Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. dr. G.H. Lankhorst, actueel t/m 21-04-2026
Actueel t/m
21-04-2026
Tijdvak
01-01-2021 tot: -
Auteur
mr. dr. G.H. Lankhorst
Vakgebied(en)
Insolventierecht / Schuldsanering natuurlijke personen
De Wgs bracht per 1 juli 2012 de wettelijke inbedding van de taak van gemeenten – formeel het college van burgemeester en wethouders (B&W), zie artikel 3 lid 1 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening) op het terrein van de integrale schuldhulpverlening (artikel 3), en de verplichting voor de gemeenteraad om een beleidsplan hierover vast te stellen (artikel 2). Een dergelijk gemeentelijk beleidsplan wordt vastgesteld voor ten hoogste een periode van vier jaren, en moet de hoofdzaken bevatten van het integrale gemeentelijke schuldhulpbeleid. Dit betekent dat er bij schuldhulpverlening niet alleen aandacht moet zijn voor het oplossen van de financiële problemen van een cliënt maar ook voor preventie en voor eventuele omstandigheden die op enigerlei wijze in verband kunnen staan met de financiële problemen, zoals psychosociale factoren, relatieproblemen, de woonsituatie, de gezondheid, de verslaving of de gezinssituatie. Wachttijden en doorlooptijden worden gereguleerd (artikel 4). Binnen vier weken dient het eerste gesprek plaats te vinden waarin de hulpvraag wordt vastgesteld. In geval van een bedreigende situatie wordt er binnen drie werkdagen ee eerste gesprek gehouden waarin die hulpvraag wordt vstgesteld (lid 2). Artikel 5 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is tijdens parlementaire behandeling tussengevoegd bij amendement en betreft de algemene incassopauze (breed minnelijk moratorium, zie nader hieronder). Op de schuldenaren komt een inlichtingenplicht en een medewerkingsplicht te rusten (de artikelen 6 resp. 7). De inlichtingenplicht geldt ook spontaan en is sterk gelijkend op de inlichtingenplicht die geldt in het kader van de schuldsaneringsregeling (artikelen 105 en 327 Fw). Artikel 11 wijzigt tenslotte de wet op het financieel toezicht, in die zin dat het recht op een basisbankrekening wordt ingevoerd, mits de aanvrager voldoet aan bepaalde voorwaarden. De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening richt zich in eerste instantie tot de gemeenten, niet zozeer tot de schuldenaren, en - op artikel 5 na - niet tot de schuldeisers.
Brede minnelijke afkoelingsperiode
Een uitgesteld onderdeel van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is het zogenaamde brede minnelijke moratorium, dat een wettelijke grondslag kent in artikel 5), en niet te verwarren is met het minnelijk noodmoratorium dat per 1 januari 2008 werd neergelegd in artikel 287b Faillissementswet. Artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening brengt deze algemene afkoelingsperiode ('incassopauze') waarin elke bevoegdheid van de schuldeiser tot verhaal op de goederen van de schuldenaar en tot opeising van goederen die zich in de macht van de schuldenaar bevinden niet kan worden uitgeoefend. Deze tijdelijke schorsing van de incassomaatregelen kan plaatsvinden voor een periode van maximaal zes maanden. Dit onderdeel trad op een later tijdstip in werking. Bij algemene maatregel van bestuur zijn de nadere voorwaarden bepaald (zie hierna) waaronder de afkoelingsperiode kan worden afgekondigd en zijn de verplichtingen aangewezen die door de schuldenaar tijdens de afkoelingsperiode moeten worden nagekomen.
Algemene Maatregel van Bestuur
In het Staatsblad is gepubliceerd het Besluit van 6 maart 2017 tot invoering van een afkoelingsperiode voor natuurlijke personen ter stabilisering van hun financiële situatie alsmede tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Besluit breed moratorium, Stb. 2017, 83). Essentie is dat aan de rechtbank de afkondiging van een minnelijke afkoelingsperiode kan worden verzocht voor een natuurlijke persoon, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Het verzoek voor een afkoelingsperiode wordt niet gedaan door de debiteur zelf maar door het college van burgemeester en wethouders bij de rechtbank van de woonplaats van de schuldenaar. Indiening van het verzoek behoeft niet door een advocaat te geschieden. Op het verloop van de procedure zijn de artikelen 278 tot en met 291 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing (de regels voor de verzoekschriftprocedure in eerste aanleg). Wettelijke grondslag van deze algemene maatregel van bestuur is artikel 5, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. De inwerkingtredingsdatum van het breed minnelijk moratorium was 1 april 2017.
Een beroep doen op de WGS
Van een persoon die een beroep doet op een specifieke overheidsvoorziening kan worden verlangd dat hij voldoende gegevens en inlichtingen verstrekt die het de uitvoerder van die voorziening mogelijk maakt te beoordelen of het beroep op die voorziening terecht wordt gedaan. Ook indien het college van B en W bij een verzoek om schuldhulpverlening of in andere stadia van schuldhulpverlening niet om bepaalde concrete informatie en bewijsstukken van de aanvrager vraagt, dan geldt nog steeds dat de aanvrager "onverwijld uit eigen beweging" inlichtingen dient te verstrekken indien het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die feiten en omstandigheden, of de daarin opgetreden wijzigingen, van invloed kunnen zijn op zijn schuldhulpverlening (Kamerstukken II 2009/10, 32 291, nr. 3, p. 22-23). Dit is een ruime en spontane inlichtingenplicht voor de debiteur jegens de gemeentelijke instantie, die de wetgever voor de WGS overgenomen heeft uit artikel 105 juncto 327 van de Faillissementswet, en dan met name uit de rechtspraak van de Hoge Raad bij die schuldsaneringsbepalingen, beginnend met het standaardarrest van de Hoge Raad in HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9144, NJ 2002, 259 m.nt. Prof. B.Wessels).
Aan het niet nakomen van de inlichtingenplicht verbindt de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening geen gevolgen. De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening bevat evenmin een bepaling op grond waarvan de schuldhulpverlening kan worden beëindigd bij het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Bij het niet nakomen van de inlichtingenplicht kan het college besluiten een aanvraag om schuldhulpverlening niet te behandelen op grond van artikel 4:5 Awb. Artikel 4:5 Awb heeft – voor zover hier van belang – betrekking op het verstrekken van gegevens en bescheiden. De gemeente kan in de schuldbemiddelingsovereenkomst sancties verbinden aan het niet nakomen van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 6 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.De Wgs is een algemene bestuursrechtelijke kaderwet die als richtsnoer geldt ten behoeve van de gemeentelijke instanties, en dan wordt door de bestuursrechter meestal marginaal getoetst of het bestuursorgaan binnen de geldende wettelijke kaders is gebleven en of het bestuursorgaan in redelijkheid zus of zo kon beslissen.
Een aantal bepalingen van de Wgs zijn per 1 januari jl. gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen zijn: - De gemeente is verplicht vroegsignalering voor schulden uit te voeren (art. 3 lid 1 sub b Wgs). - Na het eerste gesprek moet de gemeente een beschikking afgeven aan de inwoner (art. 4 lid 1 Wgs). - Het plan van aanpak moet onderdeel zijn van de toewijzingsbeschikking (art. 4a lid 1 Wgs). - Gegevensuitwisseling wordt gefaciliteerd (art. 8 Wgs). De gegevens die in aanmerking komen voor uitwisseling staan beschreven in de artikelen 12 – 17 Bgs. - De inlichtingenplicht is beperkt tot de gegevens die de gemeente niet zelf kan verkrijgen (art. 6 Wgs).
Per 1 januari 2021 is ook de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet in werking getreden. Daarbij is de wijze waarop de beslagvrije voet berekend wordt, flink aangepast. Ook kunnen deurwaarders nu de noodzakelijke informatie ophalen uit gekoppelde systemen. Hierdoor hoeven schuldenaren weinig of geen informatie meer aan te leveren en kan de beslagvrije voet in veel gevallen automatisch berekend worden. Burgers kunnen zelf hun beslagvrije voet berekenen via www.bereken.uwbeslagvrijevoet.nl. Doordat de wijze van berekening van de beslagvrije voet op de schop is gegaan, is ook de berekening van het vrij te laten bedrag structureel gewijzigd. In het vtlb-rapport (www.bureauwsnp.nl) dat vanaf 1 januari 2021 van toepassing is, zijn de wijzigingen in detail beschreven. Daar is een handleiding voor de invoer in de nieuwe vtlb-calculator te vinden. Ook bij bankbeslag moet sinds 1 januari jl. rekening gehouden worden met een beslagvrij bedrag.
Vroegsignalering in WGS
Per 1 januari 2021 trad een wijzigingswet van de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening in werking die een uitwisseling mogelijk maakte van persoonsgegevens ten behoeve van de zogenaamde vroegsignalering (Wet van 24 juni 2020, Staatsblad 2020, 239). Als nieuwe taak voor het College van Burgemeester en Wethouders werd in artikel 3 lid 1 sub b WGS neergelegd om uit eigener beweging (dus ook zonder dat de inwoner daar zelf om verzoekt) aan een inwoner een aanbod te doen tot een eerste schuldhulpverleningsgesprek, zodra bij de gemeente een bepaald signaal van bepaalde schuldeisers zou worden ontvangen over betalingsachterstanden dat een goede indicatie vormt voor meer schulden. Ter uitwerking van deze nieuwe taak werd een algemene maatregel van bestuur in het leven geroepen waarin zes typen signalen worden aangewezen die een dergelijke indicatie kunnen vormen: betalingsachterstanden op elektriciteit, gas en warmte, drinkwater, zorgverzekering en huur (Besluit van 6 juli 2020, Staatsblad 2020, 240). In ditzelfde besluit werd overigens ook de uitvoeringsregeling inzake het breed minnelijk moratorium uit artikel 5 WGS ondergebracht, zodat alle lagere regelgeving met betrekking tot de WGS voortaan in een enkele AMvB gebundeld werd.
Wet van 24 juni 2020, Staatsblad 2020, 239 en Besluit van 6 juli 2020, Staatsblad 2020, 240.
Om het proefproject mogelijk te maken moet wel de Tijdelijke regeling betalingsachterstanden (Staatscourant 2021, 45719) aangepast worden. Dit is een ministeriële Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 november 2021, houdende regels ter aanwijzing van signalen van een schuldeiser over betalingsachterstanden. Deze ministeriële regeling is gebaseerd op de artikelen 8, eerste lid, en 10 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Met het wijzingen van deze regeling wordt het mogelijk om een experiment te starten met de signalen van belasting- en toeslagbetalingsachterstanden van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen. Het gaat om signalen van achterstanden in de inkomstenbelasting, omzetbelasting, motorrijtuigenbelasting, loonheffing, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget. Gemeenten krijgen al enkele jaren signalen van andere (overheids)crediteuren, bijvoorbeeld zorgverzekeraars en energiemaatschappijen, maar ook woningcorporaties bij huurachterstanden.
Voor het aanpassen van de ministeriële regeling loopt najaar 2024 een (internet)consultatieronde om input voor de definitieve versie te verzamelen. Het vroegsignaleringsexperiment op basis van artikel 8b WGS duurt vooralsnog een jaar, en start vanaf 1 januari 2025. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil de doorlooptijd van de regeling ook verlengen, zodat er voldoende tijd is om te monitoren en evalueren of de beoogde doelen behaald worden.
Toegankelijkheidsinstrument
Vroegsignalering van betalingsachterstanden op de vaste lasten kan ervoor zorgen dat mensen in een eerder stadium in beeld komen bij de gemeente, maar leidt niet altijd tot contact en hulpacceptatie (Nationale Ombudsman, Hoe eerder, hoe beter, februari 2024). Vroegsignalering kan als hulpmiddel dienen om het bereik van de schuldhulpverlening te vergroten, omdat mensen hiermee een hulpaanbod krijgen voordat ze zelf de stap naar hulp kunnen of willen zetten. Ook komt de hulp naar mensen toe, in plaats van dat de inwoner zelf het initiatief moet nemen en op zoek moet naar waar hulp te vinden is. Mensen met problematische schulden zijn niet allemaal even zelfredzaam en grote schulden maken soms apathisch. Gemeenten krijgen een groot aantal signalen van zogenaamde vaste lasten partners (verhuurders, zorgverzekeraars, energie- en waterbedrijven) over betalingsachterstanden. Op verschillende manieren wordt daarna geprobeerd om in contact te komen met mensen om hulp aan te bieden, bijvoorbeeld door een huisbezoek, telefoontje of e-mail. Huisbezoeken en telefoontjes leiden het vaakst tot contact, maar zijn direct ook het meest arbeidsintensief.
Data vroegsignalering
In een recent onderzoek concludeert de Nationale Ombudsman dat er grote verschillen zijn in de inzet van gemeenten na het ontvangen van een signaal. Sommige gemeenten ondernemen een enkele poging, terwijl andere gemeenten meerdere en verschillende pogingen ondernemen om in contact te komen met hun inwoners (Nationale Ombudsman, Hoe eerder, hoe beter, februari 2024). Daarnaast is de hulpacceptatie bij vroegsignalering beperkt (7% in 2023), maar ligt het aantal mensen dat hulp heeft geaccepteerd in 2023 wel 11% hoger dan in 2022 (Jaarrapportage Divosa Monitor Vroegsignalering 2023, https://www.divosa.nl/publicaties/divosa-monitor-vroegsignalering-schuldenjaarrapportage-2023). Over welke aanpak werkt om mensen met schulden vroegtijdig in beeld te krijgen en hulp te laten accepteren, is echter nog onvoldoende bekend. Dit is ook een terrein waar meer kennis van bewezen interventies gewenst is. Het ministerie van SZW evalueert de wetswijziging van de Wgs voor vroegsignalering in de tweede helft van 2024. In 2022 gaf maar liefst 30 procent van de gemeenten aan onvoldoende capaciteit te hebben om alle signalen van problematisch wordende schulden op te volgen (Jaarrapportage Divosa Monitor Vroegsignalering 2022, https://www.divosa.nl/publicaties/divosa-monitor-vroegsignalering-schuldenjaarrapportage-2022). Ook geven gemeenten aan dat er onvoldoende budget is om de vroegsignalering uit te voeren. Uit recent onderzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie over de gemeentelijke schuldhulpverlening blijkt dat gemeenten aangeven dat het vergroten van de capaciteit voor vroegsignalering de belangrijkste verbetersuggestie is binnen dit onderdeel van de schuldhulpverlening (rapport Nederlandse Arbeidsinspectie, De weg naar een schone lei, juni 2024).
Budgetten uitvoering vroegsignalering
Met de WGS-wetswijziging in 2021 zijn destijds geen structurele middelen voor gemeenten beschikbaar gesteld voor de uitvoering van vroegsignalering. In 2022, 2023 en 2024 hebben gemeenten wel incidenteel extra middelen ontvangen voor vroegsignalering. Sommige vaste lasten partners geven daarnaast aan dat ze niet weten wat er met de door hun aangeleverde signalen gebeurt en of deze ook tot opvolging of een hulpaanbod leiden. Omgekeerd geldt dat schuldeisers niet alleen moeten melden, maar ook zelf hun beleid ten aanzien van (sociale) incasso kunnen verbeteren. Om te bezien welke signalen kansrijk zijn om mensen met schulden in een zo vroeg mogelijk stadium te bereiken is in de Wgs een experimenteerbepaling opgenomen die het mogelijk maakt om schuldeisers toe te voegen die signalen van betalingsachterstanden met gemeenten mogen delen. Zo is op 1 april 2024 gestart met een experiment waarbij enkele gemeenten signalen ontvangen van het CAK over betalingsachterstanden over de eigen bijdrage bij de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Wet langdurige zorg. Ook wordt er gewerkt aan een experiment met signalen van betalingsachterstanden bij de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen. Meer verschillende signalen maken een betere en meer gerichte follow-up mogelijk.
Data schuldhulpverlening
Het aantal huishoudens dat kampt met problematische schulden is al enkele jaren onverminderd hoog, terwijl het aantal mensen dat hulp zoekt en ontvangt bij problematische schulden de laatste jaren terugloopt. In 2023 is het aantal huishoudens met problematische schulden zelfs iets toegenomen ten opzichte van voorgaande jaren, tot 726.210 (ruim 8 procent van de huishoudens) (CBS Dashboard Schuldenproblematiek in beeld, 2023). Jaarlijks melden ongeveer 80.000 mensen zich voor hulp bij de gemeentelijke schuldhulpverlening (NVVK Jaarverslag 2023, https://jaarverslag.nvvk.nl/2023/cijfers). Het aantal mensen dat jaarlijks geholpen wordt met een minnelijke schuldregeling was in 2016 nog ongeveer 20.000; in 2023 was dat gedaald tot nog zo’n 15.000 mensen (NVVK Jaarverslag 2017, https://jaarverslag.nvvk.eu/2017/cijfers/index.html). Uit de jaarlijkse Monitor schuldhulpverlening van Divosa en de NVVK blijkt zelfs dat het aantal aanmeldingen voor schuldhulp in de eerste helft van 2024 met 17% is gestegen ten opzichte van dezelfde periode in 2023. Er gaapt dus een grote kloof tussen de vraag vanuit de samenleving naar schuldhulpverlening en de daadwerkelijke oplossingen die kunnen worden geboden.
Systeem minnelijke schuldhulpverlening en toegankelijkheid
Door een schuldhulpverlener wordt namens de persoon met schulden overeenstemming gezocht met schuldeisers om de schuldenlast op te lossen. Allereerst wordt gekeken of iemand redelijkerwijs niet kan voortgaan met betalen of is opgehouden met betalen. Dat lijkt sterk op het wettelijke criterium van artikel 284 Fw voor de schuldsaneringsregeling. In de praktijk geldt het uitgangspunt dat iemand in een periode van 36 maanden de openstaande schulden niet volledig kan afbetalen. In dat geval wordt er tussen de persoon met schulden en de schuldeisers bemiddeld om een schuldregeling tot stand te brengen. Hierbij spant de inwoner zich in om een zo hoog mogelijk bedrag af te lossen in een periode van 18 maanden, of in sommige gevallen langer als hierover overeenstemming wordt bereikt met de schuldeisers.
De Nationale Ombudsman concludeerde reeds in 2018 dat de toegang tot de gemeentelijke schuldhulpverlening verbetering behoeft en laagdrempeliger moet worden ingericht (Nationale Ombudsman, Een open deur, 2018, https://www.nationaleombudsman.nl). Gemeenten reflecteren zelf dat sindsdien de toegang wel verbeterd is, maar nog laagdrempeliger kan, bijvoorbeeld door meer “outreachend” (minder lijdelijk) te werken of door de inzet van een laagdrempelig inlooppunt in de wijk (rapport Nederlandse Arbeidsinspectie, De weg naar een schone lei, juni 2024).
Gemiddelde schuldpositie
Daarnaast is het zo dat mensen zich pas laat melden bij de schuldhulpverlening, terwijl de problemen (incassokosten, rente, boetes, overlevingsschulden) in de tussentijd verergeren. Cijfers van de koepelorganisatie NVVK laten zien dat de gemiddelde schuld van mensen die zich bij de schuldhulpverlening melden in 2023 €38.735 was, met gemiddeld dertien schuldeisers (NVVK Jaarverslag 2023, https://jaarverslag.nvvk.nl/2023/cijfers). Dit terwijl ruim 60% van de huishoudens met problematische schulden een gestandaardiseerd besteedbaar jaarinkomen heeft van maximaal €30.000 (CBS Dashboard Schuldenproblematiek in beeld, 2023). Met andere woorden de gemiddelde schuldpositie bij de mensen die door de schuldhulpverlenende organisaties geholpen zouden willen worden is flink meer dan hun jaarinkomen.
De afgelopen jaren heeft het kabinet daarom ingezet op het verbeteren van de (toegang tot de) schuldhulpverlening. Enerzijds via een verbreding van de doelgroep en anderzijds via een meer preventieve aanpak. Met de wetswijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) per 1 januari 2021 werd immers de toegang voor ondernemers tot de gemeentelijke schuldhulpverlening verduidelijkt. Daarnaast werden gemeenten hiermee verplicht om met vroegsignalering mensen met beginnende betalingsachterstanden eerder in beeld te krijgen en hulp aan te bieden.
Lappendeken aan initiatieven
In juli 2022 is de kabinetsbrede Aanpak geldzorgen, armoede en schulden met de Tweede Kamer gedeeld (Kamerstukken II 2021/22, 24515, nr. 643). In deze aanpak onder het regime van het vorige Kabinet zijn verschillende acties aangekondigd die moeten bijdragen aan het voorkomen van het ontstaan van (problematische) schuldensituaties en om bestaande schuldensituaties sneller en efficiënter op te lossen. Dan gaat het onder andere om de clustering Rijksincasso (Kamerstukken II 2023/24, 24515, nr. 724), het verkorten van schuldhulptrajecten (Kamerstukken II 2022/23, 24515, nr. 696) en de preventieve inzet bij levensgebeurtenissen, maar ook de zogenaamde Landelijke Pauzeknop (zie hierna). Daarnaast zijn er de laatste jaren ook veel verschillende (particuliere) initiatieven rondom het voorkomen van schulden en/of schuldhulpverlening ontwikkeld, zoals het Vaste Lasten Pakket, Huishoudboekje, Fikks, Jongeren Perspectieffonds, de Nederlandse Schuldhulproute en de Verwijsindex Schuldhulpverlening (Vish). Van sommige ontwikkelde initiatieven is onderzocht hoe ze bijdragen aan het voorkomen of verhelpen van schulden, maar dit geldt niet voor alle initiatieven. Door het enorme aanbod en het gebrek aan inzicht in de effectiviteit is het - volgens het interdepartementale beleidsonderzoek uit zomer 2024 - voor gemeenten niet duidelijk welke interventies en initiatieven het waard zijn te implementeren. Dit maakt het voor initiatiefnemers juist weer lastig om voet aan de grond te krijgen. In de bestuurlijke afspraken voor de basisdienstverlening voor schuldhulpverlening wordt het belang benadrukt om meer evidence-based te werken. Dat vereist dat daarop het proces moet worden ingericht en dat hierop sturing plaatsvindt (Kamerstukken II 2023/24, 2415, nr. 730).
Bereik schuldhulpverlening en informele schuldhulp
Het bereik van de schuldhulpverlening neemt ondanks inzet ter verbeteringen de laatste jaren af, met 15% sinds 2017, aldus de NVVK Jaarverslagen 2017 tot en met 2023. Dit komt doordat mensen lang wachten met het vragen van hulp, hulp niet voldoende toegankelijk is, er weinig vertrouwen in de overheid is of door negatieve beelden over de schuldhulpverlening, bijvoorbeeld dat de eisen te streng zijn. Mensen met problematische schulden vragen vaak pas in een laat stadium hulp, omdat er eerst bewustwording en erkenning moet komen van de problematische situatie. In Nederland ziet men schulden nog vaak als persoonlijk falen. Dit wakkert schaamte over financiële problemen aan. Doordat mensen zich schamen, komen ze vaak pas laat (‘op de bodem van de put’) in actie. Bovendien zorgt de Nederlandse mentaliteit “eigen problemen los je zelf op”, en de overschatting van eigen kunnen (optimisme bias) ervoor dat mensen denken dat ze niet om hulp hoeven vragen. Al met al kan het daardoor lang duren voordat iemand de weg naar schuldhulpverlening vindt, terwijl de schulden ondertussen verder oplopen.
Informele hulp, bijvoorbeeld door vrijwilligers of schuldhulpmaatjes, is laagdrempeliger en weet mensen daarom beter te bereiken. Deze vorm van hulpverlening is vooral doeltreffend bij kleine en dreigende schulden. Het is daarom erg van belang dat informele hulp vroegtijdig wordt ingezet en dat informele hulpverleners warm doorverwijzen naar formele hulpverlening als de schulden te groot of te complex zijn om in het informele circuit op te lossen (J. Mak et al., ‘Beter samenspel informele en formele schuldhulp,’ Tijdschrift voor Schuldsanering, nummer 02, juni 2022).
Ontoegankelijkheid schuldhulpverlening en accepteren hulp
Het vinden en bereiken van de juiste hulp kan ook een obstakel vormen, omdat het soms onduidelijk is voor mensen waar ze met financiële problemen terecht kunnen of wat ze van de hulpverlening mogen verwachten (Bureau Bartels, Onbevoegde, commerciële schuldbemiddeling: informatievoorziening en meldpunt, januari 2024). Mensen weten vaak niet welke hulp mogelijk is bij financiële problemen. Ook kan de aangeboden hulpverlening als ontoegankelijk worden ervaren door mensen met beperkte geletterdheid en digitale vaardigheden. Zelfs bij mensen die wel beschikken over deze vaardigheden, zien we niet-gebruik van regelingen. Laagdrempelige inlooppunten in de wijk kunnen helpen om mensen eerder in beeld te krijgen en op tijd door te verwijzen naar passende ondersteuning. De minnelijke schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsanering vereisen namelijk een mate van kennis en “doen-vermogen” die veel mensen, gegeven de situatie waarin ze verkeren, niet altijd hebben. De zelfredzaamheid van mensen - zeker in stressvolle schuldensituaties - wordt nogal eens overschat door beleidsmakers en hulpverleners. Daarnaast is het niet altijd duidelijk wat iemand van de schuldhulpverlening mag verwachten en wat er van iemand zelf verwacht wordt tijdens het traject.
Ondernemers en schuldhulpverlening
Ondernemers vormen een specifieke doelgroep die vaak te maken heeft met hoge problematische schulden, maar die de weg naar hulpverlening moeilijk weet te vinden. Hoewel in de Wgs is verduidelijkt dat zelfstandigen zonder personeel en natuurlijke personen met een onderneming bij de gemeente kunnen aankloppen voor schuldhulpverlening, is het aantal ondernemers dat door gemeenten wordt geholpen nog steeds laag ten opzichte van het aantal huishoudens waarbij het inkomen van een zelfstandige de belangrijkste inkomensbron is (CBS, Dashboard Schuldenproblematiek in beeld, https://dashboards.cbs.nl/v5/SchuldenproblematiekInBeeld/).
Gemeenten worden door de VNG en NVVK ondersteund om schuldhulp aan ondernemers vorm te geven en te verbeteren, bijvoorbeeld door middel van handreikingen en uitwisseling van best practices. Het helpen van ondernemers met geldzorgen vraagt namelijk om specialistische kennis en heeft vaak meer omhanden dan schuldhulpverlening aan particulieren, waar gemeenten al jarenlange ervaring mee hebben. Hoewel gemeenten de schuldhulpverlening aan ondernemers vaak hebben uitbesteed, is het van belang dat schuldhulpverleners ook de kennis en expertise hebben om ondernemers te kunnen ondersteunen of om de samenwerking met de uitvoerende partijen zo optimaal mogelijk vorm te geven (Nederlandse Arbeidsinspectie, De weg naar een schone lei, juni 2024). De complexiteit van schulden bij ondernemers vraagt om specifieke expertise en voldoende schaal aan de kant van de hulpverlening. Daartoe zouden gemeenten meer onderling kunnen samenwerken, zoals nu op een aantal plekken al gebeurt.
Gespecialiseerde hulp vereist
Daarnaast spelen ook bij ondernemers schaamte en stress een rol als obstakel om hulp te vragen of te accepteren. Ondernemers zijn geneigd om langer door te gaan vanuit een strijdlustige houding en een drempel om de eigen activiteiten op te geven. Anders dan bij particulieren speelt ook regelmatig mee dat er onvoldoende middelen zijn om (gespecialiseerde) financiële of juridische hulp in te schakelen (B. Tideman, Activeren en faciliteren – op weg naar meer zelfredzaamheid en veerkracht van (zelfstandige) ondernemers, september 2023). Hierbij valt te denken aan het op orde brengen van de financiële administratie of het inwinnen van advies over de levensvatbaarheid van het bedrijf. Gemeenten zijn bij ondernemers vaak niet in beeld als instantie die kan helpen wanneer er financiële problemen zijn. Via verschillende kanalen, zoals Geldfit Zakelijk, de Kamer van Koophandel (KvK), MKB-Nederland en de Belastingdienst, worden ondernemers gewezen op de mogelijkheden voor hulp bij schulden. Daarnaast spelen bij ondernemers soms ook gevoelens van angst of falen, zeker vanwege een mogelijke bedrijfsbeëindiging. Hoewel dit niet altijd een voorwaarde is voor schuldhulpverlening kan de boodschap dat een bedrijf niet meer levensvatbaar is ertoe leiden dat een ondernemer geen hulp accepteert. Hetis een goede ontwikkeling dat het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Problematische schulden, ‘Naar een beter werkende schuldenketen’ ook op deze doelgroep de nadruk legt, daar waar de beleidsfocus meestal op de "gewone" particuliere schuldenaar is gelegen. Het IBO-onderzoek is aan de Tweede Kamer gestuurd bij Brief d.d. 27 juni 2024 van de demissionair Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer (TK 2023-2024, 24 515, nr. 766).
Hogere schuldpositie en saneringskredieten
Het oplossen van problematische schulden van ondernemers is vaker complex dan bij particulieren. In sommige gevallen wordt er dan ook geen oplossing voor de schuldensituatie gevonden. Eén van de redenen hiervoor is dat de gemiddelde hoogte van de schulden van ondernemers €72.244 is en daarmee een stuk hoger ligt dan bij particulieren (€36.201) (NVVK Jaarverslag 2023, https://jaarverslag.nvvk.nl/2023/cijfers). Daarnaast geven gemeenten aan dat het niet altijd lukt om de financiële situatie van de ondernemer te stabiliseren of wordt de onderneming als niet levensvatbaar beoordeeld. Dit bemoeilijkt de toegang tot de schuldhulpverlening (Nederlandse Arbeidsinspectie, De weg naar een schone lei, juni 2024). Ook zijn er - volgens het interdepartementale beleidsonderzoek uit zomer 2024 - niet in iedere gemeente passende mogelijkheden om de schulden te saneren, omdat de risico’s voor het verstrekken van saneringskredieten voor gemeenten te groot kunnen zijn. In pilotvorm is gestart met het openstellen van het Waarborgfonds Saneringskredieten voor ondernemers. Met dit proefproject wordt getracht de mogelijke risico’s voor gemeenten die saneringskredieten aan ondernemers verstrekken in kaart te brengen en ook de behoefte aan deze vorm van ondersteuning te peilen. De pilot zal aan een evaluatie worden onderworpen en loopt eind 2025 af.
Decentraal georganiseerde schuldhulpverlening
De Wgs biedt sinds 2012 een wettelijk kader voor de schuldhulpverlening, maar laat gemeenten veel beleidsvrijheid voor de inrichting en de uitvoering van de schuldhulpverlening. De gemeentelijke schuldhulpverlening is via de Wgs belegd bij de Nederlandse gemeenten. Gemeenten zijn daarmee verantwoordelijk voor het bieden van integrale schuldhulpverlening aan hun inwoners. Deze taakomschrijving aan het adres van de Colleges van Burgemeester en Wethouders is neergelegd in artikel 2 Wgs. De verantwoording van de geboekte resultaten met deze publieke gelden verloopt via de lokale democratie: de gemeenteraad.
Gemeenten hebben veel ruimte voor het ontwikkelen van een aanpak die past bij hun inwoners, of bij bepaalde doelgroepen, zoals bijvoorbeeld voor kleine ondernemers of het Jongeren Perspectief-fonds of het Collectief Schuldregelen. Deze ontwikkelingen worden soms opgeschaald naar een samenwerkingsverband met andere gemeenten/regio’s als blijkt dat ze effectief zijn, maar gemeenten bepalen zelf of ze een bepaalde aanpak aan hun inwoners aanbieden. De Wgs schrijft maar enkele kaders voor aan gemeenten, bijvoorbeeld het hebben van een actueel beleidsplan met beoogde resultaten en bijbehorend proces. Uit recent onderzoek van de Inspectie blijkt dat maar één op de drie gemeenten een actueel beleidsplan heeft dat ingaat op alle wettelijke vereiste onderwerpen (Nederlandse Arbeidsinspectie, De weg naar een schone lei, juni 2024).
