. Ik bespeur bij Uw Kamer, ook voor de toekomst, zeer grote aarzeling bij de toelaatbaarheid van de criminele burgerinfiltrant. Ik heb hiervoor begrip.”30.
2.11
Op 19 november 1998 wordt de beraadslaging hervat. Tijdens de tweede termijn dient Kalsbeek-Jasperse haar motie in. Voorafgaand daaraan merkt zij op:
“Het zou het beste zijn als wij de criminele burgerinfiltrant met zoveel woorden konden verbieden in de wet. Daar zou ik veruit de voorkeur aan geven. De ellende is dat dat gewoon niet gaat, omdat het begrip ’’crimineel’’ niet goed is te omschrijven. [...] Overzie ik het geheel, dan concludeer ik dat de Kamer zegt dat het niet mag, dat de memorie van toelichting zegt dat het wel mag, dat de minister in het debat zegt dat het niet mag en dat in de brief vervolgens onduidelijkheid wordt geschapen. Dit zo zijnde lijkt het mij tijd om een motie in te dienen waarin wederom wordt vastgesteld dat de criminele burgerinfiltrant niet mag.”31.
2.12
De motie-Kalsbeek houdt in:
“De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende, dat het werken met een criminele burgerinfiltrant een hoog processueel afbreukrisico kent; overwegende, dat het handelen van een criminele burgerinfiltrant in het algemeen slecht controleerbaar is;
overwegende, dat door de vaak voorkomende zogenaamde «dubbele agenda» bij een criminele burgerinfiltrant slecht te controleren is of zijn handelen voldoet aan het Tallon-criterium;
spreekt uit, dat met criminele burgerinfiltranten niet dient te worden gewerkt en dat voor de politie en het Openbaar Ministerie een verbod geldt op het inzetten van criminele burgerinfiltranten,
en gaat over tot de orde van de dag.”32.
2.13
De minister reageert:
“Voorzitter! Ik kom tot slot bij de motie van mevrouw Kalsbeek. Daar staat: ’’overwegende, dat het werken met een criminele burgerinfiltrant een hoog processueel afbreukrisico kent, etc...’’ Zij wil met deze motie vaststellen dat er geen gebruik meer wordt gemaakt van de criminele burgerinfiltrant. Dat is nog eens een bevestiging van het beslispunt van 54, waartoe ik me nu juist opnieuw bekeerd had. Mevrouw Kalsbeek was een beetje onzeker geworden, doordat ik bij de Kamer bespeurde dat er een neiging was om dat ook te doen. Dat was niet mijn eigen mening. Mijn eigen mening was om het niet te doen. Ik kan deze motie alleen maar als een ondersteuning zien van het beleid. Ik heb daar uiteraard geen bezwaar tegen.”33.
2.14
Art. 126w Sv blijft hierna ongewijzigd. Op 26 november 1998 neemt de Tweede Kamer het wetsvoorstel aan en daarna de motie-Kalsbeek.34.Op 25 mei 1999 neemt vervolgens ook de Eerste Kamer het wetsvoorstel aan.35.Op 27 mei 199936.is de Wet Bob gepubliceerd en op 1 februari 2000 is deze in werking getreden.37.
2.15
Dat brengt mij bij de bespreking van het middel. Het middel ziet op het oordeel van het hof dat art. 126w Sv grondslag biedt aan de inzet van een criminele burgerinfiltrant en er dus geen reden is aan te nemen dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant in deze zaak onrechtmatig is geweest. De stellers van het middel richten zich in dat verband tegen het oordeel van het hof dat de wetshistorie geen beletsel opwerpt om art. 126w Sv zo te interpreteren dat deze bepaling zich niet verzet tegen de inzet van een criminele burgerinfiltrant. Dat oordeel zou ten eerste zijn gebaseerd op de onjuiste rechtsopvatting dat (in het kader van het wetgevingsproces aangenomen) moties voor de strafrechter nooit van betekenis zouden kunnen zijn voor de interpretatie van een wetsbepaling, zo begrijp ik het middel. Ten tweede menen de stellers van het middel dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof de motie-Kalsbeek daarbij niet heeft betrokken, maar wel in doorslaggevende mate betekenis heeft toegekend aan de memorie van toelichting.
2.16
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant in deze zaak een schending van het legaliteitsbeginsel oplevert. Zoals onder 2.3 is gebleken, gaat het hof aan dit verweer voorbij. Het hof is van oordeel dat art. 126w Sv grondslag biedt voor de inzet van criminele burgerinfiltranten en constateert dat een taalkundige interpretatie van art. 126w Sv zich niet verzet tegen die conclusie en dat ook de wetshistorie daarvoor geen beletsel vormt. Voor deze interpretatie van de wetsgeschiedenis geeft het hof de volgende redenen:
(i) In de tekst van de wet wordt geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet-criminele burgerinfiltranten.
(ii) Uit de memorie van toelichting bij de Wet Bob blijkt zonneklaar dat de wetgever de inzet van de criminele burgerinfiltrant op grond van het bepaalde in art. 126w Sv niet heeft willen uitsluiten. In de memorie van toelichting is namelijk opgenomen: “Met de inzet van infiltratie door criminele burgers zal nog terughoudender moeten worden omgegaan”.
(iii) In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet Bob wordt nadrukkelijk vermeld dat in de wet geen expliciete beperkingen zijn gesteld aan de inzet van criminele burgerinfiltranten.
(iv) De Tweede Kamer heeft in de motie-Kalsbeek uitgesproken dat een verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten geldt, maar heeft geen gebruik gemaakt van het instrument van amendement, zodat een verbod op de inzet van een criminele burgerinfiltrant niet in de wet is opgenomen. De motie heeft wel langere tijd tot een rechtspraktijk geleid waarin geen gebruik werd gemaakt van criminele burgerinfiltranten.
(v) De Tweede Kamer heeft, zowel bij het formuleren van het verbod als bij het vervallen verklaren daarvan, voor het instrument van de motie gekozen. Met het aannemen van een motie maakt de Tweede Kamer een oordeel of verlangen kenbaar ten aanzien van een minister of het kabinet. De minister of het kabinet is aan het oordeel dat in de motie tot uitdrukking is gebracht, anders dan bij een motie van wantrouwen, niet gebonden. Een motie speelt verder uitsluitend een rol in de verhouding tussen de Eerste of Tweede kamer en het kabinet en de rechter kan in deze verhouding geen rol spelen.
2.17
Het hof heeft met zijn overwegingen onder (iv) tot uitdrukking gebracht dat de motie-Kalsbeek ertoe diende invloed uit te oefenen op het beleid van de minister en het openbaar ministerie met betrekking tot de inzet van criminele burgerinfiltranten en dat de eis van de Kamer ook is gevolgd. In de overwegingen onder (v) ligt vervolgens besloten dat het aan de Tweede (of Eerste) Kamer is om te beoordelen of de minister bij de invulling van de door de wet gelaten beleidsruimte, voldoet aan de wensen of eisen van de Kamer die zijn neergelegd in een motie en dat dit niet een taak voor de rechter is. Dit oordeel lijkt mij juist.38.Uit de overwegingen van het hof is niet op te maken dat het hof uitgaat van de (inderdaad onjuiste) opvatting dat moties die gedurende de behandeling van een wetgevingsproces worden aangenomen nooit van betekenis kunnen zijn bij de (wetshistorische) uitleg van de wet. Het hof betrekt bij zijn oordeel over de wetsgeschiedenis van art. 126w Sv volgens mij juist uitdrukkelijk ook de motie-Kalsbeek, die door het hof alleen anders wordt uitgelegd dan door de verdediging. De eerste deelklacht mist dus feitelijke grondslag en faalt. Het hof is van oordeel dat de inhoud van die motie niet tot de conclusie leidt dat ‘de wetgever als geheel’ art. 126w Sv zo heeft bedoeld dat deze geen grondslag biedt voor de inzet van criminele burgerinfiltranten. Dat oordeel van het hof en de daarbij horende uitleg van de motie-Kalsbeek vind ik niet onbegrijpelijk, gelet op de zojuist besproken overwegingen onder (iv) en (v). Die overwegingen zijn in lijn met de hierboven weergegeven wetsgeschiedenis. Daaruit blijkt immers dat bij het indienen van de motie-Kalsbeek juist werd verondersteld dat art. 126w Sv na inwerkingtreding grondslag zou bieden voor de inzet van een criminele burgerinfiltrant en dat de motie bedoeld was om controle uit te oefenen op het beleid van de minister. Ook de tweede deelklacht faalt.
3. Het tweede middel
3.1
Dit middel klaagt over de verwerping door het hof van het 359a Sv-verweer dat ertoe strekt dat alle door de inzet van de criminele burgerinfiltrant verkregen resultaten van het bewijs moeten worden uitgesloten. Het gaat de stellers van het middel erom dat het hof onvoldoende heeft gereageerd op dit beroep op bewijsuitsluiting.
3.2
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep pleitnotities overgelegd en voorgedragen. Het in het middel bedoelde verweer is weergegeven in die pleitnotities. In de in cassatie ingediende toelichting op het middel is het verweer als volgt samengevat (de voetnoten laat ik hier weg):
“Tevens is (subsidiair) in hoger beroep namens rekwirant door zijn raadsman mr. S.L.J. Janssen -in de kern - betoogd dat indien er een voldoende wettelijke basis was voor inzet van de criminele burgerinfiltrant de in de motie-Recourt opgenomen eisen voor die inzet als het Openbaar Ministerie bindend recht moeten worden aangemerkt en het dus niet - zoals de rechtbank had geoordeeld - zo is dat het Openbaar Ministerie aan die eisen slechts gebonden is omdat het Openbaar Ministerie zich (kennelijk) heeft willen binden aan die vereisten door in de Aanwijzing te verwijzen naar die motie, waardoor de vereisten uit de motie (ook) alsnog onderdeel uitmaken van het voor de rechter relevante juridische raamwerk omdat de Aanwijzing kan worden aangemerkt als recht in de zin van art. 79 Wet RO. Hierop wordt in randnummers 32 t/m 57 van de pleitnotities zoals overgelegd en voorgedragen ter terechtzitting van het Hof d.d. 12 februari 2024 ingegaan.
[…]
Betoogd is dat sprake is van materiele en formele normering in de motie-Recourt en welke betekenis de (rand)voorwaarden uit die motie hebben. De raadsman heeft in dit kader beschreven dat uit de motie-Recourt naast de proportionaliteits- en subsidiariteitseis vier aanvullende eisen volgen voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant waaraan getoetst moet worden, te weten: a) dat de inzet alleen onder een zeer strikt regime van waarborgen kan plaatsvinden, b) bij zeer gesloten criminele groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit, c) in korte trajecten, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van groei-informanten en d) na toestemming van de Minister van Veiligheid en Justitie. En dat het klopt dat Corstens en Borgers schrijven dat er vanuit wordt gegaan dat daarbij sprake is van 'nog nader uit te werken en te concretiseren randvoorwaarden', maar dat niet juist was dat het Openbaar Ministerie betoogde (of leek te betogen) dat die uitwerking van de wetgever moest komen: "in lijn met de inhoud van het in de Tweede Kamer gevoerde debat lag er een opdrachten verantwoordelijkheid bij het Openbaar Ministerie, vanuit welke organisatie ook het verzoek bij de minister was gekomen dit middel weer beschikbaar te maken (omdat anders de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit niet gewonnen zou kunnen worden)". Bepleit is dat van (verder) uitgewerkte of geconcretiseerde randvoorwaarden (naar aanleiding van de inhoud van de motie-Recourt) in de Aanwijzing op geen enkele wijze sprake is en dat het een beslissing van het Openbaar Ministerie is de benodigde nadere normering ter invulling van de onderdelen uit de motie niet tot stand te brengen. Enige nadere normering is blijkens hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht in weerwil van de mandatering aan het Openbaar Ministerie uitgebleven en dit is van belang geacht voor de vraag of de inzet van [codenaam] in onderhavige zaak bijvoorbeeld heeft plaatsgevonden 'onder een zeer streng regime van waarborgen'. Een vraag die door de verdediging ontkennend is beantwoord gelet op het ontbreken van het in het leven roepen van een dergelijk regime.
Vanaf randnummer 33 zijn in pleidooi de genoemde (rand)voorwaarden uit de motie-Recourt nagelopen, waar blijkens dat pleidooi aan moest worden getoetst. De randvoorwaarde dat een criminele burgerinfiltrant alleen mag worden ingezet 'onder een zeer streng regime van waarborgen' is voornamelijk uitgebreid besproken, zowel is materieel getoetst of de inzet had plaatsgevonden onder een dergelijk regime (hetgeen blijkens het pleidooi niet het geval was), als is besproken dat en waarom in het vonnis het in motie vereiste 'zeer strenge regime van waarborgen' ten onrechte was vertaald naar 'strikte waarborgen'. En de rechtbank hier eigenlijk geen extra vereisten in las, omdat de wettelijke voorwaarden (bedoeld zal zijn: proportionaliteit, subsidiariteit en instemming College Procureurs-Generaal) al dergelijke strikte voorwaarden zouden opleveren en verwezen werd naar het feit dat in de Aanwijzing wordt aangegeven dat steeds bijzondere aandacht moet worden besteed aan de betrouwbaarheid en stuurbaarheid van de in te zetten burger en deze begeleid moet worden.
Dat de raadsman zich namens rekwirant op het standpunt heeft gesteld dat het niet zozeer ging om de vraag op welke wijze de inzet van [codenaam] in deze zaak heeft plaatsgehad, maar om de afwezigheid van een geconcretiseerd zeer streng regime van waarborgen waar in meer algemene zin de inzet van een criminele burgerinfiltrant aan moet worden getoetst, blijkt duidelijk uit hetgeen naar voren is gebracht. Zo is ook naar voren gebracht dat de officieren van justitie zich in eerste aanleg op het standpunt stelden dat uit de wijze waarop in deze zaak de inzet van een criminele burgerinfiltrant heeft plaatsgevonden, blijkt dat wel degelijk sprake was van een zeer streng regime van waarborgen, waarvan de raadsman heeft gesteld dat die stelling niet overtuigt omdat dit de vaste werkwijze bij zowel reguliere infiltranten als gewone burgerinfiltranten betrof er dus geen sprake was van aanvullende vereisten voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant. Daarbij is ook naar voren gebracht dat het feit dat in deze zaak sprake is van OVC-opnames en camerabeelden welke de controleerbaarheid van de inzet verbeteren, niet maakt dat in een volgende zaak eveneens zal worden gekomen tot een dergelijke controleerbare inzet van een criminele burgerinfiltrant omdat nergens voor het Openbaar Ministerie bindend is vastgelegd dat aan een dergelijke voorwaarde moet worden voldaan. De raadsman heeft juist om die reden gesteld dat geoordeeld zou moeten worden dat bij gebrek aan zo'n nader ingevuld en geconcretiseerd streng regime van waarborgen niet voldaan werd aan de motie (Recourt) en daarmee de inzet van de criminele burgerinfiltrant op voorhand niet rechtmatig kan zijn. Het ging kortom duidelijk om een toetsing aan de vereisten uit de motie-Recourt en niet om de vraag of het Openbaar Ministerie zich aan eigen regelgeving - te weten de Aanwijzing - heeft gehouden, omdat nu juist naar het standpunt van de raadsman was nagelaten naar aanleiding van de motie-Recourt tot een geconcretiseerd streng regime van waarborgen te komen.
Gesteld is ook dat dit eens te meer geldt nu uit de verslaglegging en de verhoren van de verschillende betrokkenen duidelijk volgt dat bij de inzet en de begeleiding van [codenaam] van het strikt de hand houden aan enig aangescherpt regime geen sprake was. Daar is de raadsman in randnummer 33 nog nader op ingegaan, waarbij is gesteld dat met de stap van het gaan inzetten van [codenaam] als criminele burgerinfiltrant een nieuwe realiteit ontstond waarin de zware eisen van de motie die de inzet van een dergelijke burgerinfiltrant rechtmatig maakten van toepassing waren. En dat zijn begeleiders vanaf dat moment het geldende zeer strenge regime van waarborgen zouden moeten gaan handhaven en daarover verantwoording zouden moeten gaan afleggen aan hun teamleiding en het Openbaar Ministerie. Gesteld is dat uit de verhoren van zowel [codenaam] als van de begeleiders ondubbelzinnig naar voren kwam dat daar op geen enkele wijze sprake van is geweest en dat er helemaal niks was veranderd ten opzichte van de eerdere situatie waarin [codenaam] steeds was ingezet in het kader van de overeenkomst tot pseudokoop en vervolgens een overeenkomst tot stelselmatige informatie inwinning. De suggestie dat er vanuit de top van het Openbaar Ministerie weliswaar niet gezorgd is voor een invulling van het vereiste zeer strenge regime van waarborgen maar desondanks in de uitvoering sprake was van aangescherpt toezicht in enige vorm, was niet aan de orde, aldus de raadsman (pleitnotities, p. 27). Gesteld is dat aan dit vereiste uit de motie noch aan de formele kant, noch aan de materiele kant is voldaan. Ook is aangegeven dat op het punt van de verdiensten van [codenaam] als criminele burgerinfiltrant, of verdiensten van criminele burgerinfiltranten in het algemeen, is nagelaten dit op een zorgvuldige manier te regelen (hetgeen als exemplarisch naar voren is gebracht voor het ontbreken van dat dergelijke zeer strenge regime van waarborgen).
Vervolgens is de raadsman erop ingegaan dat het in de motie geformuleerde vereiste 'zeer strenge regime van waarborgen' door de rechtbank in het vonnis is vertaald naar 'strikte waarborgen' en dat de rechtbank lijkt te stellen dat hierin eigenlijk geen extra vereisten hoeven te worden gelezen dan de wettelijke voorwaarden van proportionaliteit, subsidiariteit en instemming van het College procureurs-generaal. Dat zou betekenen dat de rechtbank impliciet oordeelt dat de Tweede Kamer voor niets tot de eisen in de motie is gekomen, omdat die strenge eisen er allang (wettelijk) waren en dus niets toevoegden. De raadsman heeft gesteld dat hij die lezing van de rechtbank niet kan verenigen met wat er rondom die motie door verschillende parlementariërs is gezegd en ook niet met de tekst van die motie, waarin dat zeer strenge regime van waarborgen als eis wordt toegevoegd aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het was ondubbelzinnig de bedoeling van de toenmalige Tweede Kamer aanvullende eisen te stellen aan de inzet van een criminele burgerinfiltrant, verdergaand dan de algemene eisen van art. 126w Sv. In randnummer 38 wijst de raadsman erop dat bij uitstek een van de belangrijkste kritiekpunten in het pleidooi in eerste aanleg is geweest dat het Openbaar Ministerie bij monde van de Minister gedane toezegging dat zou worden voorzien in een streng normerend kader, waarbinnen de inzet van een criminele burgerinfiltrant zou plaats hebben, niet gestand heeft gedaan en dat de rechtbank daar geen oordeel over heeft gegeven terwijl duidelijk moet zijn geweest dat hierover een beslissing werd gevraagd. In randnummer 39 is aangegeven: "ik verzoek uw Hof u nadrukkelijk uit te laten over het uitblijven van dat normerend kader en wat dat zegt over de rechtmatigheid van het optreden van het Openbaar Ministerie in deze zaak."
Ook ten aanzien van het vereiste uit de motie dat de criminele burgerinfiltrant alleen mag plaatsvinden bij 'zeer gesloten criminele groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit' is (randnummer 45 van de pleitnotities) gesteld dat sprake is van een als drempelverhogend bedoelde voorwaarde, dat een nadere invulling van de betekenis hiervan volgend op het aannemen van de motie had moeten plaatshebben en dit niet plaatsgevonden heeft. Duidelijk is uiteengezet dat deze voorwaarde nader invulling zou moeten geven aan het feit dat slechts in hoge uitzonderingsgevallen gebruik moest kunnen worden gemaakt van een criminele burgerinfiltrant. Aangegeven is dat de rechtbank in het vonnis ten aanzien van dit vereiste is afgeweken van de in de motie-Recourt gebezigde terminologie omdat slechts wordt gesproken van (en getoetst aan) 'zware criminelen en criminele organisaties' om vervolgens te kunnen stellen dat daarvan sprake is bij internationale handel in verdovende middelen. Gesteld is: "Het is gewoon een rechtsvraag die hier bij Uw Hof voorligt: valt het type strafbare feiten begaan onder de omstandigheden van deze zaak onder dat door de Tweede Kamer genoemde criterium van de 'ernstigste vormen van ondermijnend een georganiseerde criminaliteit' of is dat niet zo? Daar krijgt de verdediging ook met het oog op de op dit onderdeel gewenste rechtsvorming graag (dit keer wel) een antwoord op. Voor alle duidelijkheid: het antwoord van de verdediging op die vraag luidt nog altijd ontkennend." (randnummer 47 pleitnotities). Ook van een 'zeer gesloten organisatie' was blijkens het pleidooi geen sprake.
De randvoorwaarden van 'korte trajecten, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een groei-infiltrant' en 'na toestemming van de minister van Veiligheid en Justitie zijn korter besproken nu de rechtbank ten aanzien van die vereisten wel een vormverzuim had aangenomen. Uitgebreider is ingegaan op het feit dat daar geen rechtsgevolgen aan verbonden waren.
In randnummers 58 t/m 65 worden daar conclusies aan verbonden. Te weten dat de toetsing van de uitvoerende macht bij de rechtsprekende macht ligt en dat op grond van de jurisprudentie van uw College d.d. 1 december 2020 ook ruimte is voor bewijsuitsluiting bij ernstige schendingen van strafvorderlijke voorschriften of rechtsbeginselen, waardoor bewijsuitsluiting noodzakelijk kan worden geacht als rechtstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat dergelijke vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Gesteld is dat sprake is van een ernstige schending van een strafrechtelijk voorschrift, te weten de zwaarbevochten randvoorwaarden waaronder de inzet van een criminele burgerinfiltrant in een strafrechtelijk onderzoek weer toegestaan werd geacht. Gesteld is dat het College van Procureurs-Generaal had moeten voorzien in duidelijke en toetsbare kaders waarbinnen de inzet van dit middel zou moeten plaatshebben en dat voorzien had moeten worden in toezicht van de zaaksofficier(en) dat die kaders gehandhaafd zouden worden en de inzet van de infiltrant zou voldoen aan de daaraan in de motie gestelde voorwaarden. Gesteld is dat beiden niet is gebeurd en dat dit getuigt van een dermate eigengereidheid van het Openbaar Ministerie dat aangenomen mag worden dat het bij een volgende inzet van de criminele burgerinfiltrant niet anders zal gaan indien hier door het Hof geen gevolgen aan zouden worden verbonden. Bewijsuitsluiting was blijkens de conclusies noodzakelijk om vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst te voorkomen.
In randnummer 60 is naar voren gebracht: "Deze casus Vidar is een exemplarisch voorbeeld van de wijze waarop het in het Nederlandse bestel op fundamenteel niveau telkens mis gaat waarbij het Openbaar Ministerie zich bevoegdheden toekent die het op basis van de wet niet heeft, in strijd met daarover gedane toezeggingen nalaat het eigen handelen afdoende te normeren en als gevolg daarvan - met respect voor iedereen en ieders goede bedoelingen - maar wat aanrommelt om wanneer daarop kritiek komt zich te verweren met de stelling dat het pionieren is en dat naar beste kunnen getracht is op een zorgvuldige wijze aan opsporing te doen.” Aangegeven is dat sprake is van een patroon en een vergelijk is gemaakt met de kroongetuige- en getuigenbeschermingsproblematiek: "Ten aanzien van de kroongetuige- en getuigenbeschermingsproblematiek is in de afgelopen 10 jaar bij alle mogelijke gerechtelijke instanties aangedrongen op beslissingen die zowel wetgever als Openbaar Ministerie ervan zouden doordringen dat zowel systematiek als uitvoering verandering behoeven. Tot op het niveau van de Hoge Raad is dat niet gebeurd en zijn de gebrekkige wettelijke en beleidsmatige fundamenten van voor de integriteit van de opsporing riskante opsporingsmethodes in stand gelaten of zelfs verder verzwakt met zachte heelmeester-achtige redeneringen, die vooral ten doel leken te hebben de zaken (veroordelingen)in de lucht te houden en het Openbaar Ministerie niet voorde voeten te lopen. Vervolgens is het kalf verdronken en worden er lijvige rapporten geschreven waarin wordt opgetekend dat het niet goed gegaan is, dat de verschillende staatsmachten hun verantwoordelijkheid moeten nemen en stappen moeten zetten, dat wordt dan vervolgens door de staatsmachten in kwestie vroom in ontvangst genomen met een plechtige belofte het beter te gaan doen, en vervolgens blijft alles bij het oude.” Geconcludeerd is dat het uitsluiten van het middels de inzet van [codenaam] verkregen bewijs het geëigende en juiste middel is om een niet mis te verstaan signaal af te geven aan de opsporing dat deze manier van werken niet geaccepteerd wordt.”
3.3
Het hof heeft overwogen:
“Meer dan een decennium later heeft de Tweede Kamer door de aanvaarding van de motie Recourt haar algehele verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten laten vervallen. Achtergrond voor deze wijziging was een verschuiving van het accent op de belangen van een integere strafrechtspleging naar het oplossen van problemen bij de opsporing van zware georganiseerde criminaliteit. Met het aannemen van de motie Recourt wilde de Tweede Kamer het instrumentarium voor opsporing versoepelen in die zin dat er sprake zou moeten kunnen zijn van “een beperkte inzet van de criminele burgerinfiltrant”. In de motie zijn de randvoorwaarden geformuleerd waaronder die inzet mogelijk zou moeten zijn. Uit de verhandelingen voorafgaande aan het aannemen van deze motie blijkt dat men zich ervan bewust was dat de tekst van de wet “een vorm van criminele burgerinfiltrant al mogelijk maakt”. Een (formeel) wettelijke verankering werd daarom niet nodig bevonden, ook de (formeel) wettelijke verankering van de te formuleren randvoorwaarden niet.
De Tweede Kamer koos, zowel bij het formuleren van het verbod, als bij het vervallen verklaren van het verbod, voor het instrument van de motie. Met het aannemen van een motie maakt de Tweede Kamer een oordeel of verlangen kenbaar ten aanzien van een Minister of het kabinet. De Minister of het kabinet is aan het oordeel dat in de motie tot uitdrukking is gebracht, voor zover hier relevant, niet gebonden. Een motie speelt verder uitsluitend een rol in de verhouding tussen de Eerste of Tweede kamer en het kabinet. De rechter kan in deze verhouding geen rol spelen.
Het hof concludeert alles afwegende, dat artikel 126w Sv grondslag bood en nog steeds biedt voor de inzet van burgerinfiltranten, daaronder begrepen criminele burgerinfiltranten. Dat aanvankelijk bij motie een algeheel verbod van inzet van criminele burgerinfiltranten is uitgesproken en de Tweede Kamer enkele jaren voorafgaand aan de onderhavige inzet van een criminele burgerinfiltrant, wederom bij motie, hierop is teruggekomen doet aan de wettelijke grondslag niet af.
Er is derhalve geen aanleiding om aan te nemen dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant in algemene zin onrechtmatig moet worden geacht, nu de mogelijkheid tot inzet van deze opsporingsbevoegdheid is vastgelegd in een formele wet.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie op grond van artikel 126w Sv over kon gaan tot de inzet van een criminele burgerinfiltrant. Bij de beslissing hieromtrent en de uitvoering daarvan beschikt het Openbaar Ministerie over discretionaire ruimte.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie op grond van artikel 126w Sv over kon gaan tot de inzet van een criminele burgerinfiltrant. Bij de beslissing hieromtrent en de uitvoering daarvan beschikt het Openbaar Ministerie over discretionaire ruimte.
Het hof zal vervolgens, net als de rechtbank heeft gedaan, beoordelen of in deze zaak is voldaan aan de geldende voorwaarden voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant.
