Vgl. HvJ 14 april 2015, Mihai Manea, C-76/14, EU:C:2015:216, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
HR, 23-10-2026, nr. 25/00618
ECLI:NL:HR:2026:1728
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-10-2026
- Zaaknummer
25/00618
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:1728, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑10‑2026; (Cassatie)
- Vindplaatsen
NLF 2026/2260
NDFR Nieuws 2026/1632
Uitspraak 23‑10‑2026
Inhoudsindicatie
Bpm; Unierechtelijke klachten; is auto nieuw of gebruikt?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/00618
Datum 23 oktober 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 januari 2025, nr. 23/703, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 18/3435) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], als de Staat, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft conclusies van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
Uitleg begrip gebruikte personenauto in de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
2.1.1
Het Hof heeft – onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:78 en ECLI:NL:HR:2017:79 – geoordeeld dat voor de toepassing van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 onder een nieuwe personenauto moet worden verstaan een personenauto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest, en dat de omstandigheid dat een personenauto voorafgaand aan de overbrenging naar Nederland in een andere lidstaat op kenteken is gezet, niet betekent dat deze personenauto voor de heffing van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) moet worden aangemerkt als een gebruikte personenauto.
2.1.2
Middel I betoogt dat het Hof met dit op rechtspraak van de Hoge Raad gebaseerde oordeel de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de (on)verenigbaarheid van de heffing van registratiebelastingen met artikel 110 VWEU heeft miskend, in het bijzonder met betrekking tot de heffing van een registratiebelasting op ingevoerde motorvoertuigen die in een andere lidstaat geregistreerd zijn geweest. Het middel betoogt dat over het begrip “nieuw motorvoertuig” prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie moeten worden gesteld. Het middel verwijst naar punt 33 van de conclusie van de Advocaat-Generaal M. Szpunar van 10 februari 2015 in de zaak van Mihai Manea, C-76/14, ECLI:EU:C:2015:74, waarin is opgenomen voetnoot 27. Deze voetnoot luidt als volgt:
“Een voertuig geldt als nieuw wanneer het nog niet is geregistreerd.”
2.1.3
Artikel 110, eerste alinea, VWEU verbiedt elke lidstaat om op producten van de overige lidstaten hogere binnenlandse belastingen te heffen dan die welke op gelijksoortige binnenlandse producten worden geheven. Deze bepaling beoogt de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen producten die zich reeds op de binnenlandse markt bevinden en ingevoerde producten.1.Heffing van een registratiebelasting op uit andere lidstaten ingevoerde motorvoertuigen, ongeacht of deze nieuw of gebruikt zijn, is volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie geoorloofd, mits die heffing niet tot gevolg heeft dat uit andere lidstaten ingevoerde motorvoertuigen worden gediscrimineerd.
2.1.4
Bij toepassing van artikel 110 VWEU komt het dus erop aan vast te stellen dat ter zake van de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstig motorvoertuig niet méér bpm wordt geheven dan ter zake van gelijksoortige motorvoertuigen die in Nederland op het tijdstip van de registratie in de handel zijn. Motorvoertuigen worden beschouwd als gelijksoortige producten wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. Bij de beoordeling van die gelijksoortigheid moet worden uitgegaan van in de lidstaat in de handel zijnde motorvoertuigen die wat betreft kenmerken en eigenschappen het dichtst aanleunen bij die van de ingevoerde motorvoertuigen. De in de rechtspraak van het Hof van Justitie genoemde criteria zijn limitatief noch dwingend. Daarbij verdient opmerking dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat tussen twee op dezelfde datum voor het eerst in gebruik genomen motorvoertuigen, hoewel zij wat betreft eigenschappen en kenmerken als merk, model, type, en andere kenmerken zoals aandrijving, uitrusting of de ouderdom, overeenkomen, voor de heffing van een registratiebelasting niet per se gelijksoortig zijn, bijvoorbeeld wanneer zij verschillen in slijtage.2.
2.1.5
De hiervoor bedoelde rechtspraak van het Hof van Justitie laat buiten redelijke twijfel de lidstaten de ruimte om voor de heffing van een registratiebelasting onderscheid te maken tussen ongebruikte en gebruikte motorvoertuigen, mits binnen de desbetreffende categorie de registratiebelasting op gelijksoortige motorvoertuigen in gelijke mate drukt.3.De in de rechtspraak van het Hof van Justitie genoemde criteria bevatten geen aanwijzing dat de eerste registratie van een nieuw motorvoertuig voor de heffing van een registratiebelasting per definitie betekent dat zo'n voertuig vanwege die registratie heeft te gelden als een gebruikt motorvoertuig en (dus) vergelijkbaar is met een gebruikt, binnenlands motorvoertuig. De hiervoor in 2.1.2 vermelde, door Advocaat-Generaal Szpunar gegeven omschrijving, waarop het middel een beroep doet, noopt evenmin tot die conclusie. Dat een nog niet eerder geregistreerd motorvoertuig als nieuw geldt, hoeft niet te betekenen dat een wél geregistreerd motorvoertuig als gebruikt moet gelden.