Resultaten en basisdienstverlening
Daarnaast wijst het onderzoek uit dat vier op de tien gemeenten geen periodiek inzicht heeft in behaalde resultaten van de gemeentelijke schuldhulpverlening. De Wgs schrijft ook voor dat het beleidsplan over integrale schuldhulpverlening moet bevatten welke maatregelen de gemeente neemt om de kwaliteit van de gemeentelijke schuldhulpverlening te borgen. Hóé kwalitatief goede schuldhulpverlening eruit zou moeten zien, is geen onderdeel van de Wgs. De beleidsvrijheid van gemeenten op het gebied van schuldhulpverlening leidt in de praktijk tot ongewenste verschillen in de toegang, het bereik en de kwaliteit van de gemeentelijke schuldhulpverlening (Nationale Ombudsman, Een open deur ?, januari 2018). Het is namelijk aan gemeenten zelf om de overweging te maken of zij bepaalde werkwijzen ook aan hun inwoners aanbieden. Het kabinet heeft daarom eind 2023 een voorstel naar de Tweede Kamer gestuurd, waarin gemeenten worden aangespoord (niet: verplicht) om elementen van een “basisdienstverlening” voor schuldhulpverlening te implementeren (Kamerstukken II 2023/24, 2415, nr. 730). De basisdienstverlening omvat per fase in de schuldhulpverlening onderdelen die door gemeenten ingevoerd kunnen worden en die kunnen bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit en het bereik van de schuldhulpverlening. De basisdienstverlening is vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen Rijk en gemeenten, een positieve ontwikkeling, maar deze zijn, gezien de beleidsvrijheid van gemeenten (juridisch) niet afdwingbaar (Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Problematische schulden, ‘Naar een beter werkende schuldenketen’; Brief d.d. 27 juni 2024 aan Tweede Kamer (TK 2023-2024, 24 515, nr. 766)
Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Problematische schulden, ‘Naar een beter werkende schuldenketen’; Brief d.d. 27 juni 2024 van de demissionair Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer (TK 2023-2024, 24 515, nr. 766)
Wet van 24 juni 2020, Staatsblad 2020, 239 en Besluit van 6 juli 2020, Staatsblad 2020, 240.
Op 1 april 2017 is het breed moratorium in de WGS van kracht geworden. Dit houdt in dat gemeenten bij de rechter (op basis van artikel 5 WGS) onder bepaalde voorwaarden een verzoek kunnen indienen om schuldeisers tijdelijk (maximaal 6 maanden) te laten stoppen met incassoactiviteiten. Het is de bedoeling dat deze afkoelingsperiode gebruikt wordt om schuldstabilisatie en een daarmee samenhangende oplossing voor de schulden te regelen. Nu het instrument vijf jaar in werking is, heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Bureau Bartels in samenwerking met prof. Mr R.M. Wibier gevraagd een evaluatie uit te voeren. De evaluatie is op 31 januari 2023 aangeboden aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en richt zich op 3 thema’s: 1. Doeltreffendheid 2. Aansluiting bij behoeften 3. Bouwstenen voor de toekomst
Doeltreffendheid
Sinds 1 april 2017 is het instrument slechts vier keer aangevraagd bij de rechter, waarvan één verzoek is goedgekeurd. De eerste drie aanvragen zijn afgewezen omdat ze niet voldeden aan formele eisen (bijvoorbeeld omdat bepaalde stukken ontbraken) of omdat de schuldhulpverlening onvoldoende kon aantonen waarom inzet van een breed moratorium absoluut noodzakelijk was. Het amendement dat ten grondslag ligt aan het breed moratorium spreekt namelijk over dit instrument als een ultimum remedium, een laatste redmiddel. Dit houdt in dat alle andere middelen en instrumenten om tot een regeling te komen geprobeerd zijn, maar niet succesvol waren voordat het breed moratorium ingezet kan worden. In 2019 is de eerste (en laatste keer) een aanvraag voor een breed moratorium toegewezen. De Rechtbank Rotterdam vond dat er voldoende aangetoond was dat het instrument in dit geval noodzakelijk was en dat de aanvragers aan alle voorwaarden voldeden (Rechtbank Rotterdam, 19 juli 2019 ECLI:NL:RBROT:2019:5869).
Aansluiting bij behoeften
De suggesties voor verbetering van het rechtsmiddel richten zich vooral op versoepeling en vereenvoudiging van de ingangsvoorwaarden en een betere aansluiting bij bestaande regelingen in de Faillissementswet, en zouden zo kunnen bijdragen aan een instrument dat meer en effectiever kan worden toegepast. Breng in de eerste plaats het breed moratorium onder in de Faillissementswet (Fw) en sluit daarbij zo veel als mogelijk aan bij de systematiek van die wet. Houd daarbij de WHOA als model voor het herstructureren van schulden in het achterhoofd. Ten tijde van de invoering van het Besluit breed moratorium bestond er nog geen herstructureringsprocedure buiten insolventie. Inmiddels bestaat die er wel in de vorm van de WHOA voor ondernemers. Deze is opgenomen in art. 369 t/m 387 van de Faillissementswet. De doelstelling van het breed moratorium en van de WHOA (het in relatieve rust vergemakkelijken van een schuldsanering buiten een formele insolventieprocedure om) lijken op belangrijke punten overeen te komen. Bovendien bevat de WHOA ook een afkoelingsperiode (art. 376 Fw) gericht op het brengen van rust in het proces.
Het huidige breed moratorium sluit conceptueel en procedureel slecht aan bij de afkoelingsmaatregelen zoals die in de Faillissementswet zijn opgenomen, wat grotendeels verklaard kan worden uit de wens dat het moest gaan om een ultimum remedium. Er gelden bijvoorbeeld andere (veel strengere) criteria voor toelating en beëindiging, andere (veel strengere) vereisten voor aan te leveren documentatie, (deels) andere rechtsgevolgen, andere procedureregels, et cetera. Het onderzoek laat zien dat deze strengere vereisten vaak als belastend worden ervaren. In theorie zou het Besluit (dat nu in de WGS is opgenomen) in overeenstemming kunnen worden gebracht met de regelingen uit de Faillissementswet, maar dat ligt wetstechnisch en wetsystematisch minder voor de hand. Er valt vanuit dat perspectief veel voor te zeggen om alle vormen van afkoeling/moratorium bijeen te brengen in de Faillissementswet. Zo is bovendien de afstemming met de WSNP (en het faillissement) waarschijnlijk het beste gewaarborgd. Ook het gegeven dat het brede moratorium geen doel op zich is, maar slechts een hulpmiddel om het grotere doel van een efficiënte schuldhulpverlening aan natuurlijke personen te ondersteunen, maakt dat het heel moeilijk is om het instrument geïsoleerd te benaderen.
Evaluatie van het breed moratorium (januari 2023) door Bureau Bartels in samenwerking met prof.mr. Reinout Wibier (Universiteit Tilburg), in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, als bijlage bij Brief van Minister Schouten (SZW) aan de Tweede Kamer d.d. 3 februari 2023 omtrent Stand van zaken implementatieplan Aanpak Geldzorgen, Armoede en Schulden (TK 2022-2023, 24515, nr. 677).
Een gecombineerde subsidieregeling rechtsbijstand bewindvoerders Wsnp
Schuldhulpverlening is niet exclusief alleen voorbehouden aan de gemeentelijke schuldhulpverleners. Debiteuren in problematische schulden zijn gebaat bij meer aanbieders. Het proefproject waarbij bewindvoerders Wsnp een vergoeding kunnen krijgen voor de begeleiding van een verzoekschrift ter toelating tot de schuldsaneringsprocedure is op verzoek van het Ministerie van Justitie omgezet naar vast beleid. Het gaat hierbij om een toevoeging op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, die uitgekeerd wordt door de Raad voor Rechtsbijstand. Dit nieuwe beleid betekent dat de beide bestaande subsidieregelingen voor bewindvoerders Wsnp worden samengevoegd naar één gebundelde subsidieregeling met één werkproces. Het gaat dan om enerzijds de pilot aanvraag schuldsaneringsprocedure (Wsnp) en anderzijds het al langer bestaande toevoegingsarrangement voor dwangakkoorden, minnelijke moratoria en voorlopige voorzieningen (de artikelen 287a, 287b en 287 lid 4 Fw). Alle Wsnp-bewindvoerders die op dit moment deelnemen aan de pilot en/of het arrangement worden automatisch overgezet naar de nieuwe regeling. Zij krijgen een nieuwe specialisatie onder de voorwaarden van de nieuwe subsidieregeling.
Men zou in zekere zin kunnen zeggen dat nu de scheve situatie is rechtgetrokken dat sinds de inwerkingtreding van de Wsnp in 1998 een debiteur wel in hoger beroep bij het gerechtshof rechtsbijstand kon krijgen voor het opstellen en begeleiden van zijn of haar beroepschrift, maar niet in eerste aanleg bij de rechtbank voor zijn of haar inleidende verzoekschrift.
Wettelijke grondslag via arrangement
De nieuwe gecombineerde subsidieregeling heet “Regeling toevoeging bewindvoerders Wsnp III”, en is gepubliceerd in de Staatscourant van 16 oktober 2024, onder nr. 33400. Deze nieuwe subsidieregeling voor schuldhulpverlening door Wsnp-bewindvoerders treedt per 1 november 2024 in werking. Op toevoegingen die zijn afgegeven vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling, blijven de regelingen ‘Regeling toevoeging bewindvoerders Wsnp II’ (Staatscourant 2018, 46882) en de ‘Regeling pilot toevoeging verzoek toelating Wsnp’ (Staatscourant 2021, 19863) van toepassing. Het online register wordt bijgewerkt, zodat voor rechtzoekenden en andere partijen zichtbaar is wie deelneemt aan de nieuwe regeling. De Raad voor Rechtsbijstand heeft hiermee gebruik gemaakt van de wettelijke grondslag die in de Wet op de Rechtsbijstand is neergelegd om ook met andere personen dan advocaten overeenkomsten (“arrangementen”) als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub c van de Wet op de rechtsbijstand aan te gaan tot het verlenen van rechtsbijstand op bepaalde rechtsgebieden, zoals hier het insolventierecht. Voorzover het de WSNP betreft heeft de Raad voor Rechtsbijstand nu een dergelijk arrangement in het leven geroepen ten aanzien van in totaal vier specifieke verzoekschriftprocedures die in de Faillissementswet zijn opgenomen. Die vier typen van rechtsbijstand laat de Raad zodoende verlenen door de bewindvoerders Wsnp die bij de Raad voor Rechtsbijstand geregistreerd staan.
Structuur van de bewindvoerdersvergoeding schuldhulp
Hoe gaat deze nieuwe rechtsbijstandstoevoeging voor schuldhulpverleningswerkzaaamheden door de WSNP-bewindvoerder in de praktijk werken ? De nieuwe subsidieregeling voor toeleiding naar de WSNP gaat vallen onder een nieuwe zaakcode voor rechtsbijstand, namelijk O034. De laagste eigen bijdrage blijft voor de rechtzoekende van toepassing. Voor de berekening van de vergoeding is aansluiting gezocht bij het basisbedrag voor toevoegingen voor rechtsbijstand en mediation (artikel 3 lid 1 Bvr). Het basisbedrag wordt zoals gebruikelijk periodiek geïndexeerd. Het verzoek toelating Wsnp is leidend en vormt de basisvergoeding. Die basisvergoeding wordt verhoogd als er ook nog andere verzoekschriften worden ingediend, bijvoorbeeld een verzoek dwangakkoord (art. 287a Fw), een verzoek om een voorlopige voorziening (art. 287 lid 4 Fw) of een verzoek tot het treffen van een minnelijk moratorium (art. 287b Fw). Daarnaast wordt de vergoeding verhoogd als er een zitting is bijgewoond in het kader van de procedure, ter ondersteuning van de rechtzoekende. Indien er een primair verzoek toelating Wsnp of een verzoek dwangakkoord is ingediend en er is sprake van een (ex-)zzp’er/(ex-)ondernemer, dan wordt de vergoeding ook verhoogd, vanwege het iets complexere karakter van de zaak. Naast deze vergoedingen wordt er een reistijd- en reiskostenvergoeding toegekend voor het reizen van en naar de zitting.
Inschrijvingsvoorwaarden
De regeling heeft volgens artikel 2 tot doel de vergoeding te regelen van de bewindvoerder Wsnp voor het verlenen van rechtsbijstand aan rechtzoekenden in bepaalde schuldsaneringsgerelateerde verzoekschriftprocedures. De Raad voor Rechtsbijstand sluit in het kader van deze subsidieregeling een overeenkomst (zgn. arrangement) met de bewindvoerder Wsnp die op het moment van het sluiten van de overeenkomst voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
Vereist is dat de bewindvoerder Wsnp : a) ingeschreven staat in het bewindvoerdersregister; b) tenminste één lopende schuldsaneringszaak op zijn naam heeft staan; c) een certificaat, niet ouder dan één jaar of behaald binnen één jaar na inwerkintreding van deze regeling, van tenminste 4 studiepunten kan overleggen van een door de Raad voor Rechtsbijstand goedgekeurde permanente educatie over onderwerpen die samenhangen met het voeren van verzoekschriftprocedures die binnen de reikwijdte van deze regeling vallen; d) bekend is met de ‘Handleiding verzoekschriftprocedures’, zoals te vinden is op de website van Bureau Wsnp; e) van wie niet is gebleken van enig handelen of nalaten in strijd met een zorgvuldige en doelmatige rechtsbijstandverlening, al dan niet blijkend uit een eerder advies van de klachtenadviescommissie en/of de commissie voor bezwaar en; f) die zich conformeert aan de gedragsregels van de Raad.
Minnelijk traject kan leiden tot eerdere ingangsdatum WSNP: prejudiciële antwoorden Hoge Raad
Samenvatting
Een aflossing gedurende het minnelijke schuldhulpverleningstraject aan slechts één enkele schuldeiser behoeft niet in de weg te staan aan een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsprocedure. Ook een vastgesteld ‘nul-aanbod’ kan een aanknopingspunt zijn voor het alternatieve aanvangsmoment. Verzocht is om een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsprocedure vanwege de verrichte inspanningen in het schuldhulpverleningstraject. Het Haagse gerechtshof verzoekt aan de Hoge Raad om uitleg omtrent de nieuwe versie van artikel 349a Faillissementswet. Een loonbeslag zorgt er weliswaar voor dat de beslagleggende schuldeiser bevoordeeld wordt boven andere schuldeisers, en dat de paritas creditorum zich dan zou verzetten tegen een eerdere datum van toelating tot de schuldsanering. Maar de Hoge Raad oordeelt dat de hulpvrager daar niets aan kan doen, en dat het loonbeslag daarom een eerdere ingangsdatum van een schuldsaneringsprocedure niet in de weg mag staan. De eventuele omstandigheid dat de verplichtingen die voortvloeien uit het minnelijke voortraject niet geheel gelijk zijn aan de verplichtingen uit de schuldsanering, hoeft niet eraan in de weg te staan om de termijn van de schuldsanering te laten lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan. Indien de minnelijke inspanningsplicht vergelijkbaar is met de Wsnp-inspanningsplicht dan is dat ook voldoende. Ook een vastgesteld ‘nul-aanbod’ is een aanknopingspunt voor het alternatieve aanvangsmoment, hoewel in strikte zin geen sprake is van een ‘eerste aflossing’.
Procedureel
In deze procedure had het Gerechtshof te Den Haag bij arrest van 22 december 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:2606) prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de uitleg van de sinds de wetswijziging van 1 juli 2023 in art. 349a lid 1 Fw opgenomen bepaling dat de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar bedraagt, te rekenen van de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing aan de schuldeisers is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in art. 285, eerste lid, onder f, Fw, indien die dag eerder is gelegen. Dit arrest met vraagstellingen aan de hoogste rechter is reeds geannoteerd in Tijdschrift voor Schuldsanering 2023, maart 2024, nr. 1 – noot 825. De rechtspraktijk in de gemeentelijke schuldhulpverlening en in de schuldsaneringsprocedure (bewindvoerders en rechterlijke macht) hebben een jaar gewacht op deze uitspraak van de hoogste rechter, die hiermee meer duidelijkheid gebracht heeft over de strekking van de wetswijzigingen. Want de Hoge Raad geeft in ECLI:NL:HR:2024:1913 een royaal gemotiveerd en voor de (sinds de wetswijziging van 1 juli 2023 sterk veranderde) praktijk zeer belangrijk arrest. Hieronder volgt een overzicht van alle deelonderwerpen.
Kernvraag, prejudiciële vraagstelling en advies Advocaat-Generaal
De vragen van het Haagse Hof stelden onder meer aan de orde wat moet worden verstaan onder “de eerste aflossing (…) gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling” en of bij het bepalen van de termijn van de schuldsaneringsregeling de periode na de eerste aflossing tot aan de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling alleen kan meetellen als de schuldenaar zich aan bepaalde voorwaarden heeft gehouden.
De herziene Faillissementswet introduceert zoals bekend de mogelijkheid om het Wsnp-traject te verkorten - beter: op een eerder moment te laten ingaan. Dit gezien het tijdstip in het minnelijk schuldhulptraject vanaf welk moment serieus aan de crediteuren werd afgelost. Voor het beginmoment verwijst de wet naar 'de eerste aflossing' die de debiteur gedaan heeft. Is er bij loonbeslag ook al sprake van 'een eerste aflossing' ? Wat dient precies te worden verstaan onder 'eerste aflossing', 'in het kader van' en 'buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f' in art. 349a lid 1 Fw? Kan bij bepalen van termijn van schuldsaneringsregeling periode na eerste aflossing tot aan uitspraak tot toepassing van schuldsaneringsregeling alleen meetellen als schuldenaar zich aan bepaalde voorwaarden heeft gehouden ?
Advies / Conclusie Advocaat-Generaal
Het advies van de Advocaat-Generaal gaf een uitgebreide analyse van de vragen naar (de voorwaarden voor) een eventueel eerder ingangsmoment van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het advies gaf aan dat een loonbeslag niet gezien kan worden als 'eerste aflossing', nu bij een beslag maar één schuldeiser (de beslaglegger) krijgt waar hij recht op heeft, en niet “de gezamenlijke schuldeisers”. Een duidelijke verwijzing naar de hoofdregel van de “paritas creditorum”, de gezamenlijkheid en gelijkheid van schuldeisers. Het beginsel van gelijkheid van schuldeisers vraagt om coördinatie van de afwikkeling, nu de crediteuren met al hun onderlinge concurrentie en allerlei verschillende vorderingen in een situatie van insolventie elkaar te snel en te slim af proberen te zijn, waarmee het recht van de sterkste of de snelste zou gelden. Deze samenloop van claims dient in het kader van een gecoördineerde afwikkeling van de insolventieprocedure onder toezicht van een bewindvoerder of een curator te worden gerespecteerd, wil men de duur van de schuldsaneringsregeling kunnen aanpassen. Tot zover het uitgangspunt en de juridische kant van de casus, die in het kader van een prejudiciële procedure van artikel 392 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorlag bij de cassatierechter.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad benadrukt in antwoord op prejudiciële vragen van het Haagse hof dat de wetswijziging is bedoeld om de totale duur van schuldhulpverleningstrajecten te verkorten, met behoud van het belang van schuldeisers bij maximaal aflossen. In dit geval volgt de Hoge Raad het advies van de A-G grotendeels op. Er is echter een opvallende afwijking van dat advies: betalingen aan één of enkele schuldeisers als gevolg van beslag kunnen ook als ‘eerste aflossing’ gelden. Dat door een of meer schuldeisers beslag is gelegd is immers in beginsel niet aan de schuldenaar toe te rekenen. Dat hierdoor ongelijkheid tussen de schuldeisers kan ontstaan (en wel met een stevige inbreuk op het klassieke insolventierechtbeginsel van de paritas creditorum, auteur), dient dan niet voor rekening van de schuldenaar te komen, aldus de Hoge Raad. Verder beslist de Hoge Raad dat ook schuldenaren zonder afloscapaciteit in aanmerking kunnen komen voor een eerdere ingangsdatum, zoals ook is geadviseerd door de A-G. Bij de beantwoording van deze vraag geeft de Hoge Raad aan dat het niet gerechtvaardigd zou zijn dat iemand met een geringe afloscapaciteit wel in aanmerking zou kunnen komen voor een eerdere ingangsdatum - en iemand zonder afloscapaciteit per definitie niet.
Eerste aflossing en geen afloscapaciteit
In de woorden van de Hoge Raad wordt de aflossingsvraag aldus beslist :
'Als ‘eerste aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw is in de eerste plaats aan te merken een aflossing die of een gespaard bedrag dat ten goede is gekomen of komt aan de gezamenlijke schuldeisers. Een aflossing aan een of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag kan in beginsel eveneens als zodanige eerste aflossing worden aangemerkt. (...) 'Dat door een of meer schuldeisers beslag is gelegd is (...) in beginsel niet aan de schuldenaar toe te rekenen. Dat hierdoor ongelijkheid tussen de schuldeisers kan ontstaan, dient dan niet voor rekening van de schuldenaar te komen.'
De periode vanaf het eerste loonbeslag (door een enkele schuldeiser gelegd) mag dus meegeteld worden bij het verzoek aan de rechter om deze periode in mindering te brengen op de nog door te brengen periode in de Wsnp (die ten behoeve van alle schuldeisers geldt). En ook debiteuren zonder afloscapaciteit zouden een beroep moeten kunnen doen op de (achteraf bezien) eerdere startdatum van de Wsnp met inachtneming van een doorlopen schuldhulpverleningstraject. Volgens de Hoge Raad is het niet gerechtvaardigd als er (bij de looptijd c.q. de ingangsdatum) onderscheid gemaakt wordt tussen mensen met en mensen zonder afloscapaciteit. Een wetssystematisch argument: bij het toelatingsoordeel gebeurt dat onderscheid maken immers evenmin, zo bepaalt het in vergetelheid geraakte weigeringsverbod van lid 4 van artikel 284 Fw.
Inspanningsplicht algemeen
Het uitgangspunt is en blijft volgens de Hoge Raad dat de schuldenaar zich (net als tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling) tijdens het minnelijke schuldhulptraject maximaal moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Als de rechter vaststelt dat de schuldenaar zich tijdens het minnelijke voortraject voldoende heeft ingespannen ten behoeve van zijn schuldeisers, staat de eventuele omstandigheid dat de verplichtingen die voortvloeien uit het minnelijke voortraject niet geheel gelijk (cursivering auteur) zijn aan de verplichtingen uit de schuldsanering, niet eraan in de weg om de termijn van de schuldsanering te laten lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan. Hieruit volgt – en dat is ook belangrijk aan deze uitspraak van de Hoge Raad - dat op de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject een inspanningsplicht rust die “niet geheel gelijk” behoeft te zijn aan, maar wel “vergelijkbaar is met” de inspanningsplicht die geldt tijdens de schuldsaneringsregeling. Niet identiek dus, maar ongeveer hetzelfde als hetgeen in de Wsnp geldt is wat de inspanningsplicht betreft goed genoeg om een eerdere ingangsdatum te verkrijgen. In de huidige Recofa-richtlijnen – de Hoge Raad zegt dit niet met zoveel woorden - lijkt dat dus iets te streng geformuleerd.
Inspanningsplicht, nakoming en ingangstijdstip
Moet de rechter dan de gehele voorbije periode van het buitengerechtelijke voortraject betrekken bij de eerdere ingangsdatum ? Neen, zo is het nu ook weer niet, zo oordeelt de Hoge Raad, want de beslissingsvrijheid ten aanzien van de termijnbepaling blijft bestaan:
“De rechter is bevoegd om bij de toepassing van het alternatieve aanvangsmoment van art. 349a lid 1 Fw de omstandigheid in aanmerking te nemen dat de schuldenaar niet of niet volledig heeft voldaan aan de inspanningsplicht die op hem rustte tijdens het minnelijke voortraject. Mocht de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject volgens de normen te weinig hebben afgelost of gespaard dan kan de rechter – vooropgesteld dat art. 288 lid 1 Fw niet in de weg staat aan toewijzing van het schuldsaneringsverzoek – saldering toepassen, dan wel op andere wijze bepalen hoeveel eerder de termijn van de schuldsanering kan ingaan dan het moment waarop hij de toepassing uitspreekt. Ook kan de rechter gebruikmaken van de mogelijkheid de termijn van de schuldsanering te verlengen als de schuldenaar niet aan al zijn verplichtingen heeft voldaan”.
Toezichtswaarborg
Belangrijk blijft natuurlijk wel – bij alle aandacht voor een mogelijk eerder aanvangstijdstip van de insolventieprocedure - dat Wsnp-bewindvoerders genoeg tijd moeten krijgen om als toezichthouder de regeling goed af te wikkelen. De regeling mondt immers uit in een schone lei (artikel 358 Fw) en schuldeisers kunnen terecht aanspraak maken op een regeling die zeker stelt dat gezien dat zware rechtsgevolg een bewindvoerder aan het werk is geweest die een goed (toe)zicht op de zaak heeft kunnen krijgen. In rechtsoverweging 3.6.3 zegt de Hoge Raad dat daarvoor van een termijn van (minstens) een half jaar kan worden uitgegaan. De Hoge Raad verwoordt dit aldus:
“Bij hantering van het alternatieve aanvangsmoment dient de rechter de termijn van de schuldsaneringsregeling, met overeenkomstige toepassing van de verlengingsbevoegdheid van art. 349a lid 1 Fw, zodanig vast te stellen dat in het na de uitspraak resterende gedeelte van die termijn de bewindvoerder zijn verslag kan opmaken en indienen en de rechter de eindzitting kan bepalen. Ten behoeve van de rechtsgelijkheid bij de toepassing van de schuldsaneringsregeling kan de rechter daarbij als uitgangspunt hanteren dat voor die stappen een half jaar nodig is, en de termijn van de schuldsaneringsregeling dus zodanig verlengen dat die regeling vanaf de uitspraak ten minste een half jaar wordt toegepast.”
Een bewindvoerder moet nu eenmaal een redelijke termijn tot zijn beschikking hebben om een goede invulling te geven aan de uitvoering van de wettelijke toezichthoudende taken. Huisbezoek, verslaglegging en voorbereiding daarvan, postblokkade en vtlb-berekeningen, controle op de naleving van de diverse verplichtingen, communicatie met schuldeisers en saniet: dat kost allemaal de nodige tijd en moeite, en de rechter moet tenslotte goed kunnen worden voorgelicht over de ins en outs van de zaak.
De schuldsaneringsverplichtingen
Voor zover de rechter met het oog hierop (dus om de bewindvoerder voldoende in staat te stellen om de toezichtstaken uit te oefenen) de termijn van de schuldsanering heeft verlengd, is de schuldenaar volgens de Hoge Raad gedurende dat gedeelte van de termijn ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van zijn inspanningsverplichting. De andere twee Wsnp-hoofdverplichtingen, dus de medewerkings- en informatieplichten van de schuldenaar jegens de bewindvoerder (art. 327 Fw in verbinding met de artikelen 105-105a Fw) gelden in die (verlengde) periode wel.
Voor de rechtspraktijk ook bijzonder interessant is de overweging van de Hoge Raad dat de bewindvoerder de informatie vanuit het schuldhulptraject nodig heeft in de periodieke verslaglegging richting de rechtbank. Bij hantering van het alternatieve aanvangsmoment brengt de bewindvoerder immers ook summier verslag uit (artikel 318 Fw) van de wijze waarop de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject aan zijn uit dat traject voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan. De bewindvoerder kan zich bij dat summiere verslag baseren op mededelingen van degene die schuldhulpverlener was in het minnelijke voortraject. De schuldhulpverlener heeft er uiteraard alle belang bij om – in het belang van de cliënt – deze informatie goed en tijdig aan te leveren bij de bewindvoerder, zodat die cliënt het voordeel krijgt van het eerdere Wsnp-aanvangsmoment.
Alternatief aanvangsmoment
Het alternatieve aanvangsmoment in art. 349a lid 1 Fw past eigenlijk niet goed in het systeem van de wettelijke schuldsaneringsregeling, zo merkt de Hoge Raad op. Het alternatieve aanvangsmoment kan immers meebrengen dat de termijn van de schuldsaneringsregeling is gaan lopen voordat de rechter is betrokken bij de procedure. Bijvoorbeeld is niet alleen theoretisch maar ook praktisch vreemd dat men dan eigenlijk (achteraf bezien) te goeder trouw moet zijn geweest op dat eerdere moment, een beoordeling die normaliter geschiedt op het moment van een toelatingszitting waarop de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken. Moet de verzoeker dan bijvoorbeeld een half of heel jaar geleden al een bestendige wending ten goede hebben gemaakt om (later) via de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw te kunnen worden toegelaten ? En zouden schulden en vorderingen uit de tussenliggende periode (dus van voor de toelatingszitting, maar na dat eerdere startmoment) dan achteraf bezien toch niet tot de boedel kunnen behoren omdat ze door een eerdere aanvangsdatum ineens “nieuwe schulden” zijn geworden ? Hoe moet de bewindvoerder de boedelomvang dan zien en het overzicht goed in kaart brengen ?
Startmoment en informatie aandragen
Het gevolg van een alternatief (eerder) aanvangsmoment is – aldus de Hoge Raad:
“dat de termijn van de schuldsaneringsregeling een aanvang heeft genomen, terwijl de wettelijke bepalingen en waarborgen van de schuldsaneringsregeling niet vanaf dat aanvangsmoment van toepassing zijn geweest. Zo zijn geen rechter-commissaris en bewindvoerder benoemd met de aan hen toekomende bevoegdheden in het kader van de schuldsaneringsregeling, ontbreekt een regeling over de omvang van de boedel en is de rechtspositie en rechtsbescherming van zowel schuldenaar als schuldeisers niet geregeld (zie voor meer voorbeelden de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.9).”
Het geeft dus in de praktijk wel behoorlijk wat onduidelijkheid omtrent een aantal kernelementen van een insolventieprocedure, namelijk : het ontstaan van en de omvang van de boedel en de mate van toezicht en de mate waarin de schuldsaneringsverplichtingen zijn nagekomen in die reeds voorbije periode, zodra er naar het verleden geschoven wordt met het aanvangstijdstip van de schuldsaneringstermijn.
Bewijslast en ambtshalve toetsing
De rechter die de vraag beantwoorden moet of een alternatief aanvangsmoment gewenst is, zal hoe dan ook moeten beschikken over gegevens die hem in staat stellen te bepalen op welke dag de eerste aflossing in de zin van art. 349a lid 1 Fw is gedaan. De Wsnp-rechter moet uit gegevens in het dossier kunnen opmaken op welke wijze de schuldenaar heeft voldaan aan zijn tijdens het minnelijke voortraject geldende verplichtingen. De Hoge Raad benadrukt dat die bewijslast bij de verzoeker ligt :
“Het ligt op de weg van de schuldenaar om deze gegevens te verstrekken bij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, zo mogelijk vergezeld van een verklaring van de schuldhulpverlener ter zake.”
Anderzijds zegt de Hoge Raad ook dat art. 349a lid 1 Fw ambtshalve moet worden toegepast. Dat betekent dus dat het de rechter niet vrijstaat om af te zien van hantering van het alternatieve aanvangsmoment als aan de geldende voorwaarden is voldaan. De schuldenaar moet de gegevens zelf aandragen, aannemelijk maken, maar andersom moet de rechter zelf ook alert zijn op een eventueel eerder aanvangsmoment, en die mogelijkheid aan de hand van het dossier en de terechtzitting zelf controleren.