Is voldaan aan de vereisten van art. 126w Sv?
[…]
Is voldaan aan de vereisten van artikel 140a Sv en artikel 131 Wet RO?
Naast de in artikel 126w Sv genoemde voorwaarden zijn ook formele voorwaarden opgenomen in artikel 140a Sv en artikel 131 Wet RO.
Is voldaan aan de voorwaarden uit de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden?
[…]
Zoals de rechtbank ook heeft overwogen wordt in de Aanwijzing verwezen naar de vereisten uit motie-Recourt:
"Door de aanvaarding van de motie-Recourt (Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 192) is het algemeen verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten komen te vervallen, en is het mogelijk geworden om in bepaalde situaties criminele burgerinfiltranten in te zetten bij de aanpak van zware criminelen en criminele organisaties, die hun criminele activiteiten zeer succesvol afschermen en met traditionele opsporingsmiddelen onvoldoende kunnen worden aangepakt. Alleen in hoge uitzonderingsgevallen en onder strikte waarborgen mag die inzet plaatsvinden. Voldaan moet zijn aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van groei-infiltranten."
Verder wordt in de Aanwijzing vermeld dat voor de inzet toestemming nodig is van de Minister.
Het hof sluit zich aan bij de navolgende cursief opgenomen overweging van de rechtbank.
“De hiervoor genoemde regels zijn vastgesteld in een door het College gegeven aanwijzing als bedoeld in artikel 130, zesde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO). Deze regels zijn op behoorlijke wijze bekend gemaakt en lenen zich naar hun inhoud en strekking ertoe jegens betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast. Zij kunnen daarom aangemerkt worden als recht in de zin van artikel 79 van de Wet RO en zijn derhalve onderdeel van het juridische raamwerk waaraan de rechtbank dient te toetsen. Als het Openbaar Ministerie zich niet aan zijn eigen regelgeving heeft gehouden kan dit een schending opleveren van de beginselen van een behoorlijke procesorde en daarmee tevens een vormverzuim opleveren ex artikel 359a Sv. ”
3.4
De stellers van het middel gaan uit van de volgende redenering. De raadsman voerde ter terechtzitting in hoger beroep aan dat de motie-Recourt bindend is voor het openbaar ministerie en daarom de verplichting met zich bracht om een nader uitgewerkt normerend kader te scheppen voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant, met name wat betreft het ‘zeer strenge regime van waarborgen’. Verder bracht de raadsman naar voren dat het openbaar ministerie dit heeft nagelaten, waardoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat tot bewijsuitsluiting moet leiden. Het hof heeft dat wat de raadsman aanvoerde verkeerd uitgelegd en heeft daardoor onvoldoende gereageerd op dit verweer. Die reactie ligt namelijk ook niet besloten in de overwegingen die het hof naar aanleiding van die onjuiste uitleg wel in het arrest heeft neergelegd.
3.5
Een onderzoek naar de vraag of de uitleg door het hof van het pleidooi van de raadsman voldoende begrijpelijk is, kan in dit geval achterwege blijven. Naar mijn mening faalt het middel hoe dan ook, omdat het hof voldoende heeft gereageerd op dat wat de raadsman (volgens de stellers van het middel) heeft bepleit. Dat komt door het volgende. Het in het middel beschreven verweer van de raadsman steunt op de stelling dat de motie-Recourt (juridisch) bindend is voor het openbaar ministerie en dus recht in de zin van art. 79 RO zou zijn. Het hof overweegt echter dat de Tweede Kamer met het aannemen van een motie een oordeel of verlangen kenbaar maakt ten aanzien van een minister of het kabinet en dat de minister of het kabinet daaraan niet gebonden is. De overwegingen van het hof over het kader voor toetsing van de inzet van de criminele burgerinfiltrant sluiten aan bij deze opmerkingen over de juridische status van een motie: slechts de in de wet en in de aanwijzing van het openbaar ministerie neergelegde voorwaarden maken deel uit van dat kader, en de voorwaarden van de motie-Recourt niet (rechtstreeks). Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat een motie geen recht in de zin van art. 79 RO is en dus voor het openbaar ministerie of de rechter niet bindend is. Dat lijkt mij juist.39.Het hof heeft met het bovenstaande duidelijk gemaakt dat en waarom geen sprake is van een vormverzuim doordat het openbaar ministerie zou hebben nagelaten een nader uitgewerkt normerend kader in het leven te roepen naar aanleiding van de eisen van de motie-Recourt. Daarmee heeft het hof voldoende uitgelegd waarom het voorbij is gegaan aan het verweer van de raadsman.
3.6
Ten overvloede merk ik nog het volgende op over het verwijt dat het openbaar ministerie wordt gemaakt dat het in strijd met daarover aan de Tweede Kamer gedane toezeggingen heeft nagelaten het eigen handelen in de aanwijzing bijzondere opsporingsmethoden afdoende te normeren. Dit verwijt miskent de procedure die voorafgaat aan de inwerkingtreding van een aanwijzing van het College van procureurs-generaal. Zo’n aanwijzing dient immers eerst te worden voorgelegd aan de minister van Justitie en Veiligheid vanwege zijn politieke verantwoordelijkheid.40.Hoewel er in eerste instantie ook een zekere verantwoordelijkheid bij het College ligt om zich rekenschap te geven van de wensen van de kamer ten aanzien van het te voeren beleid, mag het College er na goedkeuring van de aanwijzing door de minister vanuit gaan dat die voldoet aan de door hem aan de Tweede Kamer gedane toezeggingen. Als de Kamer in het geval van de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden vindt dat het openbaar ministerie strengere regels had moeten opstellen, is het aan de Kamer om de minister hierop aan te spreken. De minister zou hier dan in overleg met het College, of via zijn aanwijzingsbevoegdheid, gevolg aan kunnen geven.
4. Het derde en het vierde middel
4.1
Zowel het derde als het vierde middel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde gewoontewitwassen. De middelen zal ik daarom gezamenlijk bespreken.
4.2
Na de wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep is aan de verdachte onder 5 tenlastegelegd dat:
“hij in of omstreeks de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019, te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, immers heeft hij, tezamen en in vereniging met zijn mededader
- in 2014 15.085 contant gestort
- in 2015 18.560 contant gestort
- in 2016 25.120 contant gestort
- in 2017 28.510 contant gestort
- in 2019 4.950 contant gestort
terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.”
4.3
Ten laste van de verdachte is onder 5 vervolgens bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019, te [plaats] , meermalen, geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en daarvan gebruik gemaakt, immers heeft hij,
- in 2014 15.085 contant gestort;
- in 2015 18.560 contant gestort;
- in 2016 25.120 contant gestort;
- in 2017 28.510 contant gestort;
- in 2019 4.950 contant gestort;
terwijl hij wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.”
4.4
Met betrekking tot het bewijs van feit 5 heeft het hof, voor zover hier van belang, overwogen:
“Juridisch kader
Het hof stelt vast dat het dossier geen bewijs bevat op grond waarvan een rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen het onverklaarbare vermogen van verdachte en een bepaald misdrijf (het brondelict). Niettemin kan in een dergelijke situatie bewezen worden geacht dat het geldbedrag “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zo’n geval zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de hoeveelheid geld waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Vermoeden van witwassen
Tijdens het strafrechtelijk onderzoek Vidar ontstond tegen verdachte een sterke verdenking van witwassen vanwege – kort gezegd – onverklaarbaar vermogen. Uit het onderzoek bleek niet dat verdachte in de ten laste gelegde periode legaal werk of inkomen had, om te voorzien in normaal levensonderhoud. Ondertussen werden wel forse contante stortingen gedaan. Verdachte heeft verklaard dat hij gedurende de ten laste gelegde periode contante geldbedragen aan [betrokkene 1] heeft gegeven. [betrokkene 1] heeft deze bedragen vervolgens op haar rekening gestort. Over de herkomst van de geldbedragen beroept verdachte zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht.
Het vorenstaande rechtvaardigt het vermoeden dat de geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn. Dit vermoeden wordt versterkt door het feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen door privé personen is, in het geval dat geld op legale wijze is verkregen, hoogst ongebruikelijk vanwege het risico van onder meer diefstal, waarbij het geld niet is verzekerd.
Wetenschap dat het geld afkomstig is van misdrijf
In het licht van het vorenstaande mag worden verlangd dat verdachte een verklaring geeft over de herkomst van de contant gestorte geldbedragen.
Verdachte heeft verklaard dat het geld afkomstig is van gespaard geld uit zijn werk in de visserij in de voorafgaande jaren, betalingen voor verfklussen bij particulieren, een uitkering van levensverzekeringen, privéleningen, verhuurinkomsten van het huis in Spanje, geld dat hij van de rekening van zijn zoon heeft gehaald en gokwinsten. Deze verklaringen zijn nader onderbouwd bij brief van 16 maart 2022:
Gokopbrengsten: € 30.000,-;
Huurinkomsten: € 20.000,-;
Opnames vanaf de rekening van de zoon van verdachte: € 13.000,-;
Uitkering van twee levensverzekeringen: € 35.193,32; en
Losse werkzaamheden en verfklussen.
Ten aanzien van het bedrag van € 35.193,32, betreffende de uitkering van twee levensverzekeringen, heeft verdachte een concrete en verifieerbare verklaring afgelegd over de herkomst van het geld. Die verklaring is onderbouwd met stukken, waaruit blijkt dat dit bedrag is uitbetaald. Het hof acht het niet onwaarschijnlijk dat verdachte dat geld heeft opgenomen en later weer heeft gestort. Gelet daarop is het hof van oordeel dat ten aanzien van dit bedrag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat dit afkomstig is van misdrijf.
Datzelfde geldt ten aanzien van een bedrag van € 10.100,- voor de huurinkomsten van de woning van verdachte in Spanje. De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] verklaren dat zij voor hun verblijf in de vakantiewoning van verdachte contant zo’n € 300,- tot € 600,- betaalden. Het hof volgt de advocaten-generaal in de berekening dat dit gelet op door deze getuigen genoemde bedragen en frequentie van hun verblijf om een totaalbedrag van € 10.100,- gaat. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van dit bedrag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat dit afkomstig is van misdrijf.
Verdachte heeft met betrekking tot de gokwinsten verklaard dat deze door [betrokkene 2] voor hem werden ontvangen en heeft daarover stukken aangeleverd. Het hof kan op basis van deze stukken echter niet vaststellen dat het verdachte is geweest en niet [betrokkene 2] - die zelf gokte - deze gokwinsten heeft gemaakt en evenmin dat deze opgenomen geldbedragen aan verdachte zijn uitgekeerd. De door [betrokkene 2] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring is voor het hof, vanwege het feit dat zijn verklaring onvoldoende concreet is aangaande wanneer verdachte welke gokwinsten via de rekening van de getuige zou hebben ontvangen, onvoldoende redengevend om te komen tot de conclusie dat aannemelijk is geworden dat verdachte met gokken een dergelijk geldbedrag heeft verdiend.
Ten aanzien van stukken waaruit blijkt dat er in 2018 diverse grote geldbedragen zijn opgenomen van de rekening van de zoon van verdachte kan het hof niet vaststellen dat verdachte over deze geldbedragen heeft beschikt. Het hof acht de verklaring van verdachte en van de zoon van verdachte ( [getuige 1] ) op dit punt onvoldoende specifiek. Een dergelijke specifieke verklaring mag naar het oordeel van het hof wel verwacht worden van verdachte en zijn zoon, nu om het een dergelijk groot bedrag gaat. Verdachte zou over een langere periode in niet concrete porties geld hebben opgenomen van de bankrekening van zijn zoon, om deze opnames vervolgens weer terug te storten op zijn eigen rekening. Een verklaring over de reden hiervoor ontbreekt, zo stelt het hof vast, mede gelet op de verklaring van verdachte dat hij het betreffende geld opnam en het vervolgens opmaakte. Dit brengt het hof tot het oordeel dat de verklaring van verdachte op dit punt zonder meer onaannemelijk is.
Ten aanzien van de overige verklaringen acht het hof de uitleg eveneens onvoldoende concreet en onvoldoende verifieerbaar. Zo zijn er ook geen concrete verifieerbare stukken aangeleverd waaruit volgt dat het geld van verfklussen en privéleningen afkomstig kan zijn en ook acht het hof het niet goed volgbaar en niet waarschijnlijk dat verdachte in de ten laste gelegde periode (2014 tot en met 2019) nog in het bezit was van de in 2009 tot en met 2011 legaal verkregen inkomsten. Verdachte heeft ook dat niet concreet gemaakt.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de verklaringen die verdachte heeft gegeven over de herkomst van de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen, met uitzondering van een bedrag van € 35.193,32 en € 10.100,-, niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Dat het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek naar die verklaringen heeft gedaan lag dus voor de hand.
Gelet op het feit dat verdachte in de periode 2014 tot en met 2019 grote contante bedragen heeft gestort en in het bijzonder op het feit dat er geen legale herkomst voor een groot deel van de betreffende bedragen te herleiden is, is het hof van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat het voorwerp in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.
Het hof is van oordeel dat nu de verdachte ten aanzien van het grootste deel van het contante geld geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst daarvan, er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit wist. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Gewoontewitwassen
Gelet op de duur van de witwashandelingen, het aantal stortingen en de totale omvang van de stortingen is sprake van gewoontewitwassen.
Het hof komt tot een bewezenverklaring van gewoontewitwassen. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.”
Juridisch kader
4.5
Voor een bewezenverklaring van het in een op art. 420bis, eerste lid, onder b, Sr toegesneden tenlastelegging opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent ook dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan.41.Wel is voor een veroordeling ter zake van art. 420bis Sr vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.42.
4.6
Niet is vereist dat het voorwerp geheel uit misdrijf afkomstig is. Indien legaal vermogen wordt vermengd met vermogen dat afkomstig is uit misdrijf, kan dat gehele vermogen als ‘gedeeltelijk’ uit misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen worden aangemerkt.43.De Hoge Raad heeft in dit verband overwogen dat door de wetgever geen begrenzing is gesteld aan de mate waarin vermogensbestanddelen gedeeltelijk van misdrijf afkomstig kunnen zijn. De wetgever heeft het aldus aan het openbaar ministerie en de rechter overgelaten ervoor te zorgen dat de witwasbepalingen niet worden toegepast ten aanzien van in wezen niet-strafwaardige gedragingen. Die terughoudende toepassing is van groot belang omdat een te ruim bereik van de witwasbepalingen een normaal handelsverkeer onevenredig zou kunnen belemmeren. Dit gevaar dreigt wanneer het illegale deel van een vermogen relatief gering is.44.
4.7
Dat een voorwerp “uit enig misdrijf afkomstig is”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.45.Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, leidt er niet zonder meer toe dat het dan aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.46.Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.47.Bij deze beoordeling kan de rechter tot het oordeel komen dat de verklaring van de verdachte niet aannemelijk is geworden48.en dat er daarom geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Het derde middel
4.8
Het derde middel klaagt dat het hof enerzijds heeft geoordeeld dat ten aanzien van de geldbedragen van € 35.193,32 en € 10.100,- die de verdachte contant tot zijn beschikking heeft gehad en heeft gestort, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat deze afkomstig zijn uit enig misdrijf, terwijl het ook (kennelijk) heeft geoordeeld dat het tenlastegelegde voorwerp (het totaal van alle ten laste gelegde bedragen) wel afkomstig is uit enig misdrijf. Daarmee bevat het arrest een innerlijke tegenstrijdigheid, dan wel is de bewezenverklaring niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
4.9
Naar mijn mening berust het middel op een verkeerde lezing van het arrest en mist deze aldus feitelijke grondslag. Het hof heeft – anders dan de stellers van het middel tot uitgangspunt nemen – niet bewezenverklaard dat alle tenlastegelegde contant gestorte geldbedragen (te weten: € 15.085, € 18.560, € 25.120, € 28.510 en € 4.950) “afkomstig waren uit enig misdrijf”, maar dat deze geldbedragen “geheel of gedeeltelijk afkomstig waren uit enig misdrijf”. Bij elkaar opgeteld gaat het om een geldbedrag van € 92.225,-. Het hof heeft in zijn bewijsoverwegingen geoordeeld dat de verklaringen die de verdachte heeft gegeven voor de herkomst van de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen, met uitzondering van een bedrag van € 35.193,32 en € 10.100,-, (in totaal dus € 45.293,32) niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat nu de verdachte ten aanzien van het grootste deel van het contante geld geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst daarvan, er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof is – gezien de bewezenverklaring en voormelde bewijsoverwegingen – kennelijk van oordeel dat nu de verdachte ten aanzien van het grootste deel van het contante geld (ik begrijp: € 46.931,68, zijnde het resultaat van € 92.225,- minus € 45.293,32) geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, geen andere conclusie mogelijk is dan dat de tenlastegelegde geldbedragen geheel of gedeeltelijk afkomstig waren uit enig misdrijf. Van een innerlijke tegenstrijdigheid is bij deze lezing van het arrest geen sprake. Ook is het oordeel van het hof, mede gelet op hetgeen onder 4.6 is overwogen, niet onbegrijpelijk, zodat het middel faalt.
Het vierde middel
4.10
Het vierde middel klaagt ten eerste dat het hof niet de juiste beoordelingsmaatstaf voor witwassen ‘afkomstig uit enig misdrijf’ heeft gehanteerd, omdat het hof er ten onrechte van is uitgegaan dat het aan de verdachte is aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
4.11
Het hof heeft in zijn arrest overwogen dat het vermoeden is gerechtvaardigd dat het voorwerp in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Het hof heeft vervolgens overwogen dat de verklaringen die verdachte heeft gegeven over de herkomst van de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen, met uitzondering van een bedrag van € 35.193,32 en € 10.100,-, niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Hierna heeft het hof overwogen dat, nu de verdachte ten aanzien van het grootste deel van het contante geld geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst daarvan, er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist.
4.12
De overweging van het hof dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd voor de herkomst van het geld, dient te worden gelezen in het licht van het door het hof vooropgestelde en toegepaste beoordelingskader. Daaruit volgt dat het hof het juiste kader heeft toegepast. Dat het hof bij de beoordeling van de door de verdachte gegeven verklaringen heeft overwogen dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd voor de herkomst van het grootste deel van het contante geld, geeft, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.7 voorop is gesteld, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
4.13
Ten tweede klaagt het middel over het oordeel van het hof om verschillende door de verdachte afgelegde verklaringen niet te beschouwen als concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. De kennelijke opvatting van de stellers van het middel dat het aanleveren van stukken en het horen van getuigen met betrekking tot de verklaringen van de verdachte reeds maakt dat de verklaringen voldoende concreet zijn om daar enig onderzoek naar te verrichten, vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht. Vorenbedoelde omstandigheden kunnen wel bijdragen aan het oordeel dat de verklaring voldoende concreet is, maar hoeven daar niet noodzakelijkerwijs toe te leiden.
4.14
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van geldbedragen in de periode 3 april 2014 tot en met 2 april 2019. De verdachte heeft een aantal verklaringen afgelegd over de herkomst van de geldbedragen. Het hof heeft aan elk van de door verdachte afgelegde verklaringen (waarop het middel betrekking heeft) een overweging gewijd.
4.15
Met betrekking tot de gestelde inkomsten uit Spanje ter hoogte van € 20.000 is het hof van oordeel dat de verklaring van de verdachte die daarop betrekking heeft concreet, min of meer verifieerbaar en niet hoogst onwaarschijnlijk is voor zover die verklaring ziet op inkomsten tot een bedrag van (door het hof berekend) € 10.100. Het hof heeft daarmee kennelijk tot uitdrukking gebracht dat dat voor de verklaring voor het overige (naar mijn berekening € 9.900) niet geldt. Anders dan de stellers van het middel zie ik niet dat het hof daarbij de methode van de eenvoudige kasopstelling heeft gebruikt; het hof heeft hier slechts gerekend met de door de verdachte genoemde bedragen.
4.16
Het hof overweegt met betrekking tot de verklaring over de gokwinsten ter hoogte van € 30.000 dat het op basis van de overgelegde stukken niet kan vaststellen dat het gokwinsten van de verdachte betreft. Verder heeft het hof de in dit verband door getuige [betrokkene 2] afgelegde verklaring onvoldoende concreet geacht, waardoor die verklaring onvoldoende redengevend is om te komen tot de conclusie dat aannemelijk is geworden dat de verdachte met gokken een dergelijk geldbedrag heeft verdiend.
4.17
Met betrekking tot de verklaring dat er geldbedragen zijn opgenomen van de rekening van verdachtes zoon heeft het hof geoordeeld het niet kan vaststellen dat de verdachte over deze geldbedragen heeft beschikt en de verklaring van de verdachte op dat punt onvoldoende specifiek is, waardoor de verklaring van de verdachte op dit punt ‘zonder meer onaannemelijk is’.
4.18
Met betrekking tot de verklaringen over de gespaarde inkomsten heeft het hof geoordeeld dat deze onvoldoende concreet en onvoldoende verifieerbaar zijn. Daaraan is ten grondslag gelegd dat er geen concrete verifieerbare stukken zijn aangeleverd waaruit volgt dat het geld van verfklussen en privéleningen afkomstig kan zijn en dat het hof het niet goed volgbaar en niet waarschijnlijk acht dat de verdachte in de tenlastegelegde periode (2014 tot en met 2019) nog in het bezit was van de in 2009 tot en met 2011 legaal verkregen inkomsten, terwijl de verdachte dat ook dat niet concreet heeft gemaakt.
4.19
Het hof heeft uiteindelijk ‘gelet op het hiervoor overwogene’ geoordeeld dat de verklaringen die de verdachte heeft gegeven over de herkomst van de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen, met uitzondering van een bedrag van € 35.193,32 en van € 10.100,-, niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Dat oordeel acht ik – mede bezien in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd - niet onbegrijpelijk en voldoende met redenen omkleed.
4.20
Beide middelen falen.
5. Slotsom
5.1
Alle middelen falen. Het derde en vierde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑07‑2025
In de zaak 24/02861 is reeds arrest gewezen. Het cassatieberoep in de zaak 24/02874 is ingetrokken.
Voluit: Wet van 27 mei 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van enige bijzondere bevoegdheden tot opsporing en wijziging van enige andere bepalingen (bijzondere opsporingsbevoegdheden). Gepubliceerd op 27 mei 1999 (Stb. 1999, 245) en in werking getreden op 1 februari 2000 (Stb. 2000, 32).
Kamerstukken II 1998/99, 25 403 en 23 251, nr. 33.
Zie over de verhouding tussen (straf)rechter en wetgever onder meer M.J. Borgers, ‘De communicatieve strafrechter’, in: Controverses rondom legaliteit en legitimatie. Preadviezen (Handelingen Nederlandse Juristen-vereniging 2011-1), Deventer: Kluwer 2011 en F.W. Bleichrodt, ‘Dynamiek tussen de wetgever en de strafrechter’, NJB 2020/1500.
K. Rozemond, Strafvorderlijke rechtsvinding, (diss. VU Amsterdam), Deventer: Gouda Quint 1998 en G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 33-34.
K. Rozemond, Strafvorderlijke rechtsvinding (diss. VU Amsterdam), Deventer: Gouda Quint 1998, p. 355-357 en J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 117. Zie S.R. Bakker en D. Bektesevic, ‘Redelijke wetsuitleg’, DD 2022/69, onder 2.1.
Zie over de verschillende methodes recent S.R. Bakker en D. Bektesevic, ‘Redelijke wetsuitleg’, DD 2022/69, onder 2.2, onder verwijzing naar verdere literatuur. Zie H.T.M. Kloosterhuis & C.E. Smith, ‘Regels van redelijke rechtsvinding’, AA 2021, afl. 6, p. 642-646.
F.T. Groenewegen, Wetsinterpretatie en rechtsvorming (diss. UvA), Den Haag: BJu 2006, p. 187-192.
Zo stelt Corstens in zijn noot onder HR 19 december 1989, NJ 1990/468. Tot een wetsuitleg die voorbij gaat aan de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis zal meestal pas worden overgegaan als daar (op basis van andere interpretatietactieken) goede redenen voor zijn (vgl. mijn ambtgenoot Snijders in zijn conclusie van 18 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:160, onder 3.72). Zie in dat verband bijvoorbeeld het tweede ‘Tongzoen-arrest’, waarin de Hoge Raad op grond van systematische en teleologische redenen terugkomt op zijn eerdere grammaticale en wetshistorische interpretatie van art. 242 (oud) Sr (HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2653, NJ 2013/437 m.nt. N. Keijzer).
M.J. Borgers, ‘Wetshistorische interpretatie in de strafrechtspraak’, in: M.S. Groenhuijsen & J.B.H.M. Simmelink (red.), Glijdende schalen (liber amicorum J. de Hullu), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003, p. 51-52. Zie F.T. Groenewegen, Wetsinterpretatie en rechtsvorming (diss. UvA), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2006, p. 101.
Borgers, a.w. 2003, p. 51-55.
Zo verwijst Borgers naar een uitspraak van Van der Hoeven in zijn afscheidsrede bij de VU Amsterdam, zie M.J. Borgers, Bij nader inzien (afscheidsrede VU), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 8.
F.T. Groenewegen, Wetsinterpretatie en rechtsvorming (diss. UvA), Den Haag: BJu 2006, p. 100-134 en J.W.A. Fleuren, ‘Wetshistorische interpretatie en “de bedoeling van de wetgever”’, in: P.P.T. Bovend’Eert, J.L.W. Broeksteeg, D.E. Bunschoten & M.A.D.W. de Jong (red.), De staat van wetgeving (liber amicorum C.A.J.M. Kortmann), Deventer: Kluwer 2009, p. 153-174. Vgl. M.J. Borgers, ‘Wetshistorische interpretatie in de strafrechtspraak’, in: M.S. Groenhuijsen & J.B.H.M. Simmelink (red.), Glijdende schalen (liber amicorum J. de Hullu), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003.
Zie E.Y. van Vugt, ‘Demystifcatie van de motie’, AA 2024, afl. 5, p. 401-411. P.P.T. Bovend’Eert & H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 464-476. C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, bewerkt door P.P.T. Bovend’Eert, J.L.W. Broeksteeg, C.N.J. Kortmann en B.P. Vermeulen, Deventer: Kluwer 2021, p. 276.
Zo worden moties alleen bijna nooit gebruikt. Dat meent ook Borgers in zijn eerder al genoemde afscheidsrede (op p. 23), die daarbij wel het voorbeeld geeft van een motie die werd aangenomen bij de totstandkoming van de Wet terroristische misdrijven over het vervolgen van ‘dieren/eco-activisten’ voor terroristische misdrijven. In deze motie ligt een zekere opvatting besloten over de reikwijdte van het terroristisch oogmerk van art. 83a Sr (zie Kamerstukken II 2003/04, 28 463, nr. 26 en daarover nader M.J. Borgers, ‘Activisten, demonstranten, stakers en het kaderbesluit inzake terrorismebestrijding’, in: P.H.P.H.M.C. van Kempen, A.J. Machielse, H.J.B. Sackers & P.C. Vegter (red.), Levend strafrecht (liber amicorum Y. Buruma), Deventer: Kluwer 2011, p. 37-38). Zie ook D.J. Elzinga, R. de Lange, H.G. Hoogers, Van der Pot. Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 675, waarin wordt benoemd dat de Eerste Kamer, die geen recht van amendement heeft, wel de mogelijkheid heeft tot het uitspreken van een ‘interpretatieve motie’. De Eerste Kamer kan dan ‘voor de wetsgeschiedenis’ uitspreken wat onder een bepaald begrip dient te worden verstaan. De auteurs geven als voorbeeld de motie-Postema, die de Eerste Kamer aannam bij gelegenheid van de behandeling van het wetsvoorstel Wet op het accountantsberoep (Kamerstukken I 2012/13, 33 025, nr. H).
