Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.9.2.1
2.9.2.1 De lichte verhogingen van 5 en 10 procent
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS465693:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Zie Memorie van Toelichting (TK, vergaderjaar 1954-1955, 4080, nr. 3, p. 15).
Zie Voorlopig Verslag (TK, vergaderjaar 1954-1955, 4080, nr. 4, p. 4).
Zie Memorie van Antwoord (TK, vergaderjaar 1954-1955, 4080, nr. 5, p. 7). Later is vanuit de kamer nog geopperd om het maximum te verlagen naar ƒ 500. De minister vond echter dat daarvan te weinig preventieve werking vanuit zou gaan (TK, vergaderjaar 1956-1957, 4080, nr. 7, p. 7).
De regering geeft wel aan dat het verschil geen wijziging in de bestaande praktijk zal inhouden, omdat men voornemens is een ruime kwijtscheldingsbevoegdheid aan de inspecteurs toe te kennen (zie Memorie van Toelichting, TK, vergaderjaar 1954-1955, 4080, nr. 3, p. 17). Feteris is kritisch ten aanzien van het regeringsstandpunt dat een imperatieve verhoging voortvloeit uit het karakter van de verhoging (Feteris, M.W.C., 1993, p. 47).
Zie Voorlopig Verslag (TK, vergaderjaar 1954-1955, 4080, nr. 4, p. 5).
Zie Memorie van Antwoord (TK, vergaderjaar 1954-1955, 4080, nr. 5, p. 9).
Zie Van der Poel 1942, p. 297.
Zie Van der Poel 1942, p. 277.
In artikel 9, lid 3 AWR is een verhogingsbepaling opgenomen die vergelijkbaar is met de verhoging van artikel 52, lid 4 en 5 van het Besluit Inkomstenbelasting 1941 (zie onderdeel 2.7.2).1 De verhoging bedraagt 5 procent van het bedrag van de aanslag met een minimum van ƒ 5, indien de aangifte met betrekking tot een aangiftebelasting niet wordt ingediend naar aanleiding van de aanmaning.
Vanuit de kamer kwam de kritiek dat deze verhoging toch wel fors kon uitpakken bij ‘N.V.’s’. Ook vond men dat een lagere verhoging opgelegd moest kunnen worden, ‘al naar de ernst van het geval’.2 De regering pareerde deze kritiek door de verhoging te maximeren tot ƒ 1.000, maar ging daarbij niet in op de wens van de kamer om bij wet een lagere verhoging op te kunnen leggen wanneer de ernst van het geval dit met zich bracht.3
In verband met het niet (tijdig) nakomen van de betalingsverplichting van aangiftebelastingen kent de AWR een tweetal lichte verhogingen. De eerste betreft een verhoging van tien procent met een minimum van ƒ 5, wanneer de belasting te laat is betaald (artikel 22 AWR). Deze boete kan door de inspecteur worden opgelegd. De tweede verhogingsbepaling moet door de inspecteur worden toegepast bij naheffing van te weinig betaalde belasting en bedraagt 10 procent met een minimum van ƒ 5 (artikel 21, lid 1, tweede volzin, AWR). Waarom de wetgever heeft gekozen voor dit specifieke onderscheid tussen een ‘kan’- en een ‘moet’-bepaling bij verhogingen in de aangiftebelastingsfeer is mij niet geheel duidelijk. In de Memorie van Toelichting wordt wel ingegaan op dit bestaande onderscheid tussen de aanslag- en aangiftebelastingen, maar er wordt geen reden gegeven waarom in hoofdzaak wordt gekozen voor een systematiek waarbij alle verhogingen rechtstreeks vanuit de wet worden belopen.4 Hoewel de kamer had aangegeven dat deze regeling te dwingend is en dat in veel gevallen wordt volstaan met een veel lagere verhoging,5 heeft de minister toch gemeend vast te moeten houden aan het imperatieve verhogingensysteem door onder meer te verwijzen naar de uitkomsten van het onderzoek van de Commissie Van den Dries.6 Deze commissie had eerder geconcludeerd dat de administratie het bij het opleggen van verhogingen “(…) goed doet, n.l. dat zij let op alle omstandigheden, waarop ook de strafrechter let, dat haar beslissing dus in den regel een zelfde zal zijn als die van den strafrechter zou wezen”.7 In zoverre is de verwijzing van de regering naar het onderzoek van de Commissie Van den Dries te begrijpen. De commissie was echter ook van oordeel dat er naar gestreefd moest worden om het fiscale strafrecht, waartoe ook de verhogingsbepalingen werden gerekend, aan de algemene bepalingen van het Wetboek van Strafrecht aan te passen.8 De commissie achtte het juist te streven naar eenheid van beginselen op het gehele gebied van het strafrecht. Dat de administratie bij het opleggen van verhogingen naar het oordeel van de commissie juist tewerk ging, namelijk oordelen zoals een strafrechter dat zou doen, was derhalve niet zozeer dankzij maar meer ondanks de wettelijke, imperatieve verhogingsbepalingen. Het komt mij dan ook voor dat de regering bij haar verwijzing naar het onderzoek van de Commissie Van den Dries van een te beperkte uitleg van de uitkomsten van het onderzoek van deze commissie is uitgegaan.