Verlenging termijn schuldsaneringsregeling
Art. 349a lid 1 Fw kan theoretisch zelfs tot de vreemde situatie leiden dat de termijn al is verstreken op het moment dat de rechter de schuldsaneringsregeling uitspreekt. Dat zou kunnen als de schuldenaar tenminste anderhalf jaar voordat de schuldsanering wordt uitgesproken, een eerste aflossing in de zin van art. 349a lid 1 Fw heeft gedaan en het alternatieve aanvangsmoment wordt bepaald op anderhalf jaar voordat de rechter de schuldsanering uitspreekt. Ook is mogelijk dat de resterende termijn van de schuldsanering na de toelating relatief kort is omdat de termijn van anderhalf jaar grotendeels is verstreken. Na het materiële einde is wel enige tijd nodig om de schuldsaneringsregeling ook formeel te laten eindigen: de bewindvoerder moet de toezichthoudende wettelijke taken goed uitvoeren en daarover rapporteren aan de rechter voor het bepalen van een eindzitting. Uitgangspunt is volgens de Hoge Raad dat voor die verantwoordings- en toezichtsstappen een half jaar nodig is. Vanaf de toelatingszitting waarop een eerder aanvangsmoment wordt vastgesteld, dient dus tenminste nog een half jaar de schuldsanering te worden doorlopen, maar dan is de schuldenaar gedurende dat gedeelte van de termijn ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van zijn inspanningsverplichting. De medewerkings- en informatieplichten van de schuldenaar jegens de bewindvoerder (de schakelbepaling van art. 327 Fw in verbinding met de informatieverplichtingen van art. 105-105a Fw) gelden in die periode wel.
Een ‘eerste aflossing’ kan ook inhouden: Sparen
Dit is van belang omdat het tijdstip van de ‘eerste aflossing’ het alternatieve aanvangsmoment van art. 349a lid 1 Fw markeert. Die vraag ziet volgens het arrest van de Hoge Raad op de volgende kwesties die zich afspelen gedurende het minnelijke schuldhulpverleningstraject:
- Moet sparen op één lijn worden gesteld met aflossen ? - Moet de rechter de voorwaarde stellen dat het afgeloste (of gespaarde) bedrag daadwerkelijk aan de boedel is of wordt afgedragen ? - Moet worden afgelost (of gespaard) ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers ? - Moet bij hantering van het alternatieve aanvangsmoment van art. 349a lid 1 Fw de rechter voor bepaling van de termijn uitgaan van het vrij te laten bedrag dat zou hebben gegolden als de schuldsanering tijdens het minnelijke voortraject al van toepassing was geweest ?
De Hoge Raad geeft duidelijke antwoorden: Sparen moet op één lijn worden gesteld met aflossen. Van een ‘eerste aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw is dus ook sprake als een eerste bedrag wordt gespaard tijdens een minnelijk traject van schuldhulp. Het is niet nodig dat tijdens het minnelijke voortraject gespaarde bedragen ten tijde van het verzoek tot toelating tot de schuldsanering al op een afzonderlijke rekening zijn gestort. De rechter kan in zijn toelatingsuitspraak de schuldenaar verplichten om het tijdens het minnelijke voortraject gespaarde bedrag met bekwame spoed aan de bewindvoerder c.q. de boedel af te dragen.
Inbreuk op de paritas creditorum
Als ‘eerste aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw is in de eerste plaats aan te merken een aflossing die of een gespaard bedrag dat ten goede is gekomen of komt aan de gezamenlijke schuldeisers. Dat is geen nieuws in insolventieland. Maar een aflossing aan één of enkele schuldeisers via een gelegd beslag kan in beginsel ook als zodanige eerste aflossing worden aangemerkt. En dat is wel nieuws. Hoewel betalingen onder beslag in de rechtspraktijk tot nu toe niet als een eerste aflossing worden beschouwd omdat deze niet ten goede komen aan de gezamenlijke schuldeisers (het beginsel van de paritas creditorum !) , past dat – zo zegt de Hoge Raad nu - minder goed bij het uitgangspunt dat het erom gaat of de schuldenaar zich in het minnelijke voortraject voldoende heeft ingespannen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers.
Dat door een of meer schuldeisers beslag is gelegd is – bij het gegeven dat er schulden zijn – immers in beginsel niet aan de schuldenaar toe te rekenen. Dat hierdoor ongelijkheid tussen de schuldeisers kan ontstaan (want de een legt wel vroegtijdig beslag en de ander niet), dient dan niet voor rekening van de schuldenaar te komen. Een uitspraak van de Hoge Raad die bepaald niet traditioneel te noemen is en die toch wel een flinke uitzondering of inbreuk betekent op de klassieke paritas creditorum.
Nul- of nihil-aanbod
Met een ‘eerste aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw moet op één lijn worden gesteld – zo redeneert de Hoge Raad - de vaststelling dat de schuldenaar geen enkele aflossingscapaciteit heeft. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit een zogenoemd ‘nul-aanbod’ aan de schuldeisers. Aanvankelijk was bij amendement in de Tweede Kamer voorgesteld om de dag waarop het minnelijke traject van schuldhulp is aangevangen, aan te wijzen als het alternatieve aanvangsmoment. Omdat lang niet altijd duidelijk is wanneer dit minnelijke traject begint, is ervoor gekozen om de ‘eerste aflossing’ als aanknopingspunt te kiezen voor het alternatieve aanvangsmoment. Ook een ‘nul-aanbod’ is een duidelijk aanknopingspunt voor het alternatieve aanvangsmoment, hoewel in strikte zin geen sprake is van een ‘eerste aflossing’. Hierbij speelt een rol dat een zeer kleine eerste aflossing die de uitkomst is van de berekening van wat de schuldenaar maximaal kan aflossen, wel degelijk een ‘eerste aflossing’ is, en het geringe verschil tussen “geen aflossingsruimte” en een “zeer beperkte aflossingsruimte” niet rechtvaardigt om in het eerste geval geen alternatief aanvangsmoment te hanteren en in het tweede geval wel, zo besluit de Hoge Raad dit baanbrekende arrest.
En de schuldeisers ?
Het arrest van de Hoge Raad zou onbedoeld het effect kunnen hebben dat schuldeisers eerder c.q. sneller beslag gaan leggen bij een problematische debiteur. Wie het eerst komt, die het eerst maalt: Want wie in een vroeg stadium beslag legt, mag de opbrengst behouden voor zichzelf ten koste van de andere crediteuren. Op dat moment was nog geen sprake van een Wsnp en mocht men het beslag leggen. Dat het startmoment van de schuldsanering achteraf bezien komt te liggen vanaf datum beslaglegging (omdat dat als eerste aflossing mag gaan gelden), en dat de termijn achteraf bezien is begonnen te lopen, betekent immers nog niet dat ook op dat (eerdere aanvangs)moment reeds een schuldsaneringsboedel met een bevoegde bewindvoerder ontstond. Dan is dus de eerste beslaglegger de overige crediteuren te snel af geweest. De Wsnp-bewindvoerder kan – zodra de benoeming een feit is en de termijn met terugwerkende kracht is ingegaan – natuurlijk proberen om (in het belang van de overige crediteuren en in zijn hoedanigheid van toezichthouder in het belang van alle schuldeisers ) die genoten beslagopbrengst alsnog in de boedel van de Wsnp te verkrijgen. Dat lijkt geen eenvoudige procedure jegens die beslaglegger te worden.
Rekening houden met belangen overige crediteuren
Want een crediteur mag op zichzelf op dat eerdere moment – toen nog geen sprake was van een schuldsaneringssituatie - gebruik maken van het rechtsmiddel beslaglegging, en weet zich daarbij gelegitimeerd met een rechterlijke tussenkomst. Wellicht dat het argument dan kan tellen dat de beslaglegger op het moment dat hij beslag ging leggen, behoorde te weten dat (afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van de casus) er bij zijn debiteur een problematische schuldensituatie bestond, dat er dus meerdere schuldeisers verhaal zochten jegens de debiteur, dat er misschien al een kenbaar schuldhulpverleningstraject liep en zelfs beschikte hij wellicht over informatie waaruit hij behoorde af te leiden dat er een schuldsaneringsregeling in aantocht was. Daarmee zou de paritas creditorum weer wat worden versterkt, zoals ook het geval is met de bestaande wettelijke voorlopige voorziening van artikel 287 lid 4 Fw, die de situatie kort voorafgaand aan een Wsnp reeds “bevriest”. Een gecoördineerde afwikkeling voorkomt immers onnodig oplopende en overhaalbare kosten en is in het belang van de gezamenlijke crediteuren, meer dan een onderlinge race wie het eerste start en het snelste bij de debiteur aankomt.
Effect uitspraak Hoge Raad op stelsel
Het zal nog wel een poos duren voordat alle consequenties van deze omvangrijke uitspraak voor de dagelijkse rechtspraktijk goed zijn doorgrond en in de uitvoering zijn doorgedrongen. Zouden bijvoorbeeld ook de organisaties in het minnelijke schuldhulptraject (de NVVK) kunnen besluiten om een eerder aanvangsmoment te kiezen, indien er volgens de lijnen uit dit arrest al eerder aflossingen zijn gedaan aan de schuldeisers, dus voordat het schuldhulpverleningstraject werd opgestart ? Dan zou ook de minnelijke schuldhulpperiode die nu in de praktijk eveneens 18 maanden is geworden, in navolging van de wettelijk gehalveerde schuldsaneringstermijn, nog korter kunnen worden, althans achteraf bezien op een eerder tijdstip kunnen ingaan, ter beoordeling van de schuldhulpverlenende organisatie. Het Landelijke Procesreglement en-of de Recofa-richtlijnen van Recofa zal/zullen ongetwijfeld worden aangepast aan dit arrest van de Hoge Raad. Al lijkt dit laatste niet heel vlot te kunnen gebeuren vanwege alle interpretatieve onduidelijkheden die dit arrest van de Hoge Raad sinds december 2024 teweeg heeft gebracht in de lagere rechtspraak door rechtbanken en door gerechtshoven. Duidelijk is wel dat de wetswijziging van 1 juli 2023 op een vernieuwende en onverwachte wijze is toegepast door de hoogste rechter, en een nog grotere impact heeft op het schuldenstelsel dan menigeen al dacht.
Ontwikkelingen sinds het Kerstarrest van de Hoge Raad
De lagere rechtspraak heeft sinds 20 december 2024 flink geworsteld met de interpretatie van de talloze rechtsoverwegingen uit het arrest van de Hoge Raad en de gevolgen daarvan. Een van de vragen is bijvoorbeeld of het beginsel van de paritas creditorum hiermee in de Wsnp niet nagenoeg volledig uit beeld is geraakt. Indien het schuldhulpverleningstraject onnodig lang duurt, en de debiteur uiteindelijk wordt toegelaten en een eerdere ingangsdatum van de Wsnp toegewezen krijgt, omdat sprake is van een aantoonbare eerste aflossing in het minnelijke schuldhulpverleningstraject, is het dan niet onrechtvaardig als een enkele beslaglegger de opbrengst behouden mag - ten koste van de overige schuldeisers die een meer afwachtende en-of welwillende houding hebben aangenomen ? Had het schuldsaneringsverzoek niet eerder moeten worden ingediend vanuit een oogpunt van gelijke belangen en gelijke kansen tussen de crediteuren onderling ? Dan was er namelijk op een eerder moment een gecoördineerde afwikkeling geweest onder toezicht van een bewindvoerder en een rechter, waarbij alle rangorderegels in acht worden genomen. Over deze vraag mocht de Haagse rechtbank zich buigen (Rechtbank Den Haag 12 juni 2025 ECLI:NL:RBDHA:2025:10538). Die rechtbank verlengde in een dergelijke situatie de looptijd met twee maanden, nu het Wsnp-verzoek, in het belang van alle betrokkenen in het algemeen en in het belang van de niet-beslagleggende schuldeisers in het bijzonder, eerder had moeten worden ingediend.
Casuspositie Haagse Rechtbank
X bevond zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft zij een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het verzoek is behandeld op de zitting van 12 juni 2025. Op de zitting verschenen mevrouw zelf en haar schuldhulpverlener van de gemeente Gouda. Het verzoek wordt toegewezen. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of er aanleiding is een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsprocedure te bepalen. De termijn van een wettelijke schuldsaneringsregeling kan ook eerder beginnen te lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in art. 285, eerste lid, onder f Fw. De rechtbank zal het verzoek om een dergelijke eerdere ingangsdatum te bepalen toewijzen, maar daarbij tegelijkertijd wel de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling verlengen. Als uitgangspunt voor aanvang van het minnelijk schuldregelingstraject hanteert de rechtbank Den Haag het moment waarop de schuldhulpverlener de afloscapaciteit heeft vastgesteld aan de hand van een eerste correcte berekening van het Vrij te laten bedrag (de Vtlb-berekening): zie in dit verband Rechtbank Den Haag, 10 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5966. Tijdens het minnelijk schuldregelingstraject kan een eerste aflossing in beginsel ook bestaan uit een aflossing aan een schuldeiser uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag (HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913).
Hoogste bestuursrechter en tussentijdse beëindiging van de schuldhulpverlening
De Raad van State (afdeling bestuursrechtspraak) moest zich buigen over een tussentijdse beëindiging door een gemeente van een schuldhulptraject. Het College van B&W van de gemeente Barneveld had debiteur A toegelaten tot de schuldhulpverlening, en had aan dit besluit op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (WGS) zoals gebruikelijk diverse verplichtingen verbonden. B&W hebben nadien A meermaals gewezen op de gebruikelijke verplichtingen, en het traject met zes maanden verlengd om haar een extra kans te geven. Eén van de verplichtingen was een maximale inspanning om de afloscapaciteit ten behoeve van haar schuldeisers zo hoog mogelijk te laten zijn. A had niet alleen slechts 10 uur per week gewerkt, maar die deeltijdbaan ook nog eens opgezegd. Het College van B&W mocht - naar het oordeel van de rechtbank sector bestuursrecht en ook naar het oordeel van de hoogste bestuursrechter de Raad van State - bij niet-nakoming van die verplichtingen de gemeentelijke schuldhulpverlening beëindigen, want die sanctie was gezien de tekortkomingen door de debiteur niet onevenredig.
De bestuursrechtelijke procedure
Dat de hoogste bestuursrechter zich uitlaat over de praktijk van de gemeentelijke schuldhulpverlening op grond van de WGS komt niet zo vaak voor. De bestuursrechtelijke procedure die daaraan voorafgaat is door de bezwaarfase net een stap langer dan wat we in het civiele recht (Faillissementswet) bij een tussentijdse beëindiging in de Wsnp gewend zijn. Het is aardig om beide regimes in een casus als deze te vergelijken, nu het telkens gaat over de vraag naar de tussentijdse beeindiging. Bij besluit van 13 april 2021 heeft het college van B&W van de gemeente Barneveld het minnelijke schuldhulpverleningstraject van A beëindigd. Bij besluit van 17 september 2021 heeft het college het daartegen door A gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 augustus 2022 heeft de rechtbank Gelderland het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft A hoger beroep bij de Raad van State ingesteld. De Afdeling Bestuursrechtspraak heeft de zaak op zitting behandeld op 27 februari 2023, waar A vertegenwoordigd door een advocaat is verschenen.
De verplichtingen in het schuldhulpverleningstraject
A heeft op 26 september 2019 een aanvraag gedaan om op grond van de WGS en de gemeentelijke beleidsregels toegelaten te worden tot de schuldhulpverlening. Bij besluit van 2 oktober 2019 heeft het college A toegelaten. Het college heeft aan dit besluit diverse verplichtingen verbonden waaraan zij zich moet houden, gebaseerd op de artikelen 6 en 7 WGS (inlichtingen- en medewerkingsplicht). Bij brief van 6 februari 2020 heeft het college A (wederom) gewezen op deze verplichtingen. Eén van die verplichtingen is dat zij een maximale inspanning levert om de afloscapaciteit zo hoog mogelijk te laten zijn. Dat betekent dat zij haar best moet doen om werk te vinden voor minimaal 36 uur per week. Zij moet daarvoor één sollicitatie per week doen en het bewijs hiervan bij het college aanleveren – eenzelfde situatie, zij het op maandbasis, als in de Wsnp geldt jegens de bewindvoerder. Via brieven heeft het college haar erop gewezen dat zij de inspanningsverplichting niet is nagekomen. Ook heeft het college gewezen op de gevolgen van het niet-nakomen van de aan de schuldhulpverlening verbonden verplichtingen, namelijk het beëindigen van de schuldhulpverlening. Bij besluit heeft het college de schuldhulp met zes maanden verlengd, omdat A zich niet aan de verplichtingen heeft gehouden. Het college heeft A daarmee in de gelegenheid gesteld het traject alsnog met goed gevolg te laten afronden. Bij het besluit van 13 april 2021, na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 17 september 2021, heeft het college de schuldhulp uiteindelijk beëindigd omdat A niet heeft voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen die aan het schuldhulpverleningstraject waren verbonden.
Beroep na bezwaar; uitspraak rechtbank
De rechtbank Gelderland heeft overwogen dat A niet heeft weersproken dat zij diverse verplichtingen die verbonden waren aan haar schuldhulpverleningstraject niet is nagekomen. Het college van B&W heeft A geïnformeerd dat van haar werd verwacht dat zij minstens eenmaal per week zou solliciteren en dat haar arbeidscapaciteit 36 uur per week bedroeg, evenals overigens in de Wsnp het geval zou zijn. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat A haar part-time contract voor 10 uur per week zonder overleg met de gemeentelijke schuldhulpverlener heeft opgezegd. Zij heeft daardoor niet genoeg uren gewerkt om aan haar arbeidscapaciteit van 36 uur per week te komen, en op die manier haar schuldeisers benadeeld. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat door de opzegging een loonvordering (nieuwe schuld) is ontstaan van € 615,57, en dat A in de periode december 2020 tot en met maart 2021 (vier maanden lang) geen enkele sollicitatie heeft verricht terwijl zij wist dat zij niet voldeed aan haar arbeidscapaciteit. De rechtbank heeft geoordeeld dat A hiermee de medewerkingsplicht uit de WGS heeft geschonden.
Arbeidsverplichting en zorgtaak combineren
De rechtbank heeft verder overwogen dat alhoewel voorstelbaar is dat werken in de zorg aan het begin van de coronapandemie zwaar is geweest, dit onvoldoende is om aan te nemen dat A door dit zware werk niet aan haar arbeidscapaciteit kon voldoen. Zij heeft niet onderbouwd hoe de zorg voor haar kinderen en het zware werk tijdens de pandemie haar arbeidscapaciteit hebben doen verminderen, op welke wijze en tot in hoeverre deze capaciteit zou zijn verminderd. Daar komt volgens de rechtbank bij dat het college alternatieven heeft geboden door haar de mogelijkheid te bieden schoonmaakwerk te doen. Verder heeft A niet bij het college aangegeven dat het werken in de zorg te zwaar voor haar was. Volgens de rechtbank kan het betoog van A dat het college een actievere rol had moeten spelen, niet worden gevolgd. Het college heeft A meermaals op haar verplichtingen gewezen, haar meerdere kansen geboden om verbetering aan te brengen en om die reden het schuldhulptraject met zes maanden verlengd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet onvoldoende inspanning heeft geleverd om het schuldhulptraject tot een goed einde te brengen. Het college kon daarom het WGS-traject beëindigen en dat is niet onevenredig geweest. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat aan A meerdere kansen zijn geboden waarvan zij geen gebruik heeft gemaakt.
Onevenredigheidstoets
Op zich is deze onevenredigheidstoets wel een heldere WGS-maatstaf die in de Wsnp niet zo expliciet wordt gehanteerd: staat de sanctie van tussentijdse beëindiging in verhouding tot de aard (ernst, frequentie) van de tekortkomingen ? Is de straf passend, niet disproportioneel, kunnen de gedragingen de sanctie dragen ? Een abstracte toetsing van vergrijpen en sanctie, terwijl de Wsnp een meer subjectieve toets richting schuldenaar kent. Voor de tussentijdse beëindiging van een schuldsaneringsregeling op basis van de Faillissementswet geldt een iets andere maatstaf: de Hoge Raad duidt in HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9144 de spontane informatieverplichting (artikel 105 Fw juncto artikel 327 Fw) nog iets nader, en koppelt het aan de mogelijke sanctie van de tussentijdse beëindiging, en geeft daarvoor een belangrijke beoordelingsmaatstaf in rechtsoverweging 3.2.2. Die maatstaf voor wanneer een tussentijdse beëindiging op zijn plaats is, is niet de onevenredigheid van de tekortkomingen met de rechtsgevolgen van de sanctie, maar of de tekortkomingen een duidelijke aanwijzing vormen dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt.
Maatstaf Hoge Raad voor tussentijdse beëindiging in Wsnp
De Hoge Raad formuleert die (vergelijkbare) maatstaf voor tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350 Fw aldus (zie vooral de cursivering):
“Daarnaast moet tegen de achtergrond van de strekking van de schuldsaneringsregeling, (…) worden aangenomen dat ook een meer algemene verplichting bestaat tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Het niet nakomen van deze verplichting kan aanleiding vormen tot de beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van het bepaalde in art. 350 lid 3, aanhef en onder c, Fw., waarbij de rechter niet alleen de aard van de niet verstrekte inlichtingen, maar ook de overige omstandigheden van het geval in aanmerking zal moeten nemen. Mede gelet op de aard van deze mogelijkheid tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling, die van rechtswege tot het faillissement van de schuldenaar leidt, dient als maatstaf voor de vraag of grond kan bestaan tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling te gelden of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, het niet verstrekken van de inlichtingen een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt.”
Argumenten in hoger beroep
A is het niet eens met de uitspraak en voert aan dat zij er alles aan heeft gedaan om de verplichtingen die verbonden zijn aan haar schuldhulpverleningstraject na te komen, maar dat zij daar door persoonlijke omstandigheden niet in is geslaagd. Zij werkte namelijk tijdens de coronapandemie in de zorg en had als alleenstaande ouder de zorg voor haar kinderen. Volgens A was het moeilijk om meer uren te werken omdat er veel onregelmatige diensten waren die zij niet vol kon houden. Zij betoogt ook dat het college ten onrechte niet zelf haar verplichtingen jegens het college heeft verminderd. Hierbij wijst zij er op dat als de Wsnp zou zijn gevolgd, de rechter-commissaris had kunnen worden verzocht om (bij beschikking) de aan de schuldhulp (bedoeld zal zijn: schuldsanering) verbonden verplichtingen voor haar te verminderen. In dit minnelijke schuldhulpverleningstraject is het college aan zet om over een eventueel verzoek te oordelen, waardoor onafhankelijke toetsing en controle in haar geval niet heeft plaatsgevonden. Dit is op zich wel een interessant systeemargument: de gemeente als hulpverlener en tegelijkertijd als besluitvormend orgaan. En soms ook nog als schuldeiser natuurlijk. De Raad van State gaat niet op dit argument in, waarschijnlijk omdat de fictieve situatie waarbij de Wsnp zou zijn gevolgd niet realistisch is (het minnelijke traject was nog gaande en nog niet mislukt) en dus ook helemaal niet beoordeeld hoeft te worden. Ondanks dat het volgens A op de weg van haarzelf ligt om verantwoordelijkheid te nemen voor haar eigen traject, had het college volgens haar beter de lastige periode moeten onderkennen en haar extra hulp en ruimte moeten bieden. Het zijn discussies die we ook herkennen in de Wsnp. Maar waarbij de rol van de (gemeentelijk) schuldhulpverlener natuurlijk wel wat anders is dan die van de Wsnp-bewindvoerder, die nu eenmaal wettelijk toezichthouder is en meer op afstand staat van de betrokken debiteur.
Geen hardheidsclausule
De gronden die A in hoger beroep heeft aangevoerd zijn volgens de Raad van State grotendeels een herhaling van wat zij eerder heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. A heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onderbouwende overwegingen. Kennelijk was er, de korte uitspraak van de Raad van State lezend, ook geen situatie – of daar nu door A expliciet een beroep op was gedaan of niet – die aanleiding kon geven voor (ambtshalve) toepassing van de hardheidsclausule. Die hardheidsclausule bestaat niet alleen bij de toelating tot de Wsnp maar is ook in de gemeentelijke beleidsregels gangbaar, en heeft dan betrekking op het gehele WGS-traject. Een college van B&W kan immers in zeer bijzondere gevallen (zoals de corona-periode misschien ? of was dat gezien de massaliteit en duur juist niet als “zeer bijzonder” aan te merken ?) gemotiveerd afwijken van de bepalingen in de beleidsregels, indien onverkorte toepassing daarvan aanleiding geeft of zou leiden tot disproportionele onredelijkheid of onbillijkheid.
Ook hier dus een onevenredigheidsmaatstaf, waarbij het opvalt dat de invulling van de arbeidsverplichting binnen de schuldhulp in feite net zo streng is als in de Wsnp en in paragraaf 3.5 van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringen. De regels zijn in die rechterlijke beleidsrichtlijnen bekend: de schuldenaar die een dienstverband heeft, spant zich tot het uiterste in om dat dienstverband te behouden; een schuldenaar zonder voltijds dienstverband heeft een sollicitatieplicht, ook als kinderen onder de vier jaar tot het gezin van de schuldenaar behoren, tenzij de rechter-commissaris hiervoor een ontheffing heeft gegeven; de schuldenaar solliciteert 4 maal per maand schriftelijk naar een voltijds dienstverband, dat wil zeggen werk gedurende tenminste 36 uur per week, enzovoorts. Het opzeggen van een part-time baan en vier maanden in het geheel niet solliciteren en het niet benutten van een geboden extra kans past niet in dit regime, niet binnen de Wsnp en niet binnen de WGS. Het hoger beroep is ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt de aangevallen uitspraak.
Raad van State (afdeling bestuursrechtspraak) 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:928
Wetswijziging WSNP en aansluiting op WGS
Inwerkingtredingsdatum Wetsvoorstel 35 915 tot Wijziging WSNP
Op 26 mei 2023 heeft Minister voor Rechtsbescherming Weerwind aan de Tweede Kamer per brief (TK 2022-2023, 35 915, nr. 31) laten weten dat besloten is om de wijzigingswet reeds per 1 juli 2023 in werking te laten treden (Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen; Staatsblad 2023, 87). Deze keuze is gemaakt opdat deze wetswijziging gelijk loopt met de aanpassing van de duur van het traject van de buitengerechtelijke schuldhulpverlening. Dit is besloten in overleg met het landelijk overlegorgaan van rechters-commissaris in procedures betreffende insolventies (Recofa), Bureau Wsnp van de Raad voor de Rechtsbijstand en de Beroepsvereniging Bewindvoerders Wsnp (BBW). Daarbij is nadrukkelijk gekeken of er mogelijkheden zijn om reeds lopende schuldsaneringstrajecten op basis van de wetswijziging te verkorten. Deze mogelijkheden zijn er helaas niet. Dit komt volgens de Minister omdat er rekening gehouden dient te worden met het feit dat de duur van een Wsnp-traject bij vonnis wordt bepaald. Daarnaast is bij de wetsbehandeling en de wijziging die bij amendement is ingediend geen overgangsbepaling opgenomen. Dit zal voor een burger die in een reeds lopend schuldsaneringstraject zit als moeilijk worden ervaren, aldus de Minister. Dit is mede reden geweest om de wet zo spoedig mogelijk in te voeren, zodat het aantal personen waarvoor dit geldt zo beperkt mogelijk wordt gehouden.
Aansluiting tussen minnelijk en wettelijk traject
Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wsnp heeft ook grote gevolgen voor de WGS, want moet zorgen voor een betere aansluiting tussen het gemeentelijke schuldhulpverleningstraject en de Wsnp. Hiervoor worden wijzigingen doorgevoerd in de Faillissementswet. De wijzigingen betreffen onder andere een aanpassing van de in artikel 288 Fw opgenomen criteria waaraan de rechter een verzoek tot toelating tot de Wsnp moet toetsen. Bij toelating tot de Wsnp toetst de insolventierechter of de schuldenaar-verzoeker “te goeder trouw” is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schuldenlast (art. 288 lid 1 sub b Fw). Daarvoor keek de rechter in het vroegere wettelijke regime tot 5 jaar terug. De wetswijziging verkort deze toetsingstermijn naar 3 jaar. Als de schuldenaar niet te goeder trouw is, dan blijft ook na dit wetsvoorstel nog steeds de mogelijkheid bestaan om een beroep te doen op de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw. Dan dient de schuldenaar aan te tonen dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor zijn schulden doorgaans 1 jaar onder controle heeft gekregen. Verder is de oude tienjarige uitsluitingstermijn voor een hernieuwde schuldsaneringsprocedure (art. 288 lid 2sub d Fw) komen te vervallen. Hiermee krijgen ook cliënten die al eerder in de Wsnp hebben gezeten, een tweede kans.
Kamerbrede steun en amendementen
Het wetsvoorstel van de Minister voor Rechtsbescherming werd met een grote meerderheid aangenomen, namelijk met 145 van de 148 stemmen vóór. Verder werd op 24 januari 2023 door de Tweede Kamer gestemd over een vijftal bij het wetsvoorstel door de Tweede Kamer ingediende amendementen, met verstrekkende gevolgen. Daarvan zijn er vier aangenomen en een verworpen. Het wetsvoorstel en de aanvullende amendementen 21, 20, 30 en 29 zien op de volgende wijzigingen. Een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling (art. 285 lid 1 onder f Fw) is straks door amendement nr. 20 niet meer altijd noodzakelijk. Als een cliënt aantoonbaar geen mogelijkheden tot aflossing heeft of als er andere redenen zijn waarom een buitengerechtelijke schuldenregeling niet kan lukken, hoeft er niet meer eerst een voorstel aan de schuldeisers gedaan te worden. Er kan dan direct een Wsnp-verzoek ingediend worden. Dat maakt het buitengerechtelijke traject niet meer tot een absolute verplichting vooraf die vaak veel tijd kost en schuldenophogend werkt. Bijvoorbeeld als een van de schuldeisers vooraf al heeft laten weten niet in te stemmen met een schuldregeling. Of als het door dakloosheid of een echtscheiding het werkelijk niet mogelijk is om binnen afzienbare tijd een volledig beeld te krijgen van alle schulden.
Amendement nr. 20 van het Parlement betrof de relatie tussen de WGS en de WSNP. Het zorgde ervoor dat artikel 285 Fw via deze wetswijziging is aangevuld met een zeer belangrijke uitzondering: “Als aannemelijk is dat onvoldoende aflossingsmogelijkheden bij de schuldenaar of andere omstandigheden het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, hoeft voor de afgifte van deze verklaring niet eerst een poging te zijn gedaan om tot een dergelijke regeling te komen.” Dit zal een belangrijke versnelling in de gehele procedure teweeg kunnen gaan brengen. Redenen om een minnelijk (gemeentelijk) schuldhulpverleningstraject over te slaan kunnen dus zijn: aantoonbaar geen aflossingscapaciteit, aantoonbaar langere tijd budgetbeheer of beschermingsbewind, aantoonbaar geen mogelijkheid tot een minnelijk akkoord met een bepaalde schuldeiser, of ook na deskundige inspanningen geen volledig beeld van de schulden kunnen krijgen.
Een volgende principiële wijziging gaat over het startmoment. De termijn van de wettelijke schuldsaneringsprocedure begint reeds op het moment dat de buitengerechtelijke cq minnelijke schuldregeling is gestart, althans vanaf het moment dat de eerste aflossing is gedaan in het kader van de gemeentelijke schuldhulpverlening. Dus niet reeds bij de intake of bij het gemeentelijke besluit om iemand toe te laten tot de schuldhulpverlening. Deze belangrijke wijziging vloeit voort uit amendement nr. 29. Dat is anders dan in de oude wet: toen startte de schuldsanering altijd pas op de datum van de toelatingsuitspraak door de rechter. Indien een rechtstreeks Wsnp-verzoek wordt gedaan – en dat overslaan van het minnelijke schuldhulptraject is mogelijk geworden, zie hiervoor – dan begint uiteraard de termijn pas te lopen op de klassieke startdatum van de wettelijke schuldsaneringsregeling: te weten het Wsnp-toelatingsvonnis.