C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, bewerkt door P.P.T. Bovend’Eert, J.L.W. Broeksteeg, C.N.J. Kortmann en B.P. Vermeulen, Deventer: Kluwer 2021, p. 358-360. P.P.T. Bovend’Eert & H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 375.
P.P.T. Bovend’Eert & H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 472-473 en E.Y. van Vugt, ‘Demystifcatie van de motie’, AA 2024, afl. 5, onder 3.3. Zie overigens over de verhouding tussen de Minister van Justitie en Veiligheid en het openbaar ministerie voor en na de inwerkingtreding van de wet reorganisatie openbaar ministerie de memorie van toelichting bij die wet onder 3 (Kamerstukken II 1996/97, 25 392, nr. 3, p. 18-31).
Vgl. B. Groothoff, ‘De terugkeer van de criminele burgerinfiltrant in de rechtspraak’, DD 2023/6, onder 2, met verwijzingen naar Kamerstukken II 1995/96, 24072, nr. 11.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, p. 121-122.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, p. 47 en 121-122.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. B, p. 11. Kamerstukken II 1996/97, nr. 6, p. 48-50 en Kamerstukken II 1997/98, 25 403, nr. 7, p. 71.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. B, p. 11-12 en Kamerstukken II 1997/98, 25 403, nr. 7, p. 71: “In de eerste plaats zou de afbakening van de criminele infiltranten niet anders dan vaag kunnen zijn. Zoals in de memorie van toelichting is vermeld, is er gelet op de risico’s die verbonden zijn aan infiltratie, reden om bij een ruime kring van personen waakzaam te zijn. Het is niet goed doenlijk deze kring van (criminele) personen in de wet af te bakenen.”
Handelingen II 1998/99, nr. 23, p. 1455-1495, Handelingen II 1998/99, nr. 24, p. 1533-1565 en Handelingen II 1998/99, nr. 27, p. 1874-1900.
Handelingen II 1998/99, nr. 24, p. 1557: “Ik heb de stellige indruk dat een meerderheid van de Kamer vindt dat het niet moet gebeuren. Die beslissing zal ik overnemen.” En op p. 1558: “Ik heb al gezegd dat ik vind dat de criminele burgerinfiltrant niet moet mogen. Met andere woorden: de lijn die door het vorige kabinet is ingezet, zal ik niet volgen, ook gehoord de Kamer, die in meerderheid vindt dat het niet kan.”
Handelingen II 1998/99, nr. 27, p. 1888-1889.
Kamerstukken II 1998/99, 25 403 en 23 251, nr. 33.
Handelingen II 1998/99, nr. 27, p. 1900.
Handelingen II 1998/90, nr. 30, p. 2146.
Handelingen I 1998/99, nr. 31, p. 1423-1439
Stb. 1999, 245.
Stb. 2000, 32.
De Tweede Kamer wordt sinds de motie-Recourt (vertrouwelijk) op de hoogte gehouden van de inzet van criminele burgerinfiltranten. Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2016/17, 29279, nr. 356 en Handelingen II, 2020/21, nr. 13/30, p. 3.
Zie mijn opmerkingen onder randnummer 2.6 van deze conclusie. Vgl. A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 220-221. Eerder overwoog de Hoge Raad ook dat een memorie van toelichting geen ‘kracht van wet’ heeft, zie HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2686, NJ 2013/174 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 2.4.
HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124, r.o. 3.5.
HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094, r.o. 3.4.
HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, NJ 2011/44 m.nt. N. Keijzer, r.o. 3.5.1-3.6.1. Zie ook Kamerstukken II 1999/00, 27 159, nr. 3, p. 16-17.
HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, NJ 2011/44 m.nt. N. Keijzer, r.o. 3.6.2.
HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, r.o. 2.5; HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. Rozemond, r.o. 2.3.2 en HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:772, r.o. 2.3.2.
HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, r.o. 2.6.
HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. Rozemond, r.o. 2.3.3 en HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:772, r.o. 2.3.3.
Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Aben van 22 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:462, onder 28, waarin hij verwijst naar HR 29 maart. 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2628, r.o. 3.4 en HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6933, r.o. 3.4 (HR: 81.1 RO)
Beroepschrift 10‑03‑2025
De Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
SCHRIFTUUR IN CASSATIE
Datum betekening: 13 december 2024, verlenging termijn t/m 10 maart 2025
Geacht College,
Ondergetekenden,
mr. S.L.J. Janssen en mr. D.N. de Jonge, beide advocaat te Rotterdam, beide kantoorhoudende te Rotterdam aan het Oudehoofdplein 4 (3011 TM), Cleerdin & Hamer Advocaten, die in deze zaak bijzonderlijk gevolmachtigd zijn door rekwirant in cassatie:
de heer [verdachte],
geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1974,
wonende op het adres [adres] te [woonplaats],
hebben hierbij de eer aan uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest, alsmede de tussenbeslissingen van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, gewezen tegen rekwirant in de zaak met parketnummer 21-003623-22.
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 12 juli 2024 rekwirant niet-ontvankelijk verklaard in he hoger beroep tegen de vrijspraken van hetgeen als feit 2 en 3 was tenlastegelegd. Het Hof heeft rekwirant veroordeeld voor de feiten 1, 4 en 5, te weten de eendaadse samenloop van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, het medeplegen van witwassen en van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Het Hof heeft een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De onttrekking aan het verkeer is bevolen van een telefoon van het merk BQ Aquarius en de teruggave is gelast van een Iphone.
Het cassatieberoep is door I. Beekman, administratief ambtenaar bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, namens rekwirant op 16 juli 2024 ingesteld.
Rekwirant voert de navolgende middelen van cassatie aan.
I. Schending van de artt. 1 en/of 126w en/of 348, 350, 358, 359, 359a en/of 415 Sv en/of art. 6 EVRM en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder is het oordeel van het Hof dat art. 126w Sv als wet in formele zin grondslag biedt aan de inzet van een criminele burgerinfiltrant en er geen reden is aan te nemen — zoals wel uitdrukkelijk onderbouwd is gesteld namens rekwirant — dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant (A-4110) door het Openbaar Ministerie onrechtmatig is geweest wegens strijd met het legaliteitsbeginsel, gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting en in ieder geval niet (voldoende) begrijpelijk.
Het Hof heeft immers aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat de wetshistorie geen beletsel opwerpt om art. 126w Sv zo te interpreteren dat deze bepaling zich niet verzet tegen de inzet van een criminele burgerinfiltrant en dat het aanvankelijk bij motie (Kalsbeek) uitgesproken algehele verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten en later eveneens bij motie (Recourt) op dit verbod is teruggekomen niet afdoet aan de wettelijke grondslag omdat moties uitsluitend een rol zouden spelen in de verhouding tussen de Eerste of Tweede Kamer en kabinet en de rechter in die die verhouding geen rol kan spelen, terwijl daarmee is miskend — zoals ook onderbouwd namens rekwirant naar voren is gebracht — dat moties die door de Tweede Kamer worden aangenomen in diens rol als medewetgever (zoals ten aanzien van de hier van belang zijnde motie-Kalsbeek waarin het verbod werd uitgesproken) onderscheiden dienen te worden van het type politieke moties waar het Hof naar verwijst en is uitgegaan van het onjuiste oordeel/rechtsopvatting dat moties (dus kennelijk) voor de (straf)rechter geen betekenis (kunnen) hebben, hetgeen de Tweede Kamer (en de Eerste Kamer) van een belangrijk wetgevingsinstrument berooft en dit niet als juist kan worden aanvaard.
En/of is het oordeel dat art. 126w Sv als wet in formele zin grondslag biedt aan de inzet van een criminele burgerinfiltrant in ieder geval niet (voldoende) begrijpelijk (gemotiveerd) nu het Hof kennelijk tot een wetshistorische interpretatie van art. 126w Sv is gekomen maar daarbij de genoemde moties buiten beschouwing heeft gelaten omdat daarin alleen een oordeel of verlangen kenbaar wordt gemaakt ten aanzien van een minister of het kabinet, waar minister en kabinet niet aan gebonden zijn en verder uitsluitend een rol spelen in de verhouding tussen Tweede (of Eerste) Kamer en kabinet en de rechter in die verhouding geen rol kan spelen. Mede gelet op hetgeen namens rekwirant naar voren was gebracht is dat (en deze wijze van het geven van een wetshistorische interpretatie van een wetsbepaling) niet (voldoende) begrijpelijk, nu een motie waarin zo een expliciete wens van de meerderheid van de Tweede Kamer wordt vastgelegd strafrechtelijk gezien wel degelijk van groot belang kan zijn, omdat de inhoud daarvan een zwaarwegend argument kan aanleveren om vast te stellen wat de bedoeling van ‘de wetgever’ met die wet (of een onderdeel) is geweest. De categorische uitsluiting van de (mogelijke) betekenis van moties in het wetgevingsproces en de totstandkomingsgeschiedenis van een wettelijke bepaling is onjuist en dat maakt dat het oordeel dat de wetshistorie geen beletselen opwerpt tot de interpretatie te komen dat art. 126w Sv de inzet van een criminele burgerinfiltrant niet uitsluit en dus die inzet bij wet in formele zin geregeld is, niet (voldoende) begrijpelijk.
Toelichting
Blijkens het arrest van het Hof d.d. 12 juli 2024 is ten aanzien van rekwirant (onder meer) bewezenverklaard dat:
‘4. (zaaksdossier 17)
hij in de periode van 30 oktober 2019 tot en met 8 november 2019 in Nederland en in [a-plaats] (Finland), tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag, te weten een bedrag van ongeveer 140.000 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf;’
Ten aanzien van dit feit is de bewezenverklaring mede (in belangrijke mate) gebaseerd op verklaringen afgelegd door A-4110 en gemaakte opnames van gesprekken waar A-4110 deel van uitmaakte.1. Rekwirant heeft ontkend zich aan dit feit schuldig te hebben gemaakt. A-4110 is ingezette criminele burgerinfiltrant, de inzet van dit opsporingsmiddel is gebaseerd op art. 126w Sv (burger infiltratie).
I.1. Standpunt verdediging
Namens rekwirant is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep (ook gelet op het inmiddels gegeven oordeel van de rechtbank) uitgebreid betoogd dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant onrechtmatig is geweest, primair omdat kortgezegd sprake was van strijdigheid met het legaliteitsbeginsel omdat onderdeel van het wetgevingsproces dat heeft geleid tot de inwerkingtreding van art. 126w Sv is geweest dat de wettelijke grondslag voor de inzet van een burgerinfiltrant werd beperkt door de inzet van criminele burgerinfiltranten uit te sluiten/daar een verbod op aan te nemen (aangenomen tweede motie-Kalsbeek) en dat het met de motie-Recourt waarmee die beperking werd beoogd te herroepen geen afdoende wettelijke grondslag voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant tot stand is gekomen. Naar voren is gebracht dat de inzet daarmee onrechtmatig is geweest omdat deze inzet niet gebaseerd kon worden op art. 126w Sv en verzocht is al het bewijs dat is verkregen door en als gevolg van de inzet van A-4110 van het bewijs uit te sluiten.
Daartoe is in hoger beroep namens rekwirant door zijn raadsman mr. S.L.J. Janssen nog eens de voorgeschiedenis van de totstandkoming van de wet Bob geschetst en in het bijzonder de totstandkoming van het wettelijk kader van art. 126w Sv. Verwezen wordt naar de randnummers 11 t/m 31 uit de pleitnotities zoals voorgedragen en overgelegd aan het Hof ter terechtzitting d.d. 12 februari 2024.
Vervolgens is in dupliek nog eens kernachtig naar voren gebracht (en aan het Hof verzocht te bepalen dat):
- ‘A.
Dat met het aan nemen van de tweede motie-Kalsbeek (verbod inzet criminele burgerinfiltrant, 1998 – 1999, nummer 33) de werking van het binnen de wet Bob nieuw in te voeren artikel 126w Sv waarin burgerinfiltratie van een wettelijke grondslag werd voorzien, expliciet werd beperkt in die zin dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant expliciet werden uitgesloten, en dat deze motie gezien formulering en context binnen de totstandkoming van de Wet Bob en van dat artikel 126w als het Openbaar Ministerie bindend moet worden aangemerkt;
- B.
Dat met het middels de Motie-Recourt herroepen van die tweede motie-Kalsbeek gezien het wetgevingsproces als geheel waaronder ook het in stand laten van de eerste motie-Kalsbeek (1995 – 1996, nummer 51 over rechterlijk toezicht op overeenkomsten met criminelen), geen afdoende wettelijke grondslag voor inzet van de criminele burgerinfiltrant tot stand is gekomen. Gezien de in het strafvorderlijk legaliteitbeginsel besloten liggende eis dat opsporingsmethoden die risicovol moeten worden geacht voor de integriteit van de opsporing expliciete grondslag in de formele wet behoeven, is de inzet van de criminele burgerinfiltrant bij die stand van zaken in strijd met dat legaliteitsbeginsel en daarmee onrechtmatig;
- C.
Dat dit dient te leiden tot uitsluiting van het via A-4110 verkregen bewijsmateriaal, primair vanaf 5 juli 2018 (het moment dat de pseudokoopovereenkomst gecombineerd werd met de stelselmatige informatie inwinning en de facto sprake was van infiltratie) en subsidiair vanaf het moment van sluiten van de overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie op 28 februari 2019;’
Gelet op het inmiddels gegeven oordeel van de rechtbank over de formele rechtmatigheid, is in hoger beroep door de raadsman in het bijzonder aandacht besteed aan de betekenis van moties in het wetgevingsproces. Kortgezegd had de rechtbank geoordeeld dat geen sprake was van strijd met het legaliteitsbeginsel omdat een taalkundige interpretatie van art. 126w Sv zich niet verzet tegen de inzet van een criminele burgerinfiltrant en ook de wetshistorie geen beletselen opwierp, waarbij verwezen is naar de Memorie van Toelichting waaruit (zonneklaar) zou blijken dat de wetgever deze inzet op grond van art. 126w Sv niet heeft willen uitsluiten. Niet heeft ter discussie gestaan dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant gepaard kan gaan met inbreuken op grondrechten en bovendien gepaard gaat met risico's voor de (integriteit van de) opsporing en om die reden de bevoegdheid tot inzet van deze opsporingsmethode in een formele wet dient te zijn vastgelegd (het in art. 1, eerste lid, Sv vastgelegde formele legaliteitsbeginsel).2. Door de verdediging zou volgens de rechtbank zijn gesteld dat het juridische raamwerk niet voldeed omdat niet zou zijn voldaan aan de vereisten die de door de Tweede Kamer aangenomen motie-Recourt c.s. stelt aan de inzet van criminele burgerinfiltranten, vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat een motie een advies is aan de Minister en deze vooral politieke betekenis hebben. Het negeren van een motie zou politieke consequenties kunnen hebben, maar niet direct relevant zijn voor de rechterlijke toetsing.
Namens rekwirant is in hoger beroep (ook reeds bij appelschriftuur) naar voren gebracht dat de rechtbank een onjuiste lezing van de totstandkomingsgeschiedenis (van art. 126w Sv) en het recht heeft gegeven. Zowel over de vraag wie er in het wetgevingsproces als ‘de wetgever’ aangemerkt dient te worden en de betekenis van de verschillende fases en instrumenten binnen dat wetgevingsproces, als over de vraag hoe de rechter in strafzaken tot een wetshistorische interpretatie kan komen. Dit door een onjuiste interpretatie van het begrip ‘de wetgever’ te hanteren (in de zin van wat ‘de wetgever’ wilde) en het verschil tussen verschillende moties te miskennen en enkel uit te gaan van een motie die als een aanbeveling aan het kabinet kunnen worden beschouwd — die volgens het (onderbouwde) standpunt van de raadsman moeten worden onderscheiden van moties die de Tweede Kamer in het kader van een wetgevingstraject kan aannemen en waarin het standpunt van de Tweede Kamer met betrekking tot een specifiek onderdeel van dat wetgevingsproces wordt vastgelegd. Gesteld is dat dit type motie bij uitstek geschikt is om het standpunt van de Tweede Kamer in diens rol als (mede)wetgever over een onderdeel van een aan te nemen wet vast te leggen. Gesteld is dat met de motie van het lid Kalsbeek de expliciete wens van de meerderheid van de Tweede Kamer — inhoudende de inzet van de criminele burgerinfiltrant dwingend te verbieden — is vastgelegd en de raadsman heeft tevens het standpunt ingenomen dat art. 126w Sv in de huidige vorm niet in het Wetboek van Strafvordering opgenomen zou zijn zonder de toevoeging van die motie-Kalsbeek aan de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel. En dat ook steeds het uitgangspunt van het Openbaar Ministerie is geweest dat met de motie-Kalsbeek sprake was van een opgelegd algemeen verbod op het inzetten van een criminele burgerinfiltrant, welk verbod blijkens de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden eerst met de motie-Recourt werd opgeheven. In die Aanwijzing is immers opgenomen:
‘Door de aanvaarding van de motie-Recourt (Kamerstukken II 2013/2014, nr. 29 279, nr. 192) is het algemeen verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten komen te vervallen (…)’.
Gesteld is dat een motie (waarin zo een expliciete wens van de meerderheid van de Tweede Kamer wordt vastgelegd) strafrechtelijk gezien wel degelijk van groot belang kan zijn, omdat de inhoud daarvan een zwaarwegend argument kan aanleveren om vast te stellen wat de bedoeling van ‘de’ wetgever met die wet (of een onderdeel) is geweest. De stelling is gehandhaafd dat de inhoud van de motie-Recourt vervolgens niet voldeed aan de eisen van het legaliteitsbeginsel, althans die motie niet maakte dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant bij wet in formele zin geregeld was. Ten aanzien van de gehele onderbouwing wordt verwezen naar de randnummers 12 t/m 31 van de pleitnotities zoals voorgedragen in hoger beroep.
1.2. Oordeel Hof
Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de rechtbank een juiste afweging heeft gemaakt en heeft de overwegingen van de rechtbank deels overgenomen, voorts zijn die overwegingen aangevuld. Het oordeel van het Hof houdt het volgende in (met weglating van voetnoten):
‘oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank met betrekking tot dit verweer een juiste afweging heeft gemaakt. Het hof kan zichi grotendeels met de overwegingen van de rechtbank verenigen en zal daarom in zoverre deze overwegingen hierna telkens voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat, moet ‘hof’ worden gelezen en waar het hof dit nodig acht zullen de overwegingen worden aangevuld. Waar in de cursief overgenomen tekst van de rechtbank niet-cursieve tekst is opgenomen, betreft dit aanvullingen van het hof.
‘De wet informele zin.
De inzet van een criminele burgerinfiltrant kan gepaard gaan met inbreuken op grondrechten en gaat bovendien gepaard met risico's voor de (integriteit van de) opsporing. Om die reden dient de bevoegdheid lot inzet van deze opsporingsmethode in een formele wet te zijn vastgelegd (zie het in artikel 1, eerste lid, Sv vastgelegde formele legaliteitsbeginsel).
De bevoegdheid tot burgerinfiltratie is geregeld in artikel 126w, eerste lid, Sv. Op grond van deze bepaling kan in een geval als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, Sv de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen of medewerking te verlenen aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
De rechtbank constateert dat een taalkundige interpretatie van voornoemde bepaling zich niet verzet tegen de inzet van een criminele burger als burgerinfiltrant. Immers, een criminele burger betreft eveneens een persoon die geen opsporingsambtenaar is. Ook de wetshistorie werpt geen beletselen op. Uit de memorie van toelichting bij de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: Wet Bob) blijkt zonneklaar dat de wetgever de inzet van de criminele burgerinfiltrant op grond van het bepaalde in artikel 126w Sv niet heeft willen uitsluiten. In artikel 126w Sv is daarom geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet- criminele burgerinfiltranten. Zowel de niet-criminele als de criminele burgerinfiltrant valt onder deze bepaling en kan in beginsel dus worden ingezet. In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet Bob wordt bovendien nadrukkelijk vermeld dat in de wet geen expliciete beperkingen zijn gesteld aan de inzet van criminele burgerinfiltranten.’
Het hof overweegt aanvullend het volgende.
Zoals hierboven overwogen, wordt in de tekst van de wet geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet criminele burgerinfiltranten. Bij de totstandkoming van de wettelijke bepaling is er ook aandacht geweest voor dit vraagstuk. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de wetgever zich bewust is van de bijzondere risico's die met de inzet van burgers voor infiltratie gepaard gaan. In de memorie van toelichting is vervolgens opgenomen: ‘Met de inzet van infiltratie door criminele burgers zal nog terughoudender moeten worden omgegaan’. Dit betekent dat de inzet van criminele burgerinfiltranten nadrukkelijk is besproken en niet is uitgesloten. De Tweede Kamer heeft vervolgens de motie-Kalsbeek aanvaard, zijnde een motie waarin wordt uitgesproken dat een verbod geldt voor de politie en het Openbaar Ministerie op het inzetten van criminele burgerinfiltranten. Het hof stelt vast dat de Tweede Kamer geen gebruik heeft gemaakt van het instrument van amendement. Dit heeft dus niet geleid tot een wijziging van de wet in die zin dat er een verbod op de inzet van een criminele burgerinfiltrant in de formele wet is opgenomen. De motie-Kalsbeek heeft evenwel tot een rechtspraktijk geleid waarbij gedurende langere tijd geen gebruik werd gemaakt van de criminele burgerinfiltrant.
Meer dan een decennium later heeft de Tweede Kamer door de aanvaarding van de motie-Recourt haar algehele verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten laten vervallen. Achtergrond voor deze wijziging was een verschuiving van het accent op de belangen van een integere strafrechtspleging naar het oplossen van problemen bij de opsporing van zware georganiseerde criminaliteit. Met het aannemen van de motie-Recourt wilde de Tweede Kamer het instrumentarium voor opsporing versoepelen in die zin dat er sprake zou moeten kunnen zijn van ‘een beperkte inzet van de criminele burgerinfiltrant’. In de motie zijn de randvoorwaarden geformuleerd waaronder die inzet mogelijk zou moeten zijn. Uit de verhandelingen voorafgaande aan het aan nemen van deze motie blijkt dat men zich ervan bewust was dat de tekst van de wet ‘een vorm van criminele burgerinfiltrant al mogelijk maakt’. Een (formeel) wettelijke verankering werd daarom niet nodig bevonden, ook de (formeel) wettelijke verankering van de te formuleren randvoorwaarden niet.
De Tweede Kamer koos, zowel bij het formuleren van het verbod, als bij het vervallen verklaren van het verbod, voor het instrument van de motie. Met het aannemen van een motie maakt de Tweede Kamer een oordeel of verlangen kenbaar ten aanzien van een Minister of het kabinet. De Minister of het kabinet is aan het oordeel dat in de motie tot uitdrukking is gebracht, voor zover hier relevant, niet gebonden. Een motie speelt verder uitsluitend een rol in de verhouding tussen de Eerste of Tweede kamer en het kabinet. De rechter kan in deze verhouding geen rol spelen.
Het hof concludeert alles afwegende, dat artikel 126w Sv grondslag bood en nog steeds biedt voor de inzet van burgerinfiltranten, daaronder begrepen criminele burgerinfiltranten. Dat aanvankelijk bij motie een algeheel verbod van inzet van criminele burgerinfiltranten is uitgesproken en de Tweede Kamer enkele jaren voorafgaand aan de onderhavige inzet van een criminele burgerinfiltrant, wederom bij motie, hierop is teruggekomen doet aan de wettelijke grondslag niet af.
Er is derhalve geen aanleiding om aan te nemen dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant in algemene zin onrechtmatig moet worden geacht, nu de mogelijkheid tot inzet van deze opsporingsbevoegdheid is vastgelegd in een formele wet.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie op grond van artikel 126w Sv over kon gaan tot de inzet van een criminele burgerinfiltrant. Bij de beslissing hieromtrent en de uitvoering daarvan beschikt het Openbaar Ministerie over discretionaire ruimte.
Het hof zal vervolgens, net als de rechtbank heeft gedaan, beoordelen of in deze zaak is voldaan aan de geldende voorwaarden voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant.’
1.3. Oordeel gebaseerd op onjuiste rechtsopvatting dat (kortgezegd) Dat moties uitsluitend een rol spelen in de verhouding tussen Eerste of Tweede kamer en het kabinet en (dus kennelijk) voor de (straf)rechter geen betekenis (kunnen) hebben, dan wel is dat oordeel onbegrijpelijk
Anders dan de rechtbank heeft het Hof (naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht) ten aanzien van de vraag of de inzet van de criminele burgerinfiltrant geregeld is bij wet in formele zin (en of de herintroductie van de criminele burgerinfiltrant door middel van enkel het aannemen van de motie-Recourt in strijd is met het legaliteitsbeginsel) wel iets meer overwogen omtrent de totstandkomingsgeschiedenis van art. 126w Sv. Het Hof heeft echter (in de kern) aansluitend bij- en in lijn met de overwegingen van de rechtbank geoordeeld dat de in eerste instantie motie-Kalsbeek en in tweede instantie motie-Recourt geen rol speelt bij de vaststelling van het juridisch raamwerk waarbinnen de strafrechter de inzet van de criminele burgerinfiltrant moet beoordelen. Moties spelen uitsluitend een rol in de verhouding tussen de Eerste of Tweede Kamer en kabinet en de rechter kan in die verhouding geen rol spelen, aldus het Hof.3. Het Hof heeft overwogen dat de Tweede kamer zowel bij het formuleren van het verbod als bij het vervallen verklaren van het verbod heeft gekozen voor het instrument van de motie (en geen gebruik heeft gemaakt van het instrument van amendement) en met het aannemen van een motie een oordeel of verlangen kenbaar maakt ten aanzien van een Minister of het kabinet, terwijl Minister en/of kabinet daar niet aan gebonden zijn. Een motie zou verder alleen een rol spelen in de verhouding tussen de Eerste of Tweede Kamer en het kabinet, een verhouding waarin de rechter geen rol kan spelen. Dat aanvankelijk bij motie een verbod is uitgesproken en de Tweede Kamer hier later eveneens bij motie op is teruggekomen, zou aan de wettelijke grondslag niet afdoen.
Naar het standpunt van rekwirant is het oordeel van het Hof dat de wet in formele zin art. 126w Sv) voorziet in de inzet van de criminele burgerinfiltrant (en dit ondanks de besproken moties ook al vanaf de inwerkingtreding zo was) gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting over de (mogelijke) betekenis van moties in een wetgevingsproces en bij het beoordelen van de bedoeling van ‘de wetgever’ met een bepaalde wettelijk bepaling. Het oordeel is naar het standpunt van rekwirant in ieder geval niet begrijpelijk, althans niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Naar het oordeel van rekwirant heeft het Hof miskend dat moties die door de Tweede Kamer worden aangenomen in diens rol als medewetgever onderscheiden dienen te worden van het type politieke moties waar het Hof naar verwijst. Daarbij is er door de raadsman op gewezen dat het verschil tussen verschillende types moties, zoals dat verschil ook kan worden afgeleid uit de verschillende redactie die de tekst van moties kent. Gewezen is op de andersluidende formulering van de motie-Kalsbeek waarin niet wordt verzocht of gevraagd maar waarin een oordeel wordt neergelegd hetgeen volgt uit de tekst 'spreekt uit./:
‘De Kamer (…) overwegende, dat het werken met een criminele burgerinfiltrant een hoog processueel afbreukrisico kent; overwegende, dat het handelen van een criminele burgerinfiltrant in het algemeen slecht controleerbaar is; overwegende, dat door de vaak voorkomende zogenaamde ‘dubbele agenda’ bij een criminele burgerinfiltrant slecht te controleren is of zijn handelen voldoet aan het Tallon-criterium; spreekt uit, dat met criminele burgerinfiltranten niet dient te worden gewerkt en dat voor de politie en het Openbaar Ministerie een verbod geldt op het inzetten van criminele burgerinfiltranten.’4.
