Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.4.7.6
6.4.7.6 Vormverzuimen
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS462084:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Hof Den Haag 28 april 2000 (ECLI:NL:GHSGR:2000:AV7084; V-N 2000/41.4) verminderde een vergrijpboete van 50% naar 45%. Hof Den Bosch ging verder en vernietigde de boetebeschikking (Hof Den Bosch 4 juli 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AI0474). Zie echter ook Hoge Raad 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3105 (BNB 2005/40, met noot Feteris) en Hoge Raad 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1175; BNB 2017/172, met noot Pechler).
Vgl. Rechtbank Den Haag 30 juni 2011, ECLI:NL:RBDHA:2011:BR2435 en Hof Den Haag 23 december 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:3784, r.o. 7.12). Zie ook De Kleer 2007, TFB 2007/02.
Hoge Raad 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1379 (BNB 2005/39, met noot Feteris) en Hoge Raad 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3105 (BNB 2005/40, met noot Feteris).
Althans voor zover deze overschrijding – naar ik aanneem – samenhangt met het voorbereidende onderzoek. Zie Kamerstukken II, vergaderjaar 1993-1994, 23 705, nr. 3, p. 3 en 25.
Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533 (NJ 2004, 376, met noot Buruma) en aanvullend m.b.t. bewijsuitsluiting: Hoge Raad 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321/BY5322 (NJ 2013, 308, met noot Keulen). Recent: Hoge Raad 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2768.
Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643 (BNB 2015/173, met noot De Bont).
Omschrijving
Bij het opleggen van een bestuurlijke boete worden soms fouten gemaakt. Voorbeelden van dergelijke vormverzuimen zijn het vermelden van verkeerde verwijzingen naar wets- of beleidsbepalingen, het niet versturen van een kennisgeving (rapport),1 een onjuiste of onvolledige rechtsmiddelenverwijzing of misslagen voorafgaand of tijdens de hoorprocedure.2
Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel 23 470 (zie hoofdstuk 2, onderdeel 2.10.3) is de staatssecretaris ingegaan op de gevolgen van schendingen van vormvoorschriften voor de hoogte van de boete. Daarbij betoogde hij onder meer dat de “rechter […] in een voorkomend geval aan het niet in acht nemen van bepaalde voorschriften de gevolgen [kan] verbinden die in die situatie gepast zijn. Dat gevolg kan zijn vermindering van de boeteoplegging of zelfs, in het uiterste geval, vernietiging van de boetebeschikking”. Daaraan voegde hij toe dat deze “opzet […] niet anders [is] dan die in het strafrecht.”3
Doel; schadevergoeding
De strafwet kent in artikel 359a Sv (zie hierna) een regeling voor strafvermindering bij vormverzuimen. Het doel van de strafvermindering volgt uit de tekst van de wettelijke regeling zelf, namelijk de compensatie van het ‘door het verzuim veroorzaakte nadeel’ (zie lid 1, letter a van artikel 359a Sv). Het doel is derhalve het vergoeden van de schade die door de betrokkene is geleden. Deze doelstelling ligt naar mijn mening eveneens ten grondslag aan de boetematiging in het fiscale bestuurlijke boeterecht.
Waardering en weging
Als algemeen vertrekpunt voor het waarderen van de te vergoeden schade kan uitgegaan worden van het nadeel dat de belastingplichtige heeft ondervonden tijdens zijn verdediging.4 De omvang van dit nadeel zal veelal sterk afhangen van het specifieke vormverzuim. Zo zal het vermelden van een onjuist wetsartikel, terwijl uit de overige communicatie de verwijtbare gedraging overduidelijk blijkt, beduidend minder problemen voor de verdediging opleveren dan het achterwege laten van (het uitnodigen tot) een hoorsessie. Overigens is er te weinig rechtspraak om een uitspraak omtrent de weging en waardering van deze matigingsgrond te kunnen doen.
Strafrecht
Zoals gezegd, kent het Wetboek van Strafrecht een specifieke bepaling voor strafvermindering bij vormverzuimen: artikel 359a, lid 1, letter a Sv. Deze bepaling luidt als volgt: ‘De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidende onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat […] de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd’. Daarbij zal rekening moeten worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het vormverzuim en het nadeel dat werd veroorzaakt (artikel 359a, lid 2 Sv).
Uit de fiscale rechtspraak valt niet eenduidig op te maken of aandacht wordt besteed aan de factoren ‘het belang van de geschonden norm’ en ‘de ernst van het verzuim’. Hoewel ik denk dat deze factoren veelal in de beoordeling van de veroorzaakte schade zullen worden meegenomen, zou het naar mijn mening de rechtszekerheid ten goede komen als dit meer expliciet zou gebeuren.
In de Memorie van Toelichting op de wet Vormverzuimen werd de overschrijding van de redelijke termijn als voorbeeld van een vormverzuim gegeven.5 Daarbij werd er tevens op gewezen dat een ‘ernstige beperking van verdachtes mogelijk heden zich te verdedigen […] echter niet goed via strafverzachting kunnen worden gecompenseerd’.6 Vormverzuimen die als niet-ernstig kunnen worden betiteld, kunnen dus in aanmerking komen voor matiging; ernstige gevallen vallen buiten het bereik van genoemde matigingsbevoegdheid.
De strafkamer van de Hoge Raad heeft een tweetal overzichtsarresten gewezen over de reikwijdte van artikel 359a Sv.7 In het eerste overzichtsarrest van 30 juni 2004 formuleerde de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.6.3 de volgende uitgangspunten specifiek voor strafvermindering bij vormverzuimen:
“Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt op grond van het bovenstaande slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.”
In het tweede overzichtsarrest van 1 oktober 2004 gaat de Hoge Raad nader in op een ander mogelijk gevolg van een vormverzuim: bewijsuitsluiting. Vrij recent heeft de belastingkamer van de Hoge Raad over dit onderwerp aansluiting gezocht bij de visie van de strafkamer.8 Ik kan mij voorstellen dat de belastingkamer binnen afzienbare tijd ook voor boetematiging bij vormverzuimen te rade gaat bij de strafkamer.