2.1.6
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1.3 tot en met 2.1.5 is overwogen over de rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot de eisen die artikel 110 VWEU stelt aan de heffing van een registratiebelasting over uit een andere lidstaat ingevoerde motorvoertuigen, acht de Hoge Raad het buiten redelijke twijfel dat de lidstaten voor de heffing van een registratiebelasting een motorvoertuig dat in een andere lidstaat is geregistreerd om te worden toegelaten tot het verkeer op de weg, en daaropvolgend (nagenoeg) ongebruikt is overgebracht naar Nederland om te doen opnemen in het Nederlandse kentekenregister, te rekenen tot de groep ongebruikte motorvoertuigen. Het enkele feit van eerste registratie in een andere lidstaat dan Nederland is niet een specifiek kenmerk of een specifieke eigenschap van het ingevoerde motorvoertuig.In deze omstandigheden concurreren deze motorvoertuigen op de Nederlandse handelsmarkt met niet-gebruikte gelijksoortige motorvoertuigen ter zake waarvan in Nederland geen bpm is geheven.4.De heffing van bpm ontbeert in die situatie het door artikel 110 VWEU verboden discriminerende karakter tussen ingevoerde motorvoertuigen ten opzichte van gelijksoortige nationale motorvoertuigen, aangezien ook op alle in Nederland op de binnenlandse markt aangekochte, gelijksoortige nieuwe personenauto’s bij registratie wordt geheven naar hetzelfde tarief. Middel I faalt.
Verenigbaarheid van de Nederlandse regeling inzake proceskostenvergoeding in het bestuursrecht met het Unierecht
2.2.1
Middel II en middel III zijn gericht tegen het oordeel van het Hof dat de vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de fase van hoger beroep ter zake van het door de Inspecteur ingestelde incidentele hoger beroep wordt vastgesteld op de voet van artikel 2, lid 1, aanhef en letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) overeenkomstig de in de bijlage bij dat besluit opgenomen aanwijzingen. De middelen voeren aan dat belanghebbende op grond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aanspraak kan maken op een volledige vergoeding van de werkelijke kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, of iets wat die kosten ten minste sterk benadert. Het Hof mocht niet volstaan met een proceskostenvergoeding volgens het puntensysteem waarin het Besluit voorziet, omdat duidelijk is, aldus het middel, dat dit systeem slechts voorziet in een (zeer geringe) tegemoetkoming in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
2.2.2
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 4.8.2 tot en met 4.10.6 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Eerbiediging van de rechten van de verdediging
2.3.1
Middel IV bestrijdt het oordeel van het Hof dat de Inspecteur ten aanzien van belanghebbende niet het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd de – in cassatie niet bestreden – feiten dat belanghebbende in de fase voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag naar behoren is uitgenodigd voor een gesprek, maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Het middel steunt op de opvatting dat het in het Unierecht verankerde recht van eenieder om te worden gehoord voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, betekent dat het bestuursorgaan niet eerder mag beslissen dan nadat de belanghebbende zijn zienswijze mondeling naar voren heeft gebracht. Het middel klaagt erover dat de Hoge Raad bij het arrest van 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, deze opvatting heeft verworpen zonder het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie of dat oordeel in overeenstemming is met het recht van de Unie.
2.3.2
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 2.6.1 tot en met 2.6.4 van het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1494, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Verenigbaarheid van toepassing van de artikelen 19 en 20 AWR met artikel 110 VWEU op de markt van tweedehands motorvoertuigen
2.4.1
Middel VI klaagt over het oordeel van het Hof dat artikel 110 VWEU niet verbiedt dat indien eenmaal het belastbare feit van registratie van een vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht tweedehands motorvoertuig heeft plaatsgevonden, naheffing op de voet van artikel 20 AWR plaatsvindt.
2.4.2
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.4 van het arrest van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244 ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Betaling van vaste griffierechten als voorwaarde voor het verkrijgen van toegang tot de rechter
2.5.1
Middel VII klaagt over het oordeel van het Hof dat de wijze waarop in belastingzaken griffierechten worden geheven (te weten: vooraf) alsook de hoogte van die griffierechten niet in strijd is met het Unierecht.
2.5.2
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 3.1.1 tot en met 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Overige klachten
2.6
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten van de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Hierbij verdient opmerking dat wat betreft deze overige klachten het Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil in cassatie, dan wel voor zover het Unierecht dat wel is, al in voorgaande rechtsoverwegingen van dit arrest is uiteengezet waarom de Hoge Raad afziet van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑10‑2026
Vgl. HvJ 19 december 2013, X, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857, punten 23 en 24.
Vgl. HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1528, rechtsoverweging 2.4.3.
Zie HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1528, rechtsoverwegingen 2.4.1 tot en met 2.4.3, en aldaar aangehaalde rechtspraak.