Het Hof heeft dit geheel onbesproken gelaten en vervolgens wel de overweging van de rechtbank overgenomen dat (ook) de wetshistorie geen beletselen opwerpt ten aanzien van de vaststelling dat de bepaling van art. 126w Sv zich niet verzet tegen de inzet van een criminele burger als burgerinfiltrant. Terwijl hierbij een deel van de wetshistorie buiten beschouwing is gelaten.
Het is juist dat uit de Nota naar aanleiding van het verslag volgt dat de toenmalig Minister het verbod op een criminele burgerinfiltrant niet expliciet in de wet wilde opnemen, maar wel is steeds verzekerd dat de inzet van criminele burgerinfiltranten in beginsel buiten de orde zal zijn.5. Dit tot ongenoegen van de verschillende fracties, die in de door hen ingediende vragen — onder meer met verwijzing naar het advies van de Raad van State — benadrukken dat het wél in de wet opnemen van zo'n verbod verstandig wordt geacht.6. Wat rechtbank en Hof niet lijken te hebben onderkend is dat de wisseling van standpunten tussen Kamer en Minister in de Nota nu juist in direct verband staat tot de motie Kalsbeek: met die laatste motie werd de expliciete wens van de meerderheid van de Tweede Kamer de inzet van een criminele burgerinfiltrant wél dwingend te verbieden vastgelegd. Vandaar ook de andersluidende formulering waarin niet wordt verzocht of gevraagd, maar waarin een oordeel wordt neergelegd.
Ook heeft het Hof miskend dat met het aannemen van in eerste instantie de motie-Kalsbeek en in tweede instantie de motie-Recourt de inhoud van die motie onderdeel is geworden van het normerend kader waarbinnen de inzet van de criminele burgerinfiltrant moet worden getoetst.7. Dat moties uitsluitend een rol spelen in de verhouding tussen Eerste of Tweede Kamer en het kabinet en (dus kennelijk) voor de (straf)rechter geen betekenis (kunnen) hebben, is ten principale onjuist en berooft de Tweede Kamer (en de Eerste Kamer) van een belangrijk wetgevingsinstrument. Het miskent zoals in pleidooi aangevoerd dat Tweede en Eerste Kamer binnen het Nederlands politieke bestel samen met de Regering de wetgevende macht vormen. Dat het Hof enkel en alleen stelt dat een Minister of het kabinet niet gebonden is aan een motie (behalve een motie van wantrouwen), een motie uitsluitend een rol speelt in de verhouding tussen Eerste of Tweede Kamer en het kabinet en de rechter in die verhouding geen rol kan spelen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is ieder geval — (mede) gelet op hetgeen onderbouwd naar voren is gebracht — niet voldoende begrijpelijk. Het rechtens in stand blijven van dit oordeel van het Gerechtshof zou reeds daarmee vergaande consequenties hebben voor de positie van zowel de Tweede als Eerste Kamer in het wetgevingsproces. Dat kan niet als juist worden aanvaard en het oordeel van (eerst de rechtbank en toen) het Hof getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting over de betekenis die een aangenomen motie kan hebben voor — op zijn minst — de interpretatie van de bedoeling van de wetgever met een tot stand gekomen wettelijke bepaling. Reeds om die reden kan het oordeel van het Hof niet in stand blijven.
I.4. Oordeel inhoudende wetshistorische interpretatie van art. 126w Sv is niet (zonder meer) begrijpelijk (gemotiveerd)
Het is onjuist en in ieder geval niet zonder meer begrijpelijk dat het Hof bij het oordeel dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant geregeld is bij wet in formele zin, te weten in art. 126w Sv, in doorslaggevende, doch in ieder geval belangrijke, mate heeft betrokken dat blijkens de Memorie van Toelichting de inzet van criminele burgerinfiltranten nadrukkelijk is besproken en niet is uitgesloten en bij die wetshistorische interpretatie heeft uitgesloten dat aan de inhoud van moties een rol van betekenis kan worden toegekend (die spelen immers alleen een rol in de verhouding tussen Tweede of Eerst Kamer en het kabinet, de rechter kan daarin geen rol spelen). Een Memorie van Toelichting is een onderdeel van de parlementaire geschiedenis waar argumenten aan kunnen worden ontleend voor het geven van een oordeel over de wil en bedoeling van de wetgever met een wet(svoorstel) maar om alleen daaraan te ontlenen dat dus ‘de wetgever’ de inzet van de criminele burgerinfiltrant niet heeft uitgesloten, miskent dat de parlementaire behandeling verder is gegaan en ook aan bijvoorbeeld nadere verslagen, moties etc. argumenten kunnen worden ontleend die maken dat de totstandkomingsgeschiedenis (van in dit geval art. 126w Sv) wel ervan blijk geeft dat beoogd is het werken met criminele burgerinfiltranten als bijzonder opsporingsmiddel uit te sluiten (en de uiteindelijk tot stand gekomen wet dan ook zo geïnterpreteerd moet worden dat daarin wel een verbod besloten ligt voor de bijzondere en uiterst risicovolle versie van een burgerinfiltrant; de criminele). Zo stelt ook Borgers:
‘Wie is feitelijk de wetgever en kan men wel spreken van de bedoeling van de wetgever? (…) Er is dus niet één persoon die spreekt en geen van de betrokkenen kan er zonder meer aanspraak op maken dat zijn uitlatingen als die van de wetgever hebben te gelden. Indien de rechter zijn oordeel motiveert aan de hand van bijvoorbeeld een passage uit een memorie van toelichting, dan verlaat de rechter zich, strikt genomen, op een opvatting van een minister. Daarmee is niet gezegd dat alle andere actoren in het wetgevingsproces, indien zij zich niet hebben uitgelaten over die passage, de strekking ervan onderschrijven en dat dus de opvatting van de minister als de opvatting van de wetgever heeft te gelden. Wie zwijgt, stemt niet altijd toe.’ 8.
Wordt iets verder gelezen dan de zinsnede die het Hof aanhaalt, te weten dat ‘Met de inzet van infiltratie nog terughoudender zal moeten worden omgegaan’, dan volgt uit de wetsgeschiedenis dat werd beoogd dat in een richtlijn het kabinetsstandpunt zou worden verwoord dat niet met criminele burgerinfiltranten behoort te worden gewerkt, met een ontheffingsmogelijkheid om van het verbod ontheffing te verlenen ten behoeve van een kortstondige, eenmalige, overzichtelijke actie waarbij wordt verwezen naar voorlopige uitgangspunten van het College Procureurs-Generaal waarin een uitzondering stond voor zaken waarin het kort en eenmalig inzetten van een criminele burgerinfiltrant een doorbraak kon forceren in een onderzoek, waarbij alleen kon worden gedacht aan zaken waarin zeer zwaarwegende belangen op het spel staan. Zoals ontvoeringen, gijzelingen, levensdelicten, aanslagen.9. Dat kennelijk op dat moment werd beoogd weliswaar 126w Sv in werking te laten treden, maar met een neergelegd kabinetsstandpunt van een verbod met enkel een ontheffingsmogelijkheid van het verbod betrekt het Hof geheel niet bij de beoordeling. Ook niet in die zin dat vervolgens de motie-Kalsbeek is aangenomen waarin de Tweede Kamer uitspreekt dat met criminele burgerinfiltranten geheel niet dient te worden gewerkt en dat voor de politie en het Openbaar Ministerie een verbod geldt op het inzetten van criminele burgerinfiltranten. Een motie die door het Hof geheel buiten de beoordeling van de vraag of wel sprake was van een voldoende specifieke in de wet in formele zin gerelde inzet van dit opsporingsmiddel wordt gelaten.
Voorts lijkt het Hof zwaar te hebben meegewogen dat geen gebruik is gemaakt van het instrument van het amendement en dit dus niet heeft geleid tot een wijziging van de wet in die zin dat er een verbod op de inzet van een criminele burgerinfiltrant in de formele wet is opgenomen. En dat de Tweede Kamer zowel bij het formuleren van het verbod, als bij het vervallen verklaren van het verbod, koos voor het instrument van de motie. Dat komt erop neer dat naar het oordeel van het Hof kennelijk alleen indien een amendement wordt aangenomen en de wettekst wordt aangepast sprake kan zijn van de interpretatie dat bedoeld is het opsporingsmiddel te beperken tot de inzet van niet-criminele burgerinfiltranten en dat een motie inhoudende dezelfde strekking niet kan bijdragen aan de beoordeling van reikwijdte en strekking van een wettelijke bepaling en de bedoeling van de wetgever daarmee. Dat is naar het standpunt van rekwirant onjuist. Zoals ook in hoger beroep naar voren gebracht door de verdediging is uitgangspunt dat wanneer parlementaire stukken aan onduidelijkheid of zelfs aan innerlijke tegenstrijdigheid leiden het moeilijk is om aan de wetsgeschiedenis een dwingende argumentatie te ontlenen, maar dat dit niet wil zeggen dat in zo'n geval één onderdeel van de wetsgeschiedenis leidend moet zijn omdat dit het risico in zich heeft dat een grabbelton ontstaat. Juist wanneer verschillende standpunten worden betrokken dient het geheel van die standpunten te worden gewogen om onderbouwd tot een oordeel te komen over welke betekenis aan die wetsgeschiedenis kan worden toegekend.10. Het uitgangspunt van meerdere actoren is ook het startpunt van waaruit het wetgevingsproces door Bovend'Eert en Kummeling wordt beschreven in ‘Het Nederlandse parlement’.11. Om (meerderheids)standpunten van de Tweede Kamer zoals neergelegd in moties daarbij uit te sluiten vanwege het feit dat het moties zijn, is niet juist.12.
Hetgeen het Hof heeft geoordeeld heeft (in belangrijke mate) bijgedragen aan het oordeel van het Hof dat art. 126w Sv grondslag bood en nog steeds biedt voor de inzet van burgerinfiltranten, daaronder begrepen criminele burgerinfiltranten en de inzet van de criminele burgerinfiltrant (A-4110) niet onrechtmatig is nu de inzet van dit opsporingsmiddel is vastgelegd in een formele wet. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is in ieder geval niet begrijpelijk (gemotiveerd), waardoor dit oordeel en het arrest niet in stand kunnen blijven.
II. Schending van de artt. 1, 126w en/of 348, 350, 358, 359, 359a en/of 415 Sv en/of art. 6 EVRM en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder heeft het Hof ten onrechte het ex art. 359a Sv namens rekwirant gevoerde verweer/beroep op bewijsuitsluiting verworpen, althans op onjuiste en/of zonder nadere toelichting niet begrijpelijke gronden verworpen, dan wel nagelaten (voldoende begrijpelijk) te responderen op dit ex art. 359a Sv gedane beroep op bewijsuitsluiting van alle resultaten verkregen door de inzet van criminele burgerinfiltrant A-4110, terwijl het Hof gehouden was daar een (voldoende begrijpelijk) gemotiveerde beslissing op te nemen.
Immers heeft het Hof het verweer zo uitgelegd dat namens rekwirant is gesteld dat de vereisten uit de motie-Recourt via de Aanwijzing opsporingsgevoegdheden van het Openbaar Ministerie alsnog dwingend recht opleveren en in die zin nageleefd moeten worden en geen sprake is van naleving van de Aanwijzing en dit tot bewijsuitsluiting moest leiden (omdat het niet naleven van de eigen regelgeving door het Openbaar Ministerie een vormverzuim kan opleveren), terwijl aan het verweer iets anders ten grondslag is gelegd (en het verweer ook bezwaarlijk anders kan worden verstaan of uitgelegd), te weten dat de door de Tweede Kamer aangenomen motie-Recourt waarin aanvullende vereisten (naast die van art. 126w Sv) zijn neergelegd voor de inzet van een criminele burgerinfiltrant als bindend voor het Openbaar Ministerie moest worden aangemerkt (en het dus niet zo was dat het Openbaar Ministerie alleen door naar eigen keuze vereisten in een Aanwijzing op te nemen gebonden was aan dergelijke vereisten) en het Openbaar Ministerie heeft nagelaten conform die vereisten het bedoelde normerende kader te scheppen waarbinnen het bijzondere opsporingsmiddel van de inzet van de criminele burgerinfiltrant kan plaatsvinden, dat uit de inhoud van de Aanwijzing dat normerende kader niet (voldoende) volgt en dit nalaten moest worden aangemerkt als een onherstelbaar vormverzuim, waarbij gesteld is dat sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, te weten de zwaarbevochten randvoorwaarden waaronder de inzet van een criminele burgerinfiltrant in een strafrechtelijk onderzoek weer toegestaan werd geacht en dat bewijsuitsluiting in dit geval noodzakelijk moest worden geacht als rechtstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat dergelijke vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Het Hof heeft op dit verweer (zoals gevoerd) ten onrechte (geheel) niet gerespondeerd, terwijl het daar wel toe gehouden was.
Indien dit niet-responderen het gevolg is van een andere uitleg van het verweer dan geldt dat die uitleg (gelet op hetgeen zeer duidelijk en stellig naar voren is gebracht) niet begrijpelijk is.
Een (voldoende begrijpelijke) gemotiveerde beslissing op het verweer ligt voorts ook niet besloten in de beoordeling van het Hof of het Openbaar Ministerie heeft gehandeld conform de eigen regelgeving, te weten de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden waarin wordt verwezen naar vereisten uit de motie-Recourt, nu het Hof de vereisten grotendeels heeft ontdaan van de aanvullende en drempelverhogende strekking ten opzichte van de vereisten zoals deze reeds gelden op grond van art. 126w Sv en dus (ook) niet voldoende begrijpelijk heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie de eigen regelgeving heeft nageleefd.
Toelichting
Blijkens het arrest van het Hof d.d. 12 juli 2024 is ten aanzien van rekwirant (onder meer) bewezenverklaard dat:
‘4. (zaaksdossier 17)
hij in de periode van 30 oktober 2019 tot en met 8 november 2019 in Nederland en in [a-plaats] (Finland), tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag, te weten een bedrag van ongeveer 140.000 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf;’
Ten aanzien van dit feit is de bewezenverklaring mede gebaseerd op verklaringen afgelegd door A-4110 en gemaakte opnames van gesprekken waar A-4110 deel van uitmaakte.13. Rekwirant heeft ontkend zich aan dit feit schuldig te hebben gemaakt. A-4110 is een ingezette criminele burgerinfiltrant, de inzet van dit opsporingsmiddel is gebaseerd op art. 126w Sv (burger infiltratie).
II.1. Standpunt verdediging
Namens rekwirant is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep (ook gelet op het inmiddels gegeven oordeel van de rechtbank) uitgebreid betoogd dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant onrechtmatig is geweest, primair omdat kortgezegd sprake was van strijdigheid met het legaliteitsbeginsel omdat onderdeel van het wetgevingsproces dat heeft geleid tot de inwerkingtreding van art. 126w Sv is geweest dat de wettelijke grondslag voor de inzet van een burgerinfiltrant werd beperkt door de inzet van criminele burgerinfiltranten uit te sluiten (tweede motie-Kalsbeek) en dat het met de motie-Recourt waarmee die beperking werd herroepen geen afdoende wettelijke grondslag voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant tot stand is gekomen. Geklaagd wordt in middel I over het oordeel van het Hof gegeven naar aanleiding van dit verweer.
Tevens is (subsidiair) in hoger beroep namens rekwirant door zijn raadsman mr. S.L.J. Janssen — in de kern — betoogd dat indien er een voldoende wettelijke basis was voor inzet van de criminele burgerinfiltrant de in de motie-Recourt opgenomen eisen voor die inzet als het Openbaar Ministerie bindend recht moeten worden aangemerkt en het dus niet — zoals de rechtbank had geoordeeld14. — zo is dat het Openbaar Ministerie aan die eisen slechts gebonden is omdat het Openbaar Ministerie zich (kennelijk) heeft willen binden aan die vereisten door in de Aanwijzing te verwijzen naar die motie, waardoor de vereisten uit de motie (ook) alsnog onderdeel uitmaken van het voor de rechter relevante juridische raamwerk omdat de Aanwijzing kan worden aangemerkt als recht in de zin van art. 79 Wet RO. Hierop wordt in randnummers 32 t/m 57 van de pleitnotities zoals overgelegd en voorgedragen ter terechtzitting van het Hof d.d. 12 februari 2024 ingegaan.
Ook is hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht over de betekenis van moties (randnummers 11 t/m 30) in het wetgevingsproces relevant, nu hier in randnummer 31 van wordt gesteld dat indien het Hof niet tot een schending van het legaliteitsbeginsel zou komen, het Hof zou moeten uitspreken dat de vereisten in de motie-Recourt dwingend aan het Openbaar Ministerie zijn opgelegd en niet slechts politieke aanbevelingen zijn die het Openbaar Ministerie zonder consequenties naast zich neer kan leggen (waarbij het tegenovergestelde oordeel van grote betekenis kan en ook zal zijn voor de verhouding tussen Minister, Tweede Kamer en rechtsprekende macht). Gelet op het inmiddels gegeven oordeel van de rechtbank over de formele rechtmatigheid, is in hoger beroep door de raadsman in het bijzonder aandacht besteed aan de betekenis van moties in het wetgevingsproces. De rechtbank had overwogen dat een motie een advies is aan de Minister en vooral politieke betekenis kan hebben. Het negeren van een motie zou politieke consequenties kunnen hebben, maar niet direct relevant zijn voor de rechterlijke toetsing.
Namens rekwirant is in hoger beroep (ook reeds bij appelschriftuur) naar voren gebracht dat de rechtbank een onjuiste lezing van de totstandkomingsgeschiedenis (van art. 126w Sv) en het recht heeft gegeven. Zowel over de vraag wie er in het wetgevingsproces als ‘wetgever’ aangemerkt dient te worden en de betekenis van de verschillende fases en instrumenten binnen dat wetgevingsproces, als over de vraag hoe de rechter in strafzaken tot een wetshistorische interpretatie kan komen. Dit door een onjuiste interpretatie van het begrip ‘wetgever’ te hanteren (in de zin van wat ‘de wetgever’ wilde) en het verschil tussen verschillende moties te miskennen en enkel uit te gaan van een motie die als een aanbeveling aan het kabinet kan worden beschouwd — die volgens het (onderbouwde) standpunt van de raadsman moeten worden onderscheiden van moties die de Tweede Kamer in het kader van een wetgevingstraject kan aannemen en waarin het standpunt van de Tweede Kamer met betrekking tot een specifiek onderdeel van dat wetgevingsproces wordt vastgelegd. Gesteld is dat dit type motie bij uitstek geschikt is om het standpunt van de Tweede Kamer in diens rol als wetgever over een onderdeel van een aan te nemen wet vast te leggen.
Betoogd is dat sprake is van materiele en formele normering in de motie-Recourt en welke betekenis de (rand)voorwaarden uit die motie hebben. De raadsman heeft in dit kader beschreven dat uit de motie-Recourt naast de proportionaliteits- en subsidiariteitseis vier aanvullende eisen volgen voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant waaraan getoetst moet worden, te weten: a) dat de inzet alleen onder een zeer strikt regime van waarborgen kan plaatsvinden, b) bij zeer gesloten criminele groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit, c) in korte trajecten, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van groei-informanten en d) na toestemming van de Minister van Veiligheid en Justitie. En dat het klopt dat Corstens en Borgers schrijven dat er vanuit wordt gegaan dat daarbij sprake is van ‘nog nader uit te werken en te concretiseren randvoorwaarden’15., maar dat niet juist was dat het Openbaar Ministerie betoogde (of leek te betogen) dat die uitwerking van de wetgever moest komen:
‘in lijn met de inhoud van het in de Tweede Kamer gevoerde debat lag er een opdracht en verantwoordelijkheid bij het Openbaar Ministerie, vanuit welke organisatie ook het verzoek bij de minister was gekomen dit middel weer beschikbaar te maken (omdat anders de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit niet gewonnen zou kunnen worden)’.
Bepleit is dat van (verder) uitgewerkte of geconcretiseerde randvoorwaarden (naar aanleiding van de inhoud van de motie-Recourt) in de Aanwijzing op geen enkele wijze sprake is en dat het een beslissing van het Openbaar Ministerie is de benodigde nadere normering ter invulling van de onderdelen uit de motie niet tot stand te brengen. Enige nadere normering is blijkens hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht16. in weerwil van de mandatering aan het Openbaar Ministerie uitgebleven en dit is van belang geacht voor de vraag of de inzet van A-4110 in onderhavige zaak bijvoorbeeld heeft plaatsgevonden ‘onder een zeer streng regime van waarborgen’. Een vraag die door de verdediging ontkennend is beantwoord gelet op het ontbreken van het in het leven roepen van een dergelijk regime.
Vanaf randnummer 33 zijn in pleidooi de genoemde (rand)voorwaarden uit de motie-Recourt nagelopen, waar blijkens dat pleidooi aan moest worden getoetst. De randvoorwaarde dat een criminele burgerinfiltrant alleen mag worden ingezet ‘onder een zeer streng regime van waarborgen’ is voornamelijk uitgebreid besproken, zowel is materieel getoetst of de inzet had plaatsgevonden onder een dergelijk regime (hetgeen blijkens het pleidooi niet het geval was), als is besproken dat en waarom in het vonnis het in motie vereiste ‘zeer strenge regime van waarborgen’ ten onrechte was vertaald naar ‘strikte waarborgen’. En de rechtbank hier eigenlijk geen extra vereisten in las, omdat de wettelijke voorwaarden (bedoeld zal zijn: proportionaliteit, subsidiariteit en instemming College Procureurs-Generaal) al dergelijke strikte voorwaarden zouden opleveren en verwezen werd naar het feit dat in de Aanwijzing wordt aangegeven dat steeds bijzondere aandacht moet worden besteed aan de betrouwbaarheid en stuurbaarheid van de in te zetten burger en deze begeleid moet worden.
Dat de raadsman zich namens rekwirant op het standpunt heeft gesteld dat het niet zozeer ging om de vraag op welke wijze de inzet van A-4110 in deze zaak heeft plaatsgehad, maar om de afwezigheid van een geconcretiseerd zeer streng regime van waarborgen waar in meer algemene zin de inzet van een criminele burgerinfiltrant aan moet worden getoetst, blijkt duidelijk uit hetgeen naar voren is gebracht. Zo is ook naar voren gebracht dat de officieren van justitie zich in eerste aanleg op het standpunt stelden dat uit de wijze waarop in deze zaak de inzet van een criminele burgerinfiltrant heeft plaatsgevonden, blijkt dat wel degelijk sprake was van een zeer streng regime van waarborgen, waarvan de raadsman heeft gesteld dat die stelling niet overtuigt omdat dit de vaste werkwijze bij zowel reguliere infiltranten als gewone burgerinfiltranten betrof er dus geen sprake was van aanvullende vereisten voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant. Daarbij is ook naar voren gebracht dat het feit dat in deze zaak sprake is van OVC-opnames en camerabeelden welke de controleerbaarheid van de inzet verbeteren, niet maakt dat in een volgende zaak eveneens zal worden gekomen tot een dergelijke controleerbare inzet van een criminele burgerinfiltrant omdat nergens voor het Openbaar Ministerie bindend is vastgelegd dat aan een dergelijke voorwaarde moet worden voldaan. De raadsman heeft juist om die reden gesteld dat geoordeeld zou moeten worden dat bij gebrek aan zo'n nader ingevuld en geconcretiseerd streng regime van waarborgen niet voldaan werd aan de motie (Recourt) en daarmee de inzet van de criminele burgerinfiltrant op voorhand niet rechtmatig kan zijn. Het ging kortom duidelijk om een toetsing aan de vereisten uit de motie-Recourt en niet om de vraag of het Openbaar Ministerie zich aan eigen regelgeving — te weten de Aanwijzing — heeft gehouden, omdat nu juist naar het standpunt van de raadsman was nagelaten naar aanleiding van de motie-Recourt tot een geconcretiseerd streng regime van waarborgen te komen.
Gesteld is ook dat dit eens te meer geldt nu uit de verslaglegging en de verhoren van de verschillende betrokkenen duidelijk volgt dat bij de inzet en de begeleiding van A-4110 van het strikt de hand houden aan enig aangescherpt regime geen sprake was.17. Daar is de raadsman in randnummer 33 nog nader op ingegaan, waarbij is gesteld dat met de stap van het gaan inzetten van A-4110 als criminele burgerinfiltrant een nieuwe realiteit ontstond waarin de zware eisen van de motie die de inzet van een dergelijke burgerinfiltrant rechtmatig maakten van toepassing waren. En dat zijn begeleiders vanaf dat moment het geldende zeer strenge regime van waarborgen zouden moeten gaan handhaven en daarover verantwoording zouden moeten gaan afleggen aan hun teamleiding en het Openbaar Ministerie. Gesteld is dat uit de verhoren van zowel A-4110 als van de begeleiders ondubbelzinnig naar voren kwam dat daar op geen enkele wijze sprake van is geweest en dat er helemaal niks was veranderd ten opzichte van de eerdere situatie waarin A-4110 steeds was ingezet in het kader van de overeenkomst tot pseudokoop en vervolgens een overeenkomst tot stelselmatige informatie inwinning. De suggestie dat er vanuit de top van het Openbaar Ministerie weliswaar niet gezorgd is voor een invulling van het vereiste zeer strenge regime van waarborgen maar desondanks in de uitvoering sprake was van aangescherpt toezicht in enige vorm, was niet aan de orde, aldus de raadsman (pleitnotities, p. 27). Gesteld is dat aan dit vereiste uit de motie noch aan de formele kant, noch aan de materiele kant is voldaan. Ook is aangegeven dat op het punt van de verdiensten van A-4110 als criminele burgerinfiltrant, of verdiensten van criminele burgerinfiltranten in het algemeen, is nagelaten dit op een zorgvuldige manier te regelen (hetgeen als exemplarisch naar voren is gebracht voor het ontbreken van dat dergelijke zeer strenge regime van waarborgen).
Vervolgens is de raadsman erop ingegaan dat het in de motie geformuleerde vereiste ‘zeer strenge regime van waarborgen’ door de rechtbank in het vonnis is vertaald naar ‘strikte waarborgen’ en dat de rechtbank lijkt te stellen dat hierin eigenlijk geen extra vereisten hoeven te worden gelezen dan de wettelijke voorwaarden van proportionaliteit, subsidiariteit en instemming van het College procureurs-generaal. Dat zou betekenen dat de rechtbank impliciet oordeelt dat de Tweede Kamer voor niets tot de eisen in de motie is gekomen, omdat die strenge eisen er allang (wettelijk) waren en dus niets toevoegden. De raadsman heeft gesteld dat hij die lezing van de rechtbank niet kan verenigen met wat er rondom die motie door verschillende parlementariërs is gezegd en ook niet met de tekst van die motie, waarin dat zeer strenge regime van waarborgen als eis wordt toegevoegd aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het was ondubbelzinnig de bedoeling van de toenmalige Tweede Kamer aanvullende eisen te stellen aan de inzet van een criminele burgerinfiltrant, verdergaand dan de algemene eisen van art. 126w Sv. In randnummer 38 wijst de raadsman erop dat bij uitstek een van de belangrijkste kritiekpunten in het pleidooi in eerste aanleg is geweest dat het Openbaar Ministerie bij monde van de Minister gedane toezegging dat zou worden voorzien in een streng normerend kader, waarbinnen de inzet van een criminele burgerinfiltrant zou plaats hebben, niet gestand heeft gedaan en dat de rechtbank daar geen oordeel over heeft gegeven terwijl duidelijk moet zijn geweest dat hierover een beslissing werd gevraagd. In randnummer 39 is aangegeven:
‘ik verzoek uw Hof u nadrukkelijk uit te laten over het uitblijven van dat normerend kader en wat dat zegt over de rechtmatigheid van het optreden van het Openbaar Ministerie in deze zaak.’
Ook ten aanzien van het vereiste uit de motie dat de criminele burgerinfiltrant alleen mag plaatsvinden bij ‘zeer gesloten criminele groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit’ is (randnummer 45 van de pleitnotities) gesteld dat sprake is van een als drempelverhogend bedoelde voorwaarde, dat een nadere invulling van de betekenis hiervan volgend op het aannemen van de motie had moeten plaatshebben en dit niet plaatsgevonden heeft. Duidelijk is uiteengezet dat deze voorwaarde nader invulling zou moeten geven aan het feit dat slechts in hoge uitzonderingsgevallen gebruik moest kunnen worden gemaakt van een criminele burgerinfiltrant. Aangegeven is dat de rechtbank in het vonnis ten aanzien van dit vereiste is afgeweken van de in de motie-Recourt gebezigde terminologie omdat slechts wordt gesproken van (en getoetst aan) ‘zware criminelen en criminele organisaties’ om vervolgens te kunnen stellen dat daarvan sprake is bij internationale handel in verdovende middelen. Gesteld is:
‘Het is gewoon een rechtsvraag die hier bij Uw Hof voorligt: valt het type strafbare feiten begaan onder de omstandigheden van deze zaak onder dat door de Tweede Kamer genoemde criterium van de ‘ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit’ of is dat niet zo? Daar krijgt de verdediging ook met het oog op de op dit onderdeel gewenste rechtsvorming graag (dit keer wel) een antwoord op. Voor alle duidelijkheid: het antwoord van de verdediging op die vraag luidt nog altijd ontkennend.’
(randnummer 47 pleitnotities). Ook van een ‘zeer gesloten organisatie’ was blijkens het pleidooi geen sprake.
De randvoorwaarden van ‘korte trajecten, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een groei-infiltrant’ en ‘na toestemming van de minister van Veiligeid en Justitite’ zijn korter besproken nu de rechtbank ten aanzien van die vereisten wel een vormverzuim had aangenomen. Uitgebreider is ingegaan op het feit dat daar geen rechtsgevolgen aan verbonden waren.
In randnummers 58 t/m 65 worden daar conclusies aan verbonden. Te weten dat de toetsing van de uitvoerende macht bij de rechtsprekende macht ligt en dat op grond van de jurisprudentie van uw College d.d. 1 december 2020 ook ruimte is voor bewijsuitsluiting bij ernstige schendingen van strafvorderlijke voorschriften of rechtsbeginselen, waardoor bewijsuitsluiting noodzakelijk kan worden geacht als rechtstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat dergelijke vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Gesteld is dat sprake is van een ernstige schending van een strafrechtelijk voorschrift, te weten de zwaarbevochten randvoorwaarden waaronder de inzet van een criminele burgerinfiltrant in een strafrechtelijk onderzoek weer toegestaan werd geacht. Gesteld is dat het College van Procureurs-Generaal had moeten voorzien in duidelijke en toetsbare kaders waarbinnen de inzet van dit middel zou moeten plaatshebben en dat voorzien had moeten worden in toezicht van de zaaksofficier(en) dat die kaders gehandhaafd zouden worden en de inzet van de infiltrant zou voldoen aan de daaraan in de motie gestelde voorwaarden. Gesteld is dat beiden niet is gebeurd en dat dit getuigt van een dermate eigengereidheid van het Openbaar Ministerie dat aangenomen mag worden dat het bij een volgende inzet van de criminele burgerinfiltrant niet anders zal gaan indien hier door het Hof geen gevolgen aan zouden worden verbonden. Bewijsuitsluiting was blijkens de conclusies noodzakelijk om vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst te voorkomen.
In randnummer 60 is naar voren gebracht:
‘Deze casus Vidar is een exemplarisch voorbeeld van de wijze waarop het in het Nederlandse bestel op fundamenteel niveau telkens mis gaat waarbij het Openbaar Ministerie zich bevoegdheden toekent die het op basis van de wet niet heeft, in strijd met daarover gedane toezeggingen nalaat het eigen handelen afdoende te normeren en als gevolg daarvan — met respect voor iedereen en ieders goede bedoelingen — maar wat aanrommelt om wanneer daarop kritiek komt zich te verweren met de stelling dat het pionieren is en dat naar beste kunnen getracht is op een zorgvuldige wijze aan opsporing te doen.’
Aangegeven is dat sprake is van een patroon en een vergelijk is gemaakt met de kroongetuige- en getuigenbeschermingsproblematiek:
‘Ten aanzien van de kroongetuige- en getuigenbeschermingsproblematiek is in de afgelopen 10 jaar bij alle mogelijke gerechtelijke instanties aangedrongen op beslissingen die zowel wetgever als Openbaar Ministerie ervan zouden doordringen dat zowel systematiek als uitvoering verandering behoeven. Tot op het niveau van de Hoge Raad is dat niet gebeurd en zijn de gebrekkige wettelijke en beleidsmatige fundamenten van voor de integriteit van de opsporing riskante opsporingsmethodes in stand gelaten of zelfs verder verzwakt met zachte heelmeester-achtige redeneringen, die vooral ten doel leken te hebben de zaken (veroordelingen) in de lucht te houden en het Openbaar Ministerie niet voor de voeten te lopen. Vervolgens is het kalf verdronken en worden er lijvige rapporten geschreven waarin wordt opgetekend dat het niet goed gegaan is, dat de verschillende staatsmachten hun verantwoordelijkheid moeten nemen en stappen moeten zetten, dat wordt dan vervolgens door de staatsmachten in kwestie vroom in ontvangst genomen met een plechtige belofte het beter te gaan doen, en vervolgens blijft alles bij het oude.’
Geconcludeerd is dat het uitsluiten van het middels de inzet van A-4110 verkregen bewijs het geëigende en juiste middel is om een niet mis te verstaan signaal af te geven aan de opsporing dat deze manier van werken niet geaccepteerd wordt.
Vervolgens is in dupliek nog eens kernachtig naar voren gebracht (en aan het Hof verzocht te bepalen dat):
- ‘D.
Dat voor zover de Motie-Recourt die eerdere motie-Kalsbeek wél rechtmatig zou kunnen herroepen de daarin opgenomen eisen voor de inzet van een criminele burgerinfiltrant als het Openbaar Ministerie bindend recht moeten worden aangemerkt en het dus niet — zoals de rechtbank stelt — zo is dat het Openbaar Ministerie aan die eisen slechts gebonden is als gevolg van de beslissing die eisen over te nemen in de eigen Aanwijzing;
- E.
Dat de in die motie opgenomen eis van het zeer streng regime van waarborgen gezien de redigering van die motie waarin die eis volgt op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en bezien in het licht van al hetgeen over die vereisten is besproken bij de totstandkoming van de Motie-Recourt, een aanvullende eis oplevert waaraan het Openbaar Ministerie moet voldoen en deze niet — zoals de rechtbank suggereert — slechts een herhaling betreft van de algemene eisen van proportionaliteit en subsidiariteit in combinatie met artikel 140a Sv;
- F.
Dat het Openbaar Ministerie door in strijd met de gedane toezegging niet te voorzien in dat in die motie vereiste zeer strenge regime van waarborgen de formele voorwaarden waaronder tot rechtmatige inzet van de criminele burgerinfiltrant zou kunnen worden gekomen niet heeft gecreëerd en daarmee van een rechtmatige inzet ook geen sprake kan zijn;
- G.
Dat uit de gang van zaken bij de inzet van A-4110 in ieder geval ondubbelzinnig volgt dat van een aangescherpt regime of een aangepaste werksituatie of enige aanvullende eisen die aan de criminele burgerinfiltrant of diens begeleiders werden gesteld geen sprake is geweest en dat daarmee materieel gezien duidelijk geen zeer streng regime van waarborgen is toegepast bij de inzet van A-4110, waarmee die inzet niet rechtmatig kan worden geacht;
- H.
Dat de groep verdachten waarbinnen A-4110 als criminele burgerinfiltrant werd ingezet niet beschouwd kan worden als een zeer gesloten groepering die zich schuldig maakt aan de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit;
- I.
Dat van een kort traject zoals vereist door de motie met de meer dan een jaar durende inzet van A-4110 geen sprake is geweest;
- J.
Dat het nietszeggende briefje van 21 maart 2019 van mr. Grapperhaus niet als de waarborg kan gelden die blijkens de overwegingen rondom de totstandkoming van de Motie-Recourt beoogd werd en dat voor zover dat briefje wél als de vereiste toestemming van de minister kan gelden deze toestemming pas gekomen is nadat al tot sluiting van de overeenkomst met de criminele burgerinfiltrant en zelfs tot daadwerkelijke inzet als zodanig was overgegaan;
- K.
Dat aldus aan de vier belangrijkste eisen uit die Motie-Recourt voor een rechtmatige inzet van een criminele burgerinfiltrant in dit onderzoek Vidar niet is voldaan;
- L.
Dat dit een groot aantal vormverzuimen oplevert waarmee niet alleen sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, maar die bovendien als exemplarisch moeten worden gezien voor de wijze waarop het Openbaar Ministerie zich in de afgelopen jaren keer op keer onttrekt aan door de wetgever opgelegde beperkingen, dan wel door die beperkingen eenvoudig naast zich neer te leggen c.q. geen opvolging te laten krijgen in de praktijk, dan wel door niet te voorzien in het bij gelegenheid van de totstandkoming van die wetgeving toegezegde heldere en kenbare kader waarbinnen de inzet van een specifieke opsporingsactiviteit streng genormeerd zal worden, waarmee sprake is van een ernstig vormverzuim dat zich bij herhaling voordoet;
- M.
Dat bij die stand van zaken bewijsuitsluiting als hierboven genoemd bij punt C de enige sanctie is waarmee het Openbaar Ministerie er in voldoende mate van doordrongen zal raken dat deze handelingswijze niet geaccepteerd wordt en die bewijsuitsluiting daarmee passend en geboden.’
Met het voorgaande is sprake van een in de vorm van art. 359a Sv gegoten verweer. Het verweer van de raadsman kan in ieder geval bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat bepleit is dat sprake was van een onherstelbaar vormverzuim (meerdere zelfs) zoals bedoeld in art. 359a Sv en dat de in het tweede lid van dat artikel genoemde belangen rechtvaardigen dat aan dat vormverzuim het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting wordt verbonden. Er is weliswaar op meerdere punten gesteld dat niet is voldaan aan de eisen uit de motie-Recourt, welke eisen ook in de Aanwijzing zijn neergelegd (korte trajecten, toestemming van de minister) en dus ook niet conform de Aanwijzing was gehandeld, een belangrijker deel van het beroep op bewijsuitsluiting zag op het punt dat de motie-Recourt voor het Openbaar Ministerie bindend moet worden aangemerkt en het Openbaar Ministerie ten onrechte heeft nagelaten aan de hand van de randvoorwaarden het bedoelde normerend kader in het leven te roepen voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant. En dat de inhoud van de Aanwijzing niet als dat bedoelde normerend kader kon worden aangemerkt, bijvoorbeeld omdat daaruit geen ‘zeer streng regime van waarborgen’ volgt en slechts wordt vermeld dat de inzet alleen onder strikte waarborgen mag plaatsvinden en omdat geen invulling wordt gegeven aan het vereiste dat inzet alleen plaatsvindt bij ‘zeer gesloten criminele groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit’ (en wat daaronder moet worden verstaan) maar vermeld wordt dat het moet gaan om zware criminelen en criminele organisaties, die hun criminele activiteiten zeer succesvol afschermen en met traditionele opsporingsmiddelen onvoldoende kunnen worden aangepakt. De formele voorwaarden waaronder tot rechtmatige inzet van de criminele burgerinfiltrant zou kunnen worden gekomen zijn door het Openbaar Ministerie niet gecreëerd zodat van een rechtmatige inzet (reeds om die reden) geen sprake kan zijn.
Dit verweer, dat naar het oordeel van rekwirant voldoet aan de daaraan op grond van HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376 en HR 1 december 2020, NJ 2021, 169 te stellen eisen, is een verweer waarop het Hof blijkens art. 359a lid 3 Sv en het zojuist genoemde arresten een gemotiveerde beslissing moest nemen.
II.2. Oordeel Hof
Voor het oordeel van het Hof is relevant dat onder het kopje ‘Algemeen standpunt van de verdediging’ gesteld wordt:
‘Daarnaast is aangevoerd dat de vereisten van art. 126w juncto 140 Sv zijn aangevuld met de vereisten uit de motie-Recourt. Die vereisten leveren via de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie alsnog dwingend recht op en deze vereisten zouden in beginsel nageleefd moeten worden. Daarvan is geen sprake. Aan geen van deze vereisten is voldaan.’ 18.
Vervolgens is nadat tot de conclusie wordt gekomen dat het Openbaar Ministerie op grond van art. 126w Sv over kon gaan tot de inzet van een criminele burgerinfiltrant, overgegaan tot de beoordeling of in deze zaak is voldaan aan de geldende voorwaarden voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant. Daarvoor worden eerst de vereisten uit art. 126w Sv nagelopen, vervolgens of voldaan is aan de vereisten van art. 140a Sv en art. 131 Wet RO. Daaromtrent wordt geoordeeld dat het College van procureurs-generaal te laat heeft ingestemd met de overeenkomst tot burgerinfiltratie zoals bedoeld in art. 126w Sv en dat op dit punt sprake is geweest van een vormverzuim. Ook ten aanzien van de voorwaarde de Minister van Justitie tijdig op de hoogte te brengen van de beslissing tot inzet van de criminele burgerinfiltrant is geoordeeld dat sprake is van een vormverzuim. Geoordeeld is dat niet enig gerechtvaardigd belang van verdachten door het vormverzuim is geschonden.
De overweging van de rechtbank dat de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden verwijst naar de motie-Recourt en de regels uit de Aanwijzing recht zijn in de zin van art. 79 Wet RO en tot het daarmee juridisch raamwerk behoren waaraan dient te worden getoetst, wordt door het Hof overgenomen. Als het Openbaar Ministerie zich immers niet aan de eigen regelgeving heeft gehouden kan dit een schending opleveren van de beginselen van een behoorlijke procesorde en een vormverzuim opleveren als bedoeld in art. 359a Sv.
Onder het kopje ‘Is voldaan aan de voorwaarden uit de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden?’ overweegt het Hof ten aanzien van ‘Zware criminelen en criminele organisaties’ dat het moet gaan om zeer gesloten groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstige vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit en dat het Hof zich aansluit bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen, te weten dat deze randvoorwaarde te vereenzelvigen valt met het in art. 126w Sv vervatte proportionaliteitsbeginsel. En dat behoudens Aanwijzingen voor het tegendeel bij de internationale drugshandel naar algemene ervaringsregels per definitie zware criminelen en criminele organisaties betrokken zijn en daarvan in onderzoek Vidar ook sprake is geweest. Omdat het gaat om aanmerkelijke handelshoeveelheden harddrugs, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat de internationale handel in harddrugs de samenleving ernstig kan ontwrichten omdat achter die handel doorgaans een wereld van (grootschalige) georganiseerde en ondermijnende criminaliteit schuilgaat waarbij het gebruik van (excessief) geweld niet geschuwd wordt. Aanvullend heeft het Hof overwogen dat het opsporingsonderzoek tot aan de aanvraag overeenkomst burgerinfiltratie van begin 2019 had opgeleverd dat de reële verdenking was gerezen dat verdachten zich bezighielden met grootschalige internationale drugshandel en dat op dat moment er wel degelijk vrees is voor ondermijnende criminaliteit. Omdat het behalve om verdenkingen van grootschalige drugshandel ook om export naar diverse landen ging waarvan (kader)leden van de Hells Angels en motorclub Red Devils volgens vaste patronen betrokken leken te zijn, kon naar het oordeel van het Hof aangenomen worden dat er sprake was van zware criminaliteit en van een criminele organisatie.
Onder het kopje ‘Zeer succesvolle afscherming van criminele activiteiten waardoor deze met traditionele opsporingsmiddelen onvoldoende kunnen worden aangepakt’ heeft het Hof zich aangesloten bij hetgeen de rechtbank reeds had overwogen, te weten dat deze voorwaarde valt te vereenzelvigen met het in art. 126w, tweede lid, Sv vervatte subsidiariteitsbeginsel. Voorts heeft het Hof overwogen dat uit het proces-verbaal aanvraag overeenkomst burgerinfiltratie blijkt dat het gaat om een zeer gesloten groepering die zich succesvol weet af te schermen van de opsporingsautoriteiten.
Ten aanzien van de voorwaarde ‘Alleen in hoge uitzonderingsgevallen’ heeft het Hof zich aangesloten bij hetgeen de rechtbank hieromtrent had overwogen, te weten dat het feit dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant slechts in hoge uitzonderingsgevallen plaats mag vinden reeds blijkt uit de wettelijke voorwaarden voor die inzet. Daaruit kan worden afgeleid dat met die inzet zeer terughoudend moet worden omgegaan en dat aan die voorwaarde is voldaan zou blijken uit hetgeen ‘hierboven is toegelicht’. Kennelijk beoogt het Hof daarmee te verwijzen naar hetgeen ten aanzien van de vraag of is voldaan aan het vereisten van art. 126w Sv was overwogen.
Ten aanzien van de ‘Strikte waarborgen’ overweegt het Hof te hebben geconstateerd dat in de motie-Recourt, waarnaar in de Aanwijzing wordt verwezen, in de inleidende overwegingen de term strikte waarborgen wordt gebruikt en dat later in het verzoek aan de regering de term zeer streng regime van waarborgen is gebezigd. Het Hof stelt vervolgens vast dat de Aanwijzing spreekt van strikte waarborgen bij de inzet van een criminele burgerinfiltrant en dat de beoordeling voorligt de vraag of aan die voorwaarden is voldaan. Het Hof sluit zich voor wat betreft de toetsing aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen, namelijk dat het feit dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant moet plaatsvinden onder strikte voorwaarden reeds blijkt uit de wettelijke voorwaarden waaronder de inzet mag plaatsvinden, maar ook uit de wijze waarop de infiltratie zal moeten worden uitgevoerd nu die uitvoering geen afbreuk zal mogen doen aan de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing. Overwogen wordt dat in de Aanwijzing ten behoeve daarvan is opgenomen dat bij de inzet van een criminele burgerinfiltrant steeds bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de betrouwbaarheid en de stuurbaarheid van de in te zetten burger en dat deze dan ook altijd begeleid moet worden door een opgeleide begeleider van de afdeling afgeschermde operaties van de Landelijke Eenheid.
Vervolgens sluit het Hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank over het voortdurende toezicht dat is gehouden op het handelen van A-4110 als criminele burgerinfiltrant. Uit het procesdossier zou niet zijn gebleken dat tijdens het onderzoek Vidar de integriteit van opsporing op enig moment in het geding is gekomen, zo zou niet zijn gebleken dat het Openbaar Ministerie de regie over en de controle op het handelen van A-4110 kwijt is geraakt en dat uit stukken naar voren komt dat A-4110 stuurbaar en betrouwbaar was. In het licht daarvan wordt tot het oordeel gekomen dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant heeft plaatsgevonden onder strikte waarborgen. Het Hof stelt verder nog vast dat in de overeenkomst tot burgerinfiltratie afspraken en voorwaarden zijn opgenomen waar A-4110 zich aan moet houden en dat van de inzet van A-4110 door de voortdurend meervoudige WOD-begeleiding telkens verslag is gedaan. Verder hebben de WOD-begeleiders als getuigen verklaard en een toelichting gegeven over de inrichting van hun begeleiding, bijvoorbeeld hoe de selectie van A-4110 heeft plaatsgevonden, in welke frequentie zij contact hadden met A-4110 en hoe de verslaglegging na afloop van hun inzet plaatsvond. Gelet op al die omstandigheden concludeert het Hof, met de rechtbank, dat aan de in de Aanwijzing gestelde voorwaarden van inzet uitsluitend onder strikte waarborgen is voldaan, overigens ook in die zin dat het Hof van oordeel is dat is voldaan aan een zeer streng regime van waarborgen.
Ten aanzien van het vereiste dat voldaan moet zijn aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit overweegt het Hof dat is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en dit reeds is uitgewerkt bij de bespreking van respectievelijk het eerste en tweede lid van art. 126w Sv.
Onder het kopje ‘De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van een groei-infiltrant’ sluit het Hof zich wederom aan bij de overwegingen van de rechtbank. Inhoudende dat door het Openbaar Ministerie niet is voldaan aan de genoemde randvoorwaarden. In het onderzoek Vidar is geen sprake geweest van een kortstondig traject en een eenmalige inzet, ook was het hoofddoel — vaststellen of uitsluiten van betrokkenheid van (leden van) de Hells Angels bij de internationale handel in harddrugs — niet direct te bereiken. Het Hof is hier met de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie zich niet aan de eigen regelgeving heeft gehouden en dit een vormverzuim oplevert ex art. 359a Sv. Daar hoeven echter geen rechtsgevolgen aan te worden verbonden. De verdachten zijn door het geconstateerde vormverzuim niet daadwerkelijk in hun verdediging geschaad.
Het Hof heeft daar aan toegevoegd dat het van oordeel is dat bij infiltratie aan het begrip ‘kort’ en ‘kortdurend’ geen vastomlijnde of eenduidige betekenis kan worden gegeven. Of een inzet kortdurend is zal afhangen van diverse factoren omdat een infiltrant tijd nodig heeft om te infiltreren. Naar het oordeel van het Hof is het ook voor wat betreft de term groei-infiltrant belangrijk om te kijken naar het wezen en traject van de infiltratie. De definitie en uitspraken van de Minister (Opstelten in Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr.195, p. 20) vallen moeilijk te rijmen met de uitvoeringspraktijk. Maar omdat het Openbaar Ministerie ervoor heeft gekozen om een beperkte definitie in de Aanwijzing op te nemen, zijn rechtbank en Hof daaraan gebonden en moeten daaraan toetsen. Die toetsing verdient evenwel nuancering, zo volgt uit de overwegingen van het Hof. Vervolgens wordt inhoudelijk ingegaan op de wijze en duur van het infiltratietraject met A-4110 en stelt het Hof vast dat uit diverse processen-verbaal van aanvraag van burgerinfiltratie volgt dat het steeds de bedoeling is geweest en werd geprobeerd om de rol van A-4110 kleiner te maken of hem uit het infiltratietraject te halen, maar dat dat door het vertrouwen dat binnen de organisatie in A-4110 werd gesteld telkens vanwege uitlatingen en/of gedragingen van betrokkenen in die organisatie niet lukte. Ook deze aanvullende overwegingen maken dat het Hof van oordeel is dat het Openbaar Ministerie zich niet aan eigen regelgeving heeft gehouden en dit in die zin een vormverzuim oplevert ex art. 359a Sv, maar van oordeel is dat daaraan geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden.
Als laatste wordt door het Hof nog de voorwaarde genoemd dat de Minister toestemming moet geven voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant. Hieromtrent wordt vastgesteld dat de door de Minister verleende toestemming te laat is verleend nu de overeenkomst tot burgerinfiltratie op 1 maart 2019 al is gesloten. Dit levert — hoe dan ook — een vormverzuim op. Het Hof volstaat met de constatering dat er een vormverzuim is en heeft daar geen consequenties aan verbonden nu rekwirant daardoor niet in zijn belangen is geschaad.
Er wordt door het Hof aldus niet overgegaan tot bewijsuitsluiting en slechts deels wordt vastgesteld dat sprake is geweest van vormverzuimen.
II.3. Ten onrechte nagelaten (voldoende begrijpelijk) te responderen op het ex art. 359a Sv gedane beroep op bewijsuitsluiting
Naar het standpunt van rekwirant heeft het Hof ten onrechte niet gerespondeerd op zeer wezenlijk onderdelen (oftewel de kern) van het betoog waarin tot de conclusie werd gekomen dat sprake was van meerdere vormverzuimen en een beroep op bewijsuitsluiting werd gedaan wegens een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, waardoor bewijsuitsluiting noodzakelijk werd geacht als rechtstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat dergelijke vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Het Hof vat in algemene zin het standpunt dat namens rekwirant is ingenomen zo samen dat gesteld is dat de vereisten uit de motie-Recourt via de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie alsnog dwingend recht opleveren en deze in beginsel nageleefd zouden moeten worden en dat naar voren is gebracht dat daarvan geen sprake zou zijn en aan geen van die vereisten is voldaan. Het Hof oordeelt vervolgens zelf met de rechtbank (alleen) dat de in de Aanwijzing vastgestelde regels zich naar hun inhoud en strekking ertoe lenen jegens betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast, aangemerkt kunnen worden als recht in de zin van art. 79 Wet RO en derhalve onderdeel zijn van het juridisch raamwerk waaraan rechtbank en Hof dienen te toetsen. Het gaat er daarbij om dat wanneer het Openbaar Ministerie zich niet aan eigen regelgeving heeft gehouden dit een schending kan opleveren van de beginselen van een behoorlijke procesorde en eveneens een vormverzuim kan opleveren ex art. 359a Sv. Het betreft aldus het feit dat het Openbaar Ministerie in de Aanwijzing verwijst naar de motie-Recourt en de in de Aanwijzing neergelegde regels recht in de zin van art. 79 Wet RO opleveren dat het Hof toetst of het Openbaar Ministerie zich aan de eigen regelgeving heeft gehouden, omdat het Openbaar Ministerie zichzelf aan die regels gebonden had aldus en niet omdat de voorwaarden uit de motie-Recourt het Openbaar Ministerie bond enkel onder die omstandigheden tot de inzet van een criminele burgerinfiltrant over te gaan. Om vervolgens, met de rechtbank, zeker ten aanzien van de uit de motie-Recourt volgende (aanvullende) vereisten dat sprake moet zijn van een zeer streng regime van waarborgen en de criminele burgerinfiltrant alleen mag worden ingezet bij de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit en bij zeer gesloten groeperingen, te oordelen dat die voorwaarden te vereenzelvigen zijn met de ook wettelijk (art. 126w Sv) al geldende eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en het uitgangspunt dat de uitvoering geen afbreuk zal mogen doen aan de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. En deze dus niets zouden toevoegen aan die wettelijke vereisten.
Echter namens rekwirant is niet gesteld dat de vereisten uit de motie-Recourt via de Aanwijzing alsnog dwingend recht opleveren en daarom nageleefd moesten worden, de raadsman heeft aangehaald dat de rechtbank tot dat oordeel was gekomen:
‘De rechtbank heeft zoals hierboven al aangestipt geoordeeld dat nu de eisen uit de motie-Recourt via de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie alsnog dwingend recht opleveren deze in beginsel nageleefd zouden moeten worden.’
(pleitnota hoger beroep, randnummer 33). Namens rekwirant is niet gesteld dat die vereisten via de Aanwijzing dwingend recht opleveren en zo tot het juridische raamwerk van de (straf)rechter behoren, integendeel. Er is juist onderbouwde kritiek geuit op de wijze waarop de rechtbank tot het oordeel was gekomen dat de vereisten grotendeels te vereenzelvigen waren met de wettelijke vereisten en er is juist gesteld dat het Openbaar Ministerie de bij monde van de minister gedane toezegging dat zou worden voorzien in een streng normerend kader waarbinnen de inzet van een criminele burgerinfiltrant zou plaatshebben, niet is opgevolgd en het Openbaar Ministerie dus had nagelaten tot het strenge normerende kader te komen waar blijkens de motie-Recourt wel in had moeten worden voorzien en dít (ook in combinatie met het niet-naleven van voorwaarden uit de Aanwijzing) een vormverzuim opleverde waarbij bewijsuitsluiting het noodzakelijke rechtsgevolg werd geacht.
Zie daarover bijvoorbeeld ook de raadsman in randnummer 54 van de pleitnotities in hoger beroep, waarin hij stelt:
‘Ook heeft het Openbaar Ministerie zich aangesloten bij het (onjuiste) standpunt van de rechtbank dat via de Aanwijzing de voorwaarden uit de motie in ieder geval als recht in de zin van artikel 79 RO hebben te gelden.’
