Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.5.1
7.5.1 Algemeen
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS506125:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Keirse 2003, p. 83-86. Zie ook Keirse & Jongeneel 2013, p. 35.
Dat de term ‘eigen schuld’ niet alle gevallen bestrijkt die op grond van artikel 6:101 BW tot vermindering van een schadevergoedingsverplichting kunnen leiden (zoals werd onderkend in Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 351), wordt veelal wegens de beknoptheid van deze term voor lief genomen. Zie Keirse & Jongeneel 2013, p. 3.
Dat wil zeggen, in de risicosfeer van de benadeelde ligt. Zie bijvoorbeeld HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1335, NJ 2002/54 m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 3.8.3 (Donkers/ Scholten) en HR 2 december 2002, ECLI:NL:HR:2005:AU5661, NJ 2006/444 m.nt. J.B.M. Vranken, r.o. 5.4.2 (Rijpma/Groot).
Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 350-352, HR 23 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL4084, r.o. 3.4.3 (Notaris/Kinderen) en HR 21 november 1940, NJ 1941/425 (Huurauto). Niet is vereist dat de omstandigheden die aan de benadeelde kunnen worden toegerekend ook zijn aansprakelijkheid zouden scheppen.
Zie bijvoorbeeld HR 23 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7193, NJ 2012/377 m.nt. P. van Schilfgaarde, r.o. 5.2 (Voûte en Van Wulfften Palthe/DNB).
Zie hierover Keirse 2003, p. 210 e.v. Bij de beantwoording van de vraag of de billijkheid – gelet op de persoonlijke en maatschappelijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken (artikel 3:12 BW) – een andere verdeling eist, moet rekening worden gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met alle andere omstandigheden van het geval, aldus HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1426, NJ 2002/214 m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 3.7.2 (Chan-a-Hung/Maalsté). Zie ook HR 5 december 1997, NJ 1998/400 m.nt. J. Hijma in NJ 1998/402, r.o. 3.7 (Terminus/ZAO). Vgl. verder HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3751, r.o. 3.6 (Snorkelongeval).
In de vorige paragraaf werd vooropgesteld dat het moeilijk is om algemene uitspraken te doen over de schade die voor vergoeding in aanmerking komt bij onjuiste informatieverstrekking. Evenmin is een gemene deler aan te wijzen in de gevallen waarin grond bestaat voor vermindering van de schadevergoedingsverplichting van de overheid omdat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Of daarvoor reden is, hangt onder meer af van de – in het individuele geval sterk uiteenlopende – aard, omvang en ontstaanswijze van de schade en van de invloed die de benadeelde daarop feitelijk heeft uitgeoefend of had kunnen en moeten uitoefenen. Niettemin is hierover in algemene zin het volgende te zeggen.
De grondslag voor de vermindering van een schadevergoedingsverplichting wegens ‘eigen schuld’ kan worden gevonden in artikel 6:101 lid 1 BW. Dit artikellid is niet eenvoudig te doorgronden:
‘Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.’
Uit deze formulering heeft Keirse vier stappen afgeleid voor de toepassing van artikel 6:101 lid 1 BW:1
de vaststelling dat de schade mede kan worden teruggevoerd op omstandigheden aan de zijde van de benadeelde,
de vaststelling dat die omstandigheden aan de benadeelde kunnen worden toegerekend,
de afweging in welke mate deze omstandigheden, in vergelijking met de aan de dader toe te rekenen omstandigheden, tot de schade hebben bijgedragen en
de beoordeling of de billijkheid een andere verdeling eist.
Kort gezegd gaat het om de elementen van (i) causaal verband, (ii) toerekenbaarheid, (iii) causaliteitsafweging en (iv) billijkheidscorrectie. De ingangsvoorwaarde voor toepassing van artikel 6:101 lid 1 BW is dus dat de schade in causaal verband staat met – niet alleen de onrechtmatige daad van de dader maar ook met – een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend (‘mede een gevolg is van’).2 Hierbij kan het gaan om handelen of nalaten van de benadeelde zelf, met andere woorden, ‘eigen schuld’3 van de benadeelde aan het ontstaan van de schade. Voor vermindering kan echter ook grond bestaan indien de schade het gevolg van een omstandigheid die (rechtens) voor zijn risico komt.4 Hierbij is beslissend of de benadeelde zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden had moeten doen.5
Na de vaststelling van causaal verband en toerekenbaarheid is de omvang van de vermindering van de schadevergoedingsverplichting van de dader primair afhankelijk van ‘de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen’. De schade wordt in evenredigheid met deze mate over de dader en de benadeelde verdeeld. Het gaat dus primair om een afweging van de wederzijdse causaliteit, met dien verstande dat de schadevergoedingsplicht geheel vervalt, indien de aan de overheid toe te rekenen omstandigheden die tot de schade hebben bijgedragen in het niet vallen – dat wil zeggen, te verwaarlozen zijn6 – ten opzichte van de omstandigheden die aan de burger zijn toe te rekenen. De billijkheid functioneert ten slotte als een correctief ten aanzien van de uitkomst van de causale verdeling. Volgens de tekst van artikel 6:101 lid 1 BW kan plaats zijn voor een billijkheidscorrectie ingeval van een uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, maar ook wegens de andere omstandigheden van het geval.7
Aan de hand van deze algemene uitgangspunten zal hierna een aantal – in de praktijk met enige regelmaat voorkomende – situaties worden besproken waarin grond kan bestaan voor de toepassing van artikel 6:101 lid 1 BW. Het gaat achtereenvolgens om het nalaten van de burger om zelf voldoende onderzoek te doen (paragraaf 7.5.2), het verstrekken van onjuiste informatie door de burger (paragraaf 7.5.3) en het voorbijzien aan een disclaimer (paragraaf 7.5.4).