Foutenleer
Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/13.4:13.4 De toepassing van de foutenleer bij andere belastingen
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/13.4
13.4 De toepassing van de foutenleer bij andere belastingen
Documentgegevens:
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS418077:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik beperk mij daarbij tot de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de dividendbelasting 1965, de Wet op de vermogensbelasting 1964, de Successiewet 1956, de Wet op de belastingen van rechtsverkeer, de Wet op de omzetbelasting 1968 en de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.
Zie onderdeel 10.11 van zijn conclusie.
Ik laat hier de mogelijkheid van vrijwillige betaling van de te weinig voldane of afgedragen belasting ongenoemd.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de vraag of de foutenleer ook bij andere belastingen dan de inkomsten- en vennootschapsbelasting kan worden toegepast1. Deze problematiek is nog niet aan de orde geweest in de literatuur.
Uit HR 6 oktober 1993, BNB 1995/99, kan worden afgeleid dat de foutenleer niet van toepassing kan zijn binnen de omzetbelasting. Het ging in deze zaak om een advocaat die voor de omzetbelasting aangifte deed naar het kasstelsel (artikel 26 Wet OB 1968). Dit houdt in dat hij omzetbelasting is verschuldigd op het moment dat de vergoeding voor zijn diensten wordt voldaan. In geschil was of de door hem ontvangen derden-gelden als een reeds ontvangen te belasten vergoeding voor zijn diensten moesten worden aangemerkt. De inspecteur meende dat deze gelden moesten worden aangemerkt als door belanghebbende ontvangen declarabele voorschotten, zodat daarover omzetbelasting was verschuldigd. Belanghebbende was van mening dat daarover nog geen omzetbelasting was verschuldigd, omdat de omzetbelasting pas na voltooiïng van de werkzaamheden zou zijn verschuldigd. Het Hof oordeelde:
Voor zover al is komen vast te staan dat bedragen vóór het tijdvak van de aanslag zijn ontvangen, heeft belanghebbende zich nog in deze procedure op het standpunt gesteld dat daarover nog geen belasting verschuldigd was omdat zijn werkzaamheden nog niet waren voltooid en de bestemming van die bedragen dus nog onzeker was. Naar belanghebbende heeft verklaard, heeft hij zich ook in het verleden op dit standpunt gesteld in zijn aangiften en tijdens controle. Nu dit standpunt onjuist is gebleken en aannemelijk is geworden dat de fiscus de feitelijke onjuistheid van belanghebbendes standpunt niet redelijkerwijs behoorde te onderkennen, dient belanghebbende het door hem tot nu toe foutief gehanteerde stelsel te corrigeren en alsnog de, mogelijk voor een deel reeds eerder verschuldigde, belasting te voldoen.
A-G Van den Berge merkt in zijn conclusie bij deze zaak op, dat deze oplossing ontleend lijkt te zijn aan de voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting gewezen jurisprudentie ten aanzien van de mogelijkheden tot het herstellen van fouten in balansposten (foutenleer)2. Overeenkomstig de conclusie van de A-G wordt de uitspraak van het Hof op dit punt door de Hoge Raad vernietigd op de grond
dat niet kan worden toegestaan dat belasting, verschuldigd wegens feiten gelegen buiten [het op het aanslagbiljet vermelde tijdvak van heffing], in de aanslag wordt begrepen (...).
Indien de foutenleer in de winstsfeer wordt toegepast voor het herstel van een in het verleden in het nadeel van de belastingadministratie begane onjuistheid, wordt in het oudste nog openstaande jaar alsnog een bedrag aan winst in aanmerking genomen dat op grond van een juiste wetstoepassing in een eerder jaar in de heffing had moeten worden betrokken. De verplichte toepassingsvolgorde van herstelmethoden (zie hoofdstuk 10), laat zulks overigens eerst toe nadat de andere herstelmethoden (navordering en de betaling van gewetensgeld) zijn uitgeput. BNB 1995/99 laat zien dat deze handelwijze bij de heffing van omzetbelasting niet mogelijk is. Daarmee zal de foutenleer evenmin kunnen worden toegepast bij de andere belastingen die op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen. De enige mogelijkheid om bij de toepassing van deze belastingen in het nadeel van de belastingadministratie gemaakte fouten te herstellen is naheffing3. De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar, waarin de belastingschuld is ontstaan. Vóór dit naheffingstijdvak in het nadeel van de belastingadministratie gemaakte fouten kunnen – anders dan door de betaling van gewetensgeld – niet worden hersteld.
De foutenleer kan mijns inziens evenmin worden toegepast in de sfeer van de Wet op de vermogensbelasting 1964 en de Successiewet 1956. Door het karakter van deze belastingen komt men niet terecht in een situatie, waarin beginselen die vergelijkbaar zijn met het totaalwinstbeginsel en jaarwinstbeginsel met elkaar conflicteren. Zo wordt de vermogensbelasting geheven naar het vermogen van de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar. Is het vermogen bij het begin van een voorgaand kalenderjaar onjuist berekend, dan heeft deze onjuistheid geen invloed op de heffing van vermogensbelasting in het oudste nog openstaande jaar. Er treedt geen foutenleer-situatie op.