Uit het betoog van de raadsman blijkt (over)duidelijk dat het oordeel van de rechtbank dat het Openbaar Ministerie enkel door een eigen keuze zichzelf gebonden had geacht aan de vereisten uit de motie-Recourt als onjuist moest worden beoordeeld. Te meer nu die vereisten niet in dezelfde (drempelverhogende) terminologie in die Aanwijzing zijn neergelegd en de inhoud van de Aanwijzing niet kon gelden als de uitwerking van een geconcretiseerd zeer strikt regime van waarborgen en daarin niet tot uitdrukking werd gebracht wat moest worden verstaan onder ‘zeer gesloten groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van criminaliteit’. En dat vervolgens als gevolg daarvan en bij aanvaarding van het oordeel dat alleen door het opnemen van vereisten in een Aanwijzing sprake was van een onderdeel van het juridisch raamwerk waar ook de (straf)rechter aan heeft te toetsen, het zo zou zijn dat het Openbaar Ministerie als uitvoerende macht niet alleen zelf de regels mag opstellen waaraan de inzet van een dergelijk ingrijpend en risicovol opsporingsmiddel moet voldoen en die inzet daar zelf aan mag toetsen, maar het opstellen van die regels ook achterwege kan laten of kan nalaten die regels overeen te laten komen met randvoorwaarden die door de Tweede Kamer als medewetgever zijn gesteld. Dat kan niet als juist worden aanvaard. Het is zoals door de raadsman gesteld de rechtsprekende macht die het optreden van uitvoerende macht toetst en het Hof onttrekt zich naar het standpunt van rekwirant aan die toetsing door geheel niet te responderen op het betoog dat het Openbaar Ministerie gebonden was aan de vereisten/randvoorwaarden uit de motie-Recourt en daar niet zelf een afgezwakte vorm van in een Aanwijzing kon neerleggen om zich enkel daaraan gebonden te achten, maar juist ter uitwerking van die motie diende te komen tot een strikt normerend kader waar vervolgens de inzet van de criminele burgerinfiltrant aan kan worden getoetst.
Aan de vraag of het Openbaar Ministerie gehouden was een geconcretiseerd normerend kader te scheppen waar vervolgens de inzet (ook nadien door de strafrechter) aan kan worden getoetst, is het Hof volledig voorbij gegaan. Dit terwijl het betoog niet alleen zag op het feit dat de vereisten zoals geformuleerd in de motie-Recourt niet op de dezelfde wijze en met een aanvullende en drempelverhogende strekking in de Aanwijzing zijn opgenomen, maar vooral ook op het feit dat daarin dat concrete normerende kader niet is neergelegd terwijl dat kader ook niet uit andere regelgeving van het Openbaar Ministerie volgt. Zeker het vereiste van een ‘zeer streng regime van waarborgen’ had blijkens hetgeen naar voren is gebracht nadere uitwerking moeten krijgen zodat kenbaar en toetsbaar zou zijn welke waarborgen daartoe behoren te worden nageleefd en ook kan worden nagegaan dat daarmee inderdaad sprake is van een zeer streng regime van waarborgen. Maar ook de uit de motie volgende eis dat de inzet alleen plaatsvindt ten aanzien van ‘zeer gesloten groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit’ behoefde naar het standpunt dat namens rekwirant is ingenomen nadere uitwerking, nu de parlementaire geschiedenis daar nog niet concreet in voorzag.
Dat een gemotiveerde beslissing op het beroep op bewijsuitsluiting (ex art. 359a Sv) zoals gevoerd niet achterwege kon blijven, geldt te meer nu de rechtbank blijkens het vonnis (d.d. 17 augustus, p.10) wel heeft overwogen dat door de verdediging is betoogd dat het juridisch raamwerk niet voldoet omdat niet voldaan was aan de vereisten uit de motie-Recourt en de inhoud van de Aanwijzing niet toereikend was om het handelen van het Openbaar Ministerie bij de inzet van de criminele burgerinfiltrant (nader) te normeren, maar vervolgens naar het standpunt van rekwirant een onjuiste uitleg heeft gegeven van de (mogelijke) betekenis van moties en ten onrechte heeft geoordeeld dat de rechter niet rechtstreeks gebonden is aan de inhoud van de motie-Recourt en de door de minister (Opstelten) in 2013 en 2014 gedane toezeggingen over de inzet van criminele burgerinfiltranten. En de raadsman in hoger beroep nu juist als gevolg daarvan onderbouwd naar voren heeft gebracht dat en waarom daar anders over moest worden geoordeeld en dit ook (op zijn minst) raakte aan de vraag of het Openbaar Ministerie gebonden moest worden geacht aan de vereisten uit de motie-Recourt en het (ondanks toezeggingen die daarover door de toenmalige minister zijn gedaan) nalaten daar gevolg aan te geven als gevolg had dat van een rechtmatige inzet van de criminele burgerinfiltrant reeds geen sprake kon zijn.
II.4. Andere uitleg van het gevoerde verweer is onbegrijpelijk/zou niet voldoende begrijpelijk zijn
Indien het Hof is gekomen tot een andere uitleg van het gevoerde verweer, namelijk dat de vereisten uit de motie-Recourt (alleen) via de Aanwijzing alsnog dwingend recht opleveren en het handelen van het Openbaar Ministerie dus aan die Aanwijzing moet worden getoetst, is die uitleg — gelet op hetgeen naar voren is gebracht — onbegrijpelijk (en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd). En het kan het arrest om die reden niet in stand blijven.
II.5. Een voldoende begrijpelijke reactie op het ex art. 359a Sv gevoerde verweer ligt niet (reeds) besloten in het oordeel dat blijkens de parlementaire geschiedenis (ook) een formeel wettelijk verankering van de te formuleren randvoorwaarden niet nodig werd gevonden omdat de wet in formele zin een vorm van de criminele burgerinfiltrant al mogelijk maakte/in het oordeel dat moties slechts een — niet bindend — oordeel of verlangen kenbaar maken en kortgezegd voor de (straf)rechter geen rol spelen
Zoals gesteld hangt het standpunt zoals verwoord namens rekwirant samen met hetgeen in reactie op het vonnis naar voren is gebracht over de onjuiste uitleg die de rechtbank had gegeven aan de betekenis van moties, in het bijzonder dat een aangenomen motie een advies is aan de minister en dat het negeren daarvan politieke consequenties kan hebben maar voor de rechterlijke toetsing niet direct relevant is en de rechtbank voor de vraag of het juridisch raamwerk voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant voldoet dus niet rechtstreeks gebonden is aan de inhoud van de motie-Recourt of overigens aan de toezeggingen van toenmalig minister Opstelten. Uitsluitend in het kader van de legaliteitsdiscussie is het Hof vervolgens ingegaan op het wetgevingstraject en de betekenis van moties, echter de randvoorwaarden uit de motie-Recourt worden daar wel (summier) in genoemd en uit de (materiele) toetsing van het Hof aan verschillende genoemde vereisten/voorwaarden in de Aanwijzing volgt dat het Hof vervolgens (ook met rechtbank) van oordeel is dat die vereisten/voorwaarden grotendeels te vereenzelvigen zijn met de reeds wettelijk geldende voorwaarden van art. 126w Sv en/of het meer algemene uitgangspunt dat bij de toepassing van de inzet van een bijzonder opsporingsmiddel geen afbreuk mag worden gedaan aan de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. Dat overweegt het Hof in ieder geval ten aanzien van het vereiste van ‘zware criminele en criminele organisaties’, ‘zeer succesvolle afscherming van criminele activiteiten waardoor deze met traditionele opsporingsmiddelen onvoldoende kunnen worden aangepakt’, ‘alleen in hoge uitzonderingsgevallen’ en ‘strikte waarborgen’. Dit terwijl hetgeen namens rekwirant naar voren is gebracht duidelijk inhield dat sprake was van aanvullende vereisten, naast de proportionaliteits-en subsidiariteitseis van art. 126w Sv en algemene uitgangspunten bij de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen. Gelet op het feit dat voor de inzet van een burgerinfiltrant al geldt dat dit middel slechts in uitzonderlijke situaties kan worden ingezet en dit ten aanzien van de criminele burgerinfiltrant nog eens alleen zo is in nog uitzonderlijker gevallen (althans dat is beoogd).
Dat het Hof (in het kader van de legaliteitsdiscussie) overweegt dat uit de verhandelingen voorafgaande aan de motie-Recourt blijkt dat men zich ervan bewust was dat de wet een vorm van de criminele burgerinfiltrant al mogelijk maakt en een formeel-wettelijke verankering daarom niet nodig werd bevonden en ook de formeel-wettelijke verankering van de te formuleren randvoorwaarden niet nodig werd gevonden, kan uit de kamerstukken waar het Hof naar verwijst (zonder weergave van een paginanummer) niet volgen. In ieder geval niet voor zover daarmee wordt bedoeld dat de Tweede Kamer een wettelijke verankering van de randvoorwaarden niet nodig vond omdat de wet al een vorm van criminele burgerinfiltratie mogelijk maakte en dit ook zou betekenen dat met het aannemen van de motie-Recourt inhoudende de randvoorwaarden slechts een — niet bindend — oordeel of verlangen kenbaar is gemaakt ten aanzien van de minister (waar vervolgens het Openbaar Ministerie ook niet aan gebonden was). Voor zover al moet worden aangenomen dat het Hof dit bij de beoordeling van het verweer heeft betrokken, want zoals gezegd volgt dat niet zonder meer uit de overwegingen van het Hof.
Uit de kamerstukken waar het Hof naar verwijst (Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 195) volgt in ieder geval dat de vraag is gesteld of een randvoorwaarde (voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant) kan zijn dat dit wettelijk wordt verankerd, waarop het lid Recourt heeft geantwoord:
‘Het is reeds wettelijk verankerd. Niet die randvoorwaarden, maar die komen in de motie te staan.’
Door het lid Berndsen-Jansen is aangegeven:
‘In de wettelijke verankering kunnen de randvoorwaarden nadrukkelijk worden geregeld, waardoor je de deur wellicht op een kiertje kunt zetten, maar ook niet verder dan dat kiertje. Zo werd dit ook in de hoorzitting genoemd.’
Daarop heeft Recourt geantwoord:
‘We zien aan de motie-Kalsbeek hoe een motie kan uitwerken: zoiets kan een absoluut verbod opleggen. Daar hebben we dus geen wet voor nodig. We kunnen op dezelfde wijze in de motie de randvoorwaarden neerleggen, helemaal als daarbij hoort dat we de zaak na twee jaar bekijken.’19.
Daaruit volgt dat door Recourt gesteld is dat een wettelijke verankering voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant al bestond, maar niet dat in die wettelijke verankering (art. 126w Sv) ook al voldoende randvoorwaarden besloten lagen en het dus om die reden niet nodig werd gevonden die van een wettelijke verankering te zien: die noodzaak werd niet gezien omdat de randvoorwaarden in de voorgestelde motie terecht zouden komen. Waarbij uit het laatste antwoord nog kan worden opgemaakt dat het aannemen van die (of een) motie ook als voldoende zekerheid werd gezien dat van de inhoud daarvan niet zou worden afgeweken, daarvoor werd nu juist gewezen op hoe de motie-Kalsbeek al die jaren had uitgewerkt: als een absoluut verbod dat daarin was opgelegd voor het Openbaar Ministerie.
Met het voorgaande ligt naar het oordeel van rekwirant dan ook niet — en zeker niet voldoende begrijpelijk — in hetgeen het Hof over de betekenis van moties overweegt aangaande de vraag of voldaan was aan het vereiste van een wet in formele zin, besloten dat het van oordeel is geweest dat een motie niet als het Openbaar Ministerie bindend kan worden aangemerkt en het nalaten van het Openbaar Ministerie gevolg te geven aan de inhoud van een motie niet beoordeeld hoeft te worden (omdat alleen het nalaten aan de eigen regelgeving te voldoen een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde en daarmee een vormverzuim kan opleveren). Gelet op hetgeen naar voren is gebracht is dat een onjuiste benadering van de (mogelijke) betekenis van het instrument van de motie in een wetgevingsproces en kan nu juist aan de parlementaire geschiedenis worden ontleend dat de randvoorwaarden waar de inzet van een criminele burgerinfiltrant aan moest voldoen zoals die zouden worden neergelegd in een motie (en dat ook zijn in de motie-Recourt) als bindend moesten gelden en moesten worden nageleefd (zoals steeds het in de motie-Kalsbeek geldende absolute verbod door het Openbaar Ministerie was nageleefd). Het andersluidende oordeel van het Hof is dan ook onjuist en in ieder geval niet (voldoende) begrijpelijk — voor zover de beoordeling van het Hof zo moet wordt opgevat dat reeds aan het verweer/beroep op bewijsuitsluiting voorbij kon worden gegaan gelet op het oordeel dat in een motie een oordeel of verlangen kenbaar wordt gemaakt aan minister of kabinet, maar die minister of het kabinet daar niet aan gebonden is.
II.6. Een voldoende begrijpelijke reactie op het ex art. 359a Sv gevoerde verweer ligt niet (reeds) besloten in hetgeen het Hof overweegt onder het kopje ‘is voldaan aan de voorwaarden uit de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden?’
Als laatste moet nog worden opgemerkt dat — zoals gezegd — het Hof onder het kopje ‘Is voldaan aan de voorwaarden uit de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden?’ het handelen van het Openbaar Ministerie wel heeft getoetst aan de inhoud van de Aanwijzing waarvan het Hof stelt dat daarin wordt verwezen naar de vereisten uit de motie-Recourt, maar dat in die toetsing niet een (voldoende begrijpelijke) gemotiveerde beslissing besloten ligt op het verweer/beroep op bewijsuitsluiting zoals gevoerd namens rekwirant. Namens rekwirant is gesteld dat sprake was van meerdere vormverzuimen en ook in die zin dat het Openbaar Ministerie delen van de eigen regelgeving niet had nageleefd, bijvoorbeeld op het punt dat alleen sprake mag zijn van korte trajecten en dat niet (of niet tijdig) toestemming van de minister was gevraagd, echter ten aanzien van de overige randvoorwaarden is (in de kern) gesteld dat het Openbaar Ministerie heeft nagelaten het bedoelde normerende kader te scheppen en de inhoud van de Aanwijzing niet als zodanig kan gelden. Ook niet voor zover daar vergelijkbare voorwaarden in zijn opgenomen, die door de rechtbank ook in de toetsing waren betrokken maar die niet (geheel) overeenkomen met de randvoorwaarden zoals deze blijken uit de motie.
Uit de beoordeling van het Hof wordt niet geheel duidelijk aan welke vereisten nu is getoetst, zo wordt onder ‘Zware criminelen en criminele organisaties’ (bewoordingen uit de Aanwijzing) gesteld dat sprake moet zijn van zeer gesloten groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstige20. vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit (bewoordingen uit de motie), om vervolgens aan te sluiten bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen en aan te vullen dat sprake was van een verdenking van zware criminaliteit en een criminele organisatie op het moment van de aanvraag overeenkomst burgerinfiltratie. Inhoudelijk blijkt aldus niet aan een zwaarder criterium te zijn getoetst dan dat sprake moet zijn van zware criminelen en criminele organisaties, terwijl ook het criterium van groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstigste vormen van criminaliteit wordt genoemd en naar het standpunt van rekwirant ook aan dat criterium getoetst had moeten worden — ook indien het Hof van oordeel was dat de vereisten uit de motie-Recourt via de Aanwijzing onderdeel zijn geworden van het juridisch raamwerk waar aan moet worden getoetst aangezien dan de betekenis van de inhoud van de Aanwijzing moet worden uitgelegd conform de aanvullende en drempelverhogende strekking van de vereisten van de motie ten opzichte van de reeds uit art. 126w Sv geldende voorwaarden. Dat heeft het Hof duidelijk niet gedaan, door de overweging van de rechtbank over te nemen dat deze eis te vereenzelvigen valt met de uit art. 126w Sv al voortvloeiende proportionaliteitseis.
Ten aanzien van de ‘Strikte waarborgen’ (bewoordingen uit de Aanwijzing) noemt het Hof dat ook de motie spreekt van ‘strikte waarborgen’, zo ook van een ‘zeer streng regime van waarborgen’ en de Aanwijzing van ‘strikte waarborgen’, maar wordt niet duidelijk of het Hof nu van oordeel is dat hierin dezelfde voorwaarde tot uitdrukking komt en wat daar dan mee is bedoeld. Inhoudelijk komt het Hof tot het oordeel dat er kortgezegd steeds toezicht is geweest op het handelen van A-4110 als criminele burgerinfiltrant, sprake is geweest van (de)briefings, daar processen-verbaal van zijn opgemaakt, er opnames zijn gemaakt tijdens de inzet van A-41100 en A-4110 verhoord is en het Openbaar Ministerie daarbij nooit de controle op zijn handelen is kwijtgeraakt en daarmee voldaan zou zijn aan de uit de Aanwijzing volgende voorwaarde van inzet uitsluitend onder strikte waarborgen, ‘overigens ook in die zin dat het hof van oordeel is dat is voldaan aan een zeer streng regime van waarborgen’. Met name ten aanzien van deze randvoorwaarde ligt een respons op het ex art. 359a Sv gevoerde verweer niet besloten, nu uitdrukkelijk is gesteld dat het feit dat de inzet wellicht in dit geval heeft plaatsgevonden onder strikte waarborgen (hetgeen ook door de raadsman onderbouwd is betwist) niet maakt dat sprake is van een vooraf vastgesteld en in regelgeving neergelegd zeer streng regime van waarborgen, zoals dat als gevolg van de motie tot stand had moeten komen. Dat tijdens de toepassing van de inzet van dit opsporingsmiddel (strikte) waarborgen in acht zijn genomen, is wezenlijk iets anders dan dat er een kenbaar zeer streng regime van waarborgen is en daar de toepassing van de inzet vervolgens (ook achteraf) aan getoetst kan worden. In hetgeen het Hof overweegt ligt niet besloten dat het Hof heeft beoordeeld of dit door het Openbaar Ministerie ten onrechte is nagelaten en welke consequenties dat zou moeten hebben. Dat daarvan geen sprake is geweest en dus materieel er niet vanuit kon worden gegaan dat sprake is van een dergelijk normerend kader na opheffing van het verbod van de motie-Kalsbeek, is door de raadsman illustratief naar voren gebracht door te verwijzen naar de verhoren van begeleiders van A-41100 die in de kern hebben verklaard dat er vanaf het moment dat de infiltratie-overeenkomst werd gesloten in de dagelijkse aansturing of begeleiding van A-4110 (die al geruime tijd voor de start van onderzoek Vidar werkzaam was tegen betaling voor justitie) helemaal niets veranderde. Ook op die argumenten is geen reactie van het Hof gekomen. Ook in die zin is geen sprake van een (in deze overweging besloten liggende) voldoende begrijpelijk reactie op hetgeen namens rekwirant in aangevoerd.
Het enige dat het Hof (met de rechtbank) doet is vereisten zoals aangenomen in de motie-Recourt, of overigens zoals deze zijn opgenomen in de Aanwijzing, versoepelen of van het aanvullende en drempelverhogende karakter ontdoen door te stellen dat deze te vereenzelvigen zijn met de voorwaarden die wettelijk al uit 126w Sv volgen, dat deze algemeen uitgangspunt zijn bij de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden (zoals dat geen afbreuk mag worden gedaan aan de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing) of anderszins nuance behoeven (zoals het vereiste dat de inzet kortdurend moet zijn kan). Waarmee er naar het standpunt van rekwirant aan voorbij wordt gegaan dat ook indien er van moet worden uitgegaan dat art. 126w Sv de inzet van een criminele burgerinfiltrant niet uitsluit, hoe dan ook sprake is van een bijzondere en meer risicovolle variant van bij de opsporing gebruik maken van een (gewone) burger. Uit de parlementaire geschiedenis, ook delen die het Hof wel heeft aangehaald, blijkt dat slechts in beperkte zin sprake kon zijn van de inzet van de criminele burgerinfiltrant en dit dus een bijzondere uitzonderingssituatie zou zijn (zoals ook in de Aanwijzing is opgenomen dat slechts in hoge uitzonderingsgevallen en onder strikte waarborgen de inzet van dit middel mag plaatsvinden). Hoe dat past bij het (kennelijke) oordeel dat in de kern de inzet niet tot nauwelijks onderworpen hoeft zijn aan een (ook ten opzichte van de inzet van de ‘gewone’ burgerinfiltrant) strikt normerend en ook bij volgende inzetten toepasbaar kader is onbegrijpelijk.
Het Hof heeft zich er naar het standpunt van rekwirant aan onttrokken een oordeel te geven op een uitgebreid gemotiveerde en stellig naar voren gebrachte standpunten (waarbij nog eens puntsgewijs is herhaald in dupliek op welke punten een reactie werd gevraagd) over de wijze waarop het Openbaar Ministerie — na zich jarenlang te hebben gehouden aan een verbod op de inzet van een criminele burgerinfiltrant — heeft gehandeld na opheffing van dat verbod (onder zeer strikte randvoorwaarden) bij de motie-Recourt, terwijl dit de eerste strafzaak was waarin daaromtrent een oordeel kon (en gelet op hetgeen is aangevoerd moest) worden gegeven.
Gelet op het voorgaande kan het arrest van het Hof niet in stand blijven.
III. Schending van de artt. 420bis en/of 420ter Sr en/of de artt. 350, 358, 359, 415 en/of 423 Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder is de bewezenverklaring van het als feit 5 tenlastegelegde gewoontewitwassen voor zover inhoudende dat het voorwerp — te weten in 2014, 2015, 2016, 2017 en 2019 contant gestorte bedragen van €15.085,-, €18.560,-, €25.120,-, €28.510,- en €4.950,- — afkomstig was uit enig misdrijf gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting en/of niet naar de eis der wet met redenen omkleed en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Door zowel te oordelen dat ten aanzien van de bedragen van €35.193,32 en €10.100,-, die rekwirant contant tot zijn beschikking heeft gehad en heeft gestort, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat deze afkomstig zijn uit enig misdrijf, als (kennelijk) te oordelen dat het tenlastegelegde voorwerp (het totaal van alle ten laste gelegde bedragen) wel afkomstig is uit enig misdrijf lijdt het arrest immers aan innerlijke tegenstrijdigheid. Voor zover het oordeel van het Hof zo moet worden begrepen dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is omdat (ondanks dat ten aanzien van oordelen dat ten aanzien van de bedragen van €35.193,32 en €10.100,-, niet bewezen kon worden dat deze uit enig misdrijf afkomstig waren) ten aanzien van het grootste deel geen aannemelijke verklaring is gegeven voor de herkomst daarvan/er geen legale herkomst voor een groot deel van de betreffende bedragen te herleiden is, stelt het Hof naar het standpunt van rekwirant een eis die het recht niet kent, dan wel is dat oordeel op zijn minst niet (voldoende) begrijpelijk (gemotiveerd) gelet op hetgeen het Hof heeft overwogen over de herkomst van de bedragen van €35.193,32 en €10.100,-,.
Toelichting
III.1. Bewezenverklaring
Blijkens het arrest d.d. 12 juli 2024 (p. 105–106) heeft het Hof als feit 5 ten aanzien van rekwirant bewezenverklaard dat:
‘hij in de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019, te [b-plaats], meermalen geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en daarvan gebruik gemaakt; immers heeft hij,
- —
in 2014 15.085 contant gestort;
- —
in 2015 18.560 contant gestort;
- —
in 2016 25.120 contant gestort;
- —
in 2017 28.510,- contant gestort;
- —
in 2019 4.950,- contant gestort;
terwijl hij wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.’
III.2. Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
Blijkens het arrest heeft het Hof aan deze bewezenverklaring de redengevende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd zoals beschreven op p. 98–99 en p. 102 t/m 105, met in de voetnoten verwijzingen naar bewijsmiddelen waarin die redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend. Daaruit kan kortgezegd worden opgemaakt dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen in de jaren 2014, 2015, 2016, 2017 en 2019 contant zijn gestort op de bankrekening van [getuige 3], de echtgenote van rekwirant. En dat zowel rekwirant als [getuige 3] hebben verklaard dat rekwirant in die jaren contante gelden aan [getuige 3] gaf, [getuige 3] heeft geconfronteerd met de gestorte geldbedragen, verklaard die op haar rekening te hebben gestort.
Voorts heeft het Hof nadere bewijsoverwegingen opgenomen ten aanzien van dit feit, die er kort gezegd op neerkomen dat sprake is van een witwasvermoeden en dat van rekwirant derhalve mag worden verlangd dat hij verklaring geeft over de herkomst van de contant gestorte geldbedragen. Vervolgens wijdt het Hof overwegingen aan verschillende onderdelen van de verklaring(en) die rekwirant heeft afgelegd en concludeert dat ten aanzien van een bedrag van €35.193,32 betreffende de uitkering van twee levensverzekeringen door rekwirant een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is afgelegd over de herkomst van het geld. Die verklaring is met stukken onderbouwd en het Hof is van oordeel dat ten aanzien van dit bedrag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat dit bedrag afkomstig is van misdrijf. Datzelfde wordt overwogen ten aanzien van een bedrag van €10.100,- afkomstig van huurinkomsten van de woning van rekwirant in Spanje. Ook ten aanzien van dit bedrag is het Hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard dat dit afkomstig is van misdrijf.
Ten aanzien van gestelde gokwinsten, opnames van de rekening van de zoon van rekwirant, inkomsten van verfklussen, privéleningen en gespaarde delen van inkomsten uit arbeid in de jaren 2009 t/m 2011 loopt het anders af. Het Hof overweegt dat de verklaringen die rekwirant heeft gegeven over de herkomst van de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen, met uitzondering van een bedrag van €35.193,32 en €10.100,-, niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn en dat het voor de hand lag dat het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek heeft gedaan naar die verklaringen. Het Hof is vervolgens van oordeel dat nu rekwirant ten aanzien van het grootste deel van het contante geld geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst daarvan, er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en rekwirant dit wist. Het verweer (dat rekwirant moest worden vrijgesproken) is door het Hof verworpen.
Aan het gewoontewitwassen wijdt het Hof nog een korte nadere overweging, inhoudende dat gelet op de duur van de witwashandelingen, het aantal stortingen en de totale omvang van de stortingen sprake is van gewoontewitwassen.
III.3. Juridisch kader bewijs ‘afkomstig uit enig misdrijf’
Voorop staat dat voor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat vaststaat dat het desbetreffende voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf. Dat vereiste betekent niet dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar het achterliggende misdrijf concreet is begaan. Het bewijs dat onder een verdachte aangetroffen contant geld ‘uit enig misdrijf afkomstig is’ kan in voorkomende gevallen ook aanwezig worden geacht indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf. Daarvoor is nodig dat het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.21.
Het Openbaar Ministerie zal in witwaszaken derhalve zoveel bewijsmateriaal moeten aanleveren dat daaruit ofwel rechtstreeks blijkt van de criminele herkomst van een voorwerp, ofwel dat er zodanige omstandigheden zijn aangetroffen dat daaruit de gerechtvaardigde conclusie kan worden getrokken dat het niet anders kan zijn dat het voorwerp afkomstig is van enig misdrijf.22. Bij een dergelijke gerechtvaardigde conclusie (witwasvermoeden) mag een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring over de herkomst van het voorwerp worden verwacht van de verdachte. Bij het voorafgaande moet worden bedacht dat de wetgever met de strafbaarstelling van witwassen geen verlichting van de in strafzaken gangbare bewijslast heeft beoogd. In het aanvankelijke ontwerp van het wetsvoorstel was nog bepaald dat voor een veroordeling voldoende zou zijn dat het ging om ‘een voorwerp dat kennelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf’. Het woord ‘kennelijk’ bracht tot uitdrukking dat de rechter zou mogen afgaan op de naar buiten blijkende omstandigheden, die, naar de ervaring leert, wijzen op de criminele herkomst van het voorwerp. Met de onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de goederen een legale oorsprong hadden, zou de rechter geen rekening behoeven te houden. Van dit voorstel is de wetgever, na kritische commentaren, teruggekomen, mede omdat de voorgestelde formulering aan de van witwassen verdachte burger onvoldoende bescherming bood tegen lichtvaardige vervolging en bestraffing.23.
Uw College heeft in 2018 voorts het volgende overwogen:
‘2.3.2
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
2.3.3.
Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.
2.4.
Het oordeel van het Hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van de geldbedragen, is niet zonder meer begrijpelijk, nu de verdachte met een concrete verwijzing naar zijn inkomsten uit arbeid heeft gesteld dat de geldbedragen een legale herkomst hadden. Dat wordt niet anders door de vaststelling van het Hof dat de verdachte, ondanks een door hem gedane toezegging, geen relevante stukken heeft overgelegd, nu die enkele omstandigheid niet afdoet aan de door de verdachte gegeven verklaring en de mogelijkheid daarnaar nader onderzoek te doen. Mede gelet op hetgeen het Hof in zijn overwegingen overigens heeft vastgesteld, is de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de geldbedragen ‘afkomstig waren uit enig misdrijf’, niet toereikend gemotiveerd.’24.
III.4. Hetgeen door en namens rekwirant naar voren is gebracht
Door rekwirant is op 17 juni 2021 een verklaring afgelegd over de herkomst van contante geldbedragen die in de jaren 2014, 2015, 2016, 2017 en 2019 op de bankrekening van [getuige 3] zijn gestort. Op 16 maart 2022 is namens hem door zijn raadslieden mr. S.L.J. Janssen en mr. D.J. van Rinsum die verklaring van een nadere onderbouwing voorzien door stukken te overleggen waaruit onder meer inkomensgegevens blijken, een tweetal uitkeringen van levensverzekeringen in 2014 en contante opnames van de bankrekening van de zoon van rekwirant ([getuige 1]). Blijkens het proces-verbaal terechtzitting van de Rechtbank Noord-Nederland d.d. 22 maart 2022 heeft rekwirant aldaar een zeer uitgebreide verklaring afgelegd over de verschillende geldbedragen waarvan hij stelt daarover (legaal) contant te hebben beschikt en dat deze op de rekening van [getuige 3] zijn gestort. Blijkens de appelschriftuur en het tussenarrest van het Hof zijn getuigenverzoeken gedaan ter verdere onderbouwing van de verklaring van rekwirant (voornamelijk op het onderdeel van de gestelde huurinkomsten van een vakantiewoning in Spanje, gokwinsten en de van de rekening van de zoon van rekwirant opgenomen bedragen). Deze getuigen zijn toegewezen en deze getuigen zijn door de raadsheer-commissaris gehoord. Bij pleidooi is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep over de verklaringen van rekwirant het standpunt ingenomen dat (en waarom) deze concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Dat het Openbaar Ministerie heeft nagelaten daar (nader) onderzoek naar doen en is het standpunt ingenomen dat rekwirant van feit 5 moest worden vrijgesproken omdat niet bewezen kon worden dat de geldbedragen in de tenlastelegging ‘afkomstig zijn uit enig misdrijf’.
III.5. De bewezenverklaring van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting en/of niet naar de eis der wet met redenen omkleed en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk (gemotiveerd)
Geconstateerd moet worden dat het Hof voor een (niet-onbelangrijk) deel de verklaring van rekwirant voldoende heeft geacht om te overwegen dat ten aanzien van een bedrag van €35.193,32 en een bedrag van €10.100,- niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat dit afkomstig is uit enig misdrijf. Het is de vraag hoe vervolgens de laatste alinea van de nadere bewijsoverweging moet worden begrepen, in samenhang met de bewezenverklaring waarin alle tenlastelegde contant gestorte bedragen terugkomen.
Kortgezegd zijn door het Hof in de bewezenverklaring geen contant gestorte bedragen ‘weggestreept’ om uitdrukking te geven aan het oordeel dat ten aanzien van €35.193,32 en €10.100,- niet bewezen kan worden verklaard dat die bedragen uit misdrijf afkomstig zijn. De laatste alinea houdt in rekwirant ten aanzien van het grootste deel van het contante geld geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst daarvan en er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is (en hij dit wist). Die overweging zou kunnen impliceren dat het Hof meent dat ten aanzien van alle tenlastegelegde contant gestorte geldbedragen in de jaren 2014, 2015, 2016, 2017 en 2019 het niet anders kan zijn dan dat deze uit enig misdrijf afkomstig zijn, omdat niet voor het totale bedrag een aannemelijke verklaring is gegeven (het Hof noemt immers dat rekwirant voor het grootste deel geen aannemelijke verklaring heeft gegeven). Evenwel wordt in de strafmaatoverweging gesproken over het witwassen van €46.931,68 — een rekensom leert dat dit het bedrag is dat overblijft indien van het totaal van de tenlastegelegde bedragen (€92.225,-) de bedragen €35.193,32 en 10.100,- worden afgetrokken. Het Hof lijkt er daarbij dus weer wel van uit te zijn gegaan dat het witwasbedrag (vele malen) lager ligt dan het totaalbedrag van de in de bewezenverklaring genoemde bedragen. Daar staat dan weer tegenover dat in de strafmaatoverweging ook wordt genoemd dat rekwirant in de jaren 2014 t/m 2019 heeft witgewassen door geldbedragen met een criminele herkomst contant te storen op een rekening van zijn vrouw. Daar lijkt het dus weer te gaan om alle gestorte bedragen in die jaren. De duur daarvan is hem ook aangerekend en voorts heeft die duur, het aantal stortingen en de totale omvang daarvan tot het oordeel geleid dat sprake is van gewoontewitwassen.
De bewezenverklaring dat rekwirant zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van de in de bewezenverklaarde genoemde contante bedragen in 2014, 2015, 2016, 2017 en 2019 die ‘afkomstig waren uit enig misdrijf’ is niet naar de eis der wet met redenen omkleed en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Door zowel te oordelen dat ten aanzien van bedragen van €35.193,32 en €10.100,-, die rekwirant contant tot zijn beschikking heeft gehad en heeft gestort, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat deze afkomstig zijn uit enig misdrijf, als (kennelijk) te oordelen dat het tenlastegelegde voorwerp (het totaal van alle bedragen) afkomstig is uit enig misdrijf lijdt het arrest immers aan innerlijke tegenstrijdigheid. Het is innerlijk tegenstrijdig zowel aan te nemen dat in de tenlastegelegde periode gestorte contante geldbedragen niet bewezen kan worden verklaard dat deze wel uit enig misdrijf afkomstig zijn, als te concluderen dat het niet anders kan zij dan dat wel alle in de tenlastelegging genoemde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren.
Daarbij dient er nog op te worden gewezen dat namens rekwirant (hetgeen ook blijkt uit bijlage 2 bij de brief van 16 maart 2022) naar voren is gebracht dat het bedrag van €35.193,32 dat afkomstig is van een tweetal levensverzekeringen, begin 2014 is opgenomen en gesteld is dat dit bedrag groot genoeg is om alle contante stortingen van 2014 en 2015 te verantwoorden (pleitnotities eerste aanleg randnummers 228–229). Dat is ook zo, €35.193,32 is meer dan de opstelsom van €15.085,- en €18.560,- zoals die bedragen contant zijn gestort in 2014 en 2015. Daarmee doet zich aldus ook niet (zonder meer) de situatie voor dat ondanks het oordeel van het Hof over de bedragen van €35.193,32 en €10.100,- alle bewezenverklaarde bedragen in de jaren 2014, 2015, 2016, 2017 en 2019 toch (geheel of) gedeeltelijk afkomstig waren uit enig misdrijf en dit bewezen kon worden verklaard. Dat is immers ten aanzien van (in ieder geval) 2014 en 2015 niet zonder meer het geval en het Hof heeft ook nagelaten te motiveren dat (en op grond waarvan) desondanks bewezen kon worden verklaard dat alle geldbedragen (geheel of gedeeltelijk en middellijk of onmiddellijk) uit enig misdrijf afkomstig waren.
Voor zover het oordeel van het Hof zo moet worden begrepen dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is omdat ten aanzien van het grootste deel geen aannemelijke verklaring is gegeven voor de herkomst daarvan/er geen legale herkomst voor een groot deel van de betreffende bedragen te herleiden is (zoals het Hof ook overweegt), stelt het Hof naar het standpunt van rekwirant een eis die het recht niet kent en is het oordeel gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. In ieder geval zou ook dat oordeel op zijn minst niet (voldoende) begrijpelijk zijn (gemotiveerd). Het gaat hier om een tenlastelegging en bewezenverklaring van te onderscheiden contant gestorte geldbedragen in de jaren 2014, 2015, 2016, 2017 en 2019. Het is naar het standpunt van rekwirant niet zo dat alleen niet tot het oordeel kan worden gekomen dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is indien de verdachte naar het oordeel van het Hof een (concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke) verklaring heeft gegeven over de herkomst van het totale geldbedrag, of mag worden gevergd dat een verklaring wordt gegeven over de herkomst van dat totale geldbedrag. Dat lijkt hier wel het uitgangspunt van het Hof te zijn geweest, dat het ook consequent heeft over ‘het ten laste gelegde voorwerp’, terwijl het in de tenlastelegging en bewezenverklaring gaat om de meervoudsvorm van geldbedragen, die zoals aangegeven naar jaar gespecifieerd zijn. Indien het Hof dan tot het oordeel komt dat ten aanzien van een tweetal forse geldbedragen, van €35.193,32 en €10.100,- niet bewezen kan worden verklaard dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe dat oordeel vervolgens doorwerkt in de vraag of en in hoeverre het ten laste gelegde (zo ook de periode) bewezen kan worden verklaard. Dat heeft het Hof ten onrechte nagelaten.
De bewezenverklaring van feit 5 is niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het arrest kan om die reden niet in stand blijven.
Gelet op het feit dat in de strafmaatoverweging wel wordt uitgegaan van een witwasbedrag waar de genoemde bedragen van €35.193,32 en €10.1000,- op in mindering zijn gebracht, acht rekwirant het raadzaam voor het belang bij cassatie te benadrukken dat de totale duur, de frequentie van de stortingen en het totaalbedrag zoals bewezen is verklaard wel van invloed is geweest op het oordeel dat sprake is van gewoontewitwassen. Ook in de strafmaatoverwegingen wordt genoemd dat rekwirant zich in de jaren 2014 t/m 2019 schuldig zou hebben gemaakt aan witwassen door het contant storten van geldbedrag op de bankrekening van zijn vrouw. De duur heeft daar — via de genoemde aard en ernst van de feiten — (ten nadele van rekwirant) meegewogen in het bepalen van de strafmaat. Er is dan ook voldoende belang bij cassatie.
IV. Schending van de artt. 420bis en/of 420ter Sr en/of de artt. 350, 358, 359 en/of 415 Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder getuigt de bewezenverklaring van het als feit 5 tenlastegelegde gewoontewitwassen voor zover inhoudende dat het voorwerp — te weten in 2014, 2015, 2016, 2017 en 2019 contant gestorte bedragen van €15.085,-, €18.560,-, €25.120,-, €28.510,- en €4.950,- — afkomstig was uit enig misdrijf van een verkeerde rechtsopvatting en/of is die bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu het Hof immers niet de juiste beoordelingsmaatstaf voor witwaszaken zonder gronddelict heeft toegepast door te oordelen dat het niet anders kan zijn dat het voorwerp afkomstig was uit enig misdrijf omdat rekwirant ten aanzien van het grootste deel van het geld geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst daarvan, terwijl enkel de omstandigheid dat door de verdachte (bij een ontstaan witwasvermoeden) geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is gegeven over de herkomst van het voorwerp mag worden betrokken in de overwegingen omtrent het bewijs. Hierdoor is door het Hof ten onrechte wel er vanuit gegaan dat de omstandigheid dat een dergelijke verklaring van de verdachte mag worden verlangd, inhoudt dat het aan de verdachte is aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is en/of is van rekwirant gevergd dat hij een aannemelijke verklaring gaf voor de herkomst van de tenlastegelegde geldbedragen/aannemelijk maakte dat deze niet uit enig misdrijf afkomstig waren, althans is het niet afleggen van een dergelijke verklaring ten onrechte betrokken in het oordeel dat het niet anders kon zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig was.
En/of getuigt het oordeel van het Hof dat de verklaringen die rekwirant heeft gegeven over de herkomst van de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen voor zover betrekking hebbend op:
- i)
huurinkomsten van zijn woning in Spanje ter hoogte van €20.000,-;
- ii)
gokwinsten ter hoogte van €30.000,-;
- iii)
in 2018 opgenomen geldbedragen van de rekening van zijn zoon ter hoogte van €13.000,;
- iv)
gespaarde delen van zijn inkomsten uit loondienst voorafgaand aan de tenlastegelegde periode,
niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn en dus voor de hand lag dat het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek naar die verklaringen heeft gedaan en/of dat nu rekwirant ten aanzien van het grootste deel van het contant geld geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst daarvan er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is, van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dat oordeel niet begrijpelijk, althans — mede gelet op hetgeen naar voren was gebracht — niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Nu uit de bewijsmiddelen ook niet op andere wijze volgt dat de geldbedragen ‘uit enig misdrijf afkomstig’ zijn, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Toelichting
IV.1. Bewezenverklaring
Blijkens het arrest d.d. 12 juli 2024 (p. 105–106) heeft het Hof als feit 5 ten aanzien van rekwirant bewezenverklaard dat:
‘hij in de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019, te [b-plaats], meermalen geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en daarvan gebruik gemaakt; immers heeft hij,
- —
in 2014 15.085 contant gestort;
- —
in 2015 18.560 contant gestort;
- —
in 2016 25.120 contant gestort;
- —
in 2017 28.510,- contant gestort;
- —
in 2019 4.950,- contant gestort;
terwijl hij wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.’
IV.2. Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
Blijkens het arrest heeft het Hof aan deze bewezenverklaring de redengevende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd zoals beschreven op p. 98–99 en p. 102 t/m 105, met in de voetnoten verwijzingen naar bewijsmiddelen waarin die redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend. Daaruit kan kortgezegd worden opgemaakt dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen in de jaren 2014, 2015, 2016, 2017 en 2019 contant zijn gestort op de bankrekening van [getuige 3], de echtgenote van rekwirant. En dat zowel rekwirant als [getuige 3] hebben verklaard dat rekwirant in die jaren contante gelden aan [getuige 3] gaf. [getuige 3] heeft, geconfronteerd met de gestorte geldbedragen, verklaard die op haar rekening te hebben gestort. Ook volgt uit de bewijsmiddelen dat het inkomen van rekwirant in 2016 en 2017 betrekking heeft op het resultaat uit overige werkzaamheden en de eenmanszaak Oomen in 2017 een omzet van €3.510,- had.
Vervolgens heeft het Hof nadere bewijsoverwegingen gewijd aan de bewezenverklaring van het gewoontewitwassen. Daartoe is eerst een juridisch kader geschetst, onder meer inhoudende dat indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen, van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag die concreet, min of meer verifieerbaar en niet, op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Het Hof overweegt verder:
‘Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de hoeveelheid geld waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.’
In het vervolg van de overwegingen gaat het Hof in op het gerezen witwasvermoeden en overweegt het Hof onder het kopje ‘Wetenschap dat het geld afkomstig is van misdrijf’ als volgt:
‘In het licht van het vorenstaande mag worden verlangd dat verdachte een verklaring geeft over de herkomst van de contant gestorte geldbedragen.
Verdachte heeft verklaard dat het geld afkomstig is van gespaard geld uit zijn werk in de visserij in de voorafgaande jaren, betalingen voor verfklussen bij particulieren, een uitkering van levensverzekeringen, privéleningen, verhuurinkomsten van het huis in Spanje, geld dat hij van de rekening van zijn zoon heeft gehaald en gokwinsten. Deze verklaringen zijn nader onderbouwd bij brief van 16 maart 2022:
- —
Gokopbrengsten: €30.000,-;
- —
Huurinkomsten: € 20.000,-;
- —
Opnames vanaf de rekening van de zoon van verdachte: € 13.000,-;
- —
Uitkering van twee levensverzekeringen: € 35.193,32; en
- —
Losse werkzaamheden en verfklussen.
Ten aanzien van het bedrag van € 35.193,32, betreffende de uitkering van twee levensverzekeringen, heeft verdachte een concrete en verifieerbare verklaring afgelegd over de herkomst van het geld. Die verklaring is onderbouwd met stukken, waaruit blijkt dat dit bedrag is uitbetaald. Het hof acht het niet onwaarschijnlijk dat verdachte dat geld heeft opgenomen en later weer heeft gestort. Gelet daarop is het hof van oordeel dat ten aanzien van dit bedrag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden Verklaard dat dit afkomstig is van misdrijf
Datzelfde geldt ten aanzien van een bedrag van € 10.100,- voor de huurinkomsten van de woning van verdachte in Spanje. De getuigen [getuige 2], [getuige 4], [getuige 3] en [getuige 5] verklaren dat zij voor hun verblijf in de vakantiewoning van verdachte contant zo'n € 300,- tot € 600,- betaalden. Het hof volgt de advocaten-generaal in de berekening dat dit gelet op door deze getuigen genoemde bedragen en frequentie; van hun verblijf om een totaalbedrag van €10.100,- gaat. Het hof is van oordeel dat ten aan zien van dit bedrag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat dit afkomstig is van misdrijf.
Verdachte heeft met betrekking tot de gokwinsten verklaard dat deze door [getuige 5] voor hem werden ontvangen en heeft daarover stukken aangeleverd. Het hof kan op basis van deze stukken echter niet vaststellen dat het verdachte is geweest en niet [betrokkene 2] — die zelf gokte — deze gokwinsten heeft gemaakt en evenmin dat deze opgenomen geldbedragen aan verdachte zijn uitgekeerd. De door [betrokkene 2] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring is voor het hof, vanwege, het feit dat zijn verklaring onvoldoende concreet is aangaande wanneer verdachte welke gokwinsten via de rekening van de getuige zou hebben ontvangen, onvoldoende redengevend om te komen tot de conclusie dat aannemelijk is geworden dat verdachte met gokken een dergelijk geldbedrag heeft verdiend.
Ten aanzien van stukken waaruit blijkt dat er in 2018 diverse grote geldbedragen zijn opgenomen van de rekening van de zoon van verdachte kan het hof niet vaststellen dat verdachte over deze geldbedragen heeft beschikt. Het hof acht de verklaring van verdachte en van de zoon van verdachte ([getuige 2]) op dit punt onvoldoende specifiek. Een dergelijke specifieke verklaring mag naar het oordeel van het hof wel verwacht worden van verdachte en zijn zoon, nu om het een dergelijk groot bedrag gaat. Verdachte zou over een langere periode in niet concrete porties geld hebben opgenomen van de bankrekening van zijn zoon, om deze opnames vervolgens weer terug te storten op zijn eigen rekening. Een verklaring over de reden hiervoor ontbreekt, zo stelt het hof vast, mede gelet op de verklaring van verdachte dat hij het betreffende geld opnam en het vervolgens opmaakte. Dit brengt het hof tot het oordeel dat de verklaring van verdachte op dit punt zonder meer onaannemelijk is.
Ten aanzien van de overige verklaringen acht het hof de uitleg eveneens onvoldoende concreet en onvoldoende verifieerbaar. Zo zijn er ook geen concrete verifieerbare stukken aangeleverd waaruit volgt dat het geld van verfklussen en privéleningen afkomstig kan zijn en ook acht het hof het niet goed volgbaar en niet waarschijnlijk dat verdachte in de ten laste gelegde periode (2014 tot en met 2019) nog in het bezit was van de in 2009 tot en met 2011 legaal verkregen inkomsten. Verdachte heeft ook dat niet concreet gemaakt.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de verklaringen die verdachte heeft gegeven over de herkomst Van de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen, met uitzondering van een bedrag van € 35.193,32 en € 10.100,-, niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Dat het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek naar die verklaringen heeft gedaan lag dus voor de hand.
Gelet op het feit dat verdachte in de periode 2014 tot en met 2019 grote contante bedragen heeft gestort en in het bijzonder op het feit dat er geen legale herkomst voor een groot deel van de betreffende bedragen te herleiden is, is het hof van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat het voorwerp in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.
Het hof is van oordeel dat nu de verdachte ten aanzien van het grootste deel van het contante geld geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst daarvan, er geen andere conclusie mogelijk is, dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit wist. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.’
IV.3. Hetgeen door en namens rekwirant naar voren is gebracht
Door rekwirant is ten aanzien van dit witwasverwijt een verklaring afgelegd. Dat heeft in de eerste plaats plaatsgevonden op 17 juni 2021. Bij brief van 16 maart 2022 is die verklaring door zijn raadslieden mr. S.L.J. Janssen en mr. D.J. van Rinsum voorzien van onderbouwende stukken. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting van de Rechtbank Noord-Nederland d.d. 22 maart 2022 (p.2 t/m 4) heeft rekwirant op die zitting uitgebreid verklaard over de herkomst van het geld dat blijkens de verdenking van feit 5 door de jaren heen op de rekening van zijn vrouw is gestort. Onder meer heet rekwirant ook bij de rechtbank al aangegeven dat zijn vriend Said naast het bankafschrift dat hij al had verstrekt een verklaring wilde afleggen over de gokwinsten en nog meer bankafschriften wilde overleggen van meer door rekwirant gewonnen geldbedragen.
Naar de verklaring van rekwirant en de brief van 16 maart 2022 wordt onder meer verwezen in de pleitnotities zoals voorgedragen d.d. 21 april 2022 bij de rechtbank Noord-Nederland vanaf paragraaf 2.6 (feit vijf: Contante stortingen 2014–2019 en ontnemingsvordering). In de pleitnotities is naar aanleiding van de verklaring van rekwirant onder meer gesteld dat rekwirant zijn bankrekening in die tijd nauwelijks tot niet gebruikte, maar zijn geld dat hij in de vorm van loon of anderszins binnenkreeg direct pinde en de contanten bewaarde en uitgaf, of aan zijn vrouw gaf ter ondersteuning van het huishouden en ten behoeve van de opvoeding en het leven van zijn zoon. Gesteld is dat het niet gaat om stortingen die in één keer zijn gedaan en er niet met grote hoeveelheden contant geld is rondgelopen (randnummer 222 pleitnotities eerste aanleg). Vanaf randnummer 227 tot en met 232 is naar voren gebracht welke inkomstenbronnen rekwirant heeft genoemd in zijn verklaring en in welke zin die verklaringen nader zijn onderbouwd bij brief van 16 maart 2022. In randnummer 233 is geconcludeerd dat rekwirant met zijn verklaring een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de contante stortingen en deze voorts concrete verwijzingen naar inkomstenbronnen inhoudt, die met stukken nader zijn onderbouwd en aanknopingspunten bieden voor nadere verificatie. Gesteld is dat uit de jurisprudentie van uw College kan worden opgemaakt dat het onderbouwen met stukken van een verklaring niet eens van een verdachte kan worden verlangd, maar dat rekwirant dit wel heeft gedaan. Vervolgens is van randnummer 236 t/m 251 nog ingegaan op — kortgezegd — het ontbreken van nader verifiërend onderzoek door het Openbaar Ministerie en op standpunten die het Openbaar Ministerie in een schriftelijk standpunt heeft ingenomen. Gesteld is dat het Openbaar Ministerie het schriftelijke standpunt heeft aangegeven dat nader onderzoek naar de verklaring van rekwirant niet mogelijk of noodzakelijk is en daarmee het nalaten van het doen van nadere verificatieonderzoek is toegegeven. Daaraan heeft de vereniging de conclusie verbonden dat slechts vrijspraak voor feit 5 kan volgen.
Bij appelschriftuur d.d. 13 september 2022 zijn een aantal getuigenverzoeken gedaan in het kader van de herkomst van het geld. Gesteld is in randnummer 13 dat de rechtbank de verklaring van rekwirant op onderdelen heeft verworpen en in dat licht de verdediging een aantal getuigen wenst te horen omdat deze allemaal zouden kunnen verklaren omtrent hetgeen rekwirant kenbaar heeft gemaakt over de herkomst van het geld (op verschillende onderdelen). Uit het proces-verbaal terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 5, 9, 12 en 16 februari 2024 en 12 juli 2024 blijkt dat die getuigen gehoord zijn door de raadsheer-commissaris (het gaat dan om de zoon van de rekwirant [getuige 1], zijn broer [getuige 2], [getuige 3], [getuige 5], [getuige 4] en [getuige 5]. Uit het tussenarrest van het Hof volgt ook dat ten aanzien van deze getuigen door het Openbaar Ministerie is aangegeven zich niet te verzetten tegen het horen van hen en dat het Hof die verzoeken gelet op het verdedigingsbelang heeft toegewezen.
Vervolgens wordt nog verwezen naar de zoals overgelegd en voorgedragen door mr. S.L.J. Janssen ten overstaan van het Hof op 12 februari 2024. Deze pleitnotities borduren in paragraaf 2.2 (witwassen feit vijf: contante stortingen) voort op de verklaringen van rekwirant en de pleitnotitie zoals die in eerste aanleg al is voorgedragen. Vanaf randnummer 89 van de pleitnotities wordt ingegaan op de verschillende onderdelen van de verklaring van rekwirant en op welke wijze hij zelfs bewijs heeft aangeleverd voor zijn stellingen dat hij kortgezegd over voldoende legale contante inkomsten heeft beschikt om in de tenlastegelegde jaren de tenlastegelegde contante stortingen van te doen op de rekening van zijn vrouw. In randnummer 96 wordt bij elkaar opgesomd dat de verschillende posten waarover rekwirant heeft verklaard, met de bijbehorende bedragen, een totaalbedrag opleveren van €98.193. En dat alleen dat bedrag al ruim voldoende is om aan te nemen dat hij meer (legale) contante gelden beschikbaar heeft gehad dat er totaal gestort is (€92.225). Dit nog los van de diverse werkzaamheden die hij voorafgaand aan de tenlastegelegde periode heeft verricht en de klussen die hij volgens zijn verklaring in die periode ook nog heeft gedaan. Geconcludeerd is dat niet tot een bewezenverklaring van witwassen kan worden gekomen en verzocht is rekwirant van dit feit vrij te spreken.
IV.4. Juridisch kader
Voor het — naar het standpunt van rekwirant — relevante beoordelingskader/juridisch kader voor het bewezen verklaren dat voorwerpen ‘uit enig misdrijf afkomstig zijn’ indien uit de bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband met enig misdrijf kan worden afgeleid, wordt verwezen naar paragraaf III.3 in middel III waar de relevante jurisprudentie van uw College is weergegeven.
