De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/17.9:17.9 Conclusie Hartkamp schrijft:
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/17.9
17.9 Conclusie Hartkamp schrijft:
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS367796:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp 4-1, nr. 680.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
"De wetgever heeft (...) de stuiting aanzienlijk vereenvoudigd vergeleken met het oude recht. In de praktijk zal hierdoor het voor de schuldenaar in de korte verjaringstermijnen van de art. 3:307 e.v. gelegen voordeel mijns inziens weer grotendeels verloren gaan."1
De strekking van dit hoofdstuk is met die opvatting vergelijkbaar. Het enkele voorbehoud van recht (art. 3:317 BW) is een al te gratuite handeling om stuitende werking aan toe te kennen. Het belang van de debiteur vordert dat de crediteur zijn recht binnen de verjaringstermijn ook werkelijk najaagt, «wel door te onderhandelen, «wel door een procedure te beginnen. In het verlengde hiervan ligt mijn opvatting dat het gevolg van stuiting niet moet zijn dat een nieuwe termijn begint te lopen, maar dat de klok slechts wordt stilgezet gedurende de periode waarin de crediteur actief bezig is zijn vordering te innen.
In dit hoofdstuk werd verder op wat meer praktisch niveau geconcludeerd dat (i) de bewoordingen van art. 3:317 BW aanpassing behoeven, dat (ii) het geen aanbeveling lijkt te verdienen ons kernachtige criterium "iedere andere daad van rechtsvervolging" uit art. 3:316 BW naar Duits voorbeeld te verruilen voor een lange opsomming van stuitende daden van rechtsvervolging en dat (iii) de huidige stuitingsregeling voldoende mogelijkheden biedt om aan onderhandelingen stuitende werking toe te kennen.