De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.1:2.1 Inleiding
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702059:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit hoofdstuk besteedt aandacht aan de verschijningsvormen van de schadedeskundige. Het doel van dit hoofdstuk is om het juridische kader waarbinnen de schadedeskundigen optreden duidelijk te maken. Zoals ik in de inleiding aangaf, schets ik dat juridische kader aan de hand van de beantwoording van een aantal vragen. Die vragen luiden als volgt. Waar, dus in welke wetten en regels, komen schadedeskundigen nu eigenlijk voor? Hoe ziet het benoemingsproces er in die regelingen uit? Worden deskundigen bijvoorbeeld altijd verplicht ingeschakeld of ligt dat genuanceerder? En wat te zeggen van hun adviestaak, is die beperkt tot de beantwoording van een vooraf afgebakende onderzoeksvraag of juist niet?
Ik richt mij bij de beantwoording van de deelvragen niet alleen op de huidige verschijningsvormen van de schadedeskundigen, maar ook op de toekomstige. Dat heeft te maken met de uitdaging die bij uitstek in dit hoofdstuk speelt, namelijk dat de Omgevingswet en titel 4.5 Awb nog (steeds) niet in werking zijn getreden. In het licht van het voortdurend uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet en titel 4.5 Awb, heb ik ervoor gekozen om het oude systeem als uitgangspunt te nemen (voor de verantwoording van die keuze verwijs ik naar § 1.6.1). De veranderingen die het nieuwe systeem aanbrengt op de positie van deskundigen, worden steeds apart besproken. Ik herhaal dat ik onder het oude systeem versta de onteigeningswet en de verschillende sectorale wetten en regels op het gebied van de fysieke leefomgeving. Onder het nieuwe systeem versta ik de Omgevingswet en titel 4.5 Awb.
Vooraf merk ik (nogmaals) op dat het oude nadeelcompensatiesysteem sterk was verbrokkeld. Een beschouwing van alle relevante wetten en regelingen is daardoor niet goed mogelijk. Dat is de reden dat ik een selectie van verschillende wetten en regelingen heb gemaakt. De redenen waarom sommige regelingen de selectie hebben gehaald en andere niet, houden verband met enerzijds de praktische betekenis van die regelingen en anderzijds het belang dat deskundigenadvisering in die regelingen speelt. De gemaakte afweging zal hiernsa, bij de behandeling van iedere regeling, steeds nadrukkelijk worden aangegeven.
Dit hoofdstuk is als volgt opgebouwd. In § 2.2 wordt de inzet van deskundigen in de onteigeningswet besproken. Ook de onteigeningswet gaat op in de Omgevingswet, maar de regels omtrent deskundigen blijven op hoofdlijnen ongewijzigd. In § 2.3 volgt een selectie van de oude nadeelcompensatieregelingen. Die selectie bestaat uit wetten in formele zin, uit regels – niet zijnde wetten in formele zin – op Rijksniveau en uit decentrale regels. Tenslotte volgt in § 2.4 een conclusie en een vooruitblik. Opmerking verdient nog dat dit hoofdstuk veelal beschrijvend van aard is. Daar bedoel ik mee dat mijn eigen evaluaties zo veel mogelijk gereserveerd blijven voor hoofdstuk 9 (conclusies en aanbevelingen).