IV.5. Onjuist beoordelingskader gehanteerd/het oordeel van het Hof dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting
Uiteindelijk is het oordeel dat het ‘niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is’ gebaseerd op het oordeel dat rekwirant ten aanzien van het grootste deel van het contante geld geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst daarvan. Het is echter blijkens het juridisch kader van uw College de omstandigheid van het uitblijven van een ‘concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring’ die de rechter mag betrekken in de bewijsvoering.25. Het in die bewijsvoering betrekken van de omstandigheid dat rekwirant naar het oordeel van het Hof voor de herkomst van het grootste deel van het contante geld geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, is iets anders. Daarmee heeft het Hof méér van rekwirant verlangd dan in het kader van de bewijsvoering van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ mag/gevergd mag worden. De lat of een verdachte een aannemelijke verklaring voor de herkomst van geldbedragen heeft gegeven, is een hogere dan de lat of een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst is afgelegd — waarna het op de weg van het Openbaar Ministerie ligt daar onderzoek naar te doen, waaruit al volgt dat de verklaring van de verdachte vooral voldoende aanknopingspunten moet bieden om dat onderzoek mogelijk te maken (en ook niet meer dan dat). Wordt dat onderzoek verricht dan zal mede op basis van de resultaten van dat onderzoek worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Uit het juridisch kader zoals het aan de jurisprudentie van uw College te ontlenen is, volgt ook nadrukkelijk dat het in sommige gevallen mogen verlangen van een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte niet betekent dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Dat onderdeel ontbreekt in het juridisch kader zoals het Hof het heeft opgenomen in het arrest en heeft toegepast. Waardoor rekwirant van oordeel is dat een verkeerd beoordelingskader is gehanteerd. In feite wordt met het kader zoals door het Hof gehanteerd van de verdachte wel gevergd dat aannemelijk wordt gemaakt dat het witwasvoorwerp een legale herkomst heeft, een eis die aan een verdachte niet gesteld kan worden. Dit geldt te meer nu het Hof eerst tot het oordeel komt dat met uitzondering van de bedragen van €35.193,32 en €10.100,- de verklaringen van rekwirant niet concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn en het dus voor de hand lag dat het Openbaar Ministerie daar geen onderzoek naar zou doen. Via die route (het bestempelen van verklaringen als niet ‘concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk’) wordt het feit dat het Openbaar Ministerie geen onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van die verklaringen met de mantel der liefde bedekt en zijn er dus geen bevindingen die door de rechter in de beoordeling kunnen worden betrokken of — ondanks die verklaringen van de verdachte — het toch niet anders kans zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Of een gestelde herkomst aldus aannemelijk wordt bevonden, is dan geheel en alleen afhankelijk van de beoordeling van de verklaring van de verdachte en of die verdachte zijn verklaring heeft onderbouwd of zelf om nader onderzoek daarnaar heeft verzocht en dat onderzoek is uitgevoerd. Dit past niet bij het juridisch kader zoals het volgt uit de jurisprudentie van uw College, evenmin bij het feit dat de wetgever met de strafbaarstelling van witwassen geen verlichting van de in strafzaken gangbare bewijslast heeft beoogd en kan dan ook niet als juist worden aanvaard.
Dat het Hof heeft gevergd dat rekwirant niet alleen een aannemelijke verklaring aflegde, maar ook aannemelijk maakte (of aannemelijk werd) dat de geldbedragen niet uit enig misdrijf afkomstig zijn, ligt besloten in verschillende onderdelen uit de overwegingen van het Hof. Zo is ten aanzien van de gestelde gokwinsten uiteindelijk door het Hof overwogen dat de verklaring van getuige [betrokkene 2] onvoldoende redengevend is om te komen tot de conclusie dat aannemelijk is geworden dat rekwirant met gokken het geldbedrag heeft verdiend. Het volgt ook uit de overweging dat het Hof ten aanzien van namens rekwirant ingebrachte stukken van de rekening van zijn zoon waar grote geldbedragen van zijn opgenomen niet kan vaststellen dat rekwirant over die geldbedragen heeft beschikt. En uit het feit dat overige verklaringen over verfklussen en privéleningen (reeds) onvoldoende concreet en onvoldoende verifieerbaar worden gevonden omdat er geen concrete verifieerbare stukken zijn aangeleverd waaruit volgt dat het geld van die verfklussen en privéleningen afkomstig kan zijn.
Het oordeel van het Hof dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ is gelet op het voorgaande gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting, dan wel (in ieder geval) onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
IV.6. Het oordeel van het Hof dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ is niet begrijpelijk, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd
Ook indien het oordeel van het Hof zo moet worden begrepen dat het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is in de kern gebaseerd is op het (voorafgaande) oordeel dat dat de verklaringen die rekwirant heeft gegeven over de herkomst van de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen, met uitzondering van een bedrag van € 35.193,32 en € 10.100,-, niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn en voor de hand lag dat het Openbaar Ministerie daar geen nader onderzoek naar heeft gedaan, geldt dat het oordeel niet zonder meer begrijpelijk is gemotiveerd. Dit geldt in meer algemene zin en in specifiekere zin ten aanzien van verschillende onderdelen van de verklaring van rekwirant (waar hierna nog op zal worden ingegaan).
Wat immers bevreemdt aan het oordeel van het Hof is dat op verschillende onderdelen van de verklaringen van rekwirant wordt ingegaan en uit de overwegingen van het Hof volgt dat op verschillende punten door/namens rekwirant stukken zijn aangeleverd ter onderbouwing van zijn verklaringen en dat er — na een toewijzende beslissing van het Hof — verschillende getuigen zijn gehoord die zijn verklaringen hebben bevestigd26. (maar die verklaringen door het Hof onvoldoende specifiek en/of concreet zijn gevonden) en vervolgens desondanks tot het oordeel wordt gekomen dat de verklaringen (met uitzondering van een bedrag van € 35.193,32 en € 10.100,-,) niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk, nu het aanleveren van stukken en het horen van getuigen (na een toewijzende beslissing van het Hof daartoe) reeds maakt dat verklaringen voldoende concreet zijn om daar enig onderzoek naar te verrichtten (zoals de genoemde getuigen daarover horen) en min of meer verifieerbaar zijn. Op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn dergelijke verklaringen over de gestelde herkomst ook niet, nu niet voor de hand ligt dat getuigenverzoeken ter onderbouwing van die verklaringen worden toegewezen terwijl het zou gaan om een verklaringen over de herkomst van geldbedragen die hoogst onwaarschijnlijk is. En dit is nog afgezien van het feit dat de verklaring van rekwirant in zichzelf op verschillende onderdelen al voldoende aanknopingspunten bood voor nader onderzoek (waar door de verdediging ook een beroep op is gedaan) en het oordeel dat die verklaring niet ‘concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk’ is, niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Waarbij kan worden verwezen naar hetgeen door en namens rekwirant naar voren is gebracht over die verklaring.
Naar het standpunt van rekwirant is simpelweg indien een verklaring over een gestelde herkomst voldoende aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek, of zelfs met stukken is gestaafd en/of daar getuigen over zijn gehoord (die niet hebben verklaard dat de verklaring van de verdachte over de herkomst niet klopt), het stadium waarin verklaringen nog niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk kunnen worden bevonden gepasseerd. Althans het is in die omstandigheden niet zonder meer begrijpelijk dat het Hof alsnog tot het oordeel is gekomen dat die verklaringen niet voldeden aan het criterium dat deze concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk moeten zijn. En heeft geoordeeld dat het dus voor de hand lag dat het Openbaar Ministerie daar geen onderzoek naar zou doen. Gelet op hetgeen het Hof ten aanzien van de delen van de verklaring van rekwirant heeft overwogen, zou het dus kennelijk zo zijn dat een verdachte een verklaring aflegt (die op zijn minst op onderdelen aanknopingspunten biedt voor onderzoek), probeert die verdachte zelf met het overleggen van onderbouwende stukken en nadere uitleg en zelfs door getuigenverzoeken te doen waar het Openbaar Ministerie zich niet tegen verzet en ook worden toegewezen door het Hof, terwijl het Openbaar Ministerie in de tussentijd stil kan zitten en nooit de bal oppakt van het doen van nader onderzoek? Het heeft er eerder de schijn van dat het Hof tot dat oordeel is gekomen omdat het anders zou moeten constateren dat het Openbaar Ministerie had nagelaten onderzoek te doen naar de verschillende onderdelen van de verklaring van rekwirant en dit gegeven zou moeten worden betrokken bij de bewijsbeslissing. Dit maakt de bewezenverklaring niet zonder meer begrijpelijk.
IV.7. Het oordeel van het Hof betreffende de verklaring voor zover betrekking hebbend op huurinkomsten van een woning in Spanje (i) getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is in ieder geval niet zonder meer begrijpelijk
Het Hof heeft weliswaar aangenomen dat deels sprake is geweest van huurinkomsten, maar heeft in het midden gelaten of de verklaring van rekwirant — inhoudende dat een deel van de herkomst van het tenlastegelegde geld ter hoogte van €20.000,- te verklaren is door de huurinkomsten die hij gedurende 6 jaren heeft gehad van de vakantiewoning is Spanje — concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De bewezenverklaring is daarom niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd, zie daarvoor de uitspraak van uw College d.d. 6 februari 2024 ECLI:NL:HR:2024:167. Weliswaar was daar sprake van het in het midden laten of een hele gestelde inkomstenpost concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk was, maar dat doet naar het standpunt van rekwirant er niet aan af dat zoals in onderhavig geval ook sprake kan zijn van het in het midden laten ten aanzien van een deel van de verklaring. Dat heeft het Hof gedaan door enkel ten aanzien van een ander (veel lager) bedrag dan waarover is verklaard duidelijk te maken dat sprake is van een verklaring die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
Dat een ‘min of meer verifieerbare’ verklaring mag worden verlangd, houdt naar het standpunt van rekwirant al in dat niet de gehele verklaring van a tot z verifieerbaar hoeft te zijn, laat staan dat het aan rekwirant is om voor het gehele bedrag waarover hij heeft verklaard stukken hoeft te overleggen waaruit exact die inkomsten blijken, of anderszins aannemelijk moet maken dat hij dat bedrag aan inkomsten heeft gehad. De verklaring moet simpelweg voldoende aanknopingspunten bieden voor nader onderzoek. De getuigen die door rekwirant zijn genoemd en die hebben verklaard gebruik te hebben gemaakt van de vakantiewoning van rekwirant in Spanje en welke bedragen zij daarvoor gemiddeld betaalden, zijn in meer algemene zin gehoord over het feit dat in de jaren waar de tenlastelegging betrekking op heeft door rekwirant zijn vakantiewoning ter beschikking werd gesteld aan anderen, voor welke periodes dat ongeveer steeds was en welke bedragen daar ongeveer tegenover stonden en dat die bedragen contant werden betaald. De verklaringen van de getuigen waren exemplarisch en niet uitputtend bedoeld voor wat betreft de keren dat de woning verhuurd is geweest en rekwirant daar huurinkomsten voor heeft ontvangen. Naar aanleiding daarvan is het standpunt ingenomen dat het totaalbedrag dat aan contante huurinkomsten is verkregen door rekwirant is geschat op €20.000,- (en niet op €10.100,-), berekend over die 6 jaar en de gemiddelde duur van de verhuurperiodes en gemiddelde bedragen waarvoor de woning verhuurd werd.
Het Hof heeft hier meer op de wijze zoals dat in een ontnemingszaak bij een eenvoudige kasopstelling kan (zeker bij toepassing van lid 3 van art. 36e Sr) beoordeeld of aannemelijk is (gemaakt) dat er meer legale contante inkomsten waren in de onderzochte periode dan waar in die kasopstelling van uit is gegaan. Bij een verdenking van witwassen en het beoordelen van een ontnemingsvordering op basis van een (eenvoudige) kasopstelling gelden echter andere bewijsregimes27., dat lijkt het Hof hier te hebben miskend. In ieder geval heeft het Hof ten onrechte in het midden gelaten of de verklaring van rekwirant over de herkomst van de overige € 9.900,- concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is, dan wel is het (kennelijke) oordeel dat alleen tot een bedrag van € 10.100,- en niet tot een bedrag van €20.000,- een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is afgelegd over de herkomst niet zonder meer begrijpelijk.
IV.8. Het oordeel van het Hof betreffende de verklaring voor zover betrekking hebbend op gokwinsten (ii) getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is in ieder geval niet zonder meer begrijpelijk
Ten aanzien van het oordeel van het Hof dat de verklaring van rekwirant voor zover betrekkend hebbend op gokwinsten niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is (hetgeen uiteindelijk geoordeeld is in de op twee na laatste alinea van de nadere bewijsoverwegingen), geldt dat het Hof hier een onjuiste eis heeft gesteld/van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan om tot dit oordeel te komen. Geoordeeld wordt immers dat de conclusie dat aannemelijk is geworden dat verdachte met gokken een dergelijk geldbedrag heeft verdiend niet kan worden getrokken op grond van overgelegde stukken en de verklaring van de getuige [betrokkene 2]. De overwegingen van het Hof over de gestelde gokwinsten kunnen niet anders worden gelezen dan dat het Hof heeft gevergd dat rekwirant aannemelijk zou maken dat de gokwinsten zoals uitgekeerd op de rekening van [betrokkene 2] door hem (rekwirant) zijn verdiend. Een eis die niet aan hem gesteld kon worden.
Gelet op het feit dat het Hof zelf vaststelt dat rekwirant stukken heeft aangedragen ter onderbouwing van zijn verklaring dat [betrokkene 2] deze voor hem heeft ontvangen en [betrokkene 2] daarover door de raadsheer-commissaris is gehoord als getuige28. is het oordeel dat de verklaring niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is en er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is niet voldoende begrijpelijk (gemotiveerd). Evenmin is overigens begrijpelijk dat het Hof kennelijk in dit kader aan een verklaring van een getuige de eis heeft gesteld dat deze dusdanig concreet moet zijn dat daaruit volgt welke gokwinsten wanneer door rekwirant via de rekening van de getuige zijn ontvangen. Waarbij nog wordt opgemerkt dat ook betwist wordt dat de getuige daar niet voldoende concreet over heeft verklaard. Uit het proces-verbaal van het verhoor bij de raadsheer-commissaris volgt immers dat de getuige aangeeft door het tijdsverloop niet meer alles te weten en dat hij voor de gokwinsten die door rekwirant zijn verdiend verwijst naar de bankafschriften die hij heeft overgedragen en dat rekwirant aan de hand daarvan kon berekenen wat het totaalbedrag was (waarbij de getuige de schatting heeft gemaakt dat het om €20.000,- tot €30.000,- zal zijn gegaan). Indien na een behoorlijk tijdsverloop wordt verwezen naar bankafschriften waar op staat vermeld over welke bedragen het gaat, dan is dat een voldoende concrete verklaring. Hoe dan ook kan naar het oordeel van rekwirant een oordeel dat een getuige ‘onvoldoende concreet’ heeft verklaard niet bijdragen aan het oordeel dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van (dit deel van) geld niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
IV.8. Het oordeel van het Hof betreffende de verklaring voor zover betrekking hebbend op in 2018 opgenomen geldbedragen van de rekening van de zoon van rekwirant (iii) getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is in ieder geval niet zonder meer begrijpelijk
Ten aanzien van de verklaring van rekwirant, voor zover inhoudende dat in 2018 geldbedragen opgenomen zijn van rekening van zijn zoon, geldt dat het Hof tot het oordeel is gekomen dat de verklaring van rekwirant op dit punt ‘zonder meer onaannemelijk’ is. Ook hier geldt dat die bewoordingen erop duiden dat het Hof ten onrechte een aannemelijkheidstoets heeft aangelegd en niet of de verklaring van rekwirant concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. En het ‘zonder meer onaannemelijk’ zijn van de verklaring vervolgens ten nadele van rekwirant heeft betrokken in het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Ook echter met de overweging dat van rekwirant en zijn zoon mag worden verlangd dat zij een specifieke verklaring geven en de gegeven verklaring onvoldoende specifiek is, gaat het Hof te ver en verlangt het te veel. Te meer gelet op het feit dat beide hebben verklaard over het opnemen van totaal rond de €13.000,- en er ook stukken zijn overgelegd waaruit volgt over welke bedragen het gaat. Dat het Hof bij de beoordeling heeft betrokken dat een verklaring ontbreekt over de reden waarom rekwirant bedragen opnam van de rekening van zijn zoon om deze vervolgens weer terug te storten op zijn eigen rekening, is onbegrijpelijk. In de eerste plaats gaat het om bedragen die op de rekening van de vrouw van rekwirant zijn gestort en ten tweede heeft rekwirant verklaard (en is dit ook nader uitgelegd in de pleitnotities) dat hij de gewoonte had alles contant op te nemen en dat [getuige 3] geld op haar rekening stortte om vaste lasten etc. van te voldoen. Dat kan onhandig, omslachtig, of wat dan ook worden gevonden, maar het is niet zo dat — zoals het Hof overweegt en in de oordeelsvorming betrekt — een verklaring over de reden daarvoor ontbreekt.
Voorts geldt hier nog dat uit het proces-verbaal terechtzitting van het Hof d.d. 5, 9, 12, 16 februari en 12 juli 2024 niet volgt dat rekwirant daarover ook maar enige vraag heeft gekregen van het Hof. Enkel blijkt dat de stukken zijn voorgehouden, waaronder zijn verklaring zoals afgelegd bij de rechtbank. Rekwirant geeft daarop aan feit 5 te ontkennen en dat hij meent te hebben aangetoond dat het geld een legale herkomst had, dat de rechtbank wel dingen onlogisch kan vinden maar dat hij leefde hoe hij leefde en dat mensen dat hebben aangetoond. Indien kennelijk aan de hand van verklaringen van rekwirant en zijn zoon en de overgelegde stukken de vraag is wat de reden is om geld contant op te nemen van ene rekening en later weer op een andere rekening te storten (en op basis hiervan mogelijk het oordeel gaat zijn dat de verklaring ‘zonder meer onaannemelijk’ wordt gevonden) dan ligt het op het de weg van het Hof dat aan rekwirant voor te houden en hem die vraag te stellen. Uit het proces-verbaal terechtzitting volgt niet dat rekwirant zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen of anderszins geen vragen meer wilde beantwoorden. De vragen zijn gewoon niet gesteld en vervolgens wordt het ontbreken van een verklaring over de reden waarom rekwirant op deze manier met de opgenomen bedragen van de rekening van zijn zoon is omgegaan hem wel tegengeworpen.
Ook hier geldt dat indien de overwegingen van het Hof zo moeten worden gelezen dat de verklaring op dit punt niet ‘concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk’ is en er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is, dit oordeel niet voldoende begrijpelijk is (gemotiveerd).
IV.9. Het oordeel van het Hof betreffende de verklaring voor zover betrekking hebbend op gespaarde inkomsten uit arbeid (iv) getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is in ieder geval niet zonder meer begrijpelijk
Ten aanzien van het oordeel van het Hof dat de verklaring van rekwirant voor zover betrekkend hebbend op inkomsten uit arbeid niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is (hetgeen uiteindelijk geoordeeld is in de op twee na laatste alinea van de nadere bewijsoverwegingen), geldt dat het Hof daar enkel aan ten grondslag heeft gelegd dat niet goed volgbaar en niet waarschijnlijk29. is dat rekwirant in de ten laste gelegde periode (2014 tot en met 2019) nog in het bezit was van de in 2009 tot en met 2011 legaal verkregen inkomsten en rekwirant dat ook dat niet concreet heeft gemaakt. Dat is gelet op hetgeen naar voren is gebracht en ook overigens blijkt, te weten dat rekwirant door de rechtbank blijkens het proces-verbaal terechtzitting d.d. 22 maart 2022 is voorgehouden dat hij tot 2014 in loondienst heeft gewerkt, niet zonder meer begrijpelijk. Althans is het oordeel dat ten aanzien van ook dit onderdeel de verklaring van rekwirant niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is (en het voor de hand lag dat het Openbaar Ministerie daar geen onderzoek naar zou doen) niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Daarbij dient te worden betrokken dat rekwirant blijkens het proces-verbaal van de rechtbank d.d. 22 maart 2022 onder meer het volgende heeft verklaard:
‘Alle rekeningen werden via de bankrekening van [getuige 3] betaald. Vanaf mijn eigen bankrekening heb ik nooit rekeningen betaald. Dit deed ik ook al niet toen ik bij [A] werkte. Ik nam mijn inkomsten altijd contant op. Ik wilde dit aantonen door oudere bankafschriften van mijn bankrekening op te vragen. De bank kon deze afschriften echter niet verstrekken. Indien rekeningen betaald zouden moeten worden dan gaf ik [getuige 3] contant geld. [getuige 3] betaalde de rekeningen dan. Ik maakte ook nooit giraal geld naar [getuige 3] over, maar deed alles contant. Vandaar dat er zoveel geldbedragen op de rekening van [getuige 3] zijn gestort.’
Op het feit dat rekwirant niet alle bankafschriften zelf heeft kunnen verkrijgen, waarmee hij al zijn inkomsten uit arbeid bij [A] aannemelijk had kunnen maken en had kunnen aantonen dat hij die bedragen contant opnam van zijn rekening, is in pleidooi in eerste aanleg ook ingegaan (pleitnotities, randnummer 240). Dat pleidooi is gevolgd op de brief van 16 maart 2022, waar inkomensstukken uit arbeid van de jaren 2009 t/m 2011 bij zijn overgelegd. Daarover is bij pleidooi gesteld dat die stukken inzichtelijk maken dat rekwirant inkomsten had uit arbeid en daar delen van heeft kunnen sparen, nog voor de onderzochte periode. Niet is gesteld, dat is ook niet de verklaring van rekwirant geweest, dat hij uitsluitend in 2009 t/m 2011 inkomsten uit arbeid van [A] had, welke inkomsten hij contant opnam en die nog tot zijn beschikking had in 2014 en de jaren die daarop volgden. Naar het standpunt van rekwirant heeft het Hof dan ook ten onrechte in het midden gelaten of dit deel van zijn verklaring voldoende concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk was — dat oordeel is alleen gegeven ten aanzien van een verklaring zoals die niet door rekwirant is afgelegd en is onderbouwd.
Ook overigens is het oordeel van het Hof niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd, te meer nu rekwirant ter zitting in eerste aanleg is voorgehouden dat hij tot 2014 (en niet tot 2011) in loondienst heeft gewerkt, rekwirant ten aanzien van de jaren 2009 t/m 2011 inkomensstukken heeft overgelegd en heeft gesteld van zijn bank niet alle bankafschriften meer te hebben kunnen verkrijgen om aannemelijk te maken dat hij altijd zijn inkomsten contant opnam. Om dan te oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf, omdat (ook op dit punt) geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is afgelegd en dus voor de hand lag dat het Openbaar Ministerie daar geen onderzoek naar zou doen, is niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Gelet op al het voorgaande kan het arrest niet in stand blijven.
Het is op bovengenoemde gronden dat rekwirant uw College eerbiedig verzoekt om het arrest zoals gewezen door het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden op 12 juli 2024 te vernietigen en een zodanige uitspraak te doen als uw College juist en noodzakelijk voorkomt.
De bijzonderlijk gevolmachtigden,
mr S.L.J. Janssen
Rotterdam, 10 maart 2025
mr D.N. de Jonge
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 10‑03‑2025
Zie arrest d.d. 12 juli 2024, p. 78 t/m 98 waarin meermaals verwezen wordt naar hetgeen A-4110 (in belastende zin) verklaard heeft over ontmoetingen die het Hof redengevend heeft geacht om te komen tot deze bewezenverklaring.
Vonnis d.d. 17 augustus 2022, p. 9 en arrest d.d. 12 juli 2024, p. 8
Arrest d.d. 12 juli 2024, p. 10.
Motie van het lid Kalsbeek-Jasperse, Kamerstukken II 1998–1999, 23251, nr. 33.
Zie bijvoorbeeld (Kamerstukken II, 1996/1997, 25 403, nr. 7) ‘Een informant is in de praktijk meestal een persoon uit het criminele milieu. Een persoon uit een dergelijk milieu kan niet optreden als infiltrant. De criminele burgerinfiltrant is immers in beginsel verboden’ (p. 39); ‘Inderdaad blijven aan de inzet van burgers bij de opsporing risico's kleven. Dat geldt zeker in het geval van de criminele burgerinfiltrant. De wettelijke kaders verminderen deze risico's echter, vooral ook doordat zij tot een zeer restrictieve inzet van deze opsporingsmethodes verplichten. Inzet van een criminele burgerinfiltrant is in principe verboden’ (p. 67); ‘Deze leden vragen de regering voorts of in de praktijk niet de behoefte zal bestaan om de gestuurde burgerinformant hetzelfde te laten doen als wat juist door het verbod op de criminele burgerinfiltrant moet worden voorkomen. Ik verwacht niet dat deze behoefte zal bestaan’ (p. 70).
Zo onder meer de (Kamerstukken II, 1996/1997, 25 403, nr. 7) PvdA-fractie (p. 71), de CDA-fractie (p. 72), de VVD-fractie (p. 73) en de GPV-fractie (p. 74).
Dat was ook het uitgangspunt van het Openbaar Ministerie dat er blijkens de Aanwijzing wel degelijk van uit ging dat sprake was van een opgelegd algemeen verbod dat eerst met de motie-Recourt werd opgeheven: ‘Door de aanvaarding van de motie-Recourt (Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 192) is het algemeen verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten komen te vervallen (…).’
M.J. Borgers, ‘Wetshistorische interpretatie in de strafrechtspraak’, in M.S. Groenhuijsen en J.B.H.M. Simmelink (red.), Glijdende schalen — Liber amicorum J. de Hullu, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003, p. 54
Verwezen is naar J.P.A. Fleuren, ‘Wetshistorische interpretatie, de bedoeling van de wetgever’, in P.P.T. Bovend'Eert e.a. (red.), De staat van wetgeving. Opstellen aangeboden aan prof. mr. C.A.J.M. Kortmann, Deventer: Kluwer 2009, p. 155 en S.L.J. Janssen, De kroongetuige in het Nederlandse strafproces (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2013, p. 182.
P.P.T. Bovend’ Eert en H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, twaalfde druk Deventer 2017, p. 217
In ieder geval wordt daarmee uit het oog verloren dat een motie een van geval tot geval verschillende politieke betekenis heeft, zie daarvoor: P.P.T. Bovend’ Eert en H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, twaalfde druk Deventer 2017, p. 366
Zie arrest d.d. 12 juli 2024, p. 78 t/m 98 waarin meermaals verwezen wordt naar hetgeen A-4110 (in belastende zin) verklaard heeft over ontmoetingen die het Hof redengevend heeft geacht om te komen tot deze bewezenverklaring.
Vonnis rechtbank Noord-Nederland, d.d. 17 augustus 2022, p. 11
Verwijzend naar Corstens en Borgers, het Nederlandse strafprocesrecht, achtste druk 2014, p. 520.
Randnummers 34, 35, alsmede 39 pleitnota eerste aanleg zoals herhaald in randnummer 32 pleitnota hoger beroep, p. 23–24.
Pleitnotities zoals overgelegd en voorgedragen ten overstaan van het Hof dd. 12 februari 2024, p. 24.
Arrest d.d. 12 juli 2024, p. 7
Mogelijk bedoeld zal zijn de ernstigste.
Zie onder meer HR 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124, NJ 2007/278 en HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094, NJ 2006/473, HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194.
Aldus A-G Jörg in zijn conclusie voorafgaand aan HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787, NJ 2010/456.
Hoge Raad 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352
Tenzij tot het oordeel wordt gekomen dat wel een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is gegeven over de herkomst van het witwasvoorwerp en het Openbaar Ministerie (zoals verwacht mag worden) daar nader onderzoek naar heeft gedaan. Dan beoordeelt de rechter mede op basis van de resultaten van dat onderzoek of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Uit de overwegingen van het Hof volgt bijvoorbeeld ten aanzien van de getuige [getuige 1] (zoals zijn zoon heet, niet zijnde [getuige 2] zoals door het Hof genoemd, dat is zijn broer) en [getuige 5] niet dat de getuigen hebben verklaard dat de verklaring die rekwirant heeft gegeven over de herkomst van het desbetreffende deel van het geld niet klopt. Het hof heeft daar enkel nadere eisen aan gesteld, namelijk dat die getuigenverklaringen specifieker en//of concreter zouden moeten zijn.
Conclusie A-G Bleichrodt ECLI:NL:PHR:2014:1749
Terwijl rekwirant ook op de zitting in eerste aanleg al diens naam had genoemd en had aangegeven dat zijn vriend bereid was een verklaring af te leggen en meer bankafschriften te overleggen.
Ook dat is naar het oordeel van rekwirant iets anders dan de vraag of de verklaring over de herkomst op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is (zodat daar geen nader onderzoek naar hoeft te worden gedaan).