Een andere drastische wijziging in de Wsnp met directe gevolgen voor de WGS geldt het volgende. De standaard schuldsaneringsprocedure wordt in principe van drie jaar (artikel 349a Fw) gehalveerd en verkort tot 18 maanden (anderhalf jaar). Deze radicale verandering van de hoofdregel is het gevolg van amendement nr. 30. De wetgever beoogt hiermee een substantiële versnelling aan te brengen in de afwikkeling van problematische schulden, overigens ook voor het minnelijke traject van schuldhulpverlening, waarvoor geen wetswijziging nodig is (en was). De rechter-commissaris krijgt wel de mogelijkheid om het wettelijke schuldsaneringstraject langer te laten duren, en de looptijd te verlengen tot de maximale duur die ook voorheen al gold, namelijk vijf jaar, wanneer dat de mogelijkheid geeft om overkomelijke tekortkomingen te herstellen, of als dat om andere redenen wenselijk is.
Iedereen met problematische schulden krijgt voortaan een tweede kans op een schuldsaneringsprocedure, zolang men te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schuldenlast. Want de vroegere tienjarige uitsluitingstermijn voor een hernieuwde schuldsaneringsprocedure komt te vervallen; het wetsvoorstel zwakte die wachttermijn van tien jaren voor een tweede schuldsanering reeds enigszins af door er in art. 288 lid 2sub d Fw een facultatieve weigeringsgrond (“de rechter kan weigeren…”) van te maken - in plaats van de imperatieve weigeringsgrond (“de rechter moet weigeren…”). De Tweede Kamer vond tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel dat dat herkansingsbeleid ruimhartiger c.q. radicaler moest. Het geheel schrappen van de veel bediscussieerde tienjaarstermijn gebeurde via amendement nr. 21.
Deze wijziging cq schrapping van de weigeringsgrond heeft alleen praktische zin als ook in het gemeentelijke minnelijke schuldhulpverleningtraject een tienjaars-uitsluitingstermijn bij een herhalingshulpverzoek (recidive) in de praktijk niet meer door gemeenten en gemeentelijke kredietbanken zal worden gehanteerd. Want zodra men om die reden reeds in de eerstelijnsfase van de schuldhulpverlening geweigerd wordt, wordt het ook bijna onmogelijk om wederom voor een twee keer binnen tien jaar een beroep te doen op de wettelijke schuldsaneringsprocedure. Dit vormt dus een punt van grote aandacht in de schuldhulpverlening voor de nabije toekomst, en ook lastig stuurbaar, want valt onder de gemeentelijke beleidsautonomie. Artikel 3 lid 2 van de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening bepaalt immers het volgende : "Het college kan schuldhulpverlening in ieder geval weigeren in geval een inwoner al eerder gebruik heeft gemaakt van schuldhulpverlening". Dit is een discretionaire bevoegdheid die haaks lijkt te staan op het nieuwe beleid in het kader van het per 1 juli 2023 gewijzigde artikel 288 Fw de WSNP.
Beschermingsbewind blijft net als Wsnp-bewind een marktactiviteit
Er werd één amendement verworpen. Met dit amendement van het kamerlid Van Nispen (SP) zou het voor gemeenten verplicht worden om eigen beschermingsbewindvoerders in dienst te nemen op basis van een plan voor de gemeente, opgesteld door de gemeenteraad. De uitvoering van dat plan, waaronder het aannemen en controleren van de beschermingsbewindvoerders, zou dan toekomen aan het college van B&W, waarmee volgens de indiener van het amendement de kwaliteit van en het toezicht op het bewind zou zijn geholpen. Dat het perse beter georganiseerd zou gaan worden binnen de gemeentelijke sfeer werd niet onderbouwd en was ook niet door middel van onderzoek aangetoond. Het benoemen van en toezichthouden op beschermingsbewindvoerders is thans opgedragen aan de kantonrechter en aan het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM bij de rechtbank Oost-Brabant. Dit amendement om deze organisatie binnen het gemeentelijke domein te trekken werd onwenselijk en onuitvoerbaar (en gezien de massaliteit van het beschermingsbewind ook niet goed financierbaar) geacht, en heeft de stemming in de Tweede Kamer na afloop van de plenaire behandeling van het wetsvoorstel dus niet overleefd.
Stelselwijziging en inwerkingtreding
De wijzigingen vormen samen een behoorlijk fundamentele verandering voor het stelsel van de gemeentelijke schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsaneringsprocedure. De onderlinge effecten van de beide fasen in het stelsel konden door het amenderen nog niet in kaart worden gebracht. Het wetsvoorstel is in het Staatsblad gepubliceerd en trad in werking op 1 juli 2023 (Staatsblad 2023, 175). Dit alhoewel de voorbereiding en uitvoering van deze nieuwe regels veel invloed hebben op het gehele stelsel, met name op de minnelijke schuldhulpverlening, maar ook op rechters en bewindvoerders. Ook de rechterlijke richtlijnen van Recofa (insolventierechters) zijn deels geherformuleerd. Onzeker is nog in hoeverre sommige lopende duizenden schuldsaneringsprocedures hiervan gevolgen ondervinden van de gewijzigde wettelijke spelregels, bijvoorbeeld als het gaat om verzoeken tot termijnreductie.
De nieuwe wet is van toepassing op verzoekschriften tot toepassing van de schuldsaneringsregeling die voor het tijdstip van inwerkingtreding van die wetswijziging (per 1 juli 2023 dus, zie het Besluit van 17 mei 2023; Stb. 2023, 175) zijn ingediend bij de rechtbank en waarop nog niet door de rechter is beslist. Problematisch blijft voor de korte en middenlange termijn dat - door het ontbreken van overgangsrecht - de oude looptijd van 36 maanden (3 jaar, artikel 349a Fw) blijft gelden voor alle reeds lopende schuldsaneringsprocedures, dus ook bijvoorbeeld voor een toelating tot de Wsnp die plaatsvond korte tijd voor de nieuwe spelregels, begin 2023 of zelfs in de maand Juni 2023. Dat heeft de instroom tot 1 juli 2023 flink afgeremd, want nog even wachten met de indiening van het Wsnp-verzoek leidt voor de aanvrager tot een halvering van de looptijd. Dat viel voor de wetgever (gezien de vele radicale amendementen zonder overgangsrecht) niet te voorkomen. In hoeverre ook reeds lopende schuldsaneringsprocedures zullen kunnen worden bekort, is onzeker, afhankelijk van de casus en derhalve aan de rechter overgelaten.
Verkorting duur Minnelijk schuldhulptraject
Ook in het buitengerechtelijk traject van gemeentelijke schuldhulpverlening wordt vanaf 1 juli een kortere aflostermijn van 18 maanden gehanteerd. Althans dat zal - bij gebreke aan een dwingend wettelijk kader - de beleidslijn zijn die door de bevoegde instanties (VNG en NVVK) wordt aanbevolen in het minnelijke traject. De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) bevat immers geen enkele bepaling omtrent de duur van het schuldhulptraject. Om te voorkomen dat de hulpvraag in 2023 stagneert en om te voorkomen dat hulpvragers door te lang wachten dieper in de schulden komen in afwachting van nieuw beleid in de minnelijke fase, adviseert de koepelorganisatie NVVK aan haar leden (onder andere gemeentelijke kredietbanken) om (ook) in Msnp-regelingen vanaf 1 juli 2023 een aflostermijn van 18 maanden te hanteren, naar het voorbeeld van de Wsnp. Begin februari 2023 kondigde minister Schouten van SZW aan dat, in navolging van de (toen) voorgenomen verkorting van de Wsnp-termijn, ook de saneringstermijn in het minnelijke schuldhulptraject gehalveerd zou gaan worden, zoals gezegd zonder dat daarvoor een wetswijziging noodzakelijk zou zijn, en iets wat dus op zichzelf ook eerder en los van de Wsnp-wetswijziging zou hebben gekund.
Uitvoeringsorganisaties in schuldhulp
Deze verkorting van de schuldhulpperiode biedt sneller perspectief voor hulpvragers en stimuleert mensen met problematische schulden om eerder de stap naar schuldhulp te zetten, zo is de verwachting van de bewindslieden. Daar zijn schuldeisers uiteindelijk ook bij gebaat, aldus de NVVK, omdat de ontstane schulden lager zullen zijn (minder langdurig opgelopen, ook met rente en incassokosten) en daarmee makkelijker te regelen, zo is de veronderstelling. Juist in de situatie van een verkorte schuldhulptermijn – waarin mensen sneller weer op eigen benen staan zonder een problematische schuldensituatie – is wel tevens een goede nazorg en begeleiding door gemeenten essentieel voor een duurzame schuldenoplossing, aldus de koepelorganisatie NVVK. Een snellere schuldenregeling zou natuurlijk op zichzelf ook lichtvaardiger gedrag bij debiteuren in de hand kunnen werken. Schuldeisers zijn hier ook niet gerust op. De halvering van de aflossingsperiode gaat in principe ten koste van hun opbrengst op de uitstaande vorderingen. Nog niet alle betrokken instellingen zullen op 1 juli 2023 de werkwijze in het snellere traject volledig aangepast hebben, maar aan de schuldeisers wordt kenbaar gemaakt dat voor schuldregelingen die na 1 juli 2023 starten de aflosperiode na 18 maanden zal worden beëindigd. De verwachting bestaat dat de schuldhulpverlenende organisaties - ondanks de geldende gemeentelijke beleidsautonomie - in het belang van hun cliënten/burgers gevolg zullen geven aan de aanbevolen beleidslijn van termijnverkorting.
Aantal minnelijke schuldregelingen sinds wetswijziging nog niet toegenomen
De gemeentelijke 'Monitor schuldhulpverlening in onzekere tijden' geeft inzicht in de schuldhulpverleningscijfers van juli, augustus en september 2023, de eerste periode waarin de wetswijziging van kracht is. Vooralsnog is een toename niet zichtbaar bij de 120 gemeenten die meedoen aan deze monitor. Het aantal gestarte schuldregelingen is in het derde kwartaal van 2023 nog niet gestegen. In vergelijking met dezelfde periode in 2022 ligt het aantal schuldregelingen zelfs lager. In de maanden voor 1 juli 2023 bleek juist een afname van het aantal gestarte schuldregelingen. Gemeenten zouden toen schuldregelingen hebben uitgesteld, zodat zij deze mensen na 1 juli konden helpen om sneller van hun schulden af te komen. Het verwachte effect van de nieuwe wet blijft dus vooralsnog uit. Wel hebben zich in het derde kwartaal van 2023 bijna een kwart meer mensen aangemeld voor schuldhulpverlening ten opzichte van het tweede kwartaal. Uit de monitor blijkt dat het aantal aanvragen nagenoeg op hetzelfde niveau ligt als in dezelfde periode vorig jaar. Divosa en de NVVK publiceren elk kwartaal de Monitor schuldhulpverlening in onzekere tijden. De monitor geeft een actueel beeld van de ontwikkeling van het aantal aanmeldingen voor schuldhulpverlening en het aantal gestarte en niet tot stand gekomen schuldregelingen.
Vergoedingenstructuur bewindvoering sluit niet meer goed aan op nieuwe stelsel
Het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering is een algemene maatregel van bestuur (Stb. 2013, 308) die vormgeeft aan een vergoedingsstructuur voor bewindvoerders in de Wsnp. Deze structuur gaat – sinds de inwerkingtreding op 1 oktober 2013 - uit van de berekening van een totale vergoeding voor de bewindvoerder, die dekkend is voor alle werkzaamheden die hij tijdens de schuldsaneringsregeling heeft verricht en die volledig (bij voorrang) uit de boedel wordt voldaan, voor zover de hoogte van de boedel dit toelaat. De vergoeding bestaat uit een vast, looptijdonafhankelijk bedrag (LOB) en een maandelijks, looptijdafhankelijk bedrag (LAB). De vergoeding van de bewindvoerder wordt aangevuld met een subsidie, indien de boedel niet genoeg baten bevat om daaruit de gehele vergoeding van de bewindvoerder te betalen. In het wettelijke stelsel ontvangen Wsnp-bewindvoerders voor hun werkzaamheden een vergoeding op basis van artikel 320 lid 6 Faillissementswet en het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering van 16 juli 2013 (Stb. 2013, 308). Deze vergoeding wordt jaarlijks geïndexeerd (art. 2, vijfde lid, van het Besluit) en beoogt dekkend te zijn voor alle werkzaamheden die een bewindvoerder tijdens de schuldsaneringsregeling verricht. De vergoeding wordt volledig (bij voorrang, als boedelschuld) uit de boedel voldaan, voor zover de hoogte van de boedel dit toelaat. De rechtbank controleert de berekende vergoeding en stelt het salaris vast. Het salaris kan niet hoger zijn dan het boedelactief. In het geval de vergoeding waar de bewindvoerder recht op heeft het boedelactief overschrijdt, wordt het salaris op het aanwezige boedelactief vastgesteld en krijgt de Wsnp-bewindvoerder een subsidie uitgekeerd door de Raad voor Rechtsbijstand voor het overige, dus voor het verschil tussen de vergoeding en het salaris. De subsidie wordt vooraf uitgekeerd door middel van een voorschot. De definitieve vergoeding wordt aan het einde van de schuldsaneringsregeling (met of zonder het bereiken van een schone lei voor de debiteur) aan de Wsnp-bewindvoerder uitgekeerd, en zo nodig verrekend met het voorschot.
Een gewijzigde AMvB
Met terugwerkende kracht tot 1 juli 2023 is in werking getreden het Besluit tot wijziging van de vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Besluit van 8 december 2023 tot wijziging van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering, in verband met de invoering van de Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Stb. 2023, 87). Wettelijke grondslagen zijn artikel 320, zesde lid, van de Faillissementswet en artikel 3 en 4 van de Kaderwet overige justitiesubsidies. De Raad van State adviseerde hierover op 15 november 2023, welk advies werd beantwoord bij nader rapport van de Minister voor Rechtsbescherming van 4 december 2023. Het wijzigingsbesluit werd gepubliceerd in Staatsblad 14 december 2023, 466. De voormalige deelgrondslag van de AMvB (artikel 48d, eerste lid van de Wet Justitie-subsidies) is vervangen door artikel 3 en 4 van de Kaderwet overige JenV-subsidies. Kernboodschap is dat alle bedragen van de diverse Wsnp-bewindvoeringsvergoedingen substantieel worden opgehoogd, gezien de korter geworden (gehalveerde) termijn van de schuldsaneringsprocedure, en nog los van de jaarlijkse indexering. Op schuldsaneringsprocedures die zijn gestart vóór 1 juli 2023, alsmede op de uitvoering daarvan, blijft het vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit geldende recht van toepassing.
Eerdere ingangsdatum
Doordat het minnelijke schuldhulptraject voortaan kan meetellen voor de duur van een Wsnp-traject heeft de wetgever bepaald dat de Wsnp niet alleen kan aanvangen op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, maar ook op: «de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerst lid, onder f, indien die dag eerder is gelegen.» (art. 349a, eerste lid, Fw). Dit betekent dat de standaardduur van anderhalf jaar reeds kan gaan gelden als een schuldenaar tijdens het buitengerechtelijke traject al is begonnen met aflossen, waardoor de periode dat een schuldenaar in de Wsnp zal verblijven nog korter wordt dan de nieuwe kortere periode van 18 maanden. Bij het laten meetellen van de aflosperiode in het buitengerechtelijke traject voor de duur van een Wsnp-traject zal de rechter naar verwachting gaan toetsen of in het voorafgaande buitengerechtelijke traject volledig is voldaan aan de Wsnp-verplichtingen. Hoe dit exact in de rechtspraktijk zal gaan uitpakken is nog niet uitgekristalliseerd. Ook denkbaar is dat andere feiten en omstandigheden zullen gaan meewegen bij de beoordeling of op grond van de gedane minnelijke inspanningen de duur van het buitengerechtelijke traject (geheel of gedeeltelijk) kan meetellen voor de duur van de schuldsaneringsprocedure. Bijvoorbeeld of de gedane aflossingen ten goede zijn gekomen niet slechts aan één schuldeiser, meestal via een loonbeslag, maar aan alle gezamenlijke schuldeisers, net als in een faillissements- of schuldsaneringssituatie (paritas creditorum).
Gerechtshof Den Haag stelt prejudiciële vragen over termijn Wsnp in relatie tot Wgs-minnelijk schuldhulptraject
Welke maatstaven moeten nu worden gesteld aan de kwaliteit van het schuldhulpverleningstraject, wil sprake kunnen zijn van Wsnp-termijnreductie ? Het gerechtshof Den Haag heeft eind 2023 in een uitspraak prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad (Gerechtshof Den Haag 22 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2606). Het hof wil weten hoe de nieuwe wettelijke regels over de duur van de schuldsaneringsregeling (art. 349a Fw) moeten worden uitgelegd. Dus de mogelijkheid voor de schuldenaar/verzoeker om een eerder gelegen ingangsdatum te verkrijgen, vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling. Hieromtrent zijn sinds de wetswijziging van 1 juli 2023 door rechtbanken verschillende uitspraken gedaan en dat geeft rechtsonzekerheid. Welke concrete vragen werden door het gerechtshof geformuleerd ? Allereerst: Wat dient te worden verstaan onder ‘eerste aflossing’, ‘in het kader van’ en ‘buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f’ in artikel 349a lid 1 Fw? Is de rechter bevoegd om, bij de toepassing van artikel 349a lid 1 Fw, voor de termijn van de schuldsaneringsregeling in beginsel slechts die periode voorafgaand aan zijn uitspraak in aanmerking te nemen waarin de schuldenaar:
i) heeft voldaan aan een inspanningsplicht om ten behoeve van de boedel zoveel mogelijk baten te verwerven (alsof de wettelijke schuldsaneringsregeling die periode al van toepassing was), en
ii) uit zijn inkomen dan wel heeft gespaard ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers: alles wat niet diende of zou plegen te worden vrijgelaten als de wettelijke schuldsaneringsregeling in die periode al van toepassing was geweest en daarbij de voorwaarde te stellen dat het gespaarde daadwerkelijk aan de boedel wordt afgedragen ?
Besluit van 8 december 2023 (Staatsblad 14 december 2023, 466) tot wijziging van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering, in verband met de invoering van de Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Stb. 2023, 87). Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering van 16 juli 2013 (Stb. 2013, 308).
De eerste ervaringen met de gewijzigde wet sinds 1 juli 2023 zijn inmiddels opgetekend door de Raad voor rechtsbijstand te Den Bosch. Er is over de eerste maand onder het nieuwe regime (juli 2023) een flink aantal uitgesproken schuldsaneringsprocedures te zien. In de maand Januari 2023 waren het nog in totaal 127 zaken, in Februari waren het 139 zaken, in Maart 151 zaken, in April 136 zaken en in Mei in totaal 109 zaken. Toen kwam het officiële bericht van de Minister dat de wetswijziging reeds per 1 juli 2023 in werking zou treden (Brief aan de Tweede Kamer d.d. 26 mei 2023, TK 2022-2023, 35 915, nr. 31). In de maand Juni zakte het aantal door de rechter uitgesproken schuldsaneringszaken landelijk in tot slechts 4 (!) zaken. Deze enorme terugval in de instroom was te verwachten. Want vanaf Mei was bekend dat nog heel even wachten met de indiening van het Wsnp-verzoek de verzoeker bij toelating een halvering van de looptijd zou opleveren. Deze flinke demping is over de eerste maand met de nieuwe wettelijke regels (Juli 2023) weer gecompenseerd doordat landelijk in totaal 260 Wsnp-zaken zijn uitgesproken door de rechter. In feite is dit Juli-aantal precies het dubbele van het normale maandquotum eerste helft 2023, dus alsnog met “de ontbrekende Juni-zaken”. Dus van een sterke toename lijkt nu nog geen sprake. De invloed van de wijzigingswet op het minnelijk schuldhulpverleningstraject (waar gemeentelijke beleidsautonomie blijft bestaan) is sowieso nog enige tijd ongewis. De maand Augustus 2023 gaf in totaal 173 zaken te zien, en de maand September 2023 in totaal 174 zaken, en de maand Oktober 2023 zelfs 215 zaken: dat duidt wel op een lichte stijging.
Nog geen gevolgen voor het schuldenbewind van Boek 1 BW
Het inkorten van de looptijd van schuldhulp- en schuldsaneringstrajecten leidt vooralsnog niet tot een verkorting van de termijn van de schuldenbewinden. Tot deze conclusie komt de landelijke expertgroep Curatele, Bewind en Mentorschap (CBM), een overlegorgaan van kantonrechters. Na beraad met de brancheverenigingen is besloten de termijn voorlopig op vijf jaar te houden. Onderdeel van de vernieuwde Wsnp is het inkorten van de looptijd van drie naar anderhalf jaar. De wetswijziging zorgde echter ook voor de vraag of dit ook moest leiden tot een verkorting van de termijn van schuldenbewinden. De landelijke expertgroep CBM wil de reguliere vijfjaarstermijn van schuldenbewinden handhaven. Dit omdat nog onvoldoende duidelijk is hoe de wetswijziging in de praktijk zal uitwerken. Totdat hierover meer duidelijkheid bestaat, zijn er voor de kantonrechters voldoende mogelijkheden om toezicht te houden op het verloop van het schuldenbewind, aldus de expertgroep CBM: indien nodig kan de kantonrechter ingrijpen, bijvoorbeeld bij de driejaars-evaluatie of de controle van de jaarlijkse rekening- en verantwoording. Daarnaast hebben de betrokkene en de bewindvoerder de mogelijkheid om aan de kantonrechter te vragen om opheffing van de maatregel. Het besluit is tot stand gekomen na gesprekken met de brancheverenigingen. De expertgroep CBM overlegt regelmatig met deze koepelorganisaties. In januari 2024 wordt opnieuw bekeken of het gewenst is om de termijn van het schuldenbewind te verkorten.
Wet van 10 februari 2023 tot Wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wet schuldsanering natuurlijke personen, Staatsblad 2023, 87. Inwerkingtredingsbesluit: Stb. 2023, 175. Deze belangrijke wijzigingswet heeft geleid tot aanpassingen in artikel 285 Fw (buitengerechtelijk voortraject niet altijd meer noodzakelijk), in artikel 288 Fw (versoepelingen in het vereiste van goede trouw bij de verzoeker voor de toelatingstoets, namelijk van een vijf jaar antecedentenonderzoek terug naar drie jaren, en Wsnp-recidive wordt ook binnen tien jaar mogelijk) en in artikel 349a Fw (halvering van de standaard-termijn voor de schuldsaneringsprocedure). Wetsvoorstel d.d. 21 september 2021, met memorie van toelichting (TK 2021 – 2022, 35 915, nrs. 1-3). Op schuldsaneringsprocedures die zijn gestart vóór 1 juli 2023, alsmede op de uitvoering daarvan, blijft het vóór het tijdstip van inwerkingtreding geldende recht van toepassing. Gewijzigde lagere regelgeving (AMvB) is ook per 1 juli 2023 in werking getreden (met terugwerkende kracht), te weten het Besluit van 8 december 2023 (Staatsblad 14 december 2023, 466) tot wijziging van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering van 16 juli 2013 (Stb. 2013, 308), met wettelijke grondslagen in artikel 320, zesde lid, Faillissementswet en artikel 3 en 4 Kaderwet overige justitiesubsidies. Kernboodschap is dat alle bedragen van de diverse bewindvoeringsvergoedingen substantieel worden opgehoogd, gezien de korter geworden (gehalveerde) termijn van de schuldsaneringsprocedure, los van de jaarlijkse indexering.
Vrij te laten bedrag (VTLB) geldt in minnelijke en in wettelijke traject
Iemand waar de Wsnp op van toepassing is, behoudt een deel van zijn inkomen ‑ het vrij te laten bedrag (hierna: vtlb). De rest vloeit in de boedel ten behoeve van de aflossing aan de schuldeisers. Met het vtlb voorziet de schuldenaar in zijn/haar vaste lasten en het levensonderhoud. De Wsnp-bewindvoerder of de schuldhulpverlener berekent het vtlb. Het in het minnelijke en in het wettelijke traject gezaghebbende vtlb-rapport wordt door de Raad voor rechtsbijstand ieder half jaar geactualiseerd en legt uit hoe het vtlb op een uniforme wijze berekend moet worden. De documenten zijn te raadplegen op de website van de Raad voor Rechtsbijstand (www.bureauwsnp.nl). Bij de berekening van het rapport maakt de bewindvoerder of de schuldhulpverlener, naast het vtlb-rapport zelf , gebruik van de vtlb-calculator, de handleiding vtlb-berekening, en mogelijk ook de tool Berekening inkomen partner onbekend en de handleiding van deze tool. De vtlb-calculator en het vtlb-rapport van januari 2024 zijn onlangs beschikbaar gekomen. Het gaat hier om een halfjaarlijkse actualisering van het rapport. In de calculator zijn de normen aangepast en verder is een aantal wijzigingen doorgevoerd.
Wanneer een persoon wordt toegelaten tot de Wsnp, valt in principe al het inkomen boven de beslagvrije voet in de boedel (artikel 295 Fw). De leden twee en drie van dit artikel bepalen dat de schuldenaar van zijn inkomsten de beslagvrije voet mag behouden, evenals een door de rechter-commissaris vastgesteld nominaal bedrag. Dit betekent dat al het inkomen in de boedel valt op enkele, in het rapport genoemde, uitzonderingen na. Ook inkomensbestanddelen waarvoor een zo genoemd beslagverbod geldt, vallen in de boedel. Het is dus niet zo dat die inkomsten bovenop het berekende vtlb door de schuldenaar mogen worden behouden; die inkomsten worden geacht deel uit te maken van het inkomen waarvan alleen het vtlb behouden mag worden. Of dit nominale bedrag werd vastgesteld en zo ja, hoe hoog, werd overgelaten aan het beleid van de rechter-commissaris. Dit hield in dat in het verleden de berekening van het vtlb per rechtbank kon verschillen met rechtsongelijkheid, onduidelijkheid bij betrokken instanties (schuldhulpverleners, bewindvoerders, etc.) en tijdrovende berekeningen als gevolg. Om hier meer eenheid in te brengen is de Werkgroep Rekenmethode samengesteld. De rekenmethode zoals beschreven in dit rapport wordt gevolgd door alle rechtbanken (Recofa) en schuldhulpinstellingen die lid zijn van de NVVK. Elk half jaar per 1 januari en per 1 juli zijn er wijzigingen als gevolg van de actuele ontwikkelingen onder andere in de sociale zekerheidswetgeving, de huur en de belastingen.
Besluiten werkgroep Vtlb afdracht vakantiegeld en gebruik basishuur
Per 1 juli 2023 is de standaardtermijn van de schuldsaneringsregeling (via de Wsnp-wijzigingswet van Stb. 2023, 87) in het wettelijke en ook in het minnelijk traject gewijzigd van 36 naar 18 maanden. Voor schuldenaren die hun vakantiegeld eenmaal per jaar uitbetaald krijgen, valt deze uitbetaling dan één of twee keer in de regeling, afhankelijk van de maand van toelating. Hetzelfde geldt voor schuldenaren die een eindejaarsuitkering in december ontvangen.
De werkgroep Vtlb van Bureau Wsnp van de Raad voor rechtsbijstand heeft het besluit genomen dat bij een looptijd van 18 maanden voor de afdracht wordt uitgegaan van 18 maal het inkomen exclusief vakantiegeld en 18 maal het opgebouwde vakantiegeld en – indien van toepassing - de opgebouwde eindejaarsuitkering. De bewindvoerder of schuldhulpverlener dient dit aldus te berekenen. Op deze wijze maakt het niet uit wanneer iemand precies is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en of er sprake is van inkomen inclusief vakantiegeld of inkomen met afzonderlijk vakantiegeld.
Beschikbaarheid Vtlb-calculator en handleiding voor berekenen vtlb
Voor het gebruik van de vtlb-calculator en het controleren van de uitdraai is een handleiding opgesteld. Net als het vtlb-rapport vindt men de handleiding op de website van Bureau Wsnp. In de handleiding staat extra uitleg over de boedelafdracht bij regelingen gestart vóór 1 juli 2023 en bij regelingen gestart vanaf 1 juli 2023. Voor de herberekeningen blijven oudere versies van de calculator beschikbaar. Bij het maken van een herberekening over een voorgaande periode moet ook een eerdere calculator worden gebruikt.
Basisbankrekening: Wet op het Financieel Toezicht
Basisbankrekening
Een ander uitgesteld onderdeel van de Wgs is artikel 11: het recht op een basisbankrekening. Deze bepaling bracht een aantal veranderingen aan in de Wet op het Financieel Toezicht. Artikel 11 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening heeft betrekking op het openen van een basisbankrekening door personen die om gemeentelijke schuldhulpverlening hebben verzocht. Dit artikel kon met ingang van 1 juli 2012 nog niet inwerkingtreden, omdat voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit artikel nog een nadere wijziging van de Wet op het financieel toezicht noodzakelijk was. Dit om te voorkomen dat banken die geen betaalrekeningen aan consumenten aanbieden onbedoeld ook verplicht zouden kunnen worden om basisbankrekeningen te verstrekken. Deze wijzigingen traden in werking per.1 juli 2013 (Stb. 2013, 239). De wijzigingen (A t/m D) luidden als volgt:
A. In artikel 1:1 wordt na de definitie van «bank» ingevoegd: basisbankrekening: een betaalrekening, met inbegrip van bijbehorend betaalinstrument, waarbij debetstand niet mogelijk is.
B. Na artikel 4:71e wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 4.3.1.8 Basisbankrekening
Artikel 4:71f
Een bank verstrekt een basisbankrekening aan de aanvrager ervan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:
a.
de aanvrager van de basisbankrekening is een verzoeker in de zin van artikel 1 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening die door het college op grond van artikel 7, eerste lid, van die wet is verplicht medewerking te verlenen om een basisbankrekening te openen;
b.
de aanvrager van de basisbankrekening is niet bij een andere bank in het bezit van een basisbankrekening of heeft niet bij een andere bank een aanvraag voor een basisbankrekening lopen;
c.
de aanvrager wendt zich indien hij bij een of meer banken een betaalrekening heeft, niet tot een andere bank dan waarbij hij een betaalrekening heeft;
d.
de aanvrager stemt in met het verstrekken van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nader te bepalen informatie aan de door hem aangezochte bank.
Artikel 4:71g
1.
De ingevolge artikel 4:71f aangezochte bank kan het contract met de houder van de basisbankrekening opzeggen of de aanvraag tot een basisbankrekening weigeren indien de aanvrager of houder van de basisbankrekening:
a.
onherroepelijk veroordeeld is voor een misdrijf als bedoeld in de artikelen 225, 227a, 326, 341, 420 bis of 420 ter van het Wetboek van strafrecht, of
b.
onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt bij de aanvraag als bedoeld in artikel 4:71f.
2.
Indien de aanvraag tot opening van een basisbankrekening is geweigerd dan wel de rekening is opgezegd, kan een persoon die is vrijgesteld op grond van artikel 3:5, derde lid, of een persoon die een ontheffing heeft verkregen op grond van artikel 3:5, vierde lid, ten behoeve van de verzoeker in de zin van artikel 1 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, een basisbankrekening verkrijgen waarover hij bij uitsluiting van anderen gemachtigd is het beheer te voeren.
C. In de bijlage bij artikel 1:79 wordt in numerieke volgorde in het deel Gedragstoezicht, ingevoegd: 4:71f, eerste lid.
D. In de bijlage bij artikel 1:80 wordt in numerieke volgorde in het deel Gedragstoezicht, ingevoegd: 4:71f, eerste lid.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wet gemeentelijke schuldhulpverlening regeling
Kernbeschrijving
mr. dr. G.H. Lankhorst, actueel t/m 21-04-2026
21-04-2026
01-01-2021 tot: -
mr. dr. G.H. Lankhorst
Insolventierecht / Schuldsanering natuurlijke personen
Sociale zekerheid algemeen / Bijzondere onderwerpen
Bestuursrecht algemeen / Bijzondere onderwerpen bestuursrecht
Wet gemeentelijke schuldhulpverlening regeling
Wettelijke inbedding gemeentetaak
De Wgs bracht per 1 juli 2012 de wettelijke inbedding van de taak van gemeenten – formeel het college van burgemeester en wethouders (B&W), zie artikel 3 lid 1 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening) op het terrein van de integrale schuldhulpverlening (artikel 3), en de verplichting voor de gemeenteraad om een beleidsplan hierover vast te stellen (artikel 2). Een dergelijk gemeentelijk beleidsplan wordt vastgesteld voor ten hoogste een periode van vier jaren, en moet de hoofdzaken bevatten van het integrale gemeentelijke schuldhulpbeleid. Dit betekent dat er bij schuldhulpverlening niet alleen aandacht moet zijn voor het oplossen van de financiële problemen van een cliënt maar ook voor preventie en voor eventuele omstandigheden die op enigerlei wijze in verband kunnen staan met de financiële problemen, zoals psychosociale factoren, relatieproblemen, de woonsituatie, de gezondheid, de verslaving of de gezinssituatie. Wachttijden en doorlooptijden worden gereguleerd (artikel 4). Binnen vier weken dient het eerste gesprek plaats te vinden waarin de hulpvraag wordt vastgesteld. In geval van een bedreigende situatie wordt er binnen drie werkdagen ee eerste gesprek gehouden waarin die hulpvraag wordt vstgesteld (lid 2). Artikel 5 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is tijdens parlementaire behandeling tussengevoegd bij amendement en betreft de algemene incassopauze (breed minnelijk moratorium, zie nader hieronder). Op de schuldenaren komt een inlichtingenplicht en een medewerkingsplicht te rusten (de artikelen 6 resp. 7). De inlichtingenplicht geldt ook spontaan en is sterk gelijkend op de inlichtingenplicht die geldt in het kader van de schuldsaneringsregeling (artikelen 105 en 327 Fw). Artikel 11 wijzigt tenslotte de wet op het financieel toezicht, in die zin dat het recht op een basisbankrekening wordt ingevoerd, mits de aanvrager voldoet aan bepaalde voorwaarden. De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening richt zich in eerste instantie tot de gemeenten, niet zozeer tot de schuldenaren, en - op artikel 5 na - niet tot de schuldeisers.
Brede minnelijke afkoelingsperiode
Een uitgesteld onderdeel van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is het zogenaamde brede minnelijke moratorium, dat een wettelijke grondslag kent in artikel 5), en niet te verwarren is met het minnelijk noodmoratorium dat per 1 januari 2008 werd neergelegd in artikel 287b Faillissementswet. Artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening brengt deze algemene afkoelingsperiode ('incassopauze') waarin elke bevoegdheid van de schuldeiser tot verhaal op de goederen van de schuldenaar en tot opeising van goederen die zich in de macht van de schuldenaar bevinden niet kan worden uitgeoefend. Deze tijdelijke schorsing van de incassomaatregelen kan plaatsvinden voor een periode van maximaal zes maanden. Dit onderdeel trad op een later tijdstip in werking. Bij algemene maatregel van bestuur zijn de nadere voorwaarden bepaald (zie hierna) waaronder de afkoelingsperiode kan worden afgekondigd en zijn de verplichtingen aangewezen die door de schuldenaar tijdens de afkoelingsperiode moeten worden nagekomen.
Algemene Maatregel van Bestuur
In het Staatsblad is gepubliceerd het Besluit van 6 maart 2017 tot invoering van een afkoelingsperiode voor natuurlijke personen ter stabilisering van hun financiële situatie alsmede tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Besluit breed moratorium, Stb. 2017, 83). Essentie is dat aan de rechtbank de afkondiging van een minnelijke afkoelingsperiode kan worden verzocht voor een natuurlijke persoon, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Het verzoek voor een afkoelingsperiode wordt niet gedaan door de debiteur zelf maar door het college van burgemeester en wethouders bij de rechtbank van de woonplaats van de schuldenaar. Indiening van het verzoek behoeft niet door een advocaat te geschieden. Op het verloop van de procedure zijn de artikelen 278 tot en met 291 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing (de regels voor de verzoekschriftprocedure in eerste aanleg). Wettelijke grondslag van deze algemene maatregel van bestuur is artikel 5, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. De inwerkingtredingsdatum van het breed minnelijk moratorium was 1 april 2017.
Een beroep doen op de WGS
Van een persoon die een beroep doet op een specifieke overheidsvoorziening kan worden verlangd dat hij voldoende gegevens en inlichtingen verstrekt die het de uitvoerder van die voorziening mogelijk maakt te beoordelen of het beroep op die voorziening terecht wordt gedaan. Ook indien het college van B en W bij een verzoek om schuldhulpverlening of in andere stadia van schuldhulpverlening niet om bepaalde concrete informatie en bewijsstukken van de aanvrager vraagt, dan geldt nog steeds dat de aanvrager "onverwijld uit eigen beweging" inlichtingen dient te verstrekken indien het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die feiten en omstandigheden, of de daarin opgetreden wijzigingen, van invloed kunnen zijn op zijn schuldhulpverlening (Kamerstukken II 2009/10, 32 291, nr. 3, p. 22-23). Dit is een ruime en spontane inlichtingenplicht voor de debiteur jegens de gemeentelijke instantie, die de wetgever voor de WGS overgenomen heeft uit artikel 105 juncto 327 van de Faillissementswet, en dan met name uit de rechtspraak van de Hoge Raad bij die schuldsaneringsbepalingen, beginnend met het standaardarrest van de Hoge Raad in HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9144, NJ 2002, 259 m.nt. Prof. B.Wessels).
Aan het niet nakomen van de inlichtingenplicht verbindt de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening geen gevolgen. De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening bevat evenmin een bepaling op grond waarvan de schuldhulpverlening kan worden beëindigd bij het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Bij het niet nakomen van de inlichtingenplicht kan het college besluiten een aanvraag om schuldhulpverlening niet te behandelen op grond van artikel 4:5 Awb. Artikel 4:5 Awb heeft – voor zover hier van belang – betrekking op het verstrekken van gegevens en bescheiden. De gemeente kan in de schuldbemiddelingsovereenkomst sancties verbinden aan het niet nakomen van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 6 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.De Wgs is een algemene bestuursrechtelijke kaderwet die als richtsnoer geldt ten behoeve van de gemeentelijke instanties, en dan wordt door de bestuursrechter meestal marginaal getoetst of het bestuursorgaan binnen de geldende wettelijke kaders is gebleven en of het bestuursorgaan in redelijkheid zus of zo kon beslissen.
Relevante wetswijzigingen per 1 januari 2021 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) & Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening (Bgs)
Een aantal bepalingen van de Wgs zijn per 1 januari jl. gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen zijn: - De gemeente is verplicht vroegsignalering voor schulden uit te voeren (art. 3 lid 1 sub b Wgs). - Na het eerste gesprek moet de gemeente een beschikking afgeven aan de inwoner (art. 4 lid 1 Wgs). - Het plan van aanpak moet onderdeel zijn van de toewijzingsbeschikking (art. 4a lid 1 Wgs). - Gegevensuitwisseling wordt gefaciliteerd (art. 8 Wgs). De gegevens die in aanmerking komen voor uitwisseling staan beschreven in de artikelen 12 – 17 Bgs. - De inlichtingenplicht is beperkt tot de gegevens die de gemeente niet zelf kan verkrijgen (art. 6 Wgs).
Per 1 januari 2021 is ook de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet in werking getreden. Daarbij is de wijze waarop de beslagvrije voet berekend wordt, flink aangepast. Ook kunnen deurwaarders nu de noodzakelijke informatie ophalen uit gekoppelde systemen. Hierdoor hoeven schuldenaren weinig of geen informatie meer aan te leveren en kan de beslagvrije voet in veel gevallen automatisch berekend worden. Burgers kunnen zelf hun beslagvrije voet berekenen via www.bereken.uwbeslagvrijevoet.nl. Doordat de wijze van berekening van de beslagvrije voet op de schop is gegaan, is ook de berekening van het vrij te laten bedrag structureel gewijzigd. In het vtlb-rapport (www.bureauwsnp.nl) dat vanaf 1 januari 2021 van toepassing is, zijn de wijzigingen in detail beschreven. Daar is een handleiding voor de invoer in de nieuwe vtlb-calculator te vinden. Ook bij bankbeslag moet sinds 1 januari jl. rekening gehouden worden met een beslagvrij bedrag.
Vroegsignalering in WGS
Per 1 januari 2021 trad een wijzigingswet van de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening in werking die een uitwisseling mogelijk maakte van persoonsgegevens ten behoeve van de zogenaamde vroegsignalering (Wet van 24 juni 2020, Staatsblad 2020, 239). Als nieuwe taak voor het College van Burgemeester en Wethouders werd in artikel 3 lid 1 sub b WGS neergelegd om uit eigener beweging (dus ook zonder dat de inwoner daar zelf om verzoekt) aan een inwoner een aanbod te doen tot een eerste schuldhulpverleningsgesprek, zodra bij de gemeente een bepaald signaal van bepaalde schuldeisers zou worden ontvangen over betalingsachterstanden dat een goede indicatie vormt voor meer schulden. Ter uitwerking van deze nieuwe taak werd een algemene maatregel van bestuur in het leven geroepen waarin zes typen signalen worden aangewezen die een dergelijke indicatie kunnen vormen: betalingsachterstanden op elektriciteit, gas en warmte, drinkwater, zorgverzekering en huur (Besluit van 6 juli 2020, Staatsblad 2020, 240). In ditzelfde besluit werd overigens ook de uitvoeringsregeling inzake het breed minnelijk moratorium uit artikel 5 WGS ondergebracht, zodat alle lagere regelgeving met betrekking tot de WGS voortaan in een enkele AMvB gebundeld werd.
Wet van 24 juni 2020, Staatsblad 2020, 239 en Besluit van 6 juli 2020, Staatsblad 2020, 240.
Artikel 8b WGS : Vroegsignalering
Om het proefproject mogelijk te maken moet wel de Tijdelijke regeling betalingsachterstanden (Staatscourant 2021, 45719) aangepast worden. Dit is een ministeriële Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 november 2021, houdende regels ter aanwijzing van signalen van een schuldeiser over betalingsachterstanden. Deze ministeriële regeling is gebaseerd op de artikelen 8, eerste lid, en 10 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Met het wijzingen van deze regeling wordt het mogelijk om een experiment te starten met de signalen van belasting- en toeslagbetalingsachterstanden van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen. Het gaat om signalen van achterstanden in de inkomstenbelasting, omzetbelasting, motorrijtuigenbelasting, loonheffing, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget. Gemeenten krijgen al enkele jaren signalen van andere (overheids)crediteuren, bijvoorbeeld zorgverzekeraars en energiemaatschappijen, maar ook woningcorporaties bij huurachterstanden.
Voor het aanpassen van de ministeriële regeling loopt najaar 2024 een (internet)consultatieronde om input voor de definitieve versie te verzamelen. Het vroegsignaleringsexperiment op basis van artikel 8b WGS duurt vooralsnog een jaar, en start vanaf 1 januari 2025. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil de doorlooptijd van de regeling ook verlengen, zodat er voldoende tijd is om te monitoren en evalueren of de beoogde doelen behaald worden.
Toegankelijkheidsinstrument
Vroegsignalering van betalingsachterstanden op de vaste lasten kan ervoor zorgen dat mensen in een eerder stadium in beeld komen bij de gemeente, maar leidt niet altijd tot contact en hulpacceptatie (Nationale Ombudsman, Hoe eerder, hoe beter, februari 2024). Vroegsignalering kan als hulpmiddel dienen om het bereik van de schuldhulpverlening te vergroten, omdat mensen hiermee een hulpaanbod krijgen voordat ze zelf de stap naar hulp kunnen of willen zetten. Ook komt de hulp naar mensen toe, in plaats van dat de inwoner zelf het initiatief moet nemen en op zoek moet naar waar hulp te vinden is. Mensen met problematische schulden zijn niet allemaal even zelfredzaam en grote schulden maken soms apathisch. Gemeenten krijgen een groot aantal signalen van zogenaamde vaste lasten partners (verhuurders, zorgverzekeraars, energie- en waterbedrijven) over betalingsachterstanden. Op verschillende manieren wordt daarna geprobeerd om in contact te komen met mensen om hulp aan te bieden, bijvoorbeeld door een huisbezoek, telefoontje of e-mail. Huisbezoeken en telefoontjes leiden het vaakst tot contact, maar zijn direct ook het meest arbeidsintensief.
Data vroegsignalering
In een recent onderzoek concludeert de Nationale Ombudsman dat er grote verschillen zijn in de inzet van gemeenten na het ontvangen van een signaal. Sommige gemeenten ondernemen een enkele poging, terwijl andere gemeenten meerdere en verschillende pogingen ondernemen om in contact te komen met hun inwoners (Nationale Ombudsman, Hoe eerder, hoe beter, februari 2024). Daarnaast is de hulpacceptatie bij vroegsignalering beperkt (7% in 2023), maar ligt het aantal mensen dat hulp heeft geaccepteerd in 2023 wel 11% hoger dan in 2022 (Jaarrapportage Divosa Monitor Vroegsignalering 2023, https://www.divosa.nl/publicaties/divosa-monitor-vroegsignalering-schuldenjaarrapportage-2023). Over welke aanpak werkt om mensen met schulden vroegtijdig in beeld te krijgen en hulp te laten accepteren, is echter nog onvoldoende bekend. Dit is ook een terrein waar meer kennis van bewezen interventies gewenst is. Het ministerie van SZW evalueert de wetswijziging van de Wgs voor vroegsignalering in de tweede helft van 2024. In 2022 gaf maar liefst 30 procent van de gemeenten aan onvoldoende capaciteit te hebben om alle signalen van problematisch wordende schulden op te volgen (Jaarrapportage Divosa Monitor Vroegsignalering 2022, https://www.divosa.nl/publicaties/divosa-monitor-vroegsignalering-schuldenjaarrapportage-2022). Ook geven gemeenten aan dat er onvoldoende budget is om de vroegsignalering uit te voeren. Uit recent onderzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie over de gemeentelijke schuldhulpverlening blijkt dat gemeenten aangeven dat het vergroten van de capaciteit voor vroegsignalering de belangrijkste verbetersuggestie is binnen dit onderdeel van de schuldhulpverlening (rapport Nederlandse Arbeidsinspectie, De weg naar een schone lei, juni 2024).
Budgetten uitvoering vroegsignalering
Met de WGS-wetswijziging in 2021 zijn destijds geen structurele middelen voor gemeenten beschikbaar gesteld voor de uitvoering van vroegsignalering. In 2022, 2023 en 2024 hebben gemeenten wel incidenteel extra middelen ontvangen voor vroegsignalering. Sommige vaste lasten partners geven daarnaast aan dat ze niet weten wat er met de door hun aangeleverde signalen gebeurt en of deze ook tot opvolging of een hulpaanbod leiden. Omgekeerd geldt dat schuldeisers niet alleen moeten melden, maar ook zelf hun beleid ten aanzien van (sociale) incasso kunnen verbeteren. Om te bezien welke signalen kansrijk zijn om mensen met schulden in een zo vroeg mogelijk stadium te bereiken is in de Wgs een experimenteerbepaling opgenomen die het mogelijk maakt om schuldeisers toe te voegen die signalen van betalingsachterstanden met gemeenten mogen delen. Zo is op 1 april 2024 gestart met een experiment waarbij enkele gemeenten signalen ontvangen van het CAK over betalingsachterstanden over de eigen bijdrage bij de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Wet langdurige zorg. Ook wordt er gewerkt aan een experiment met signalen van betalingsachterstanden bij de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen. Meer verschillende signalen maken een betere en meer gerichte follow-up mogelijk.
Data schuldhulpverlening
Het aantal huishoudens dat kampt met problematische schulden is al enkele jaren onverminderd hoog, terwijl het aantal mensen dat hulp zoekt en ontvangt bij problematische schulden de laatste jaren terugloopt. In 2023 is het aantal huishoudens met problematische schulden zelfs iets toegenomen ten opzichte van voorgaande jaren, tot 726.210 (ruim 8 procent van de huishoudens) (CBS Dashboard Schuldenproblematiek in beeld, 2023). Jaarlijks melden ongeveer 80.000 mensen zich voor hulp bij de gemeentelijke schuldhulpverlening (NVVK Jaarverslag 2023, https://jaarverslag.nvvk.nl/2023/cijfers). Het aantal mensen dat jaarlijks geholpen wordt met een minnelijke schuldregeling was in 2016 nog ongeveer 20.000; in 2023 was dat gedaald tot nog zo’n 15.000 mensen (NVVK Jaarverslag 2017, https://jaarverslag.nvvk.eu/2017/cijfers/index.html). Uit de jaarlijkse Monitor schuldhulpverlening van Divosa en de NVVK blijkt zelfs dat het aantal aanmeldingen voor schuldhulp in de eerste helft van 2024 met 17% is gestegen ten opzichte van dezelfde periode in 2023. Er gaapt dus een grote kloof tussen de vraag vanuit de samenleving naar schuldhulpverlening en de daadwerkelijke oplossingen die kunnen worden geboden.
Systeem minnelijke schuldhulpverlening en toegankelijkheid
Door een schuldhulpverlener wordt namens de persoon met schulden overeenstemming gezocht met schuldeisers om de schuldenlast op te lossen. Allereerst wordt gekeken of iemand redelijkerwijs niet kan voortgaan met betalen of is opgehouden met betalen. Dat lijkt sterk op het wettelijke criterium van artikel 284 Fw voor de schuldsaneringsregeling. In de praktijk geldt het uitgangspunt dat iemand in een periode van 36 maanden de openstaande schulden niet volledig kan afbetalen. In dat geval wordt er tussen de persoon met schulden en de schuldeisers bemiddeld om een schuldregeling tot stand te brengen. Hierbij spant de inwoner zich in om een zo hoog mogelijk bedrag af te lossen in een periode van 18 maanden, of in sommige gevallen langer als hierover overeenstemming wordt bereikt met de schuldeisers.
De Nationale Ombudsman concludeerde reeds in 2018 dat de toegang tot de gemeentelijke schuldhulpverlening verbetering behoeft en laagdrempeliger moet worden ingericht (Nationale Ombudsman, Een open deur, 2018, https://www.nationaleombudsman.nl). Gemeenten reflecteren zelf dat sindsdien de toegang wel verbeterd is, maar nog laagdrempeliger kan, bijvoorbeeld door meer “outreachend” (minder lijdelijk) te werken of door de inzet van een laagdrempelig inlooppunt in de wijk (rapport Nederlandse Arbeidsinspectie, De weg naar een schone lei, juni 2024).
Gemiddelde schuldpositie
Daarnaast is het zo dat mensen zich pas laat melden bij de schuldhulpverlening, terwijl de problemen (incassokosten, rente, boetes, overlevingsschulden) in de tussentijd verergeren. Cijfers van de koepelorganisatie NVVK laten zien dat de gemiddelde schuld van mensen die zich bij de schuldhulpverlening melden in 2023 €38.735 was, met gemiddeld dertien schuldeisers (NVVK Jaarverslag 2023, https://jaarverslag.nvvk.nl/2023/cijfers). Dit terwijl ruim 60% van de huishoudens met problematische schulden een gestandaardiseerd besteedbaar jaarinkomen heeft van maximaal €30.000 (CBS Dashboard Schuldenproblematiek in beeld, 2023). Met andere woorden de gemiddelde schuldpositie bij de mensen die door de schuldhulpverlenende organisaties geholpen zouden willen worden is flink meer dan hun jaarinkomen.
De afgelopen jaren heeft het kabinet daarom ingezet op het verbeteren van de (toegang tot de) schuldhulpverlening. Enerzijds via een verbreding van de doelgroep en anderzijds via een meer preventieve aanpak. Met de wetswijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) per 1 januari 2021 werd immers de toegang voor ondernemers tot de gemeentelijke schuldhulpverlening verduidelijkt. Daarnaast werden gemeenten hiermee verplicht om met vroegsignalering mensen met beginnende betalingsachterstanden eerder in beeld te krijgen en hulp aan te bieden.
Lappendeken aan initiatieven
In juli 2022 is de kabinetsbrede Aanpak geldzorgen, armoede en schulden met de Tweede Kamer gedeeld (Kamerstukken II 2021/22, 24515, nr. 643). In deze aanpak onder het regime van het vorige Kabinet zijn verschillende acties aangekondigd die moeten bijdragen aan het voorkomen van het ontstaan van (problematische) schuldensituaties en om bestaande schuldensituaties sneller en efficiënter op te lossen. Dan gaat het onder andere om de clustering Rijksincasso (Kamerstukken II 2023/24, 24515, nr. 724), het verkorten van schuldhulptrajecten (Kamerstukken II 2022/23, 24515, nr. 696) en de preventieve inzet bij levensgebeurtenissen, maar ook de zogenaamde Landelijke Pauzeknop (zie hierna). Daarnaast zijn er de laatste jaren ook veel verschillende (particuliere) initiatieven rondom het voorkomen van schulden en/of schuldhulpverlening ontwikkeld, zoals het Vaste Lasten Pakket, Huishoudboekje, Fikks, Jongeren Perspectieffonds, de Nederlandse Schuldhulproute en de Verwijsindex Schuldhulpverlening (Vish). Van sommige ontwikkelde initiatieven is onderzocht hoe ze bijdragen aan het voorkomen of verhelpen van schulden, maar dit geldt niet voor alle initiatieven. Door het enorme aanbod en het gebrek aan inzicht in de effectiviteit is het - volgens het interdepartementale beleidsonderzoek uit zomer 2024 - voor gemeenten niet duidelijk welke interventies en initiatieven het waard zijn te implementeren. Dit maakt het voor initiatiefnemers juist weer lastig om voet aan de grond te krijgen. In de bestuurlijke afspraken voor de basisdienstverlening voor schuldhulpverlening wordt het belang benadrukt om meer evidence-based te werken. Dat vereist dat daarop het proces moet worden ingericht en dat hierop sturing plaatsvindt (Kamerstukken II 2023/24, 2415, nr. 730).
Bereik schuldhulpverlening en informele schuldhulp
Het bereik van de schuldhulpverlening neemt ondanks inzet ter verbeteringen de laatste jaren af, met 15% sinds 2017, aldus de NVVK Jaarverslagen 2017 tot en met 2023. Dit komt doordat mensen lang wachten met het vragen van hulp, hulp niet voldoende toegankelijk is, er weinig vertrouwen in de overheid is of door negatieve beelden over de schuldhulpverlening, bijvoorbeeld dat de eisen te streng zijn. Mensen met problematische schulden vragen vaak pas in een laat stadium hulp, omdat er eerst bewustwording en erkenning moet komen van de problematische situatie. In Nederland ziet men schulden nog vaak als persoonlijk falen. Dit wakkert schaamte over financiële problemen aan. Doordat mensen zich schamen, komen ze vaak pas laat (‘op de bodem van de put’) in actie. Bovendien zorgt de Nederlandse mentaliteit “eigen problemen los je zelf op”, en de overschatting van eigen kunnen (optimisme bias) ervoor dat mensen denken dat ze niet om hulp hoeven vragen. Al met al kan het daardoor lang duren voordat iemand de weg naar schuldhulpverlening vindt, terwijl de schulden ondertussen verder oplopen.
Informele hulp, bijvoorbeeld door vrijwilligers of schuldhulpmaatjes, is laagdrempeliger en weet mensen daarom beter te bereiken. Deze vorm van hulpverlening is vooral doeltreffend bij kleine en dreigende schulden. Het is daarom erg van belang dat informele hulp vroegtijdig wordt ingezet en dat informele hulpverleners warm doorverwijzen naar formele hulpverlening als de schulden te groot of te complex zijn om in het informele circuit op te lossen (J. Mak et al., ‘Beter samenspel informele en formele schuldhulp,’ Tijdschrift voor Schuldsanering, nummer 02, juni 2022).
Ontoegankelijkheid schuldhulpverlening en accepteren hulp
Het vinden en bereiken van de juiste hulp kan ook een obstakel vormen, omdat het soms onduidelijk is voor mensen waar ze met financiële problemen terecht kunnen of wat ze van de hulpverlening mogen verwachten (Bureau Bartels, Onbevoegde, commerciële schuldbemiddeling: informatievoorziening en meldpunt, januari 2024). Mensen weten vaak niet welke hulp mogelijk is bij financiële problemen. Ook kan de aangeboden hulpverlening als ontoegankelijk worden ervaren door mensen met beperkte geletterdheid en digitale vaardigheden. Zelfs bij mensen die wel beschikken over deze vaardigheden, zien we niet-gebruik van regelingen. Laagdrempelige inlooppunten in de wijk kunnen helpen om mensen eerder in beeld te krijgen en op tijd door te verwijzen naar passende ondersteuning. De minnelijke schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsanering vereisen namelijk een mate van kennis en “doen-vermogen” die veel mensen, gegeven de situatie waarin ze verkeren, niet altijd hebben. De zelfredzaamheid van mensen - zeker in stressvolle schuldensituaties - wordt nogal eens overschat door beleidsmakers en hulpverleners. Daarnaast is het niet altijd duidelijk wat iemand van de schuldhulpverlening mag verwachten en wat er van iemand zelf verwacht wordt tijdens het traject.
Ondernemers en schuldhulpverlening
Ondernemers vormen een specifieke doelgroep die vaak te maken heeft met hoge problematische schulden, maar die de weg naar hulpverlening moeilijk weet te vinden. Hoewel in de Wgs is verduidelijkt dat zelfstandigen zonder personeel en natuurlijke personen met een onderneming bij de gemeente kunnen aankloppen voor schuldhulpverlening, is het aantal ondernemers dat door gemeenten wordt geholpen nog steeds laag ten opzichte van het aantal huishoudens waarbij het inkomen van een zelfstandige de belangrijkste inkomensbron is (CBS, Dashboard Schuldenproblematiek in beeld, https://dashboards.cbs.nl/v5/SchuldenproblematiekInBeeld/).
Gemeenten worden door de VNG en NVVK ondersteund om schuldhulp aan ondernemers vorm te geven en te verbeteren, bijvoorbeeld door middel van handreikingen en uitwisseling van best practices. Het helpen van ondernemers met geldzorgen vraagt namelijk om specialistische kennis en heeft vaak meer omhanden dan schuldhulpverlening aan particulieren, waar gemeenten al jarenlange ervaring mee hebben. Hoewel gemeenten de schuldhulpverlening aan ondernemers vaak hebben uitbesteed, is het van belang dat schuldhulpverleners ook de kennis en expertise hebben om ondernemers te kunnen ondersteunen of om de samenwerking met de uitvoerende partijen zo optimaal mogelijk vorm te geven (Nederlandse Arbeidsinspectie, De weg naar een schone lei, juni 2024). De complexiteit van schulden bij ondernemers vraagt om specifieke expertise en voldoende schaal aan de kant van de hulpverlening. Daartoe zouden gemeenten meer onderling kunnen samenwerken, zoals nu op een aantal plekken al gebeurt.
Gespecialiseerde hulp vereist
Daarnaast spelen ook bij ondernemers schaamte en stress een rol als obstakel om hulp te vragen of te accepteren. Ondernemers zijn geneigd om langer door te gaan vanuit een strijdlustige houding en een drempel om de eigen activiteiten op te geven. Anders dan bij particulieren speelt ook regelmatig mee dat er onvoldoende middelen zijn om (gespecialiseerde) financiële of juridische hulp in te schakelen (B. Tideman, Activeren en faciliteren – op weg naar meer zelfredzaamheid en veerkracht van (zelfstandige) ondernemers, september 2023). Hierbij valt te denken aan het op orde brengen van de financiële administratie of het inwinnen van advies over de levensvatbaarheid van het bedrijf. Gemeenten zijn bij ondernemers vaak niet in beeld als instantie die kan helpen wanneer er financiële problemen zijn. Via verschillende kanalen, zoals Geldfit Zakelijk, de Kamer van Koophandel (KvK), MKB-Nederland en de Belastingdienst, worden ondernemers gewezen op de mogelijkheden voor hulp bij schulden. Daarnaast spelen bij ondernemers soms ook gevoelens van angst of falen, zeker vanwege een mogelijke bedrijfsbeëindiging. Hoewel dit niet altijd een voorwaarde is voor schuldhulpverlening kan de boodschap dat een bedrijf niet meer levensvatbaar is ertoe leiden dat een ondernemer geen hulp accepteert. Hetis een goede ontwikkeling dat het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Problematische schulden, ‘Naar een beter werkende schuldenketen’ ook op deze doelgroep de nadruk legt, daar waar de beleidsfocus meestal op de "gewone" particuliere schuldenaar is gelegen. Het IBO-onderzoek is aan de Tweede Kamer gestuurd bij Brief d.d. 27 juni 2024 van de demissionair Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer (TK 2023-2024, 24 515, nr. 766).
Hogere schuldpositie en saneringskredieten
Het oplossen van problematische schulden van ondernemers is vaker complex dan bij particulieren. In sommige gevallen wordt er dan ook geen oplossing voor de schuldensituatie gevonden. Eén van de redenen hiervoor is dat de gemiddelde hoogte van de schulden van ondernemers €72.244 is en daarmee een stuk hoger ligt dan bij particulieren (€36.201) (NVVK Jaarverslag 2023, https://jaarverslag.nvvk.nl/2023/cijfers). Daarnaast geven gemeenten aan dat het niet altijd lukt om de financiële situatie van de ondernemer te stabiliseren of wordt de onderneming als niet levensvatbaar beoordeeld. Dit bemoeilijkt de toegang tot de schuldhulpverlening (Nederlandse Arbeidsinspectie, De weg naar een schone lei, juni 2024). Ook zijn er - volgens het interdepartementale beleidsonderzoek uit zomer 2024 - niet in iedere gemeente passende mogelijkheden om de schulden te saneren, omdat de risico’s voor het verstrekken van saneringskredieten voor gemeenten te groot kunnen zijn. In pilotvorm is gestart met het openstellen van het Waarborgfonds Saneringskredieten voor ondernemers. Met dit proefproject wordt getracht de mogelijke risico’s voor gemeenten die saneringskredieten aan ondernemers verstrekken in kaart te brengen en ook de behoefte aan deze vorm van ondersteuning te peilen. De pilot zal aan een evaluatie worden onderworpen en loopt eind 2025 af.
Decentraal georganiseerde schuldhulpverlening
De Wgs biedt sinds 2012 een wettelijk kader voor de schuldhulpverlening, maar laat gemeenten veel beleidsvrijheid voor de inrichting en de uitvoering van de schuldhulpverlening. De gemeentelijke schuldhulpverlening is via de Wgs belegd bij de Nederlandse gemeenten. Gemeenten zijn daarmee verantwoordelijk voor het bieden van integrale schuldhulpverlening aan hun inwoners. Deze taakomschrijving aan het adres van de Colleges van Burgemeester en Wethouders is neergelegd in artikel 2 Wgs. De verantwoording van de geboekte resultaten met deze publieke gelden verloopt via de lokale democratie: de gemeenteraad.
Gemeenten hebben veel ruimte voor het ontwikkelen van een aanpak die past bij hun inwoners, of bij bepaalde doelgroepen, zoals bijvoorbeeld voor kleine ondernemers of het Jongeren Perspectief-fonds of het Collectief Schuldregelen. Deze ontwikkelingen worden soms opgeschaald naar een samenwerkingsverband met andere gemeenten/regio’s als blijkt dat ze effectief zijn, maar gemeenten bepalen zelf of ze een bepaalde aanpak aan hun inwoners aanbieden. De Wgs schrijft maar enkele kaders voor aan gemeenten, bijvoorbeeld het hebben van een actueel beleidsplan met beoogde resultaten en bijbehorend proces. Uit recent onderzoek van de Inspectie blijkt dat maar één op de drie gemeenten een actueel beleidsplan heeft dat ingaat op alle wettelijke vereiste onderwerpen (Nederlandse Arbeidsinspectie, De weg naar een schone lei, juni 2024).
