Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810
Rb. Rotterdam, 20-12-2024, nr. 11153945 CV EXPL 24-14792
ECLI:NL:RBROT:2024:13140
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
20-12-2024
- Zaaknummer
11153945 CV EXPL 24-14792
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2024:13140, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 20‑12‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 20‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Huurachterstand. Ontbinding en ontruiming toegewezen. Belangenafweging. Incassokosten afgewezen, vanwege oneerlijk incassokostenbeding.
Partij(en)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11153945 CV EXPL 24-14792
datum uitspraak: 20 december 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Maasdelta Groep,
vestigingsplaats: Spijkenisse, gemeente Nissewaard,
eiseres,
gemachtigde: mr. F. Ackermans,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: Maassluis ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
Partijen worden hierna “Maasdelta” respectievelijk “ [gedaagde] ” genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- -
de dagvaarding van 6 juni 2024, met bijlagen;
- -
het antwoord van 18 juni 2024.
- -
de brief van Maasdelta van 6 november 2024, met bijlage.
1.2.
Op 19 november 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren namens Maasdelta mevrouw [persoon A] (senior woonconsulent) en mevrouw [persoon B] (medewerker incasso) aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde] is (een kwartier na aanvang van de mondelinge behandeling) in persoon verschenen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurde tot en met november 2023 de woning van Maasdelta aan de [adres 1] te Maassluis . Vervolgens is een huurovereenkomst gesloten tussen [gedaagde] en Maasdelta voor de woning aan [adres 2] te Maassluis . De huur voor deze laatste woning is sinds 1 juli 2024 € 723,49 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. [gedaagde] heeft de huur voor de woning aan de [adres 1] over november 2023 nog niet volledig betaald. Er is ook een huurachterstand ontstaan na het sluiten van de huurovereenkomst voor de woning aan [adres 2] te Maassluis. Maasdelta eist dat [gedaagde] de huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. [gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen en de woning verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 8.670,82 betalen
2.2.
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 8.670,82 aan Maasdelta te betalen. De partijen zijn het er namelijk over eens dat dit de huurachterstand was op het moment van de zitting. De huur tot en met de maand november 2024 zit hier dus bij.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.3.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden.1.
2.4.
Ter zitting is besproken dat [gedaagde] in de woning woont met zijn partner en twee minderjarige kinderen. De kantonrechter moet op grond van artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) de belangen van het kind bij het behoud van de woning als eerste betrekken. De ontruiming van de woning met minderjarige kinderen is namelijk een ingrijpende maatregel voor de kinderen. De kantonrechter ontbindt de huurovereenkomst wel, maar zal [gedaagde] een ruimere termijn geven om te ontruimen dan door Maasdelta is gevraagd. De kantonrechter vindt dat deze beslissing recht doet aan de belangen van de kinderen. Het geeft [gedaagde] voldoende tijd om – met hulpverlening – onderdak voor de kinderen te regelen. De kantonrechter komt tot deze afweging op grond van de volgende omstandigheden.
2.5.
[gedaagde] heeft sinds augustus 2024 een baan, maar de huurachterstand blijft toch oplopen. Uit de stukken en de verklaring van [gedaagde] ter zitting blijkt niet dat de maandelijkse huurbetalingen worden voldaan, waardoor de huurachterstand blijft oplopen. Omdat [gedaagde] al een jaar geen huur heeft betaald, weegt het belang van Maasdelta om de huurovereenkomst te beëindigen zwaarder dan dat van [gedaagde] en het gezin om in de woning te kunnen blijven wonen. Daarom wordt de huurovereenkomst door de kantonrechter ontbonden.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.6.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Omwille van het belang van de kinderen (het vinden van een nieuw dak boven hun hoofd), wordt de ontruimingstermijn op drie maanden na betekening van dit vonnis gesteld. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 723,49 per maand betalen (artikel 7:225 BW). Maasdelta heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] een vergoeding moet betalen voor de rest van die maand. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen
2.7.
De kantonrechter moet ook ambtshalve beoordelen of de bepalingen in de huurovereenkomst en de algemene bepalingen oneerlijk zijn. Artikel 15 van de algemene huurvoorwaarden en artikel 8 van de huurovereenkomst zijn oneerlijk. Hieronder wordt dit toegelicht.