Resultaten en basisdienstverlening
Daarnaast wijst het onderzoek uit dat vier op de tien gemeenten geen periodiek inzicht heeft in behaalde resultaten van de gemeentelijke schuldhulpverlening. De Wgs schrijft ook voor dat het beleidsplan over integrale schuldhulpverlening moet bevatten welke maatregelen de gemeente neemt om de kwaliteit van de gemeentelijke schuldhulpverlening te borgen. Hóé kwalitatief goede schuldhulpverlening eruit zou moeten zien, is geen onderdeel van de Wgs. De beleidsvrijheid van gemeenten op het gebied van schuldhulpverlening leidt in de praktijk tot ongewenste verschillen in de toegang, het bereik en de kwaliteit van de gemeentelijke schuldhulpverlening (Nationale Ombudsman, Een open deur ?, januari 2018). Het is namelijk aan gemeenten zelf om de overweging te maken of zij bepaalde werkwijzen ook aan hun inwoners aanbieden. Het kabinet heeft daarom eind 2023 een voorstel naar de Tweede Kamer gestuurd, waarin gemeenten worden aangespoord (niet: verplicht) om elementen van een “basisdienstverlening” voor schuldhulpverlening te implementeren (Kamerstukken II 2023/24, 2415, nr. 730). De basisdienstverlening omvat per fase in de schuldhulpverlening onderdelen die door gemeenten ingevoerd kunnen worden en die kunnen bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit en het bereik van de schuldhulpverlening. De basisdienstverlening is vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen Rijk en gemeenten, een positieve ontwikkeling, maar deze zijn, gezien de beleidsvrijheid van gemeenten (juridisch) niet afdwingbaar (Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Problematische schulden, ‘Naar een beter werkende schuldenketen’; Brief d.d. 27 juni 2024 aan Tweede Kamer (TK 2023-2024, 24 515, nr. 766)
Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Problematische schulden, ‘Naar een beter werkende schuldenketen’; Brief d.d. 27 juni 2024 van de demissionair Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer (TK 2023-2024, 24 515, nr. 766)
Wet van 24 juni 2020, Staatsblad 2020, 239 en Besluit van 6 juli 2020, Staatsblad 2020, 240.
Tijdelijke regeling betalingsachterstanden (Staatscourant 2021, 45719)
Evaluatie Breed Minnelijk Moratorium
Op 1 april 2017 is het breed moratorium in de WGS van kracht geworden. Dit houdt in dat gemeenten bij de rechter (op basis van artikel 5 WGS) onder bepaalde voorwaarden een verzoek kunnen indienen om schuldeisers tijdelijk (maximaal 6 maanden) te laten stoppen met incassoactiviteiten. Het is de bedoeling dat deze afkoelingsperiode gebruikt wordt om schuldstabilisatie en een daarmee samenhangende oplossing voor de schulden te regelen. Nu het instrument vijf jaar in werking is, heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Bureau Bartels in samenwerking met prof. Mr R.M. Wibier gevraagd een evaluatie uit te voeren. De evaluatie is op 31 januari 2023 aangeboden aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en richt zich op 3 thema’s: 1. Doeltreffendheid 2. Aansluiting bij behoeften 3. Bouwstenen voor de toekomst
Doeltreffendheid
Sinds 1 april 2017 is het instrument slechts vier keer aangevraagd bij de rechter, waarvan één verzoek is goedgekeurd. De eerste drie aanvragen zijn afgewezen omdat ze niet voldeden aan formele eisen (bijvoorbeeld omdat bepaalde stukken ontbraken) of omdat de schuldhulpverlening onvoldoende kon aantonen waarom inzet van een breed moratorium absoluut noodzakelijk was. Het amendement dat ten grondslag ligt aan het breed moratorium spreekt namelijk over dit instrument als een ultimum remedium, een laatste redmiddel. Dit houdt in dat alle andere middelen en instrumenten om tot een regeling te komen geprobeerd zijn, maar niet succesvol waren voordat het breed moratorium ingezet kan worden. In 2019 is de eerste (en laatste keer) een aanvraag voor een breed moratorium toegewezen. De Rechtbank Rotterdam vond dat er voldoende aangetoond was dat het instrument in dit geval noodzakelijk was en dat de aanvragers aan alle voorwaarden voldeden (Rechtbank Rotterdam, 19 juli 2019 ECLI:NL:RBROT:2019:5869).
Aansluiting bij behoeften
De suggesties voor verbetering van het rechtsmiddel richten zich vooral op versoepeling en vereenvoudiging van de ingangsvoorwaarden en een betere aansluiting bij bestaande regelingen in de Faillissementswet, en zouden zo kunnen bijdragen aan een instrument dat meer en effectiever kan worden toegepast. Breng in de eerste plaats het breed moratorium onder in de Faillissementswet (Fw) en sluit daarbij zo veel als mogelijk aan bij de systematiek van die wet. Houd daarbij de WHOA als model voor het herstructureren van schulden in het achterhoofd. Ten tijde van de invoering van het Besluit breed moratorium bestond er nog geen herstructureringsprocedure buiten insolventie. Inmiddels bestaat die er wel in de vorm van de WHOA voor ondernemers. Deze is opgenomen in art. 369 t/m 387 van de Faillissementswet. De doelstelling van het breed moratorium en van de WHOA (het in relatieve rust vergemakkelijken van een schuldsanering buiten een formele insolventieprocedure om) lijken op belangrijke punten overeen te komen. Bovendien bevat de WHOA ook een afkoelingsperiode (art. 376 Fw) gericht op het brengen van rust in het proces.
Het huidige breed moratorium sluit conceptueel en procedureel slecht aan bij de afkoelingsmaatregelen zoals die in de Faillissementswet zijn opgenomen, wat grotendeels verklaard kan worden uit de wens dat het moest gaan om een ultimum remedium. Er gelden bijvoorbeeld andere (veel strengere) criteria voor toelating en beëindiging, andere (veel strengere) vereisten voor aan te leveren documentatie, (deels) andere rechtsgevolgen, andere procedureregels, et cetera. Het onderzoek laat zien dat deze strengere vereisten vaak als belastend worden ervaren. In theorie zou het Besluit (dat nu in de WGS is opgenomen) in overeenstemming kunnen worden gebracht met de regelingen uit de Faillissementswet, maar dat ligt wetstechnisch en wetsystematisch minder voor de hand. Er valt vanuit dat perspectief veel voor te zeggen om alle vormen van afkoeling/moratorium bijeen te brengen in de Faillissementswet. Zo is bovendien de afstemming met de WSNP (en het faillissement) waarschijnlijk het beste gewaarborgd. Ook het gegeven dat het brede moratorium geen doel op zich is, maar slechts een hulpmiddel om het grotere doel van een efficiënte schuldhulpverlening aan natuurlijke personen te ondersteunen, maakt dat het heel moeilijk is om het instrument geïsoleerd te benaderen.
Evaluatie van het breed moratorium (januari 2023) door Bureau Bartels in samenwerking met prof.mr. Reinout Wibier (Universiteit Tilburg), in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, als bijlage bij Brief van Minister Schouten (SZW) aan de Tweede Kamer d.d. 3 februari 2023 omtrent Stand van zaken implementatieplan Aanpak Geldzorgen, Armoede en Schulden (TK 2022-2023, 24515, nr. 677).
Subsidie Bewindvoerders WSNP doorstroming vanuit Minnelijke schuldhulptraject
Een gecombineerde subsidieregeling rechtsbijstand bewindvoerders Wsnp
Schuldhulpverlening is niet exclusief alleen voorbehouden aan de gemeentelijke schuldhulpverleners. Debiteuren in problematische schulden zijn gebaat bij meer aanbieders. Het proefproject waarbij bewindvoerders Wsnp een vergoeding kunnen krijgen voor de begeleiding van een verzoekschrift ter toelating tot de schuldsaneringsprocedure is op verzoek van het Ministerie van Justitie omgezet naar vast beleid. Het gaat hierbij om een toevoeging op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, die uitgekeerd wordt door de Raad voor Rechtsbijstand. Dit nieuwe beleid betekent dat de beide bestaande subsidieregelingen voor bewindvoerders Wsnp worden samengevoegd naar één gebundelde subsidieregeling met één werkproces. Het gaat dan om enerzijds de pilot aanvraag schuldsaneringsprocedure (Wsnp) en anderzijds het al langer bestaande toevoegingsarrangement voor dwangakkoorden, minnelijke moratoria en voorlopige voorzieningen (de artikelen 287a, 287b en 287 lid 4 Fw). Alle Wsnp-bewindvoerders die op dit moment deelnemen aan de pilot en/of het arrangement worden automatisch overgezet naar de nieuwe regeling. Zij krijgen een nieuwe specialisatie onder de voorwaarden van de nieuwe subsidieregeling.
Men zou in zekere zin kunnen zeggen dat nu de scheve situatie is rechtgetrokken dat sinds de inwerkingtreding van de Wsnp in 1998 een debiteur wel in hoger beroep bij het gerechtshof rechtsbijstand kon krijgen voor het opstellen en begeleiden van zijn of haar beroepschrift, maar niet in eerste aanleg bij de rechtbank voor zijn of haar inleidende verzoekschrift.
Wettelijke grondslag via arrangement
De nieuwe gecombineerde subsidieregeling heet “Regeling toevoeging bewindvoerders Wsnp III”, en is gepubliceerd in de Staatscourant van 16 oktober 2024, onder nr. 33400. Deze nieuwe subsidieregeling voor schuldhulpverlening door Wsnp-bewindvoerders treedt per 1 november 2024 in werking. Op toevoegingen die zijn afgegeven vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling, blijven de regelingen ‘Regeling toevoeging bewindvoerders Wsnp II’ (Staatscourant 2018, 46882) en de ‘Regeling pilot toevoeging verzoek toelating Wsnp’ (Staatscourant 2021, 19863) van toepassing. Het online register wordt bijgewerkt, zodat voor rechtzoekenden en andere partijen zichtbaar is wie deelneemt aan de nieuwe regeling. De Raad voor Rechtsbijstand heeft hiermee gebruik gemaakt van de wettelijke grondslag die in de Wet op de Rechtsbijstand is neergelegd om ook met andere personen dan advocaten overeenkomsten (“arrangementen”) als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub c van de Wet op de rechtsbijstand aan te gaan tot het verlenen van rechtsbijstand op bepaalde rechtsgebieden, zoals hier het insolventierecht. Voorzover het de WSNP betreft heeft de Raad voor Rechtsbijstand nu een dergelijk arrangement in het leven geroepen ten aanzien van in totaal vier specifieke verzoekschriftprocedures die in de Faillissementswet zijn opgenomen. Die vier typen van rechtsbijstand laat de Raad zodoende verlenen door de bewindvoerders Wsnp die bij de Raad voor Rechtsbijstand geregistreerd staan.
Structuur van de bewindvoerdersvergoeding schuldhulp
Hoe gaat deze nieuwe rechtsbijstandstoevoeging voor schuldhulpverleningswerkzaaamheden door de WSNP-bewindvoerder in de praktijk werken ? De nieuwe subsidieregeling voor toeleiding naar de WSNP gaat vallen onder een nieuwe zaakcode voor rechtsbijstand, namelijk O034. De laagste eigen bijdrage blijft voor de rechtzoekende van toepassing. Voor de berekening van de vergoeding is aansluiting gezocht bij het basisbedrag voor toevoegingen voor rechtsbijstand en mediation (artikel 3 lid 1 Bvr). Het basisbedrag wordt zoals gebruikelijk periodiek geïndexeerd. Het verzoek toelating Wsnp is leidend en vormt de basisvergoeding. Die basisvergoeding wordt verhoogd als er ook nog andere verzoekschriften worden ingediend, bijvoorbeeld een verzoek dwangakkoord (art. 287a Fw), een verzoek om een voorlopige voorziening (art. 287 lid 4 Fw) of een verzoek tot het treffen van een minnelijk moratorium (art. 287b Fw). Daarnaast wordt de vergoeding verhoogd als er een zitting is bijgewoond in het kader van de procedure, ter ondersteuning van de rechtzoekende. Indien er een primair verzoek toelating Wsnp of een verzoek dwangakkoord is ingediend en er is sprake van een (ex-)zzp’er/(ex-)ondernemer, dan wordt de vergoeding ook verhoogd, vanwege het iets complexere karakter van de zaak. Naast deze vergoedingen wordt er een reistijd- en reiskostenvergoeding toegekend voor het reizen van en naar de zitting.
Inschrijvingsvoorwaarden
De regeling heeft volgens artikel 2 tot doel de vergoeding te regelen van de bewindvoerder Wsnp voor het verlenen van rechtsbijstand aan rechtzoekenden in bepaalde schuldsaneringsgerelateerde verzoekschriftprocedures. De Raad voor Rechtsbijstand sluit in het kader van deze subsidieregeling een overeenkomst (zgn. arrangement) met de bewindvoerder Wsnp die op het moment van het sluiten van de overeenkomst voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
Vereist is dat de bewindvoerder Wsnp : a) ingeschreven staat in het bewindvoerdersregister; b) tenminste één lopende schuldsaneringszaak op zijn naam heeft staan; c) een certificaat, niet ouder dan één jaar of behaald binnen één jaar na inwerkintreding van deze regeling, van tenminste 4 studiepunten kan overleggen van een door de Raad voor Rechtsbijstand goedgekeurde permanente educatie over onderwerpen die samenhangen met het voeren van verzoekschriftprocedures die binnen de reikwijdte van deze regeling vallen; d) bekend is met de ‘Handleiding verzoekschriftprocedures’, zoals te vinden is op de website van Bureau Wsnp; e) van wie niet is gebleken van enig handelen of nalaten in strijd met een zorgvuldige en doelmatige rechtsbijstandverlening, al dan niet blijkend uit een eerder advies van de klachtenadviescommissie en/of de commissie voor bezwaar en; f) die zich conformeert aan de gedragsregels van de Raad.
Regeling toevoeging bewindvoerders Wsnp III, Staatscourant 16 oktober 2024, nr. 33400, inwerkingtreding per 1 november 2024
Minnelijk traject kan leiden tot eerdere ingangsdatum WSNP: prejudiciële antwoorden Hoge Raad
Samenvatting
Een aflossing gedurende het minnelijke schuldhulpverleningstraject aan slechts één enkele schuldeiser behoeft niet in de weg te staan aan een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsprocedure. Ook een vastgesteld ‘nul-aanbod’ kan een aanknopingspunt zijn voor het alternatieve aanvangsmoment. Verzocht is om een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsprocedure vanwege de verrichte inspanningen in het schuldhulpverleningstraject. Het Haagse gerechtshof verzoekt aan de Hoge Raad om uitleg omtrent de nieuwe versie van artikel 349a Faillissementswet. Een loonbeslag zorgt er weliswaar voor dat de beslagleggende schuldeiser bevoordeeld wordt boven andere schuldeisers, en dat de paritas creditorum zich dan zou verzetten tegen een eerdere datum van toelating tot de schuldsanering. Maar de Hoge Raad oordeelt dat de hulpvrager daar niets aan kan doen, en dat het loonbeslag daarom een eerdere ingangsdatum van een schuldsaneringsprocedure niet in de weg mag staan. De eventuele omstandigheid dat de verplichtingen die voortvloeien uit het minnelijke voortraject niet geheel gelijk zijn aan de verplichtingen uit de schuldsanering, hoeft niet eraan in de weg te staan om de termijn van de schuldsanering te laten lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan. Indien de minnelijke inspanningsplicht vergelijkbaar is met de Wsnp-inspanningsplicht dan is dat ook voldoende. Ook een vastgesteld ‘nul-aanbod’ is een aanknopingspunt voor het alternatieve aanvangsmoment, hoewel in strikte zin geen sprake is van een ‘eerste aflossing’.
Procedureel
In deze procedure had het Gerechtshof te Den Haag bij arrest van 22 december 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:2606) prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de uitleg van de sinds de wetswijziging van 1 juli 2023 in art. 349a lid 1 Fw opgenomen bepaling dat de termijn van de schuldsaneringsregeling anderhalf jaar bedraagt, te rekenen van de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing aan de schuldeisers is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in art. 285, eerste lid, onder f, Fw, indien die dag eerder is gelegen. Dit arrest met vraagstellingen aan de hoogste rechter is reeds geannoteerd in Tijdschrift voor Schuldsanering 2023, maart 2024, nr. 1 – noot 825. De rechtspraktijk in de gemeentelijke schuldhulpverlening en in de schuldsaneringsprocedure (bewindvoerders en rechterlijke macht) hebben een jaar gewacht op deze uitspraak van de hoogste rechter, die hiermee meer duidelijkheid gebracht heeft over de strekking van de wetswijzigingen. Want de Hoge Raad geeft in ECLI:NL:HR:2024:1913 een royaal gemotiveerd en voor de (sinds de wetswijziging van 1 juli 2023 sterk veranderde) praktijk zeer belangrijk arrest. Hieronder volgt een overzicht van alle deelonderwerpen.
Kernvraag, prejudiciële vraagstelling en advies Advocaat-Generaal
De vragen van het Haagse Hof stelden onder meer aan de orde wat moet worden verstaan onder “de eerste aflossing (…) gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling” en of bij het bepalen van de termijn van de schuldsaneringsregeling de periode na de eerste aflossing tot aan de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling alleen kan meetellen als de schuldenaar zich aan bepaalde voorwaarden heeft gehouden.
De herziene Faillissementswet introduceert zoals bekend de mogelijkheid om het Wsnp-traject te verkorten - beter: op een eerder moment te laten ingaan. Dit gezien het tijdstip in het minnelijk schuldhulptraject vanaf welk moment serieus aan de crediteuren werd afgelost. Voor het beginmoment verwijst de wet naar 'de eerste aflossing' die de debiteur gedaan heeft. Is er bij loonbeslag ook al sprake van 'een eerste aflossing' ? Wat dient precies te worden verstaan onder 'eerste aflossing', 'in het kader van' en 'buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f' in art. 349a lid 1 Fw? Kan bij bepalen van termijn van schuldsaneringsregeling periode na eerste aflossing tot aan uitspraak tot toepassing van schuldsaneringsregeling alleen meetellen als schuldenaar zich aan bepaalde voorwaarden heeft gehouden ?
Advies / Conclusie Advocaat-Generaal
Het advies van de Advocaat-Generaal gaf een uitgebreide analyse van de vragen naar (de voorwaarden voor) een eventueel eerder ingangsmoment van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het advies gaf aan dat een loonbeslag niet gezien kan worden als 'eerste aflossing', nu bij een beslag maar één schuldeiser (de beslaglegger) krijgt waar hij recht op heeft, en niet “de gezamenlijke schuldeisers”. Een duidelijke verwijzing naar de hoofdregel van de “paritas creditorum”, de gezamenlijkheid en gelijkheid van schuldeisers. Het beginsel van gelijkheid van schuldeisers vraagt om coördinatie van de afwikkeling, nu de crediteuren met al hun onderlinge concurrentie en allerlei verschillende vorderingen in een situatie van insolventie elkaar te snel en te slim af proberen te zijn, waarmee het recht van de sterkste of de snelste zou gelden. Deze samenloop van claims dient in het kader van een gecoördineerde afwikkeling van de insolventieprocedure onder toezicht van een bewindvoerder of een curator te worden gerespecteerd, wil men de duur van de schuldsaneringsregeling kunnen aanpassen. Tot zover het uitgangspunt en de juridische kant van de casus, die in het kader van een prejudiciële procedure van artikel 392 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorlag bij de cassatierechter.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad benadrukt in antwoord op prejudiciële vragen van het Haagse hof dat de wetswijziging is bedoeld om de totale duur van schuldhulpverleningstrajecten te verkorten, met behoud van het belang van schuldeisers bij maximaal aflossen. In dit geval volgt de Hoge Raad het advies van de A-G grotendeels op. Er is echter een opvallende afwijking van dat advies: betalingen aan één of enkele schuldeisers als gevolg van beslag kunnen ook als ‘eerste aflossing’ gelden. Dat door een of meer schuldeisers beslag is gelegd is immers in beginsel niet aan de schuldenaar toe te rekenen. Dat hierdoor ongelijkheid tussen de schuldeisers kan ontstaan (en wel met een stevige inbreuk op het klassieke insolventierechtbeginsel van de paritas creditorum, auteur), dient dan niet voor rekening van de schuldenaar te komen, aldus de Hoge Raad. Verder beslist de Hoge Raad dat ook schuldenaren zonder afloscapaciteit in aanmerking kunnen komen voor een eerdere ingangsdatum, zoals ook is geadviseerd door de A-G. Bij de beantwoording van deze vraag geeft de Hoge Raad aan dat het niet gerechtvaardigd zou zijn dat iemand met een geringe afloscapaciteit wel in aanmerking zou kunnen komen voor een eerdere ingangsdatum - en iemand zonder afloscapaciteit per definitie niet.
Eerste aflossing en geen afloscapaciteit
In de woorden van de Hoge Raad wordt de aflossingsvraag aldus beslist :
'Als ‘eerste aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw is in de eerste plaats aan te merken een aflossing die of een gespaard bedrag dat ten goede is gekomen of komt aan de gezamenlijke schuldeisers. Een aflossing aan een of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag kan in beginsel eveneens als zodanige eerste aflossing worden aangemerkt. (...) 'Dat door een of meer schuldeisers beslag is gelegd is (...) in beginsel niet aan de schuldenaar toe te rekenen. Dat hierdoor ongelijkheid tussen de schuldeisers kan ontstaan, dient dan niet voor rekening van de schuldenaar te komen.'
De periode vanaf het eerste loonbeslag (door een enkele schuldeiser gelegd) mag dus meegeteld worden bij het verzoek aan de rechter om deze periode in mindering te brengen op de nog door te brengen periode in de Wsnp (die ten behoeve van alle schuldeisers geldt). En ook debiteuren zonder afloscapaciteit zouden een beroep moeten kunnen doen op de (achteraf bezien) eerdere startdatum van de Wsnp met inachtneming van een doorlopen schuldhulpverleningstraject. Volgens de Hoge Raad is het niet gerechtvaardigd als er (bij de looptijd c.q. de ingangsdatum) onderscheid gemaakt wordt tussen mensen met en mensen zonder afloscapaciteit. Een wetssystematisch argument: bij het toelatingsoordeel gebeurt dat onderscheid maken immers evenmin, zo bepaalt het in vergetelheid geraakte weigeringsverbod van lid 4 van artikel 284 Fw.
Inspanningsplicht algemeen
Het uitgangspunt is en blijft volgens de Hoge Raad dat de schuldenaar zich (net als tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling) tijdens het minnelijke schuldhulptraject maximaal moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Als de rechter vaststelt dat de schuldenaar zich tijdens het minnelijke voortraject voldoende heeft ingespannen ten behoeve van zijn schuldeisers, staat de eventuele omstandigheid dat de verplichtingen die voortvloeien uit het minnelijke voortraject niet geheel gelijk (cursivering auteur) zijn aan de verplichtingen uit de schuldsanering, niet eraan in de weg om de termijn van de schuldsanering te laten lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan. Hieruit volgt – en dat is ook belangrijk aan deze uitspraak van de Hoge Raad - dat op de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject een inspanningsplicht rust die “niet geheel gelijk” behoeft te zijn aan, maar wel “vergelijkbaar is met” de inspanningsplicht die geldt tijdens de schuldsaneringsregeling. Niet identiek dus, maar ongeveer hetzelfde als hetgeen in de Wsnp geldt is wat de inspanningsplicht betreft goed genoeg om een eerdere ingangsdatum te verkrijgen. In de huidige Recofa-richtlijnen – de Hoge Raad zegt dit niet met zoveel woorden - lijkt dat dus iets te streng geformuleerd.
Inspanningsplicht, nakoming en ingangstijdstip
Moet de rechter dan de gehele voorbije periode van het buitengerechtelijke voortraject betrekken bij de eerdere ingangsdatum ? Neen, zo is het nu ook weer niet, zo oordeelt de Hoge Raad, want de beslissingsvrijheid ten aanzien van de termijnbepaling blijft bestaan:
“De rechter is bevoegd om bij de toepassing van het alternatieve aanvangsmoment van art. 349a lid 1 Fw de omstandigheid in aanmerking te nemen dat de schuldenaar niet of niet volledig heeft voldaan aan de inspanningsplicht die op hem rustte tijdens het minnelijke voortraject. Mocht de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject volgens de normen te weinig hebben afgelost of gespaard dan kan de rechter – vooropgesteld dat art. 288 lid 1 Fw niet in de weg staat aan toewijzing van het schuldsaneringsverzoek – saldering toepassen, dan wel op andere wijze bepalen hoeveel eerder de termijn van de schuldsanering kan ingaan dan het moment waarop hij de toepassing uitspreekt. Ook kan de rechter gebruikmaken van de mogelijkheid de termijn van de schuldsanering te verlengen als de schuldenaar niet aan al zijn verplichtingen heeft voldaan”.
Toezichtswaarborg
Belangrijk blijft natuurlijk wel – bij alle aandacht voor een mogelijk eerder aanvangstijdstip van de insolventieprocedure - dat Wsnp-bewindvoerders genoeg tijd moeten krijgen om als toezichthouder de regeling goed af te wikkelen. De regeling mondt immers uit in een schone lei (artikel 358 Fw) en schuldeisers kunnen terecht aanspraak maken op een regeling die zeker stelt dat gezien dat zware rechtsgevolg een bewindvoerder aan het werk is geweest die een goed (toe)zicht op de zaak heeft kunnen krijgen. In rechtsoverweging 3.6.3 zegt de Hoge Raad dat daarvoor van een termijn van (minstens) een half jaar kan worden uitgegaan. De Hoge Raad verwoordt dit aldus:
“Bij hantering van het alternatieve aanvangsmoment dient de rechter de termijn van de schuldsaneringsregeling, met overeenkomstige toepassing van de verlengingsbevoegdheid van art. 349a lid 1 Fw, zodanig vast te stellen dat in het na de uitspraak resterende gedeelte van die termijn de bewindvoerder zijn verslag kan opmaken en indienen en de rechter de eindzitting kan bepalen. Ten behoeve van de rechtsgelijkheid bij de toepassing van de schuldsaneringsregeling kan de rechter daarbij als uitgangspunt hanteren dat voor die stappen een half jaar nodig is, en de termijn van de schuldsaneringsregeling dus zodanig verlengen dat die regeling vanaf de uitspraak ten minste een half jaar wordt toegepast.”
Een bewindvoerder moet nu eenmaal een redelijke termijn tot zijn beschikking hebben om een goede invulling te geven aan de uitvoering van de wettelijke toezichthoudende taken. Huisbezoek, verslaglegging en voorbereiding daarvan, postblokkade en vtlb-berekeningen, controle op de naleving van de diverse verplichtingen, communicatie met schuldeisers en saniet: dat kost allemaal de nodige tijd en moeite, en de rechter moet tenslotte goed kunnen worden voorgelicht over de ins en outs van de zaak.
De schuldsaneringsverplichtingen
Voor zover de rechter met het oog hierop (dus om de bewindvoerder voldoende in staat te stellen om de toezichtstaken uit te oefenen) de termijn van de schuldsanering heeft verlengd, is de schuldenaar volgens de Hoge Raad gedurende dat gedeelte van de termijn ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van zijn inspanningsverplichting. De andere twee Wsnp-hoofdverplichtingen, dus de medewerkings- en informatieplichten van de schuldenaar jegens de bewindvoerder (art. 327 Fw in verbinding met de artikelen 105-105a Fw) gelden in die (verlengde) periode wel.
Voor de rechtspraktijk ook bijzonder interessant is de overweging van de Hoge Raad dat de bewindvoerder de informatie vanuit het schuldhulptraject nodig heeft in de periodieke verslaglegging richting de rechtbank. Bij hantering van het alternatieve aanvangsmoment brengt de bewindvoerder immers ook summier verslag uit (artikel 318 Fw) van de wijze waarop de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject aan zijn uit dat traject voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan. De bewindvoerder kan zich bij dat summiere verslag baseren op mededelingen van degene die schuldhulpverlener was in het minnelijke voortraject. De schuldhulpverlener heeft er uiteraard alle belang bij om – in het belang van de cliënt – deze informatie goed en tijdig aan te leveren bij de bewindvoerder, zodat die cliënt het voordeel krijgt van het eerdere Wsnp-aanvangsmoment.
Alternatief aanvangsmoment
Het alternatieve aanvangsmoment in art. 349a lid 1 Fw past eigenlijk niet goed in het systeem van de wettelijke schuldsaneringsregeling, zo merkt de Hoge Raad op. Het alternatieve aanvangsmoment kan immers meebrengen dat de termijn van de schuldsaneringsregeling is gaan lopen voordat de rechter is betrokken bij de procedure. Bijvoorbeeld is niet alleen theoretisch maar ook praktisch vreemd dat men dan eigenlijk (achteraf bezien) te goeder trouw moet zijn geweest op dat eerdere moment, een beoordeling die normaliter geschiedt op het moment van een toelatingszitting waarop de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken. Moet de verzoeker dan bijvoorbeeld een half of heel jaar geleden al een bestendige wending ten goede hebben gemaakt om (later) via de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw te kunnen worden toegelaten ? En zouden schulden en vorderingen uit de tussenliggende periode (dus van voor de toelatingszitting, maar na dat eerdere startmoment) dan achteraf bezien toch niet tot de boedel kunnen behoren omdat ze door een eerdere aanvangsdatum ineens “nieuwe schulden” zijn geworden ? Hoe moet de bewindvoerder de boedelomvang dan zien en het overzicht goed in kaart brengen ?
Startmoment en informatie aandragen
Het gevolg van een alternatief (eerder) aanvangsmoment is – aldus de Hoge Raad:
“dat de termijn van de schuldsaneringsregeling een aanvang heeft genomen, terwijl de wettelijke bepalingen en waarborgen van de schuldsaneringsregeling niet vanaf dat aanvangsmoment van toepassing zijn geweest. Zo zijn geen rechter-commissaris en bewindvoerder benoemd met de aan hen toekomende bevoegdheden in het kader van de schuldsaneringsregeling, ontbreekt een regeling over de omvang van de boedel en is de rechtspositie en rechtsbescherming van zowel schuldenaar als schuldeisers niet geregeld (zie voor meer voorbeelden de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.9).”
Het geeft dus in de praktijk wel behoorlijk wat onduidelijkheid omtrent een aantal kernelementen van een insolventieprocedure, namelijk : het ontstaan van en de omvang van de boedel en de mate van toezicht en de mate waarin de schuldsaneringsverplichtingen zijn nagekomen in die reeds voorbije periode, zodra er naar het verleden geschoven wordt met het aanvangstijdstip van de schuldsaneringstermijn.
Bewijslast en ambtshalve toetsing
De rechter die de vraag beantwoorden moet of een alternatief aanvangsmoment gewenst is, zal hoe dan ook moeten beschikken over gegevens die hem in staat stellen te bepalen op welke dag de eerste aflossing in de zin van art. 349a lid 1 Fw is gedaan. De Wsnp-rechter moet uit gegevens in het dossier kunnen opmaken op welke wijze de schuldenaar heeft voldaan aan zijn tijdens het minnelijke voortraject geldende verplichtingen. De Hoge Raad benadrukt dat die bewijslast bij de verzoeker ligt :
“Het ligt op de weg van de schuldenaar om deze gegevens te verstrekken bij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, zo mogelijk vergezeld van een verklaring van de schuldhulpverlener ter zake.”
Anderzijds zegt de Hoge Raad ook dat art. 349a lid 1 Fw ambtshalve moet worden toegepast. Dat betekent dus dat het de rechter niet vrijstaat om af te zien van hantering van het alternatieve aanvangsmoment als aan de geldende voorwaarden is voldaan. De schuldenaar moet de gegevens zelf aandragen, aannemelijk maken, maar andersom moet de rechter zelf ook alert zijn op een eventueel eerder aanvangsmoment, en die mogelijkheid aan de hand van het dossier en de terechtzitting zelf controleren.
Verlenging termijn schuldsaneringsregeling
Art. 349a lid 1 Fw kan theoretisch zelfs tot de vreemde situatie leiden dat de termijn al is verstreken op het moment dat de rechter de schuldsaneringsregeling uitspreekt. Dat zou kunnen als de schuldenaar tenminste anderhalf jaar voordat de schuldsanering wordt uitgesproken, een eerste aflossing in de zin van art. 349a lid 1 Fw heeft gedaan en het alternatieve aanvangsmoment wordt bepaald op anderhalf jaar voordat de rechter de schuldsanering uitspreekt. Ook is mogelijk dat de resterende termijn van de schuldsanering na de toelating relatief kort is omdat de termijn van anderhalf jaar grotendeels is verstreken. Na het materiële einde is wel enige tijd nodig om de schuldsaneringsregeling ook formeel te laten eindigen: de bewindvoerder moet de toezichthoudende wettelijke taken goed uitvoeren en daarover rapporteren aan de rechter voor het bepalen van een eindzitting. Uitgangspunt is volgens de Hoge Raad dat voor die verantwoordings- en toezichtsstappen een half jaar nodig is. Vanaf de toelatingszitting waarop een eerder aanvangsmoment wordt vastgesteld, dient dus tenminste nog een half jaar de schuldsanering te worden doorlopen, maar dan is de schuldenaar gedurende dat gedeelte van de termijn ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van zijn inspanningsverplichting. De medewerkings- en informatieplichten van de schuldenaar jegens de bewindvoerder (de schakelbepaling van art. 327 Fw in verbinding met de informatieverplichtingen van art. 105-105a Fw) gelden in die periode wel.
Een ‘eerste aflossing’ kan ook inhouden: Sparen
Dit is van belang omdat het tijdstip van de ‘eerste aflossing’ het alternatieve aanvangsmoment van art. 349a lid 1 Fw markeert. Die vraag ziet volgens het arrest van de Hoge Raad op de volgende kwesties die zich afspelen gedurende het minnelijke schuldhulpverleningstraject:
- Moet sparen op één lijn worden gesteld met aflossen ? - Moet de rechter de voorwaarde stellen dat het afgeloste (of gespaarde) bedrag daadwerkelijk aan de boedel is of wordt afgedragen ? - Moet worden afgelost (of gespaard) ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers ? - Moet bij hantering van het alternatieve aanvangsmoment van art. 349a lid 1 Fw de rechter voor bepaling van de termijn uitgaan van het vrij te laten bedrag dat zou hebben gegolden als de schuldsanering tijdens het minnelijke voortraject al van toepassing was geweest ?
De Hoge Raad geeft duidelijke antwoorden: Sparen moet op één lijn worden gesteld met aflossen. Van een ‘eerste aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw is dus ook sprake als een eerste bedrag wordt gespaard tijdens een minnelijk traject van schuldhulp. Het is niet nodig dat tijdens het minnelijke voortraject gespaarde bedragen ten tijde van het verzoek tot toelating tot de schuldsanering al op een afzonderlijke rekening zijn gestort. De rechter kan in zijn toelatingsuitspraak de schuldenaar verplichten om het tijdens het minnelijke voortraject gespaarde bedrag met bekwame spoed aan de bewindvoerder c.q. de boedel af te dragen.
Inbreuk op de paritas creditorum
Als ‘eerste aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw is in de eerste plaats aan te merken een aflossing die of een gespaard bedrag dat ten goede is gekomen of komt aan de gezamenlijke schuldeisers. Dat is geen nieuws in insolventieland. Maar een aflossing aan één of enkele schuldeisers via een gelegd beslag kan in beginsel ook als zodanige eerste aflossing worden aangemerkt. En dat is wel nieuws. Hoewel betalingen onder beslag in de rechtspraktijk tot nu toe niet als een eerste aflossing worden beschouwd omdat deze niet ten goede komen aan de gezamenlijke schuldeisers (het beginsel van de paritas creditorum !) , past dat – zo zegt de Hoge Raad nu - minder goed bij het uitgangspunt dat het erom gaat of de schuldenaar zich in het minnelijke voortraject voldoende heeft ingespannen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers.
Dat door een of meer schuldeisers beslag is gelegd is – bij het gegeven dat er schulden zijn – immers in beginsel niet aan de schuldenaar toe te rekenen. Dat hierdoor ongelijkheid tussen de schuldeisers kan ontstaan (want de een legt wel vroegtijdig beslag en de ander niet), dient dan niet voor rekening van de schuldenaar te komen. Een uitspraak van de Hoge Raad die bepaald niet traditioneel te noemen is en die toch wel een flinke uitzondering of inbreuk betekent op de klassieke paritas creditorum.
Nul- of nihil-aanbod
Met een ‘eerste aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw moet op één lijn worden gesteld – zo redeneert de Hoge Raad - de vaststelling dat de schuldenaar geen enkele aflossingscapaciteit heeft. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit een zogenoemd ‘nul-aanbod’ aan de schuldeisers. Aanvankelijk was bij amendement in de Tweede Kamer voorgesteld om de dag waarop het minnelijke traject van schuldhulp is aangevangen, aan te wijzen als het alternatieve aanvangsmoment. Omdat lang niet altijd duidelijk is wanneer dit minnelijke traject begint, is ervoor gekozen om de ‘eerste aflossing’ als aanknopingspunt te kiezen voor het alternatieve aanvangsmoment. Ook een ‘nul-aanbod’ is een duidelijk aanknopingspunt voor het alternatieve aanvangsmoment, hoewel in strikte zin geen sprake is van een ‘eerste aflossing’. Hierbij speelt een rol dat een zeer kleine eerste aflossing die de uitkomst is van de berekening van wat de schuldenaar maximaal kan aflossen, wel degelijk een ‘eerste aflossing’ is, en het geringe verschil tussen “geen aflossingsruimte” en een “zeer beperkte aflossingsruimte” niet rechtvaardigt om in het eerste geval geen alternatief aanvangsmoment te hanteren en in het tweede geval wel, zo besluit de Hoge Raad dit baanbrekende arrest.
En de schuldeisers ?
Het arrest van de Hoge Raad zou onbedoeld het effect kunnen hebben dat schuldeisers eerder c.q. sneller beslag gaan leggen bij een problematische debiteur. Wie het eerst komt, die het eerst maalt: Want wie in een vroeg stadium beslag legt, mag de opbrengst behouden voor zichzelf ten koste van de andere crediteuren. Op dat moment was nog geen sprake van een Wsnp en mocht men het beslag leggen. Dat het startmoment van de schuldsanering achteraf bezien komt te liggen vanaf datum beslaglegging (omdat dat als eerste aflossing mag gaan gelden), en dat de termijn achteraf bezien is begonnen te lopen, betekent immers nog niet dat ook op dat (eerdere aanvangs)moment reeds een schuldsaneringsboedel met een bevoegde bewindvoerder ontstond. Dan is dus de eerste beslaglegger de overige crediteuren te snel af geweest. De Wsnp-bewindvoerder kan – zodra de benoeming een feit is en de termijn met terugwerkende kracht is ingegaan – natuurlijk proberen om (in het belang van de overige crediteuren en in zijn hoedanigheid van toezichthouder in het belang van alle schuldeisers ) die genoten beslagopbrengst alsnog in de boedel van de Wsnp te verkrijgen. Dat lijkt geen eenvoudige procedure jegens die beslaglegger te worden.
Rekening houden met belangen overige crediteuren
Want een crediteur mag op zichzelf op dat eerdere moment – toen nog geen sprake was van een schuldsaneringssituatie - gebruik maken van het rechtsmiddel beslaglegging, en weet zich daarbij gelegitimeerd met een rechterlijke tussenkomst. Wellicht dat het argument dan kan tellen dat de beslaglegger op het moment dat hij beslag ging leggen, behoorde te weten dat (afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van de casus) er bij zijn debiteur een problematische schuldensituatie bestond, dat er dus meerdere schuldeisers verhaal zochten jegens de debiteur, dat er misschien al een kenbaar schuldhulpverleningstraject liep en zelfs beschikte hij wellicht over informatie waaruit hij behoorde af te leiden dat er een schuldsaneringsregeling in aantocht was. Daarmee zou de paritas creditorum weer wat worden versterkt, zoals ook het geval is met de bestaande wettelijke voorlopige voorziening van artikel 287 lid 4 Fw, die de situatie kort voorafgaand aan een Wsnp reeds “bevriest”. Een gecoördineerde afwikkeling voorkomt immers onnodig oplopende en overhaalbare kosten en is in het belang van de gezamenlijke crediteuren, meer dan een onderlinge race wie het eerste start en het snelste bij de debiteur aankomt.
Effect uitspraak Hoge Raad op stelsel
Het zal nog wel een poos duren voordat alle consequenties van deze omvangrijke uitspraak voor de dagelijkse rechtspraktijk goed zijn doorgrond en in de uitvoering zijn doorgedrongen. Zouden bijvoorbeeld ook de organisaties in het minnelijke schuldhulptraject (de NVVK) kunnen besluiten om een eerder aanvangsmoment te kiezen, indien er volgens de lijnen uit dit arrest al eerder aflossingen zijn gedaan aan de schuldeisers, dus voordat het schuldhulpverleningstraject werd opgestart ? Dan zou ook de minnelijke schuldhulpperiode die nu in de praktijk eveneens 18 maanden is geworden, in navolging van de wettelijk gehalveerde schuldsaneringstermijn, nog korter kunnen worden, althans achteraf bezien op een eerder tijdstip kunnen ingaan, ter beoordeling van de schuldhulpverlenende organisatie. Het Landelijke Procesreglement en-of de Recofa-richtlijnen van Recofa zal/zullen ongetwijfeld worden aangepast aan dit arrest van de Hoge Raad. Al lijkt dit laatste niet heel vlot te kunnen gebeuren vanwege alle interpretatieve onduidelijkheden die dit arrest van de Hoge Raad sinds december 2024 teweeg heeft gebracht in de lagere rechtspraak door rechtbanken en door gerechtshoven. Duidelijk is wel dat de wetswijziging van 1 juli 2023 op een vernieuwende en onverwachte wijze is toegepast door de hoogste rechter, en een nog grotere impact heeft op het schuldenstelsel dan menigeen al dacht.
Ontwikkelingen sinds het Kerstarrest van de Hoge Raad
De lagere rechtspraak heeft sinds 20 december 2024 flink geworsteld met de interpretatie van de talloze rechtsoverwegingen uit het arrest van de Hoge Raad en de gevolgen daarvan. Een van de vragen is bijvoorbeeld of het beginsel van de paritas creditorum hiermee in de Wsnp niet nagenoeg volledig uit beeld is geraakt. Indien het schuldhulpverleningstraject onnodig lang duurt, en de debiteur uiteindelijk wordt toegelaten en een eerdere ingangsdatum van de Wsnp toegewezen krijgt, omdat sprake is van een aantoonbare eerste aflossing in het minnelijke schuldhulpverleningstraject, is het dan niet onrechtvaardig als een enkele beslaglegger de opbrengst behouden mag - ten koste van de overige schuldeisers die een meer afwachtende en-of welwillende houding hebben aangenomen ? Had het schuldsaneringsverzoek niet eerder moeten worden ingediend vanuit een oogpunt van gelijke belangen en gelijke kansen tussen de crediteuren onderling ? Dan was er namelijk op een eerder moment een gecoördineerde afwikkeling geweest onder toezicht van een bewindvoerder en een rechter, waarbij alle rangorderegels in acht worden genomen. Over deze vraag mocht de Haagse rechtbank zich buigen (Rechtbank Den Haag 12 juni 2025 ECLI:NL:RBDHA:2025:10538). Die rechtbank verlengde in een dergelijke situatie de looptijd met twee maanden, nu het Wsnp-verzoek, in het belang van alle betrokkenen in het algemeen en in het belang van de niet-beslagleggende schuldeisers in het bijzonder, eerder had moeten worden ingediend.
Casuspositie Haagse Rechtbank
X bevond zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft zij een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het verzoek is behandeld op de zitting van 12 juni 2025. Op de zitting verschenen mevrouw zelf en haar schuldhulpverlener van de gemeente Gouda. Het verzoek wordt toegewezen. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of er aanleiding is een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsprocedure te bepalen. De termijn van een wettelijke schuldsaneringsregeling kan ook eerder beginnen te lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in art. 285, eerste lid, onder f Fw. De rechtbank zal het verzoek om een dergelijke eerdere ingangsdatum te bepalen toewijzen, maar daarbij tegelijkertijd wel de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling verlengen. Als uitgangspunt voor aanvang van het minnelijk schuldregelingstraject hanteert de rechtbank Den Haag het moment waarop de schuldhulpverlener de afloscapaciteit heeft vastgesteld aan de hand van een eerste correcte berekening van het Vrij te laten bedrag (de Vtlb-berekening): zie in dit verband Rechtbank Den Haag, 10 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5966. Tijdens het minnelijk schuldregelingstraject kan een eerste aflossing in beginsel ook bestaan uit een aflossing aan een schuldeiser uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag (HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913).
Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913, prejudiciële beslissing op ECLI:NL:GHDHA:2023:2606
Hoogste bestuursrechter en tussentijdse beëindiging van de schuldhulpverlening
De Raad van State (afdeling bestuursrechtspraak) moest zich buigen over een tussentijdse beëindiging door een gemeente van een schuldhulptraject. Het College van B&W van de gemeente Barneveld had debiteur A toegelaten tot de schuldhulpverlening, en had aan dit besluit op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (WGS) zoals gebruikelijk diverse verplichtingen verbonden. B&W hebben nadien A meermaals gewezen op de gebruikelijke verplichtingen, en het traject met zes maanden verlengd om haar een extra kans te geven. Eén van de verplichtingen was een maximale inspanning om de afloscapaciteit ten behoeve van haar schuldeisers zo hoog mogelijk te laten zijn. A had niet alleen slechts 10 uur per week gewerkt, maar die deeltijdbaan ook nog eens opgezegd. Het College van B&W mocht - naar het oordeel van de rechtbank sector bestuursrecht en ook naar het oordeel van de hoogste bestuursrechter de Raad van State - bij niet-nakoming van die verplichtingen de gemeentelijke schuldhulpverlening beëindigen, want die sanctie was gezien de tekortkomingen door de debiteur niet onevenredig.
De bestuursrechtelijke procedure
Dat de hoogste bestuursrechter zich uitlaat over de praktijk van de gemeentelijke schuldhulpverlening op grond van de WGS komt niet zo vaak voor. De bestuursrechtelijke procedure die daaraan voorafgaat is door de bezwaarfase net een stap langer dan wat we in het civiele recht (Faillissementswet) bij een tussentijdse beëindiging in de Wsnp gewend zijn. Het is aardig om beide regimes in een casus als deze te vergelijken, nu het telkens gaat over de vraag naar de tussentijdse beeindiging. Bij besluit van 13 april 2021 heeft het college van B&W van de gemeente Barneveld het minnelijke schuldhulpverleningstraject van A beëindigd. Bij besluit van 17 september 2021 heeft het college het daartegen door A gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 augustus 2022 heeft de rechtbank Gelderland het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft A hoger beroep bij de Raad van State ingesteld. De Afdeling Bestuursrechtspraak heeft de zaak op zitting behandeld op 27 februari 2023, waar A vertegenwoordigd door een advocaat is verschenen.
De verplichtingen in het schuldhulpverleningstraject
A heeft op 26 september 2019 een aanvraag gedaan om op grond van de WGS en de gemeentelijke beleidsregels toegelaten te worden tot de schuldhulpverlening. Bij besluit van 2 oktober 2019 heeft het college A toegelaten. Het college heeft aan dit besluit diverse verplichtingen verbonden waaraan zij zich moet houden, gebaseerd op de artikelen 6 en 7 WGS (inlichtingen- en medewerkingsplicht). Bij brief van 6 februari 2020 heeft het college A (wederom) gewezen op deze verplichtingen. Eén van die verplichtingen is dat zij een maximale inspanning levert om de afloscapaciteit zo hoog mogelijk te laten zijn. Dat betekent dat zij haar best moet doen om werk te vinden voor minimaal 36 uur per week. Zij moet daarvoor één sollicitatie per week doen en het bewijs hiervan bij het college aanleveren – eenzelfde situatie, zij het op maandbasis, als in de Wsnp geldt jegens de bewindvoerder. Via brieven heeft het college haar erop gewezen dat zij de inspanningsverplichting niet is nagekomen. Ook heeft het college gewezen op de gevolgen van het niet-nakomen van de aan de schuldhulpverlening verbonden verplichtingen, namelijk het beëindigen van de schuldhulpverlening. Bij besluit heeft het college de schuldhulp met zes maanden verlengd, omdat A zich niet aan de verplichtingen heeft gehouden. Het college heeft A daarmee in de gelegenheid gesteld het traject alsnog met goed gevolg te laten afronden. Bij het besluit van 13 april 2021, na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 17 september 2021, heeft het college de schuldhulp uiteindelijk beëindigd omdat A niet heeft voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen die aan het schuldhulpverleningstraject waren verbonden.
Beroep na bezwaar; uitspraak rechtbank
De rechtbank Gelderland heeft overwogen dat A niet heeft weersproken dat zij diverse verplichtingen die verbonden waren aan haar schuldhulpverleningstraject niet is nagekomen. Het college van B&W heeft A geïnformeerd dat van haar werd verwacht dat zij minstens eenmaal per week zou solliciteren en dat haar arbeidscapaciteit 36 uur per week bedroeg, evenals overigens in de Wsnp het geval zou zijn. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat A haar part-time contract voor 10 uur per week zonder overleg met de gemeentelijke schuldhulpverlener heeft opgezegd. Zij heeft daardoor niet genoeg uren gewerkt om aan haar arbeidscapaciteit van 36 uur per week te komen, en op die manier haar schuldeisers benadeeld. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat door de opzegging een loonvordering (nieuwe schuld) is ontstaan van € 615,57, en dat A in de periode december 2020 tot en met maart 2021 (vier maanden lang) geen enkele sollicitatie heeft verricht terwijl zij wist dat zij niet voldeed aan haar arbeidscapaciteit. De rechtbank heeft geoordeeld dat A hiermee de medewerkingsplicht uit de WGS heeft geschonden.
Arbeidsverplichting en zorgtaak combineren
De rechtbank heeft verder overwogen dat alhoewel voorstelbaar is dat werken in de zorg aan het begin van de coronapandemie zwaar is geweest, dit onvoldoende is om aan te nemen dat A door dit zware werk niet aan haar arbeidscapaciteit kon voldoen. Zij heeft niet onderbouwd hoe de zorg voor haar kinderen en het zware werk tijdens de pandemie haar arbeidscapaciteit hebben doen verminderen, op welke wijze en tot in hoeverre deze capaciteit zou zijn verminderd. Daar komt volgens de rechtbank bij dat het college alternatieven heeft geboden door haar de mogelijkheid te bieden schoonmaakwerk te doen. Verder heeft A niet bij het college aangegeven dat het werken in de zorg te zwaar voor haar was. Volgens de rechtbank kan het betoog van A dat het college een actievere rol had moeten spelen, niet worden gevolgd. Het college heeft A meermaals op haar verplichtingen gewezen, haar meerdere kansen geboden om verbetering aan te brengen en om die reden het schuldhulptraject met zes maanden verlengd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet onvoldoende inspanning heeft geleverd om het schuldhulptraject tot een goed einde te brengen. Het college kon daarom het WGS-traject beëindigen en dat is niet onevenredig geweest. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat aan A meerdere kansen zijn geboden waarvan zij geen gebruik heeft gemaakt.
Onevenredigheidstoets
Op zich is deze onevenredigheidstoets wel een heldere WGS-maatstaf die in de Wsnp niet zo expliciet wordt gehanteerd: staat de sanctie van tussentijdse beëindiging in verhouding tot de aard (ernst, frequentie) van de tekortkomingen ? Is de straf passend, niet disproportioneel, kunnen de gedragingen de sanctie dragen ? Een abstracte toetsing van vergrijpen en sanctie, terwijl de Wsnp een meer subjectieve toets richting schuldenaar kent. Voor de tussentijdse beëindiging van een schuldsaneringsregeling op basis van de Faillissementswet geldt een iets andere maatstaf: de Hoge Raad duidt in HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9144 de spontane informatieverplichting (artikel 105 Fw juncto artikel 327 Fw) nog iets nader, en koppelt het aan de mogelijke sanctie van de tussentijdse beëindiging, en geeft daarvoor een belangrijke beoordelingsmaatstaf in rechtsoverweging 3.2.2. Die maatstaf voor wanneer een tussentijdse beëindiging op zijn plaats is, is niet de onevenredigheid van de tekortkomingen met de rechtsgevolgen van de sanctie, maar of de tekortkomingen een duidelijke aanwijzing vormen dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt.
Maatstaf Hoge Raad voor tussentijdse beëindiging in Wsnp
De Hoge Raad formuleert die (vergelijkbare) maatstaf voor tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350 Fw aldus (zie vooral de cursivering):
“Daarnaast moet tegen de achtergrond van de strekking van de schuldsaneringsregeling, (…) worden aangenomen dat ook een meer algemene verplichting bestaat tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Het niet nakomen van deze verplichting kan aanleiding vormen tot de beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van het bepaalde in art. 350 lid 3, aanhef en onder c, Fw., waarbij de rechter niet alleen de aard van de niet verstrekte inlichtingen, maar ook de overige omstandigheden van het geval in aanmerking zal moeten nemen. Mede gelet op de aard van deze mogelijkheid tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling, die van rechtswege tot het faillissement van de schuldenaar leidt, dient als maatstaf voor de vraag of grond kan bestaan tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling te gelden of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, het niet verstrekken van de inlichtingen een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt.”
Argumenten in hoger beroep
A is het niet eens met de uitspraak en voert aan dat zij er alles aan heeft gedaan om de verplichtingen die verbonden zijn aan haar schuldhulpverleningstraject na te komen, maar dat zij daar door persoonlijke omstandigheden niet in is geslaagd. Zij werkte namelijk tijdens de coronapandemie in de zorg en had als alleenstaande ouder de zorg voor haar kinderen. Volgens A was het moeilijk om meer uren te werken omdat er veel onregelmatige diensten waren die zij niet vol kon houden. Zij betoogt ook dat het college ten onrechte niet zelf haar verplichtingen jegens het college heeft verminderd. Hierbij wijst zij er op dat als de Wsnp zou zijn gevolgd, de rechter-commissaris had kunnen worden verzocht om (bij beschikking) de aan de schuldhulp (bedoeld zal zijn: schuldsanering) verbonden verplichtingen voor haar te verminderen. In dit minnelijke schuldhulpverleningstraject is het college aan zet om over een eventueel verzoek te oordelen, waardoor onafhankelijke toetsing en controle in haar geval niet heeft plaatsgevonden. Dit is op zich wel een interessant systeemargument: de gemeente als hulpverlener en tegelijkertijd als besluitvormend orgaan. En soms ook nog als schuldeiser natuurlijk. De Raad van State gaat niet op dit argument in, waarschijnlijk omdat de fictieve situatie waarbij de Wsnp zou zijn gevolgd niet realistisch is (het minnelijke traject was nog gaande en nog niet mislukt) en dus ook helemaal niet beoordeeld hoeft te worden. Ondanks dat het volgens A op de weg van haarzelf ligt om verantwoordelijkheid te nemen voor haar eigen traject, had het college volgens haar beter de lastige periode moeten onderkennen en haar extra hulp en ruimte moeten bieden. Het zijn discussies die we ook herkennen in de Wsnp. Maar waarbij de rol van de (gemeentelijk) schuldhulpverlener natuurlijk wel wat anders is dan die van de Wsnp-bewindvoerder, die nu eenmaal wettelijk toezichthouder is en meer op afstand staat van de betrokken debiteur.
Geen hardheidsclausule
De gronden die A in hoger beroep heeft aangevoerd zijn volgens de Raad van State grotendeels een herhaling van wat zij eerder heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. A heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onderbouwende overwegingen. Kennelijk was er, de korte uitspraak van de Raad van State lezend, ook geen situatie – of daar nu door A expliciet een beroep op was gedaan of niet – die aanleiding kon geven voor (ambtshalve) toepassing van de hardheidsclausule. Die hardheidsclausule bestaat niet alleen bij de toelating tot de Wsnp maar is ook in de gemeentelijke beleidsregels gangbaar, en heeft dan betrekking op het gehele WGS-traject. Een college van B&W kan immers in zeer bijzondere gevallen (zoals de corona-periode misschien ? of was dat gezien de massaliteit en duur juist niet als “zeer bijzonder” aan te merken ?) gemotiveerd afwijken van de bepalingen in de beleidsregels, indien onverkorte toepassing daarvan aanleiding geeft of zou leiden tot disproportionele onredelijkheid of onbillijkheid.
Arbeidsverplichting in WGS en in Wsnp
Ook hier dus een onevenredigheidsmaatstaf, waarbij het opvalt dat de invulling van de arbeidsverplichting binnen de schuldhulp in feite net zo streng is als in de Wsnp en in paragraaf 3.5 van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringen. De regels zijn in die rechterlijke beleidsrichtlijnen bekend: de schuldenaar die een dienstverband heeft, spant zich tot het uiterste in om dat dienstverband te behouden; een schuldenaar zonder voltijds dienstverband heeft een sollicitatieplicht, ook als kinderen onder de vier jaar tot het gezin van de schuldenaar behoren, tenzij de rechter-commissaris hiervoor een ontheffing heeft gegeven; de schuldenaar solliciteert 4 maal per maand schriftelijk naar een voltijds dienstverband, dat wil zeggen werk gedurende tenminste 36 uur per week, enzovoorts. Het opzeggen van een part-time baan en vier maanden in het geheel niet solliciteren en het niet benutten van een geboden extra kans past niet in dit regime, niet binnen de Wsnp en niet binnen de WGS. Het hoger beroep is ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt de aangevallen uitspraak.
Raad van State (afdeling bestuursrechtspraak) 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:928
Wetswijziging WSNP en aansluiting op WGS
Inwerkingtredingsdatum Wetsvoorstel 35 915 tot Wijziging WSNP
Op 26 mei 2023 heeft Minister voor Rechtsbescherming Weerwind aan de Tweede Kamer per brief (TK 2022-2023, 35 915, nr. 31) laten weten dat besloten is om de wijzigingswet reeds per 1 juli 2023 in werking te laten treden (Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen; Staatsblad 2023, 87). Deze keuze is gemaakt opdat deze wetswijziging gelijk loopt met de aanpassing van de duur van het traject van de buitengerechtelijke schuldhulpverlening. Dit is besloten in overleg met het landelijk overlegorgaan van rechters-commissaris in procedures betreffende insolventies (Recofa), Bureau Wsnp van de Raad voor de Rechtsbijstand en de Beroepsvereniging Bewindvoerders Wsnp (BBW). Daarbij is nadrukkelijk gekeken of er mogelijkheden zijn om reeds lopende schuldsaneringstrajecten op basis van de wetswijziging te verkorten. Deze mogelijkheden zijn er helaas niet. Dit komt volgens de Minister omdat er rekening gehouden dient te worden met het feit dat de duur van een Wsnp-traject bij vonnis wordt bepaald. Daarnaast is bij de wetsbehandeling en de wijziging die bij amendement is ingediend geen overgangsbepaling opgenomen. Dit zal voor een burger die in een reeds lopend schuldsaneringstraject zit als moeilijk worden ervaren, aldus de Minister. Dit is mede reden geweest om de wet zo spoedig mogelijk in te voeren, zodat het aantal personen waarvoor dit geldt zo beperkt mogelijk wordt gehouden.
Aansluiting tussen minnelijk en wettelijk traject
Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wsnp heeft ook grote gevolgen voor de WGS, want moet zorgen voor een betere aansluiting tussen het gemeentelijke schuldhulpverleningstraject en de Wsnp. Hiervoor worden wijzigingen doorgevoerd in de Faillissementswet. De wijzigingen betreffen onder andere een aanpassing van de in artikel 288 Fw opgenomen criteria waaraan de rechter een verzoek tot toelating tot de Wsnp moet toetsen. Bij toelating tot de Wsnp toetst de insolventierechter of de schuldenaar-verzoeker “te goeder trouw” is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schuldenlast (art. 288 lid 1 sub b Fw). Daarvoor keek de rechter in het vroegere wettelijke regime tot 5 jaar terug. De wetswijziging verkort deze toetsingstermijn naar 3 jaar. Als de schuldenaar niet te goeder trouw is, dan blijft ook na dit wetsvoorstel nog steeds de mogelijkheid bestaan om een beroep te doen op de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw. Dan dient de schuldenaar aan te tonen dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor zijn schulden doorgaans 1 jaar onder controle heeft gekregen. Verder is de oude tienjarige uitsluitingstermijn voor een hernieuwde schuldsaneringsprocedure (art. 288 lid 2sub d Fw) komen te vervallen. Hiermee krijgen ook cliënten die al eerder in de Wsnp hebben gezeten, een tweede kans.
Kamerbrede steun en amendementen
Het wetsvoorstel van de Minister voor Rechtsbescherming werd met een grote meerderheid aangenomen, namelijk met 145 van de 148 stemmen vóór. Verder werd op 24 januari 2023 door de Tweede Kamer gestemd over een vijftal bij het wetsvoorstel door de Tweede Kamer ingediende amendementen, met verstrekkende gevolgen. Daarvan zijn er vier aangenomen en een verworpen. Het wetsvoorstel en de aanvullende amendementen 21, 20, 30 en 29 zien op de volgende wijzigingen. Een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling (art. 285 lid 1 onder f Fw) is straks door amendement nr. 20 niet meer altijd noodzakelijk. Als een cliënt aantoonbaar geen mogelijkheden tot aflossing heeft of als er andere redenen zijn waarom een buitengerechtelijke schuldenregeling niet kan lukken, hoeft er niet meer eerst een voorstel aan de schuldeisers gedaan te worden. Er kan dan direct een Wsnp-verzoek ingediend worden. Dat maakt het buitengerechtelijke traject niet meer tot een absolute verplichting vooraf die vaak veel tijd kost en schuldenophogend werkt. Bijvoorbeeld als een van de schuldeisers vooraf al heeft laten weten niet in te stemmen met een schuldregeling. Of als het door dakloosheid of een echtscheiding het werkelijk niet mogelijk is om binnen afzienbare tijd een volledig beeld te krijgen van alle schulden.
Relatie WGS en WSNP
Amendement nr. 20 van het Parlement betrof de relatie tussen de WGS en de WSNP. Het zorgde ervoor dat artikel 285 Fw via deze wetswijziging is aangevuld met een zeer belangrijke uitzondering: “Als aannemelijk is dat onvoldoende aflossingsmogelijkheden bij de schuldenaar of andere omstandigheden het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, hoeft voor de afgifte van deze verklaring niet eerst een poging te zijn gedaan om tot een dergelijke regeling te komen.” Dit zal een belangrijke versnelling in de gehele procedure teweeg kunnen gaan brengen. Redenen om een minnelijk (gemeentelijk) schuldhulpverleningstraject over te slaan kunnen dus zijn: aantoonbaar geen aflossingscapaciteit, aantoonbaar langere tijd budgetbeheer of beschermingsbewind, aantoonbaar geen mogelijkheid tot een minnelijk akkoord met een bepaalde schuldeiser, of ook na deskundige inspanningen geen volledig beeld van de schulden kunnen krijgen.
Een volgende principiële wijziging gaat over het startmoment. De termijn van de wettelijke schuldsaneringsprocedure begint reeds op het moment dat de buitengerechtelijke cq minnelijke schuldregeling is gestart, althans vanaf het moment dat de eerste aflossing is gedaan in het kader van de gemeentelijke schuldhulpverlening. Dus niet reeds bij de intake of bij het gemeentelijke besluit om iemand toe te laten tot de schuldhulpverlening. Deze belangrijke wijziging vloeit voort uit amendement nr. 29. Dat is anders dan in de oude wet: toen startte de schuldsanering altijd pas op de datum van de toelatingsuitspraak door de rechter. Indien een rechtstreeks Wsnp-verzoek wordt gedaan – en dat overslaan van het minnelijke schuldhulptraject is mogelijk geworden, zie hiervoor – dan begint uiteraard de termijn pas te lopen op de klassieke startdatum van de wettelijke schuldsaneringsregeling: te weten het Wsnp-toelatingsvonnis.
Een andere drastische wijziging in de Wsnp met directe gevolgen voor de WGS geldt het volgende. De standaard schuldsaneringsprocedure wordt in principe van drie jaar (artikel 349a Fw) gehalveerd en verkort tot 18 maanden (anderhalf jaar). Deze radicale verandering van de hoofdregel is het gevolg van amendement nr. 30. De wetgever beoogt hiermee een substantiële versnelling aan te brengen in de afwikkeling van problematische schulden, overigens ook voor het minnelijke traject van schuldhulpverlening, waarvoor geen wetswijziging nodig is (en was). De rechter-commissaris krijgt wel de mogelijkheid om het wettelijke schuldsaneringstraject langer te laten duren, en de looptijd te verlengen tot de maximale duur die ook voorheen al gold, namelijk vijf jaar, wanneer dat de mogelijkheid geeft om overkomelijke tekortkomingen te herstellen, of als dat om andere redenen wenselijk is.
Iedereen met problematische schulden krijgt voortaan een tweede kans op een schuldsaneringsprocedure, zolang men te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schuldenlast. Want de vroegere tienjarige uitsluitingstermijn voor een hernieuwde schuldsaneringsprocedure komt te vervallen; het wetsvoorstel zwakte die wachttermijn van tien jaren voor een tweede schuldsanering reeds enigszins af door er in art. 288 lid 2sub d Fw een facultatieve weigeringsgrond (“de rechter kan weigeren…”) van te maken - in plaats van de imperatieve weigeringsgrond (“de rechter moet weigeren…”). De Tweede Kamer vond tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel dat dat herkansingsbeleid ruimhartiger c.q. radicaler moest. Het geheel schrappen van de veel bediscussieerde tienjaarstermijn gebeurde via amendement nr. 21.
Deze wijziging cq schrapping van de weigeringsgrond heeft alleen praktische zin als ook in het gemeentelijke minnelijke schuldhulpverleningtraject een tienjaars-uitsluitingstermijn bij een herhalingshulpverzoek (recidive) in de praktijk niet meer door gemeenten en gemeentelijke kredietbanken zal worden gehanteerd. Want zodra men om die reden reeds in de eerstelijnsfase van de schuldhulpverlening geweigerd wordt, wordt het ook bijna onmogelijk om wederom voor een twee keer binnen tien jaar een beroep te doen op de wettelijke schuldsaneringsprocedure. Dit vormt dus een punt van grote aandacht in de schuldhulpverlening voor de nabije toekomst, en ook lastig stuurbaar, want valt onder de gemeentelijke beleidsautonomie. Artikel 3 lid 2 van de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening bepaalt immers het volgende : "Het college kan schuldhulpverlening in ieder geval weigeren in geval een inwoner al eerder gebruik heeft gemaakt van schuldhulpverlening". Dit is een discretionaire bevoegdheid die haaks lijkt te staan op het nieuwe beleid in het kader van het per 1 juli 2023 gewijzigde artikel 288 Fw de WSNP.
Beschermingsbewind blijft net als Wsnp-bewind een marktactiviteit
Er werd één amendement verworpen. Met dit amendement van het kamerlid Van Nispen (SP) zou het voor gemeenten verplicht worden om eigen beschermingsbewindvoerders in dienst te nemen op basis van een plan voor de gemeente, opgesteld door de gemeenteraad. De uitvoering van dat plan, waaronder het aannemen en controleren van de beschermingsbewindvoerders, zou dan toekomen aan het college van B&W, waarmee volgens de indiener van het amendement de kwaliteit van en het toezicht op het bewind zou zijn geholpen. Dat het perse beter georganiseerd zou gaan worden binnen de gemeentelijke sfeer werd niet onderbouwd en was ook niet door middel van onderzoek aangetoond. Het benoemen van en toezichthouden op beschermingsbewindvoerders is thans opgedragen aan de kantonrechter en aan het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM bij de rechtbank Oost-Brabant. Dit amendement om deze organisatie binnen het gemeentelijke domein te trekken werd onwenselijk en onuitvoerbaar (en gezien de massaliteit van het beschermingsbewind ook niet goed financierbaar) geacht, en heeft de stemming in de Tweede Kamer na afloop van de plenaire behandeling van het wetsvoorstel dus niet overleefd.
Stelselwijziging en inwerkingtreding
De wijzigingen vormen samen een behoorlijk fundamentele verandering voor het stelsel van de gemeentelijke schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsaneringsprocedure. De onderlinge effecten van de beide fasen in het stelsel konden door het amenderen nog niet in kaart worden gebracht. Het wetsvoorstel is in het Staatsblad gepubliceerd en trad in werking op 1 juli 2023 (Staatsblad 2023, 175). Dit alhoewel de voorbereiding en uitvoering van deze nieuwe regels veel invloed hebben op het gehele stelsel, met name op de minnelijke schuldhulpverlening, maar ook op rechters en bewindvoerders. Ook de rechterlijke richtlijnen van Recofa (insolventierechters) zijn deels geherformuleerd. Onzeker is nog in hoeverre sommige lopende duizenden schuldsaneringsprocedures hiervan gevolgen ondervinden van de gewijzigde wettelijke spelregels, bijvoorbeeld als het gaat om verzoeken tot termijnreductie.
De nieuwe wet is van toepassing op verzoekschriften tot toepassing van de schuldsaneringsregeling die voor het tijdstip van inwerkingtreding van die wetswijziging (per 1 juli 2023 dus, zie het Besluit van 17 mei 2023; Stb. 2023, 175) zijn ingediend bij de rechtbank en waarop nog niet door de rechter is beslist. Problematisch blijft voor de korte en middenlange termijn dat - door het ontbreken van overgangsrecht - de oude looptijd van 36 maanden (3 jaar, artikel 349a Fw) blijft gelden voor alle reeds lopende schuldsaneringsprocedures, dus ook bijvoorbeeld voor een toelating tot de Wsnp die plaatsvond korte tijd voor de nieuwe spelregels, begin 2023 of zelfs in de maand Juni 2023. Dat heeft de instroom tot 1 juli 2023 flink afgeremd, want nog even wachten met de indiening van het Wsnp-verzoek leidt voor de aanvrager tot een halvering van de looptijd. Dat viel voor de wetgever (gezien de vele radicale amendementen zonder overgangsrecht) niet te voorkomen. In hoeverre ook reeds lopende schuldsaneringsprocedures zullen kunnen worden bekort, is onzeker, afhankelijk van de casus en derhalve aan de rechter overgelaten.
Verkorting duur Minnelijk schuldhulptraject
Ook in het buitengerechtelijk traject van gemeentelijke schuldhulpverlening wordt vanaf 1 juli een kortere aflostermijn van 18 maanden gehanteerd. Althans dat zal - bij gebreke aan een dwingend wettelijk kader - de beleidslijn zijn die door de bevoegde instanties (VNG en NVVK) wordt aanbevolen in het minnelijke traject. De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) bevat immers geen enkele bepaling omtrent de duur van het schuldhulptraject. Om te voorkomen dat de hulpvraag in 2023 stagneert en om te voorkomen dat hulpvragers door te lang wachten dieper in de schulden komen in afwachting van nieuw beleid in de minnelijke fase, adviseert de koepelorganisatie NVVK aan haar leden (onder andere gemeentelijke kredietbanken) om (ook) in Msnp-regelingen vanaf 1 juli 2023 een aflostermijn van 18 maanden te hanteren, naar het voorbeeld van de Wsnp. Begin februari 2023 kondigde minister Schouten van SZW aan dat, in navolging van de (toen) voorgenomen verkorting van de Wsnp-termijn, ook de saneringstermijn in het minnelijke schuldhulptraject gehalveerd zou gaan worden, zoals gezegd zonder dat daarvoor een wetswijziging noodzakelijk zou zijn, en iets wat dus op zichzelf ook eerder en los van de Wsnp-wetswijziging zou hebben gekund.
Uitvoeringsorganisaties in schuldhulp
Deze verkorting van de schuldhulpperiode biedt sneller perspectief voor hulpvragers en stimuleert mensen met problematische schulden om eerder de stap naar schuldhulp te zetten, zo is de verwachting van de bewindslieden. Daar zijn schuldeisers uiteindelijk ook bij gebaat, aldus de NVVK, omdat de ontstane schulden lager zullen zijn (minder langdurig opgelopen, ook met rente en incassokosten) en daarmee makkelijker te regelen, zo is de veronderstelling. Juist in de situatie van een verkorte schuldhulptermijn – waarin mensen sneller weer op eigen benen staan zonder een problematische schuldensituatie – is wel tevens een goede nazorg en begeleiding door gemeenten essentieel voor een duurzame schuldenoplossing, aldus de koepelorganisatie NVVK. Een snellere schuldenregeling zou natuurlijk op zichzelf ook lichtvaardiger gedrag bij debiteuren in de hand kunnen werken. Schuldeisers zijn hier ook niet gerust op. De halvering van de aflossingsperiode gaat in principe ten koste van hun opbrengst op de uitstaande vorderingen. Nog niet alle betrokken instellingen zullen op 1 juli 2023 de werkwijze in het snellere traject volledig aangepast hebben, maar aan de schuldeisers wordt kenbaar gemaakt dat voor schuldregelingen die na 1 juli 2023 starten de aflosperiode na 18 maanden zal worden beëindigd. De verwachting bestaat dat de schuldhulpverlenende organisaties - ondanks de geldende gemeentelijke beleidsautonomie - in het belang van hun cliënten/burgers gevolg zullen geven aan de aanbevolen beleidslijn van termijnverkorting.
Aantal minnelijke schuldregelingen sinds wetswijziging nog niet toegenomen
De gemeentelijke 'Monitor schuldhulpverlening in onzekere tijden' geeft inzicht in de schuldhulpverleningscijfers van juli, augustus en september 2023, de eerste periode waarin de wetswijziging van kracht is. Vooralsnog is een toename niet zichtbaar bij de 120 gemeenten die meedoen aan deze monitor. Het aantal gestarte schuldregelingen is in het derde kwartaal van 2023 nog niet gestegen. In vergelijking met dezelfde periode in 2022 ligt het aantal schuldregelingen zelfs lager. In de maanden voor 1 juli 2023 bleek juist een afname van het aantal gestarte schuldregelingen. Gemeenten zouden toen schuldregelingen hebben uitgesteld, zodat zij deze mensen na 1 juli konden helpen om sneller van hun schulden af te komen. Het verwachte effect van de nieuwe wet blijft dus vooralsnog uit. Wel hebben zich in het derde kwartaal van 2023 bijna een kwart meer mensen aangemeld voor schuldhulpverlening ten opzichte van het tweede kwartaal. Uit de monitor blijkt dat het aantal aanvragen nagenoeg op hetzelfde niveau ligt als in dezelfde periode vorig jaar. Divosa en de NVVK publiceren elk kwartaal de Monitor schuldhulpverlening in onzekere tijden. De monitor geeft een actueel beeld van de ontwikkeling van het aantal aanmeldingen voor schuldhulpverlening en het aantal gestarte en niet tot stand gekomen schuldregelingen.
Vergoedingenstructuur bewindvoering sluit niet meer goed aan op nieuwe stelsel
Het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering is een algemene maatregel van bestuur (Stb. 2013, 308) die vormgeeft aan een vergoedingsstructuur voor bewindvoerders in de Wsnp. Deze structuur gaat – sinds de inwerkingtreding op 1 oktober 2013 - uit van de berekening van een totale vergoeding voor de bewindvoerder, die dekkend is voor alle werkzaamheden die hij tijdens de schuldsaneringsregeling heeft verricht en die volledig (bij voorrang) uit de boedel wordt voldaan, voor zover de hoogte van de boedel dit toelaat. De vergoeding bestaat uit een vast, looptijdonafhankelijk bedrag (LOB) en een maandelijks, looptijdafhankelijk bedrag (LAB). De vergoeding van de bewindvoerder wordt aangevuld met een subsidie, indien de boedel niet genoeg baten bevat om daaruit de gehele vergoeding van de bewindvoerder te betalen. In het wettelijke stelsel ontvangen Wsnp-bewindvoerders voor hun werkzaamheden een vergoeding op basis van artikel 320 lid 6 Faillissementswet en het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering van 16 juli 2013 (Stb. 2013, 308). Deze vergoeding wordt jaarlijks geïndexeerd (art. 2, vijfde lid, van het Besluit) en beoogt dekkend te zijn voor alle werkzaamheden die een bewindvoerder tijdens de schuldsaneringsregeling verricht. De vergoeding wordt volledig (bij voorrang, als boedelschuld) uit de boedel voldaan, voor zover de hoogte van de boedel dit toelaat. De rechtbank controleert de berekende vergoeding en stelt het salaris vast. Het salaris kan niet hoger zijn dan het boedelactief. In het geval de vergoeding waar de bewindvoerder recht op heeft het boedelactief overschrijdt, wordt het salaris op het aanwezige boedelactief vastgesteld en krijgt de Wsnp-bewindvoerder een subsidie uitgekeerd door de Raad voor Rechtsbijstand voor het overige, dus voor het verschil tussen de vergoeding en het salaris. De subsidie wordt vooraf uitgekeerd door middel van een voorschot. De definitieve vergoeding wordt aan het einde van de schuldsaneringsregeling (met of zonder het bereiken van een schone lei voor de debiteur) aan de Wsnp-bewindvoerder uitgekeerd, en zo nodig verrekend met het voorschot.
Een gewijzigde AMvB
Met terugwerkende kracht tot 1 juli 2023 is in werking getreden het Besluit tot wijziging van de vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Besluit van 8 december 2023 tot wijziging van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering, in verband met de invoering van de Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Stb. 2023, 87). Wettelijke grondslagen zijn artikel 320, zesde lid, van de Faillissementswet en artikel 3 en 4 van de Kaderwet overige justitiesubsidies. De Raad van State adviseerde hierover op 15 november 2023, welk advies werd beantwoord bij nader rapport van de Minister voor Rechtsbescherming van 4 december 2023. Het wijzigingsbesluit werd gepubliceerd in Staatsblad 14 december 2023, 466. De voormalige deelgrondslag van de AMvB (artikel 48d, eerste lid van de Wet Justitie-subsidies) is vervangen door artikel 3 en 4 van de Kaderwet overige JenV-subsidies. Kernboodschap is dat alle bedragen van de diverse Wsnp-bewindvoeringsvergoedingen substantieel worden opgehoogd, gezien de korter geworden (gehalveerde) termijn van de schuldsaneringsprocedure, en nog los van de jaarlijkse indexering. Op schuldsaneringsprocedures die zijn gestart vóór 1 juli 2023, alsmede op de uitvoering daarvan, blijft het vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit geldende recht van toepassing.
Eerdere ingangsdatum
Doordat het minnelijke schuldhulptraject voortaan kan meetellen voor de duur van een Wsnp-traject heeft de wetgever bepaald dat de Wsnp niet alleen kan aanvangen op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, maar ook op: «de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerst lid, onder f, indien die dag eerder is gelegen.» (art. 349a, eerste lid, Fw). Dit betekent dat de standaardduur van anderhalf jaar reeds kan gaan gelden als een schuldenaar tijdens het buitengerechtelijke traject al is begonnen met aflossen, waardoor de periode dat een schuldenaar in de Wsnp zal verblijven nog korter wordt dan de nieuwe kortere periode van 18 maanden. Bij het laten meetellen van de aflosperiode in het buitengerechtelijke traject voor de duur van een Wsnp-traject zal de rechter naar verwachting gaan toetsen of in het voorafgaande buitengerechtelijke traject volledig is voldaan aan de Wsnp-verplichtingen. Hoe dit exact in de rechtspraktijk zal gaan uitpakken is nog niet uitgekristalliseerd. Ook denkbaar is dat andere feiten en omstandigheden zullen gaan meewegen bij de beoordeling of op grond van de gedane minnelijke inspanningen de duur van het buitengerechtelijke traject (geheel of gedeeltelijk) kan meetellen voor de duur van de schuldsaneringsprocedure. Bijvoorbeeld of de gedane aflossingen ten goede zijn gekomen niet slechts aan één schuldeiser, meestal via een loonbeslag, maar aan alle gezamenlijke schuldeisers, net als in een faillissements- of schuldsaneringssituatie (paritas creditorum).
Gerechtshof Den Haag stelt prejudiciële vragen over termijn Wsnp in relatie tot Wgs-minnelijk schuldhulptraject
Welke maatstaven moeten nu worden gesteld aan de kwaliteit van het schuldhulpverleningstraject, wil sprake kunnen zijn van Wsnp-termijnreductie ? Het gerechtshof Den Haag heeft eind 2023 in een uitspraak prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad (Gerechtshof Den Haag 22 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2606). Het hof wil weten hoe de nieuwe wettelijke regels over de duur van de schuldsaneringsregeling (art. 349a Fw) moeten worden uitgelegd. Dus de mogelijkheid voor de schuldenaar/verzoeker om een eerder gelegen ingangsdatum te verkrijgen, vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling. Hieromtrent zijn sinds de wetswijziging van 1 juli 2023 door rechtbanken verschillende uitspraken gedaan en dat geeft rechtsonzekerheid. Welke concrete vragen werden door het gerechtshof geformuleerd ? Allereerst: Wat dient te worden verstaan onder ‘eerste aflossing’, ‘in het kader van’ en ‘buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f’ in artikel 349a lid 1 Fw? Is de rechter bevoegd om, bij de toepassing van artikel 349a lid 1 Fw, voor de termijn van de schuldsaneringsregeling in beginsel slechts die periode voorafgaand aan zijn uitspraak in aanmerking te nemen waarin de schuldenaar:
i) heeft voldaan aan een inspanningsplicht om ten behoeve van de boedel zoveel mogelijk baten te verwerven (alsof de wettelijke schuldsaneringsregeling die periode al van toepassing was), en
ii) uit zijn inkomen dan wel heeft gespaard ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers: alles wat niet diende of zou plegen te worden vrijgelaten als de wettelijke schuldsaneringsregeling in die periode al van toepassing was geweest en daarbij de voorwaarde te stellen dat het gespaarde daadwerkelijk aan de boedel wordt afgedragen ?
Besluit van 8 december 2023 (Staatsblad 14 december 2023, 466) tot wijziging van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering, in verband met de invoering van de Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Stb. 2023, 87). Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering van 16 juli 2013 (Stb. 2013, 308).
Eerste ervaringen met nieuwe Wsnp
De eerste ervaringen met de gewijzigde wet sinds 1 juli 2023 zijn inmiddels opgetekend door de Raad voor rechtsbijstand te Den Bosch. Er is over de eerste maand onder het nieuwe regime (juli 2023) een flink aantal uitgesproken schuldsaneringsprocedures te zien. In de maand Januari 2023 waren het nog in totaal 127 zaken, in Februari waren het 139 zaken, in Maart 151 zaken, in April 136 zaken en in Mei in totaal 109 zaken. Toen kwam het officiële bericht van de Minister dat de wetswijziging reeds per 1 juli 2023 in werking zou treden (Brief aan de Tweede Kamer d.d. 26 mei 2023, TK 2022-2023, 35 915, nr. 31). In de maand Juni zakte het aantal door de rechter uitgesproken schuldsaneringszaken landelijk in tot slechts 4 (!) zaken. Deze enorme terugval in de instroom was te verwachten. Want vanaf Mei was bekend dat nog heel even wachten met de indiening van het Wsnp-verzoek de verzoeker bij toelating een halvering van de looptijd zou opleveren. Deze flinke demping is over de eerste maand met de nieuwe wettelijke regels (Juli 2023) weer gecompenseerd doordat landelijk in totaal 260 Wsnp-zaken zijn uitgesproken door de rechter. In feite is dit Juli-aantal precies het dubbele van het normale maandquotum eerste helft 2023, dus alsnog met “de ontbrekende Juni-zaken”. Dus van een sterke toename lijkt nu nog geen sprake. De invloed van de wijzigingswet op het minnelijk schuldhulpverleningstraject (waar gemeentelijke beleidsautonomie blijft bestaan) is sowieso nog enige tijd ongewis. De maand Augustus 2023 gaf in totaal 173 zaken te zien, en de maand September 2023 in totaal 174 zaken, en de maand Oktober 2023 zelfs 215 zaken: dat duidt wel op een lichte stijging.
Nog geen gevolgen voor het schuldenbewind van Boek 1 BW
Het inkorten van de looptijd van schuldhulp- en schuldsaneringstrajecten leidt vooralsnog niet tot een verkorting van de termijn van de schuldenbewinden. Tot deze conclusie komt de landelijke expertgroep Curatele, Bewind en Mentorschap (CBM), een overlegorgaan van kantonrechters. Na beraad met de brancheverenigingen is besloten de termijn voorlopig op vijf jaar te houden. Onderdeel van de vernieuwde Wsnp is het inkorten van de looptijd van drie naar anderhalf jaar. De wetswijziging zorgde echter ook voor de vraag of dit ook moest leiden tot een verkorting van de termijn van schuldenbewinden. De landelijke expertgroep CBM wil de reguliere vijfjaarstermijn van schuldenbewinden handhaven. Dit omdat nog onvoldoende duidelijk is hoe de wetswijziging in de praktijk zal uitwerken. Totdat hierover meer duidelijkheid bestaat, zijn er voor de kantonrechters voldoende mogelijkheden om toezicht te houden op het verloop van het schuldenbewind, aldus de expertgroep CBM: indien nodig kan de kantonrechter ingrijpen, bijvoorbeeld bij de driejaars-evaluatie of de controle van de jaarlijkse rekening- en verantwoording. Daarnaast hebben de betrokkene en de bewindvoerder de mogelijkheid om aan de kantonrechter te vragen om opheffing van de maatregel. Het besluit is tot stand gekomen na gesprekken met de brancheverenigingen. De expertgroep CBM overlegt regelmatig met deze koepelorganisaties. In januari 2024 wordt opnieuw bekeken of het gewenst is om de termijn van het schuldenbewind te verkorten.
Wet van 10 februari 2023 tot Wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wet schuldsanering natuurlijke personen, Staatsblad 2023, 87. Inwerkingtredingsbesluit: Stb. 2023, 175. Deze belangrijke wijzigingswet heeft geleid tot aanpassingen in artikel 285 Fw (buitengerechtelijk voortraject niet altijd meer noodzakelijk), in artikel 288 Fw (versoepelingen in het vereiste van goede trouw bij de verzoeker voor de toelatingstoets, namelijk van een vijf jaar antecedentenonderzoek terug naar drie jaren, en Wsnp-recidive wordt ook binnen tien jaar mogelijk) en in artikel 349a Fw (halvering van de standaard-termijn voor de schuldsaneringsprocedure). Wetsvoorstel d.d. 21 september 2021, met memorie van toelichting (TK 2021 – 2022, 35 915, nrs. 1-3). Op schuldsaneringsprocedures die zijn gestart vóór 1 juli 2023, alsmede op de uitvoering daarvan, blijft het vóór het tijdstip van inwerkingtreding geldende recht van toepassing. Gewijzigde lagere regelgeving (AMvB) is ook per 1 juli 2023 in werking getreden (met terugwerkende kracht), te weten het Besluit van 8 december 2023 (Staatsblad 14 december 2023, 466) tot wijziging van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering van 16 juli 2013 (Stb. 2013, 308), met wettelijke grondslagen in artikel 320, zesde lid, Faillissementswet en artikel 3 en 4 Kaderwet overige justitiesubsidies. Kernboodschap is dat alle bedragen van de diverse bewindvoeringsvergoedingen substantieel worden opgehoogd, gezien de korter geworden (gehalveerde) termijn van de schuldsaneringsprocedure, los van de jaarlijkse indexering.
Vrij te laten bedrag (VTLB) geldt in minnelijke en in wettelijke traject
Iemand waar de Wsnp op van toepassing is, behoudt een deel van zijn inkomen ‑ het vrij te laten bedrag (hierna: vtlb). De rest vloeit in de boedel ten behoeve van de aflossing aan de schuldeisers. Met het vtlb voorziet de schuldenaar in zijn/haar vaste lasten en het levensonderhoud. De Wsnp-bewindvoerder of de schuldhulpverlener berekent het vtlb. Het in het minnelijke en in het wettelijke traject gezaghebbende vtlb-rapport wordt door de Raad voor rechtsbijstand ieder half jaar geactualiseerd en legt uit hoe het vtlb op een uniforme wijze berekend moet worden. De documenten zijn te raadplegen op de website van de Raad voor Rechtsbijstand (www.bureauwsnp.nl). Bij de berekening van het rapport maakt de bewindvoerder of de schuldhulpverlener, naast het vtlb-rapport zelf , gebruik van de vtlb-calculator, de handleiding vtlb-berekening, en mogelijk ook de tool Berekening inkomen partner onbekend en de handleiding van deze tool. De vtlb-calculator en het vtlb-rapport van januari 2024 zijn onlangs beschikbaar gekomen. Het gaat hier om een halfjaarlijkse actualisering van het rapport. In de calculator zijn de normen aangepast en verder is een aantal wijzigingen doorgevoerd.
Wanneer een persoon wordt toegelaten tot de Wsnp, valt in principe al het inkomen boven de beslagvrije voet in de boedel (artikel 295 Fw). De leden twee en drie van dit artikel bepalen dat de schuldenaar van zijn inkomsten de beslagvrije voet mag behouden, evenals een door de rechter-commissaris vastgesteld nominaal bedrag. Dit betekent dat al het inkomen in de boedel valt op enkele, in het rapport genoemde, uitzonderingen na. Ook inkomensbestanddelen waarvoor een zo genoemd beslagverbod geldt, vallen in de boedel. Het is dus niet zo dat die inkomsten bovenop het berekende vtlb door de schuldenaar mogen worden behouden; die inkomsten worden geacht deel uit te maken van het inkomen waarvan alleen het vtlb behouden mag worden. Of dit nominale bedrag werd vastgesteld en zo ja, hoe hoog, werd overgelaten aan het beleid van de rechter-commissaris. Dit hield in dat in het verleden de berekening van het vtlb per rechtbank kon verschillen met rechtsongelijkheid, onduidelijkheid bij betrokken instanties (schuldhulpverleners, bewindvoerders, etc.) en tijdrovende berekeningen als gevolg. Om hier meer eenheid in te brengen is de Werkgroep Rekenmethode samengesteld. De rekenmethode zoals beschreven in dit rapport wordt gevolgd door alle rechtbanken (Recofa) en schuldhulpinstellingen die lid zijn van de NVVK. Elk half jaar per 1 januari en per 1 juli zijn er wijzigingen als gevolg van de actuele ontwikkelingen onder andere in de sociale zekerheidswetgeving, de huur en de belastingen.
Besluiten werkgroep Vtlb afdracht vakantiegeld en gebruik basishuur
Per 1 juli 2023 is de standaardtermijn van de schuldsaneringsregeling (via de Wsnp-wijzigingswet van Stb. 2023, 87) in het wettelijke en ook in het minnelijk traject gewijzigd van 36 naar 18 maanden. Voor schuldenaren die hun vakantiegeld eenmaal per jaar uitbetaald krijgen, valt deze uitbetaling dan één of twee keer in de regeling, afhankelijk van de maand van toelating. Hetzelfde geldt voor schuldenaren die een eindejaarsuitkering in december ontvangen.
De werkgroep Vtlb van Bureau Wsnp van de Raad voor rechtsbijstand heeft het besluit genomen dat bij een looptijd van 18 maanden voor de afdracht wordt uitgegaan van 18 maal het inkomen exclusief vakantiegeld en 18 maal het opgebouwde vakantiegeld en – indien van toepassing - de opgebouwde eindejaarsuitkering. De bewindvoerder of schuldhulpverlener dient dit aldus te berekenen. Op deze wijze maakt het niet uit wanneer iemand precies is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en of er sprake is van inkomen inclusief vakantiegeld of inkomen met afzonderlijk vakantiegeld.
Beschikbaarheid Vtlb-calculator en handleiding voor berekenen vtlb
Voor het gebruik van de vtlb-calculator en het controleren van de uitdraai is een handleiding opgesteld. Net als het vtlb-rapport vindt men de handleiding op de website van Bureau Wsnp. In de handleiding staat extra uitleg over de boedelafdracht bij regelingen gestart vóór 1 juli 2023 en bij regelingen gestart vanaf 1 juli 2023. Voor de herberekeningen blijven oudere versies van de calculator beschikbaar. Bij het maken van een herberekening over een voorgaande periode moet ook een eerdere calculator worden gebruikt.
Basisbankrekening: Wet op het Financieel Toezicht
Basisbankrekening
Een ander uitgesteld onderdeel van de Wgs is artikel 11: het recht op een basisbankrekening. Deze bepaling bracht een aantal veranderingen aan in de Wet op het Financieel Toezicht. Artikel 11 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening heeft betrekking op het openen van een basisbankrekening door personen die om gemeentelijke schuldhulpverlening hebben verzocht. Dit artikel kon met ingang van 1 juli 2012 nog niet inwerkingtreden, omdat voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit artikel nog een nadere wijziging van de Wet op het financieel toezicht noodzakelijk was. Dit om te voorkomen dat banken die geen betaalrekeningen aan consumenten aanbieden onbedoeld ook verplicht zouden kunnen worden om basisbankrekeningen te verstrekken. Deze wijzigingen traden in werking per.1 juli 2013 (Stb. 2013, 239). De wijzigingen (A t/m D) luidden als volgt:
A. In artikel 1:1 wordt na de definitie van «bank» ingevoegd: basisbankrekening: een betaalrekening, met inbegrip van bijbehorend betaalinstrument, waarbij debetstand niet mogelijk is.
B. Na artikel 4:71e wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 4.3.1.8 Basisbankrekening
Artikel 4:71f
Een bank verstrekt een basisbankrekening aan de aanvrager ervan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:
de aanvrager van de basisbankrekening is een verzoeker in de zin van artikel 1 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening die door het college op grond van artikel 7, eerste lid, van die wet is verplicht medewerking te verlenen om een basisbankrekening te openen;
de aanvrager van de basisbankrekening is niet bij een andere bank in het bezit van een basisbankrekening of heeft niet bij een andere bank een aanvraag voor een basisbankrekening lopen;
de aanvrager wendt zich indien hij bij een of meer banken een betaalrekening heeft, niet tot een andere bank dan waarbij hij een betaalrekening heeft;
de aanvrager stemt in met het verstrekken van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nader te bepalen informatie aan de door hem aangezochte bank.
Artikel 4:71g
De ingevolge artikel 4:71f aangezochte bank kan het contract met de houder van de basisbankrekening opzeggen of de aanvraag tot een basisbankrekening weigeren indien de aanvrager of houder van de basisbankrekening:
onherroepelijk veroordeeld is voor een misdrijf als bedoeld in de artikelen 225, 227a, 326, 341, 420 bis of 420 ter van het Wetboek van strafrecht, of
onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt bij de aanvraag als bedoeld in artikel 4:71f.
Indien de aanvraag tot opening van een basisbankrekening is geweigerd dan wel de rekening is opgezegd, kan een persoon die is vrijgesteld op grond van artikel 3:5, derde lid, of een persoon die een ontheffing heeft verkregen op grond van artikel 3:5, vierde lid, ten behoeve van de verzoeker in de zin van artikel 1 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, een basisbankrekening verkrijgen waarover hij bij uitsluiting van anderen gemachtigd is het beheer te voeren.
C. In de bijlage bij artikel 1:79 wordt in numerieke volgorde in het deel Gedragstoezicht, ingevoegd: 4:71f, eerste lid.
D. In de bijlage bij artikel 1:80 wordt in numerieke volgorde in het deel Gedragstoezicht, ingevoegd: 4:71f, eerste lid.