2.8.
In artikel 15 van de algemene huurvoorwaarden is de volgende bepaling opgenomen:
“Artikel 15
- 1.
Indien één der partijen in verzuim is met de nakoming van enige verplichting, welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op hem rust en daardoor door de andere partij gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen worden genomen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij.
- 2.
De ingevolge dit artikel door de ene partij aan de andere partij te betalen buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd op het moment dat de ene partij zijn vordering op de ander uit handen geeft. Partijen zijn hiertoe gerechtigd na verzuim van de wederpartij.”
In artikel 8 van de huurovereenkomst is ook een incassokostenbeding opgenomen:
“Artikel 8 ‘Nakoming; buitengerechtelijke kosten en administratiekosten’
8.1
Per 1 juli 2018 wordt bij huurachterstand de Wet Normering Buitengerechtelijke Incassokosten door Maasdelta gehanteerd.
8.2
Alle buitengerechtelijke kosten (inclusief eventueel verschuldigde omzetbelasting) die huurder of verhuurder maakt ingeval de wederpartij zijn verplichtingen niet nakomt, zijn voor rekening van de tekortkomende partij.”
2.9.
De onder 2.8 benoemde bepalingen wijken in het nadeel van de consument af van de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW) of wekken die indruk. Een bepaling die de handelaar (in dit geval Maasdelta) recht geeft op buitengerechtelijke kosten is op zich toegestaan, maar de bepaling mag de handelaar geen recht geven op een hoger bedrag dan is toegestaan op grond van de wet. In artikel 15 van de algemene huurvoorwaarden is opgenomen dat alle buitengerechtelijke kosten op de huurder verhaald kunnen worden. In artikel 8 van de huurovereenkomst benoemt Maasdelta wel de wet, maar uit de bepaling blijkt onvoldoende duidelijk dat met ‘alle buitengerechtelijke kosten’ wordt bedoeld dat enkel de buitengerechtelijke kosten op grond van de Wet Normering Buitengerechtelijke Incassokosten kunnen worden verhaald op de huurder. Omdat beide bepalingen Maasdelta recht kunnen geven op een hoger bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten dan is toegestaan op grond van de wet, worden artikel 15 van de algemene huurvoorwaarden en artikel 8 van de huurovereenkomst vernietigd.
2.10.
Het hof heeft beslist dat de rechter een oneerlijke bepaling niet mag wijzigen in een eerlijke bepaling en ook geen aanvullend recht mag toepassen.2.De gevolgen van oneerlijkheid kunnen daarom ook niet (deels) buiten toepassing worden gelaten, omdat die gevolgen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zouden zijn. Het doel van de richtlijn is namelijk dat oneerlijke bepalingen uit overeenkomsten verdwijnen en om dat doel te bereiken moeten de sancties uit de richtlijn afschrikkend zijn.
2.11.
Maasdelta voert aan dat zij geen beroep heeft gedaan op de bepalingen in de algemene huurvoorwaarden en de huurovereenkomst. Nu het hof heeft geoordeeld dat het terugvallen op wettelijke regels bij de vernietiging van een oneerlijk beding niet mogelijk is, wordt de vordering van Maasdelta voor de incassokosten afgewezen.
Verder geen oneerlijke bepalingen
2.12.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet rente betalen
2.13.
De rente wordt toegewezen, omdat Maasdelta genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.14.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Maasdelta moet betalen op € 136,72 aan dagvaardingskosten, € 496,00 aan griffierecht, € 678,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.445,72. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Maasdelta dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Maasdelta te betalen € 8.670,82 met:
- -
de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 4.376,19 vanaf 6 juni 2024 tot de dag dat volledig is betaald en;
- -
de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de vanaf 1 juni 2024 verschuldigde huurbedragen, steeds vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden nadat dit vonnis is betekend de woning aan [adres 2] in Maassluis te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Maasdelta te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 december 2024 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Maasdelta te betalen € 723,49 per maand met de verhoging die is toegestaan;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Maasdelta worden begroot op € 1.445,72;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
64363
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑12‑2024
Hof van Justitie 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341 (Asbeek Brusse) enHof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia)